03 Stadsnatuurkaart 2040 versie 2021
Tekst van het document
Stadsnatuurkaart 2040 (versie 2021) ‘De ecologische structuur van gemeente Tilburg’ Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Omdat er geen landelijke normen voor de hoeveelheid groen/ecologie in stedelijk gebied bestaan, heeft het college vijf jaar geleden de stadsnatuurkaart 2040 vastgesteld (als onderdeel van de agenda groen in de stad; vaststelling 19/07/2016). Samen met onze Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen zijn dit de huidige beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Na vijf jaar is een actualisatie nodig. Steeds vaker wordt spanning zichtbaar tussen de verschillende belangen die binnen een stedelijke ontwikkeling/project spelen, waarbij ‘zachtere’ waarden als natuur, gezondheid en klimaat een gelijkwaardige positie (dienen te) krijgen. Mede om ecologie/ groen op een duidelijke manier vroegtijdig onderdeel te laten uitmaken van de belangenafweging binnen een ruimtelijke ontwikkeling, wordt de stadsnatuurkaart 2040 geactualiseerd. De stadsnatuurkaart 2040 is hierbij uitgebreid met het buitengebied, beter leesbaar geworden en aangevuld met een maatvoering voor ecologie/groen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Hiermee wordt Tilburg die groene, klimaatbestendige en biodiverse stad met dorpen die wij ambiëren dat ze is.
1
Algemene kenmerken Hieronder worden de kwantitatieve maatvoeringen beschreven behorende bij de Stadsnatuurkaart2040 (versie 2021). Voor de kwalitatieve maatvoering van de ecologische structuren wordt verwezen naar de te actualiseren Nota Biodiversiteit (Q2 2022). Verschillende niveaus van ecologische structuren De ecologische structuren in Nederland bestaan uit een aantal verschillende niveaus. Op Europese schaal hebben we de Natura2000 gebieden, op landelijk en provinciaal niveau hebben we de NNN (Natuur Netwerk Nederland) en NNB (Natuur Netwerk Brabant) met hun eigen regelgeving. De verbindingen tussen deze gebieden bestaan uit EVZ’s (Ecologische VerbindingsZones). Een EVZ in het buitengebied bestaat uit; - gemiddeld 25 meter breed (2,5ha/km). Opgebouwd uit een smallere zone met stapstenen en ziet er daardoor uit als een kralensnoer. Een EVZ in het stedelijk gebied bestaat uit; - - gemiddeld 50 meter breed (5ha/km). Opgebouwd uit een smallere corridor met stapstenen en ziet er daardoor uit als een kralensnoer. Stadsnatuurkaart 2040: ecologische structuren Met de stadsnatuurkaart 2040 definiëren we de ecologische structuren op gemeentelijk niveau. Hierbij wordt de systematiek van de EVZ’s doorgetrokken.
Ecologische structuren: De gemeentelijke ecologische structuren bestaan uit drie verschillende ordes: • 1e orde: dit zijn de belangrijkste binnenstedelijke ecologische structuren die in het stedelijk gebied lopen en veelal een directe verbinding hebben met buitengebied: o.a. kanaal en spoor. - gemiddeld 20 meter breed* (2ha/km) met een minimale breedte van 15 meter op maaiveld. • 2e orde: de binnenstedelijke ecologische dooradering van de stad. - dit is de gemiddeld 15 meter breed* (1,5ha/km) met een minimale breedte van 10 meter. • 3e orde: het fijnmazige stedelijke ecologische netwerk. - gemiddeld 10 meter breed* (1ha/km) met een minimale breedte van 5 meter. Invloedsfeer-zone Rondom alle ecologische gebieden en structuren ligt een ‘invloedsfeer-zone’ waarvoor geldt dat ontwikkelingen in deze zone geen negatieve effecten mogen hebben op het functioneren van deze gebieden en structuren. * De breedte van een verbinding in de gemeentelijke ecologische structuur geldt op maaiveldniveau. Binnen een verbinding mag sprake zijn van een opdeling in bijvoorbeeld berm en middenberm (eventueel onderbroken door bijv. een weg) die gezamenlijk deze breedte halen tot een maximum van 4 opdelingen en een minimale breedte van 1 meter per opdeling.
Bij een eventuele reconstructie van de weg of andere ingreep wordt bij deze gemeentelijke ecologische structuren getracht te komen tot één verbindingszone die minimaal de gewenste breedte heeft.
Ecologische corridor: - Voor een ecologische corridor geldt dat deze gemiddeld 5 meter breed* is (0,5ha/km) en mag onderbroken worden; - Een corridor bestaat uit verschillende groene plekjes op maaiveldniveau (bijv. ‘vergroende’ lantaarnpaal, geveltuin, boom, berm, voortuin, plantsoen) waarbij de maximale onderlinge
2
-
afstand 30 meter mag zijn; In een corridor liggen op maximaal 300 meter van elkaar grotere groene plekken. Deze groene plekken hebben een oppervlak van minimaal 200m2.
Indien bij het schetsontwerp (of al eerder in het proces) van een ruimtelijke ontwikkeling de maatvoering van de stadsnatuurkaart 2040 niet gehaald wordt (en dit binnen het project niet op te lossen valt), stelt het projectteam een integraal advies op. In dit advies worden botsingen tussen verschillende belangen omschreven en wordt er een eindadvies (incl. afweging) opgesteld. Het advies van de omgevingscommissie, dat nu al standaard onderdeel uitmaakt van het proces bij ruimtelijke plannen, draagt hierbij bij aan de integrale advisering. Afhankelijk van de aard van de afwijking wordt besloten al dan niet af te wijken van de stadsnatuurkaart 2040. • bij ondergeschikte afwijkingen van de maatvoering waar het functioneren van de ecologische structuur voor de desbetreffende doelsoorten niet achteruitgaat, wordt na raadpleging van de Stuurgroep Stedelijk Ontwikkeling (of in de toekomst een soortgelijk gremium) ambtelijk namens het college in mandaat besloten of er wel of niet afgeweken mag worden van de stadsnatuurkaart 2040; • daar waar de maatvoering niet gehaald wordt en ook het functioneren van de ecologische structuur voor de desbetreffende soorten achteruit gaat, legt het college een advies voor aan de gemeenteraad. De raad neemt uiteindelijk het besluit om wel of niet af te wijken van de stadsnatuurkaart 2040.
Als er niet voldaan kan worden aan de stadsnatuurkaart, dient de ecologie/groen dat verloren gaat gecompenseerd te worden. Uitgangpunt hierbij is dat het aantal m2 groen dat verloren gaat elders in Tilburg, bij voorkeur in de nabije omgeving, wordt gecompenseerd. Afwijkingen en voorstellen voor (her)plant dienen altijd door een ecoloog getoetst te zijn. Door het processchema dat bij de stadsnatuurkaart 2040 hoort te volgen, wordt er bij tegenstrijdige belangen in een vroegtijdig stadium opgeschaald. Randvoorwaarden Inrichting bij ruimtelijke ontwikkelingen Naast een maatvoering om de hoeveelheid groen/ecologie bij ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen borgen, is het ook van belang dat de inrichting bijdraagt aan biodiversiteit. Daarom zijn de volgende randvoorwaarden van toepassing: A. inrichting ecologische structuren, stapstenen en ecologische corridors Bij de inrichting van ecologische structuren, stapstenen en ecologische corridors gelden onderstaande regels: ✓ Bomenrijen of lanen moeten bestaan uit meerdere soorten; ✓ Plantvakken van 1 soort zijn niet groter dan 50 m2. Afwijken van bovenstaande inrichtingseisen is mogelijk (bijv. vanuit cultuurhistorie of ruimtelijke afweging), maar met instemming van college. B: Randvoorwaarden beplanting en kruiden- en bloemenmengsel1: Beplanting dient een bijdrage te leveren aan biodiversiteit.
De planten moeten deel uitmaken van de potentiële natuurlijke vegetatie. Dit zijn de planten die hier van nature thuishoren. Indien dit niet mogelijk is, dienen de planten in ieder geval voedsel te bevatten voor de aanwezige fauna. Dit zijn meestal planten die bloeien met enkelvoudige bloemen. Deze planten bevatten stuifmeel en nectar2
1 Onderdeel van uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit, vastgesteld door college in april 2012. 2 Met uitzondering van windbestuivers.
3
voor veel insecten. Na de bloei geven deze planten vaak vruchten dat als voedsel dient voor voornamelijk vogels. ▪ 1e keuze: inheemse beplanting; ▪ 2e keuze: klonen (geen gevuldbloemigen) van inheemse beplanting; ▪ 3e keuze: uitheemse soorten die enkelvoudige bloemen bevatten. Voor kruiden- en bloemenmengsels geldt: ▪ Buiten de bebouwde kom: alleen inheemse kruiden- en bloemenmengsels; ▪ Binnen de bebouwde kom: een inheems kruidenmengsel of een mix van inheems en uitheems kruidenmengsel. Door een mix van beiden kan er een langere bloeiperiode zijn, meer natuurbeleving, ook uitheemse kruiden- en bloemenmengsels kunnen een bijdrage leveren aan de biodiversiteit.
4
5