CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Aangepaste bijlagen verpachtingsvoorwaarden Tilburgse kermis

Raadsvergadering 14 november 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: I-Raadsvoorstel en Evaluatie kermis 20227.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlagen bij de verpachtingvoorwaarden Tilburgse Kermis Bijlage 1: Opbouw van de attractie 1. Zonder toestemming van de gemeente mag niet eerder met de opbouw worden begonnen dan dinsdag voor de Tilburgse Kermis om 20.00 uur. Met uitzondering van het Besterdplein; op dit terrein mag de opbouw pas van start gaan op de woensdag voorafgaand aan de kermis vanaf 14.00 uur. De opbouwvolgorde is als volgt vastgesteld: ◼ opbouw grootvermaak, kijkwerk en kinderzaken vanaf dinsdagavond 20.00 tot 22.00 uur en op woensdag vanaf 07.00 tot 22.00 uur; met uitzondering van het Besterdplein; hier mag de opbouw pas van start gaan op woensdagmiddag vanaf 14.00 uur tot 22.00 uur; ◼ opbouw oefeningsspelen, diversen en consumptieve zaken vanaf woensdagmiddag 14.00 uur; ◼ dagelijkse starttijd opbouwactiviteiten 07.00 uur; ◼ dagelijkse eindtijd opbouwactiviteiten 22.00 uur; ◼ in de nachtelijke uren (tussen 22.00 en 07.00 uur) mag niet gebouwd worden. ◼ Bij bepaalde temperaturen tijdens de opbouw gelden andere dagelijkse starttijden en eindtijden, een en ander zoals weergegeven in het hittescenario in het Maximumstelsel 2023. ◼ Het college is bevoegd van de hiervoor genoemde tijdstippen in voorkomende gevallen af te wijken. 2. Vóór het tijdstip van opbouw mogen alle wagens nergens anders worden geparkeerd dan op het parkeerterrein dat hiervoor door het college is aangewezen. 3.

Tijdens de opbouwperiode dient in het algemeen het gemotoriseerde verkeer (dienstverlenend verkeer en/of verkeer t.b.v. bevoorrading) langs de pleinen doorgang te vinden, zodat het onnodig in gebruik nemen van de rijbanen vermeden wordt. Bij het staken van de opbouwwerkzaamheden dienen de rijbanen vrijgemaakt te worden. Materiaal- en vrachtwagens mogen niet langer dan voor een behoorlijke lossing of lading nodig is op het kermisterrein blijven staan. De aanwijzingen, door of namens de hoofdcommissaris van politie en door of namens de gemeente Tilburg in het belang van het verkeer te geven, dienen onmiddellijk en stipt te worden opgevolgd. 4. De aanwijzing van de standplaatsen gebeurt namens het college door daarvoor aangewezen ambtenaren. Voordat begonnen wordt met de opbouwactiviteiten moet de exploitant zich eerst melden bij het kermisteam. Wordt dit verzuimd en wordt van start gegaan met de opbouw, dan is dit geheel op eigen risico van de exploitant. 5. Het voor de plaatsing van de inrichting aangewezen terrein moet worden aanvaard in de toestand, waarin het zich bevindt bij de ingebruikname. 6. Geen standplaats mag worden bezet:

a. dan nadat deze door de gemeente is aangewezen; b. tot een ander doel dan waarvoor zij uitgegeven is; c. dan nadat is aangetoond, dat de plaats door de exploitant zelf of door een bij deze in dienst zijnde bedrijfsleider wordt bezet. 7. Het is verboden de inrichting van de openbare ruimte te beschadigen dan wel open te breken. 8. Het is verboden om attracties op welke wijze dan ook (bijvoorbeeld door het slaan van pennen of pinnen) in de bestrating van de pleinen te verankeren. 9. Onmiddellijk na de opbouw moeten de materiaal-, pak- en voorraadwagens e.d. van de kermisterreinen verwijderd zijn. 10. De exploitanten zijn verplicht al die maatregelen te nemen die een veilige opbouw van hun attractie waarborgen, daaronder begrepen de veiligheid van toeschouwers en werknemers. Bij de opbouw dient hiervoor door de exploitant de ruimte die hiervoor benodigd is afgezet te worden in het kader van de veiligheid.. 11. Indien de gemeente overgaat tot het laten uitvoeren van een opstellingsinspectie, is de exploitant verplicht hieraan medewerking te verlenen en de personen die hiermee belast zijn toe te laten tot hun attractie. 12. Alle op of nabij de kermisterreinen gelegen middenspanningsstations alsmede schakel-, verdeel-, sectie en meetkasten van Enexis dienen altijd voor groot materieel vrij bereikbaar te blijven. 13.

Het straatmeubilair van Enexis mag niet worden gebruikt als onderdeel van de attracties of als hulpmiddel bij het opbouwen of afbreken ervan. 14. De gegeven aanwijzingen door daartoe door of namens het college aangewezen functionarissen dienen steeds stipt te worden opgevolgd. Tijdens de opbouwperiode dient de calamiteitenroute te allen tijde vrijgehouden te worden. Indien de standplaats verblijft in de milieuzone, dient de exploitant indien hij de zone wil bereiken met een vrachtwagen die niet voldoet aan de gestelde eisen, in het bezit te zijn van een dagontheffing. Exploitant dient hiertoe zelf een aanvraag te doen. De hieruit voortvloeiende kosten komen voor rekening van de exploitant. 15. De mogelijkheid bestaat dat er op of aansluitend aan de kermis een foodcorner met biologische, glutenvrije en vegetarische producten wordt gecreëerd dan wel dat er kramen vanuit de wekelijkse markt aansluiten.

Bijlage 2: Openstelling van de attracties 1. De attracties dienen tijdens de kermis dagelijks vanaf 12.00 uur voor het publiek open te zijn; rekening houdend met het gestelde in de Zondagswet. Daarnaast is de openingstijd op de eerste kermisvrijdag vastgesteld op 15.00 uur. De sluitingstijden zijn voor alle dagen, bepaald op 01.00 uur, met uitzondering van de laatste dag van de kermisperiode, waar de sluiting is gesteld op 24.00 uur. De horecalocatie Stadhuisplein op het pleingedeelte NS mogen op beide kermiszaterdagen geopend zijn tot 02.00 uur. Overige consumptieve zaken op deze dagen tot 01.30 uur. Voor laatstgenoemde zaken is openstelling op de zaterdagen tussen 01.00 en 01.30 uur zonder geluid. Indien het hittescenario, zoals weergegeven in het Maximumstelsel 2023 van kracht is, kunnen deze tijden wijzigen. 2. Ieder, aan wie een standplaats is toegewezen, is verplicht deze te bezetten met de attractie, waarmee werd ingeschreven, en deze attractie voor de duur van de kermis in bedrijf en na zonsondergang bovendien verlicht te houden. Wordt dit verzuimd, dan kan het college een sanctie toepassen zoals vermeld in artikel 18 van de verpachtingvoorwaarden. 3. Kinderzaken dienen tot sluitingstijd van de kermis geopend en verlicht te zijn. 4. Het college is bevoegd van de hiervoor genoemde tijdstippen in voorkomende gevallen af te wijken. 5.

De exploitanten blijven onder alle omstandigheden aansprakelijk voor de veiligheid van het publiek dat zich in hun attractie bevindt. Zij zijn verplicht ervoor te zorgen, dat het personeel van hun attractie al die maatregelen treft, die redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht tot waarborging van die veiligheid. 6. Daar, waar zich op het beschikbaar gestelde terrein zodanige niveauverschillen voordoen, dat hout voor het maken van vlonders of oploopvloeren nodig is, dient de exploitant hier zelf voor zorg te dragen. De kosten hiervan komen voor rekening van de exploitant. 7. Tijdens de kermis dient de calamiteitenroute te allen tijde vrijgehouden te worden.

Bijlage 3: Exploitatiebeperkingen 1. Te behalen prijzen of premies mogen niet bestaan uit geld, alcoholhoudende dranken, messen, (steek) wapens, alle voorwerpen die geschikt zijn voor bedreiging en alles waarvan het bezit of het gebruik in strijd is met de wet. Mini-bikes en alle andere prijzen met benzinemotoren zijn toegestaan mits deze zonder benzine afgeleverd worden. Ook het uitgeven van nepartikelen is verboden. Indien dummy's als prijs worden uitgegeven, dient dit duidelijk aan het publiek kenbaar te worden gemaakt; een en ander ter beoordeling van het college. 2. Bij het gebruik van een punten- of bonnensysteem moet in de attractie op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats worden vermeld welke prijzen bij welke puntenaantallen beschikbaar worden gesteld. 3. Het is verboden in de attractie vertoningen in strijd met de goede zeden te houden of handelingen in strijd met die reden toe te laten. 4. Het is alle houders met uitzondering van die van de consumptieve zaken, verboden hierin consumptieartikelen of andere voorwerpen te verkopen of uit te geven of zulks toe te staan en in, bij of naast hun attractie automaten te hebben, tenzij hiervoor expliciet toestemming is verleend door of namens het college. 5. Het is voor alle attracties verboden waren te verkopen waarmede niet is ingeschreven. 6. Een 'kop van jut' mag uitsluitend met slaghoedjes worden geëxploiteerd.

7. Het ten gehore brengen van mechanische muziek vanuit de kermisinrichting buiten de openingsuren van de kermis is verboden. Verdere geluidsvoorschriften zijn weergegeven in Bijlage VII. 8. Op de kermis zijn geen attracties met dieren toegestaan. 9. Rit- en deelnameprijzen en consumptieprijzen dienen op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats vanuit de kassa dan wel kermisinrichting te worden aangegeven. Dit geldt voor ALLE attracties. 10. Attracties die exploiteren zonder bezetting dienen voorzien te zijn van naam en telefoonnummer voor het geval dat de attractie in storing valt. Het publiek kan in dit geval direct contact opnemen met de eigenaar. 11. Bevoorrading op en via het kermisterrein kan dagelijks geschieden tot 12.45 uur. Het is slechts toegestaan om met elektrisch vervoer, via een hub of elektrisch vervoer via de leverancier te bevoorraden. 12. Exploitanten van attracties vallende onder de categorie Grootvermaak, Kijkwerk en Kinderzaken, consumptieve zaken en oefeningspelen zijn verplicht om op dinsdag, woensdag en donderdag tijdens de kermis tussen 13.00 en 18.00 uur te draaien voor een gereduceerd tarief, zoals met de betreffende exploitant is afgesproken tijdens de verpachtingfase; 13.

Exploitanten van ALLE attracties zijn verplicht om deel te nemen aan acties die gedaan worden ten behoeve van de kermis; zoals winkeliersactie, acties voor het goede doel, acties in het kader van de kermis nieuwe stijl en acties met een promotioneel karakter. 14. Exploitatie van containerzaken (oefeningsspelen) dient plaats te vinden onder de overkapping (ter grootte van de afmetingen van de container); het bijplaatsen van losse automaten is niet toegestaan;

15. Een buitenbar van een consumptieve attractie moet op 2 meter afstand staan van de publieksloop; verkoop van drank aan passanten is niet toegestaan; 16. Voor het plaatsen van een dj of het houden van een activiteit OP een attractie dient 1 maand voor aanvang van de kermis een schriftelijk verzoek tot toestemming worden ingediend. Beoordeling van het verzoek is aan het college. 17. De exploitant moet medewerking verlenen aan maatregelen die worden getroffen in het kader van duurzaamheid in de breedste zin van het woord. 18. Exploitant is verplicht het gebruik van plastic afval voor de exploitatie van zijn attractie te minimaliseren. 19. Exploitant dient geen schade aan te brengen aan het aanwezige groen op het kermislint. Eventuele aangebrachte schade wordt bij de betreffende exploitant in rekening gebracht.

Bijlage 4: Toelating tot de inrichting De exploitanten, aan wie een standplaats is toegewezen, zijn altijd verplicht tot hun attracties toe te laten: de burgemeester, de wethouder belast met de portefeuille kermisaangelegenheden, de hoofdcommissaris van Politie, de directeur van Enexis, de commandant van de Brandweer, de ambtenaren die namens het college met de controle op de naleving van deze voorwaarden zijn belast en de ambtenaren die namens het college belast zijn met de organisatie van de kermis.

Bijlage 5: afbraak kermis 1. Met het afbreken van de attracties mag niet eerder worden begonnen dan op maandag na afloop van de kermis vanaf 07.00 uur. Vóór dat tijdstip mogen geen wagens bij de attracties worden geplaatst; op zondagavond na sluiting van de kermis ( van 24.00 tot 01.00 uur) is het slechts toegestaan om in de attractie afbraakwerkzaamheden te verrichten met dien verstande dat hierdoor geen (geluid) overlast wordt veroorzaakt voor de omgeving. Het is verder niet toegestaan in de nachtelijke uren afbraakwerkzaamheden te verrichten. Deze mogen slechts plaatsvinden vanaf 07.00 (eindtijd 22.00 uur). 2. Bij bepaalde temperaturen tijdens de afbraak gelden andere dagelijkse starttijden en eindtijden, een en ander zoals weergegeven in het hittescenario opgenomen in het Maximumstelsel 2023. 3. De attracties en wagens moeten geheel verwijderd en de standplaatsen daarna vrij van opstal in de staat waarin zij bij de aanvang van de plaatsing van de inrichting verkeerden, aan de gemeente opgeleverd zijn, uiterlijk op dinsdag na afloop van de kermis om 12.00 uur; bij gebreke van een en ander geschiedt het ontruimen en het in de vorige staat brengen van het gebruikte terrein door de gemeente voor rekening van de exploitant. 4. Het college kan schriftelijk toestemming geven om af te wijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Daarnaast is het college gemachtigd om, ter bevordering van de afbraak, bepaalde attracties toe te staan eerder met de afbraak van start te gaan. 5. Tijdens het afbreken van de attracties dient de calamiteitenroute te allen tijde vrijgehouden te worden. Mocht dit niet het geval zijn, dan dient de exploitant per omgaande de organisatie van de kermis hiervan in kennis te stellen. Ook dient de exploitant ervoor zorg te dragen dat in het kader van de veiligheid de ruimte die benodigd is voor de afbraak wordt afgezet.

Bijlage 6: Elektra- en watervoorziening, reiniging 1. De exploitanten, aan wie een standplaats is toegewezen en die voor hun inrichting elektriciteit nodig hebben, moeten deze betrekken van de gemeente Tilburg. In voorkomende gevallen kan hiervan ontheffing verleend worden en toestemming verkregen worden voor het in werking stellen van een eigen aggregaat. 2. De aansluitingen van de attracties e.d. worden verzorgd door een in opdracht van de gemeente Tilburg aangewezen stroomleverancier. 3. Deze verkrijgt het recht om vóór de aanvang van de kermis waarborgsommen in te vorderen van de exploitanten. Deze waarborgsommen zijn in grootte afhankelijk van de zwaarte van de aansluiting en het geschatte elektriciteitsverbruik. 4. De stroomleverancier brengt - na eigen meting - de werkelijke kosten van aansluiting en het stroomverbruik in rekening aan de exploitanten. Het tarief voor het elektriciteitsverbruik voor de kermis 2023 bedraagt € 0,23. 5. Onmiddellijk na beëindiging van de kermis verrekent deze de aan hem betaalde waarborgsommen met het werkelijke verbruik c.q. de totaalkosten. 6. De gemeente zal op het terrein nabij het Laar de aansluiting op het elektriciteitsnet van de woon/ slaapwagens verzorgen. 7. De kosten van stroomlevering vanaf de aansluiting is voor rekening van de exploitant. 8.

De stroomvoorziening voor de attracties en dergelijke zal worden aangehouden tot dinsdag nà de kermis te 16.00 uur en voor de woonwagens tot en met woensdag nà de kermis te 12.00 uur. Aansluitvoorwaarden en dergelijke 1. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt op de betreffende locaties elektrische energie geleverd in de vorm van 3 fasen wisselstroom laagspanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 400 Volt tussen de fasen en van 230 Volt tussen de fasen en nul bij het vijf geleidersnet. 2. Lichtinstallaties met een aansluitwaarde van minder dan 5 kVA mogen op één fase worden aangesloten. Bij een aansluitwaarde van 5 kVA of meer moeten de installaties gelijkelijk over 3 fasen zijn verdeeld. 3. Elektrische installaties voor de laag spanning moeten, onverminderd het overige in of krachtens de aansluitvoorwaarden elektriciteit bepaalde, voldoen aan NEN 1010 "installatievoorschriften voor laagspanningsinstallaties" met inbegrip van de daarin aangebrachte of nog aan te brengen wijzigingen en aanvullingen of aan de daarvoor in de plaats tredende bepalingen. 4. De spanning van elektrische toestellen in de kermisinrichtingen mag zonder uitdrukkelijke toestemming van de directie van Enexis niet meer dan 300 Volt tegen aarde bedragen. De voornoemde directie is bevoegd in dit geval speciale eisen te stellen. 5.

Een attractie mag niet voor het publiek toegankelijk gesteld worden, voordat door de exploitant een goedkeuringsbewijs van de elektrische installaties is overgelegd. Verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de exploitant. 6. De exploitant is verplicht om minimaal 50 meter kabel aan zijn attractie te hebben. Wordt hierin verzuimd dan kunnen de hieruit voortvloeiende kosten in rekening bij de exploitant worden gebracht.

Watervoorziening 1. Voor regelmatige verstrekking van water of een mogelijkheid tot watervoorziening zal door de gemeente worden gezorgd. 2. Verantwoordelijkheid van de kwaliteit van het water vanaf het standstuk tot aan de inrichting c.q. woonwagen ligt bij de kermisexploitant (legionella). Reiniging kermisterrein en het Laar of andere daarvoor aangewezen terreinen 1. Tijdens de periode van opbouw en afbraak en gedurende de openstelling van de attracties dient de reiniging van de attractie en haar onmiddellijke omgeving op deugdelijke wijze door de exploitanten zelf te geschieden. Gemeente stelt afvalcontainers ter beschikking op verzamelpunten op het kermis terrein en ‘t Laar. De exploitant dient zorg te dragen voor tijdige en correcte deponering van de afvalstoffen in de daartoe aanwezige afvalcontainers (dat betekent dat het niet gedeponeerd mag worden in de bezoekerscontainers/afvaleilanden). De exploitant is verplicht zijn afval te scheiden in de daarvoor bestemde verzamelpunten voor exploitanten containers (restafval en papier/karton). De exploitant dient dagelijks de containers naar het dichtstbijzijnde verzamelpunt te brengen en na lediging weer op te halen. Afvalcontainers worden niet afzonderlijk bij de attractie/woonwagen geledigd. Het bovenstaande geldt ook voor het woonwagendorp het Laar of andere daarvoor aangewezen terreinen. 2.

De reiniging (die in opdracht van de gemeente wordt uitgevoerd) vangt dagelijks aan om 07.00 uur; door de exploitanten dient bij deze reiniging desgevraagd medewerking te worden verleend om de reiniging steeds vóór 10.00 uur te kunnen beëindigen. Exploitant is verplicht het afval in daarvoor bestemde containers op de verzamelpunten te deponeren (dat betekent dat het niet gedeponeerd mag worden in de bezoekerscontainers / afvaleilanden). Los pakvuil wordt niet geaccepteerd. 3. Tijdens de opbouw- en afbraakperiode dienen de exploitanten hun afval te verzamelen en naar een daarvoor aangewezen verzamelpunt te brengen. 4. Materialen die gebruikt worden voor de aankleding / uitstraling van de attractie dienen door de exploitant zelf te worden afgevoerd. Lozen vloeibare afvalstoffen 1. Vloeibare afvalstoffen (fecaliën daaronder niet begrepen) moeten vanuit geparkeerde woonwagens geloosd worden in nabij gelegen trottoirkolken uitsluitend met behulp van slangen, die van voldoende lengte en stevigheid zijn. Daarbij dient er op te worden toegezien, dat de straat op generlei wijze wordt verontreinigd. 2. Onder alle stoom- en elektrische machines, alsmede onder alle toestellen, werktuigen en machinerieën, waarvan olie, benzine of dergelijke kan afdruipen, moet een voorziening worden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van de bodem.

Bijlage 7: (Brand)veiligheidsvoorschriften 1. Het college kan voor circussen, tenten, spelen, kramen en dergelijke inrichtingen, die tijdelijk worden opgericht, ter voorkoming van brandgevaar en ongelukken eisen stellen omtrent: a. de samenstelling van buiten- en omtrekwanden; b. de plaatsing, samenstelling, afmeting en bescherming van trappen en zitplaatsen en de bevestiging van deze laatste; c. de afmeting van hout- en ijzerwerk in verband met de hechtheid van genoemde inrichtingen. 2. Variététheaters en gesloten attracties met een grotere oppervlakte dan 50 m² moeten, behalve de toegangen, tenminste 1 nooduitgang hebben, met een doorgangsbreedte van 1,10 meter. Eventueel aangebrachte trappen moeten tenminste 1,10 breed zijn, een optrede van maximaal 20 cm en een aantrede van minimaal 20 cm. hebben en aan beide zijden zijn voorzien van stevig bevestigde leuningen. In de hier bedoelde inrichtingen moeten de zitplaatsen voor het publiek zodanig zijn opgesteld, dat aan beide zijden van deze opstelling een vrije doorgang van tenminste 0,60 meter aanwezig is. 3. In of nabij elke kermisattractie dient een blustoestel met een inhoud van tenminste 6 kg ABC-poeder, 6 liter sproeischuim dan wel 5 kg koolzuursneeuwblusser aanwezig te zijn, afhankelijk van de soort van inrichting.

De blustoestellen moeten in goede staat van onderhoud verkeren, steeds bereikbaar en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. De blustoestellen moeten tenminste eenmaal per twee jaar door een deskundige(R.E.O.B. erkend) worden gecontroleerd. 4. De sfeerverlichting van en aan circussen, tenten, spelen, kramen en dergelijke inrichtingen, mag slechts geschieden door middel van elektriciteit. 5. Onverminderd het bij deze voorwaarden bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een kermisattractie voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt. a. Per woonwagen, caravan, en dergelijke mogen niet meer dan 2 propaan- of butaangasflessen aanwezig zijn. De waterinhoud van elke propaan of butaangasfles mag niet meer dan 26 liter bedragen. b. Alle gasflessen bij de attractie moeten zodanig zijn opgeslagen, dat de gasflessen niet voor het publiek bereikbaar zijn en bij brand gemakkelijk kunnen worden verwijderd. c. De propaan- of butaangasflessen moeten tegen zonnestraling of andere hittebronnen zijn beschermd. d. Gasflessen moeten rechtop staan, met de afsluiter/kraan naar boven. e.

De verbindingsslang (en) tussen de propaan- en butaangasflessen en de baken/of kooktoestellen en overige gasinstallaties moet(en): ▪ geschikt zijn voor propaan dan wel butaan en voorzien zijn van een jaartal en een aanduiding dat deze geschikt is voor butaan dan wel propaan. Een slang moet voldoen aan de NEN-EN1763:2001; ▪ met behulp van slangklemmen zijn bevestigd en ongespannen zijn aangelegd; ▪ zodanig zijn aangebracht, dat zij niet aan ontoelaatbare temperatuurinvloeden of mechanische beschadigingen worden blootgesteld; ▪ zo kort mogelijk worden gehouden. 6. Bij variététheaters, filmtheaters en dergelijke moet nood- en transparant-verlichting aanwezig zijn conform de paragrafen 5.2 tot en met 5.6 van de NEN EN 1838, uitgave 19. De transparantverlichting dient bij het uitvallen van de netspanning op te lichten en,

tezamen met de noodverlichting, ten minste 60 minuten een effectieve verlichtingssterkte van 1 lux te geven. De vluchtwegaanduiding moet conform de NEN 6088, zijn aangebracht. Transparant- en noodverlichting dient ten minste één maal per jaar door een ter zake kundige te worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig te worden gerepareerd. 7. Het is verboden op of over een brandkraan of een brandput (nortonboring) voorwerpen of stoffen te plaatsen of te hebben, waardoor het onmiddellijk gebruik daarvan kan worden belemmerd. 8. Voor het vullen van ballonnen mag slechts gebruik worden gemaakt van lucht of helium. De met helium gevulde cilinders moeten tegen opwarming door zonnestraling en tegen omvallen zijn beschermd. Het vullen van ballonnen mag niet in een gebouw plaatsvinden. Gevulde ballonnen mogen uitsluitend buiten worden opgeslagen. Aanwijzingen, door of namens de commandant van de Brandweer met betrekking tot de veiligheid van het publiek gegeven, moeten stipt worden opgevolgd. Brandveiligheidsvoorschriften bakwagens en bakkramen 1. Voor de opstelling van bakwagens en bakkramen gelden de volgende opstellingseisen: ▪ Frituren in oliën en vetten voor geheel blinde gevels is toegestaan; mits deze een brandwerendheid bezitten van minstens 60 minuten.

▪ Frituren in oliën en vetten voor gevels met ramen is slechts toegestaan bij een minimale afstand van 5,00 m uit de gevel, zowel naar links als naar rechts. ▪ Minimale afstand bij frituren op gas is 5 meter uit de gevel, onderlinge afstanden is 2 meter. ▪ Voor overige bouwsels geldt een afstand tot de gevel van 2.5 meter. ▪ In de afstanden hierboven genoemd, tellen luifels / overstekken / overkappingen ook mee. 2. In de mobiele bakwagen en bakkraam mogen niet meer butaan- of propaanflessen aanwezig zijn dan welk gelijktijdig kunnen worden aangesloten , elk met een waterinhoud van maximaal 26 liter. 3. De verbinding tussen de butaan- of propaanflessen en de bak- of braadtoestellen moet bestaan uit een koperen leiding of uit een goedgekeurde hoge druk slang. Deze hoge druk slangen tussen de flessen en de bak- of braadtoestellen moeten voldoen: ▪ aan het gestelde in de NEN-EN1763:2001; ▪ zijn vervaardigd van synthetisch rubber met een of meer staaldraad en of textielinlagen (slangen moeten GIVEG gekeurd zijn); ▪ met behulp van deugdelijke slangenklemmen vast aan de flessen en aan de bak- en braadtoestellen zijn bevestigd en vrij en ongespannen zijn aangelegd; ▪ zodanig zijn aangebracht dat zij op geen enkele wijze aan ontoelaatbare temperatuurinvloeden of mechanische beschadigingen worden blootgesteld; ▪ zo kort mogelijk worden gehouden. 4.

Bij de mobiele bakwagen en bakkraam mogen niet meer gasflessen aanwezig zijn dan voor het dagelijks gebruik noodzakelijk is..

5. Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmedium niet boven 200 °C kan oplopen. Nabij een frituurtoestel is voor iedere frituurbak een passend metalen deksel aanwezig waarmee de bakken in geval van brand worden afgedekt. 6. Binnen een afstand van 0,30 m van de afvoerleiding voor de bakdampen en de afvoerleiding voor verbrandingsgassen, mogen geen brandbare stoffen aanwezig zijn, tenzij deze bekleed zijn met een onbrandbaar en slecht warmtegeleidende materiaal. 7. De verbrandingsgassen van de bak- en braadtoestellen moeten door middel van afvoerleidingen van onbrandbaar en hittebestendig materiaal worden afgevoerd. De wand- of dak-doorvoeringen moeten zijn uitgevoerd met een dubbelwandige nisbus. 8. De bakinstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd dat door overkoken, over de rand of door kieren om de rand, olie of vet niet in de verbrandingsruimte kan komen. 9. Een eventueel opgesteld gaskomfoor moet zijn opgesteld op een plaat van onbrandbaar en slecht warmte geleidend materiaal. Deze plaat dient schoon en vrij van vet en/of olie te zijn. 10. Het draagvlak onder de baktoestellen moet ten minste 0,10 m buiten de toestellen onbrandbaar zijn, dan wel zijn bekleed met een onbrandbaar en de warmte slecht geleidende materiaal.

De wanden, in de nabijheid waarvan toestellen zijn geplaatst, moeten 0,30 m buiten het toestel op dezelfde wijze zijn bekleed. 11. In elke mobiele bakwagen en bakkraam moet tenminste één blustoestel met een minimale inhoud van 6 kilogram dan wel 6 liter zijn aangebracht. 12. Voor verwarmingsdoeleinden mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van propaan, butaan of elektriciteit. Het gebruik van spiritus en benzine is verboden. LPG mag uitsluitend worden toegepast in een LPG-dampgassysteem dat als zodanig gemonteerd, gekeurd en gecertificeerd is volgens de norm NEN-EN 1949:2011+A1:2013 of de NPR2577:2006. 13. Materiaal dat gebruikt wordt voor de wanden en het dak van de bakkraam dient minimaal te voldoen aan het gestelde overeenkomstig brandklasse 2 van de NEN 6065:1991. 14. Aankleding en versiering mogen geen brandgevaar opleveren. Het materiaal voldoet als het ontbrandbaar is of de aankleding een na-vlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.

Geluidsvoorschriften 1. Voor aanvang van de kermis stelt het college het maximale geluidsniveau vast. 2. Het geluidsniveau voor de attractie wordt gemeten op 1 meter afstand van de geluidsbox. 3. Het is niet toegestaan om een muziekinstallatie en andere geluidsapparaten te gebruiken buiten de reguliere openingstijden van de kermis behoudens voor het afstellen en testen op de eerste dag van de kermis gedurende maximaal een half uur. 4. Geluidsboxen zijn zodanig aangebracht, dat het voortgebracht geluid naar beneden of naar het midden van attractie is gericht en niet richting de gevel van woongebouwen of andere geluidgevoelige bestemmingen. 5. Het college kan nadere voorwaarden stellen ter beperking van geluidsoverlast waaronder het verplicht gebruik van geluidsbegrenzers. 6. Indien vanaf de zijde van de gemeente centrale muziek verplicht is gesteld, is de exploitant verplicht hieraan zijn medewerking te geven. 7. Aanwijzingen van medewerkers van de gemeente en/of politie moeten direct worden opgevolgd. 8. Bij overtreding van de geluidsvoorschriften gelden de sanctiebepalingen in de verpachtingsvoorwaarden. Contactpersonen 1. Tijdens de opbouw, de duur dat u uw attractie exploiteert en de afbraak moeten de door u opgegeven contactpersonen altijd telefonisch bereikbaar en bij uw attractie aanwezig zijn: Algemeen 1.

U moet voorkomen dat omwonenden, (ambulante) ondernemers en eventuele aangrenzende bedrijven overlast van deze werkzaamheden ondervinden. 2. U moet eventuele opdrachtnemers voorzien van een exemplaar van de nadere voorwaarden. 3. In het belang van de openbare orde, het verkeer en/of de veiligheid kunnen in het kader van bijvoorbeeld calamiteiten en onvoorziene omstandigheden aanwijzingen gegeven worden door bevoegde ambtenaren van de gemeente. Deze aanwijzingen moeten onmiddellijk en stipt opgevolgd worden. Indien hieraan niet wordt voldaan, kan een en ander door of vanwege de gemeente geschieden op kosten van u.

4. Kabels, leidingen en koppelingen moeten zorgvuldig zijn afgedekt met rubbermatten of gelijkwaardige alternatieven. 5. De toegangen of uitgangen van belendende gebouwen mogen niet worden versperd of belemmerd. 6. Er mogen geen voorstellingen en/of voordrachten worden gegeven welke door een persoon of een groep van personen als schokkend of krenkend kunnen worden ervaren en/of een gevaar voor verstoring van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid kunnen inhouden. Bereikbaarheid voor hulpdiensten 1. Bereikbaarheid en toegankelijkheid omgeving van de attractie zijn voor ambulances en voertuigen van politie en brandweer gegarandeerd door een aan -en afvoerroute van minimaal 4 meter breed en 4.5 meter hoog. 2. Alle voorwerpen en voorzieningen op of aan het terrein dienen bereikbaar te zijn middels een vrije doorgang van 4,5 meter breed en 4.2 meter hoog. 3. Brandkranen en een eventuele EHBO-post moeten volledig worden vrijgehouden en voor onmiddellijk gebruik bereikbaar zijn. 4. De vrije doorgang van en naar aangrenzende straten moeten ten behoeve van brandweervoertuigen en hulpverleningsvoertuigen volledig gehandhaafd blijven. 5. Geplaatste afzettingen moeten in voorkomend geval direct verwijderbaar zijn om zodoende de hulpverleningsdiensten een vrije doorgang te verlenen. Activiteit gebonden voorschriften Drank en Horeca 1. U moet drank in kunststof bekers schenken. 2.

Alcoholhoudende drank mag uitsluitend vertrekt worden onder onmiddellijke leiding van een persoon die voldoet aan de vakbekwaamheidseisen ingevolge artikel 8, tweede en vierde lid van de Drank- en horecawet. Voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken is ontheffing (ingevolge artikel 35 van de Drank- en Horecawet) vereist. 3. Het is strikt verboden om alcoholhoudende drank aan jongeren onder de 18 jaar te verstrekken.

Voorwerpen Voor de volgende voorwerpen gelden extra voorwaarden: Podium 1. Aanwezigheid van een gebruiksplan, de ontwerptekeningen, het technisch constructiedossier, het op- en afbouwplan en de gebruiksinstructie conform NPR 8020-50, de leverancier levert dit aan. 2. Het typeschild conform de NPR 8020-50 dient aanwezig te zijn. 3. Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed. 4. De toegangen of uitgangen van belendende gebouwen mogen niet worden versperd of belemmerd. 5. Het podium en daarbij behorende accessoires dienen van een dermate kwaliteit te zijn, dat dit materiaal bij brand zo min mogelijk aan de brandvoortplanting bijdraagt (minimaal brandklasse 2 van de in de NEN 6065 bedoelde bijdrage tot brandvoortplanting). Dit dient middels een certificaat aan de controlerend ambtenaar aangetoond te worden. 6. Podia welke bestaan uit enkel een verhoogde vloerconstructie mogen, met in acht name van de bereikbaarheid brandkranen, tegen de gevel worden geplaatst. 7. Er moeten minimaal 2 draagbare blusmiddelen aanwezig zijn. Deze blusmiddelen dienen in goede staat van onderhoud te verkeren, goedgekeurd te zijn en dienen te voldoen aan het gestelde in de NEN 2559. Hekken 1. Hekken dienen geplaatst te worden volgens afspraken met gemeente Tilburg. 2.

Indien hekwerk bekleed wordt, moet dit ten minste voldoen aan de brandvoortplantingsklasse A of B en druppelvormingsklassse d0 volgens NEN–EN 13501-1, of gelijkwaardig volgens onderstaande tabel. De leverancier kan dit aanleveren met een certificaat. Voorzieningen Toilet De volgende voorwaarden zijn van toepassing bij de toiletvoorziening: 1. De toiletten dienen regelmatig geïnspecteerd en schoongemaakt te worden. 2. In de onmiddellijke nabijheid van een toilet dient een op het waterleiding aangesloten handwasvoorziening aanwezig te zijn.

Veiligheidsmaatregelingen 1. U moet er voor zorgen dat gediplomeerde bedrijfshulpverleners aanwezig zijn (dus ook bij opbouw en afbraak). Deze personen moeten toezicht houden op de brandveiligheid, het vrijhouden van de vluchtwegen en de toegankelijkheid voor de (externe) hulpdiensten. 2. Indien inzet EHBO’ers door het college zinvol wordt geacht, dan wordt het gewenste aantal aan u opgelegd. Zij dienen te allen tijde herkenbaar en bereikbaar te zijn en dus op de hoogte gesteld te kunnen worden wanneer er vraag naar hulpverlening is (portofoons en/of gsm). 3. Indien er sprake is van het optreden van (vermoedelijk) een infectieziekte, dient u dit te melden bij de GGD. In overleg met de arts infectieziekten van de GGD wordt bepaald, welke maatregelen er moeten worden genomen. 4. Voor het melden van infectieziekten kunt u tijdens kantooruren bellen naar 076 - 52 82 000 (GGD West-Brabant) of 073 - 64 04 074 (GGD Hart voor Brabant). Buiten kantooruren kunt u bellen met 0900 - 367 67 67. 5. De beveiliging moet gebeuren door een erkend beveiligingsbedrijf. Het gewenste aantal beveiligers wordt aan u doorgegeven.

VOORWAARDEN EN BEPALINGEN I

BRANDVEILIGHEID

Algemeen 1. Er dient te allen tijde te worden voldaan aan Besluit brandveilig gebruik en de basishulpverlening overige plaatsen (BGBOP) 2. De inrichting moet geschieden in overeenstemming met de goedgekeurde (situatie-) tekening(en). 3. Er is niet getoetst op de constructieve veiligheid. 4. Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. 5. Indien de activiteit in een gebouw gehouden wordt, waarvoor een omgevingsvergunning brandveilig gebruik of gebruiksmelding is afgegeven, zijn de gebruikseisen genoemd in deze omgevingsvergunning of gebruiksmelding onverkort van toepassing. U dient zich op de hoogte te stellen van de inhoud van deze vergunning of melding en moet zich aan de voorschriften van deze vergunning of melding houden.

II

Vrijhouden van terreingedeelten en bereikbaarheid 1. De rijbaan en/of de calamiteitenroute moet over een breedte van 4,5 meter vrij blijven. De vrije hoogte boven de rijbaan en/of calamiteitenroute moet ten minste 4,20 meter zijn. 2. Een (tijdelijk) bouwwerk is tot op ten minste 10 meter door hulpverleningsvoertuigen met een as-last van 10 ton onbelemmerd te benaderen. Dit kan spelen bij bijvoorbeeld een doodlopende straat. Er kan dan van de eis van de vrije rijbaan afgeweken worden als de eis van 10 meter maar gehaald wordt. 3. Een aan te leggen calamiteitenroute moet zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van 15 ton. 4. 1,80 meter rondom ondergrondse en bovengrondse brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen, zoals geboorde putten, moet worden vrijgehouden. 5. Afzettingen moeten in het geval van een calamiteit door u snel verwijderd kunnen worden om een vrije doorgang voor de hulpverleningsdiensten te waarborgen. 6. Het aansluitpunt van een droge stijgleiding en de bijbehorende (dichtstbijzijnde) brandkraan moet vrijgehouden worden. Het blusvoertuig van de brandweer moet binnen 15 meter van zowel deze brandkraan als dit aansluitpunt kunnen komen.

7. Bij samenvallen van het terrein met vluchtwegen en nooduitgangen van andere objecten mogen er geen obstakels geplaatst worden in de nabijheid van vluchtwegen en nooduitgangen. 8. Bij gebouwen waarbij het redvoertuig als tweede vluchtweg dient, moet de vrije rijbaanbreedte 4,5 meter breed zijn en het redvoertuig naast dit gebouw opgesteld kunnen worden. 9. Ook tijdens de op- en afbouwperiode moet de bereikbaarheid gegarandeerd blijven voor de hulpdiensten.

III

Uitgangen en vluchtroutes van het terrein De aanwezigen moeten in twee richtingen kunnen vluchten. 1. Een deur of een hek in de vluchtroute wordt bij aanwezigheid van personen uitsluitend zodanig gesloten, dat de deur of het hek ten behoeve van deze personen van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. 2. Kabels welke op de grond liggen dienen beschermd te zijn en wel zodanig dat niet over de kabels gestruikeld kan worden en dat deze niet beschadigd kunnen worden. 3. De beloopbaarheid van de vluchtroute tot aan de openbare weg moet zodanig zijn dat struikelen en vallen wordt voorkomen. Het ontvluchten van een bouwsel naar het terrein / buiten dient over de volledige breedte te worden vrijgehouden.

IV

Tenten 1. Er dient te allen tijde te worden voldaan aan de NEN 8020-41. 2. De loopafstand in de tent naar de dichtstbijzijnde uitgang bedraagt maximaal 30 meter. 3. Het tentzeil moet ten minste voldoen aan de brandvoortplantingsklasse A of B en druppelvormingsklassse d0 volgens NEN–EN 13501-1, of gelijkwaardig volgens onderstaande tabel. De tentleverancier kan dit aanleveren met een certificaat.

Tabel 2.1: brandklassen tentzeil Norm Klasse NEN-EN 13501-1 B DIN 1402-1 B1 NF P92-503

M²

Herkomst Europa Duitsland Frankrijk

Druppelvormig d0 Moet vermeld worden in rapport (brennendes Abtropfen) Moet vermeld worden in rapport

1. Een tent van meer dan 25 m2 moet voldoen de norm: NEN 8020-41:2012: De tentleverancier kan dit aanleveren met een certificaat. 2. De afstand tussen een tent en een ander (tijdelijk) bouwwerk moet ten minste 5 meter bedragen, tenzij: 3. de tent tegen een blinde onbrandbare gevel geplaatst wordt, of: 4. de gezamenlijke oppervlakte van een tent en één ander (tijdelijk) bouwwerk minder dan 1000 m² bedraagt, mag een tent tegen dat (tijdelijk) bouwwerk zijn geplaatst, mits dit geen afbreuk doet aan de vluchtmogelijkheden. 5. Bij gesprinklerde- en risico-objecten is de afstand tussen de tent en het object ten minste 10 meter of er is een brandwerende scheiding van minste 60 minuten. 6. De tuien/scheerlijnen van de tent moeten zodanig zijn aangebracht dat de vluchtwegen en uitgangen hierdoor op geen enkele wijze worden belemmerd. V.

Inrichting - Elektrische installaties en toestellen 1. Bij gebruik van verlengsnoeren dienen deze geheel afgerold te zijn. 2. Kabels en snoeren moeten in geval deze over de straat/het terrein moeten lopen met rubberen matten of gelijkwaardig worden afgedekt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen. 3. Een (nood-) stroomaggregaat dient rondom minimaal 5 meter vrijgehouden te worden.

VI

Inrichting - (Mobiele) ruimteverwarmingstoestellen 1. Het is verboden een ruimteverwarmingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert. 2. Ruimteverwarmingstoestellen dienen volgens de voorschriften van de fabrikant te worden opgesteld, bevestigd en gebruikt.

3. Een verbrandingstoestel mag niet binnen een inrichting gebruikt worden tenzij de vrijkomende rookgassen worden afgevoerd naar de buitenlucht door een uitsluitend voor dit doel bestemde leiding. VII.

Inrichting - Roken en open vuur 1. Kaarsen, toortsen en dergelijke moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare standaards zijn vastgezet. Vuurkorven moeten op een stevige ondergrond geplaatst zijn zodat ze niet om kunnen vallen. 2. Algemene voorschriften voor het opbouwen en ontsteken van open vuren en vuurkorven: 3. De plaats waar gestookt wordt, moet een onbrandbare ondergrond hebben en ontdaan zijn van brandbare begroeiing over een afstand van 3 meter rond het vuur. 4. Met het opbouwen van een brandstapel of het aanleggen van een voorraad hiervoor mag niet eerder begonnen worden dan op de dag van afsteken, indien er geen toezicht aanwezig is. 5. Het verbranden van een brandstapel moet geschieden op vrij terrein. De minimale afstand tot woningen en andere (tijdelijke)bouwsels, openbare weg, hoogspanningsmasten of –lijnen moet voldoen aan onderstaande tabel: Hoogte Breedte brandstapel Brandstapel 1 m 2 m 3 m 4 m 1m 4 6 7 8 2m 8 10 11 3m 12 14 4m 16 5m 6m 7m 8m 9m 10 m

5m 9 13 16 18 20

6m 10 14 17 20 22 24

7m 10 15 18 21 24 26 28

8m 11 16 19 22 25 28 30 32

9m 11 17 20 23 27 29 32 34 36

10 m 12 18 21 24 28 31 34 36 38 40

De voet van de brandstapel moet breder zijn dan de hoogte i.v.m. de stabiliteit. De minimale afstand tot bos, hei, vee, rieten kap en opslag brandgevaarlijke stoffen moet voldoen aan onderstaande tabel; Oppervlakte van het vuur 2 - 20 m2 30 - 50 m2 200 m 250 m

50 - 100 m2 300 m

< 200 m2 400 m

1. Het verbranden van allerlei afvalstoffen is verboden.

< 300 m2 450 m

2. Het vuur mag niet ontstoken worden met (vloei)stoffen zoals aardolieproducten. 3. Wanneer de windsnelheid groter is dan 10 m/s oftewel groter dan windkracht 4 mag het vuur niet worden ontstoken. 4. Er moet een brandblusser van minimaal 6 kg/liter en een blusdeken ter plaatse aanwezig zijn om vuur c.q. vuurresten te kunnen doven. 5. Het aanleggen, stoken en branden van het vuur dient te geschieden onder toezicht van tenminste 1 meerderjarig persoon. Deze dient aanwezig te zijn tijdens de voorbereidingen en het stoken en branden. Na afloop draagt hij/zij zorg voor het doven en verwijderen van resten. 6. Voor het verlaten van de locatie door de vergunninghouder moet het vuur geheel zijn gedoofd. 7. Deze voorschriften dienen altijd bij een van de toezichthouders op de stookplaats aanwezig te zijn en dient op verzoek van de controlerende ambtenaar van de brandweer getoond te worden. VIII. Inrichting - Bekleding, stoffering en versieringen 1. Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn niet toegestaan. 2. Feestversiering, waaronder kerstversiering: zie NVBR folder 118 feestversiering . 3. Indien hekwerk bekleed wordt, moet dit ten minste voldoen aan de brandvoortplantingsklasse A of B en druppelvormingsklassse d0 volgens NEN–EN 13501-1, of gelijkwaardig volgens onderstaande tabel. De leverancier kan dit aanleveren met een certificaat.

Tabel 2.1: brandklassen tentzeil Norm Klasse Herkomst NEN-EN 13501-1 B1 Europa

IX.

DIN 1402-1

B1

Duitsland

NF P92-503

M²

Frankrijk

Druppelvormig d0 Moet vermeld worden in rapport (brennendes Abtropfen) Moet vermeld worden in rapport

Inrichting - Opstelling van inventaris 1. Bij meer dan 100 zitplaatsen en meer dan 4 rijen, zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang. 2. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,40 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. 3. Een rij zitplaatsen aan een doodlopend einde heeft niet meer dan 8 zitplaatsen. 4. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:

16 zitplaatsen indien de vrije ruimte als bedoeld in het derde lid niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is; 32 zitplaatsen indien de vrije ruimte als bedoeld in het derde lid groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is; 50 zitplaatsen indien de vrije ruimte als bedoeld in het derde lid groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is. X.

Inrichting - Afval 1. Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. 2. Voor iedere voorstelling moet de ruimte onder de tribunes van papier en ander afval zijn ontdaan. 3. Containers en afvalbakken staan minimaal vijf meter van niet-blinde gevels vandaan.

XI.

Maatregelen - Kleine blusmiddelen 1. In een (tijdelijk) bouwwerk moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Het aantal blustoestellen berekent men als volgt: oppervlakte van de tent delen door 200, uitkomst naar boven afronden, met een minimum van één blustoestel van minimaal 6 kg/liter. 2. Een draagbaar blustoestel moet duidelijk zichtbaar opgehangen en gemakkelijk bereikbaar zijn aangebracht, voor direct gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren. 3. Ten minste eenmaal per twee jaar wordt het nodige onderhoud aan een aanwezig draagbaar of verrijdbaar blustoestel verricht, conform artikel 6.31 lid 4 van het bouwbesluit. 4. Na gebruik van een blustoestel moet dit direct gevuld c.q. vervangen worden. Dit geldt ook indien het blustoestel niet geheel leeg is.

XII.

Maatregelen - Brandveiligheidsinstructie/ontruimingsplan aanwezig 1. De organisatie moet maatregelen treffen voor een adequate ontruiming bij calamiteiten en legt dit vast in een veiligheids- of calamiteitenplan. In dit calamiteitenplan zijn deze maatregelen voor ontruiming en interne organisatie opgenomen. 2. Tijdens de hele activiteit moet een voor de ontruiming en interne calamiteitenorganisatie verantwoordelijke persoon aanwezig zijn en beschikbaar bij calamiteiten.

3. Alle personeel dient door de eigen organisatie instructies te krijgen over “hoe te handelen bij calamiteit”. XIII.

Maatregelen - Noodverlichting/vluchtwegaanduiding aanwezig Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding van het terrein 1. Alle nooduitgangen en vluchtroutes van het terrein moeten worden gemarkeerd door vluchtrouteaanduidingen (pictogrammen) 2. De pictogrammen moeten voldoen aan norm NEN-EN-ISO 7010 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de NEN-EN 1838. 3. Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats. De minimale hoogte van de onderkant van de aanduiding ten opzichte van de vloer is 1,8 meter. 4. Indien het terrein na zonsondergang wordt gebruikt: Moet de vluchtrouteaanduiding elektrisch verlicht worden; Moet een vluchtrouteaanduiding binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende een periode van ten minste 60 minuten voldoen aan de zichtbaarheidseisen, zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van NEN-EN 1838. Moet op het gehele terrein noodverlichting zijn aangebracht zodat bij stroomuitval een redelijke oriëntatie mogelijk is;

XIV. Versiering en inrichting 1. Decors, versieringen, bekledingen etc. moeten zijn vervaardigd van moeilijk ontvlambare materialen die geen grotere brandvoortplantingsbijdrage hebben dan klasse 2 zoals omschreven in NEN 6065 en geen groter rookgetal dan 2,2 m-1 zoals omschreven in NEN 6066. 2. Open vuur in de vorm van onder meer kaarsen, lantaarns en lampionnen is in en in de nabijheid van het object niet toegestaan. 3. Aankleding en versiering mogen geen brandgevaar opleveren. Het materiaal voldoet als het ontbrandbaar is of de aankleding een na-vlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden. 4. Gevelversiering tot een hoogte tot 2,5 meter boven het aangrenzende trottoir dient te voldoen aan een Bijdrage tot Brandvoortplanting van minimaal klasse 2, overeenkomstig NEN 6065. 5. Gevelversiering vanaf een hoogte van 2,5 meter boven het aangrenzende trottoir mag een Bijdrage tot Brandvoortplanting bezitten dat hoger is dan klasse 2. Het gebruik van gemakkelijk ontvlambare materialen zoals tempex is echter niet toegestaan. 6. In en rond het object mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van elektrische verlichting welke zodanig aangebracht dient te worden, dat de armaturen niet in aanraking kunnen komen met brandbare materialen.

Bij niet nakoming van de in deze bijlage genoemde voorwaarden gelden artikelen 17 en 18 van de Voorwaarden voor het uitgeven van de standplaatsen voor de kermis in de binnenstad 2023.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12002052/2