03 Staat van wijzigingen
Tekst van het document
Staat van wijzigingen bestemmingsplan Groeseind 2017, 3e herziening (Veldhovenring 37-39) Regels 1. Ambtshalve wordt in 3.5 van de regels het volgende artikel toegevoegd om de aanleg en instandhouding van de binnentuin en de daktuinen te verzekeren: 3.5.1 Voorwaardelijke verplichting binnentuin en daktuin a. Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie is uitsluitend toegestaan indien de binnentuin en daktuin aangelegd worden conform een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan en blijvend worden onderhouden en in stand worden gehouden. b. Ter bescherming van het lokale klimaat en ten behoeve van verkoeling van de directe omgeving bevat de inrichting bomen die samen tenminste 175 m² aan kroonbedekking bieden in volgroeide staat. c. Het inrichtingsplan zoals bedoeld onder a worden zo spoedig mogelijk na de bouw gerealiseerd, doch uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen (november tot februari), en wordt blijvend onderhouden en in stand gehouden. 2.
3.5.1 Strijdig gebruik wordt vernummerd: 3.5.3 Strijdig gebruik
3.
Aan 3.5.3 Strijdig gebruik wordt sub j toegevoegd: j. het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie indien het inrichtingsplan niet volledig wordt gerealiseerd dan wel niet volledig in stand wordt gehouden.
Toelichting De tekst in paragraaf 4.9.2 onder het kopje Soortenbescherming wordt als volgt gewijzigd: Soortenbescherming Op 6 september 2021 is een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 12 Quickscan flora en fauna). In de nok van het dak zijn nissen aanwezig die in potentie geschikt zijn als nestplaats voor (half)holenbroedende vogels zoals de huismus. Elders op het terrein is geen geschikte bebouwing aanwezig voor gebouwbewonende vogelsoorten, hiervoor ontbreken invliegopeningen en de ruimten onder de dakpannen zijn niet toegankelijk. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk ‘algemene’ soorten tot broeden komen. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied en in de omgeving geen huismussen waargenomen. Doordat het veldbezoek is uitgevoerd buiten het broedseizoen is het niet mogelijk om aanwezigheid van deze soort uit te sluiten. De tuin binnen het plangebied biedt voldoende dekking en foerageergelegenheid voor deze soort. Door gebruik te maken van de gemeentelijke gebiedsontheffing voor gebouwbewonende soorten kan de sloop binnen de kaders van de Wet Natuurbescherming worden uitgevoerd.
Voorwaarde is dan dat er nog een ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en een plan voor natuurinclusief bouwen wordt uitgewerkt voor de gebouwbewonende soorten waarvoor de gebiedsontheffing van toepassing is. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed‐ en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel‐ en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. Het te slopen gebouw bevat geen geschikte rust‐ en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort, door het ontbreken ven geschikte invliegopeningen. De scheuren in de muren lopen niet door, rondom de platte daken
zijn geen kieren die als openingen kunnen dienen en de nokpannen en de delen onder de goot liggen in het cement. Echter het aangrenzende pand Groeseindstraat 110 (trafo-gebouw) heeft overstekende gevelpannen die wel geschikt zijn als invliegopening voor gewone dwergvleermuis. Doordat direct tegen dit gebouw aangebouwd wordt, zouden deze potentieel geschikte verblijfplaatsen ongeschikt worden. Ook voor gewone dwergvleermuis kan gebruik gemaakt worden van de gemeentelijke gebiedsontheffing. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Gezien de binnenstedelijke ligging, de beperkte omvang en het relatief stenige habitat, bevat het plangebied geen essentieel habitat voor kleine marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil‐ of nestplaats voor een steenmarter. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen. De aanwezigheid van een das en andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant‐ en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000‐gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de provinciale natuurbeschermingsregels uit de Interim Omgevingsverordening (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen: • Voor de sloop van de bestaande bebouwing wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke gebiedsontheffing. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt een ecologisch werkprotocol ter goedkeuring voorgelegd, en tevens een plan voor natuurinclusief bouwen voor de gebouwbewonende soorten waarvoor de gebiedsontheffing van toepassing is.
• Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.