02 Notitie behandeling zienswijze bp Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herz
Tekst van het document
Notitie behandeling zienswijzen bestemmingsplan ‘Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel, 2e herziening' Het ontwerpbestemmingsplan 'Biezenmortelsestraat 57 Biezenmortel 2e herziening' heeft van maandag 31 mei 2021 tot en met 12 juli 2021 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Zienswijzen konden worden ingediend door een ieder. Bij de gemeente zijn gedurende de periode van tervisielegging 3 zienswijzen ingekomen. De zienswijzen zijn tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. Hierna volgt een zakelijke puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijzen en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijze; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. N.B.: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen geanonimiseerd weergegeven. Zienswijze 1: DLV Advies namens eigenaren Verhoeven Melkgeiten, Biezenmortelsestaat 34 Biezenmortel 1.
2.
Zienswijze – een onderzoek naar voor- en achtergrondgeurbelasting geur ontbreekt
Het bestemmingsplan maakt een geurgevoelig object op minder dan 50 meter van een bestaand dierenverblijf behorende bij het bedrijf van reclamant mogelijk. Volgens de toelichting op het plan wordt het bedrijf van reclamant reeds beperkt door de aanwezigheid van een dichterbij gelegen geurgevoelig object aan de Biezenmortelsestraat 36. Dit is volgens reclamant onjuist. Zij wijst er op dat de woning aan de Biezenmortelsestraat 36 een voormalige bedrijfswoning betreft behorende bij en varkenshouderij, waarmee het beschermingsniveau van deze woning is vastgesteld op een vaste afstand van 50 meter ter opzichte van de inrichting. Nu aan deze afstand wordt voldaan is de woning Biezenmortelsestraat 36 niet de beperkende factor voor de bedrijfsontwikkeling van het bedrijf van reclamant. Reclamant is van mening dat, nu het test- en innovatiecentrum op minder dan 50 meter van het dichtstbijzijnde dierverblijf wordt gerealiseerd, een geurberekening moet worden opgesteld, waaruit blijkt dat het bedrijf van reclamant niet onevenredig belemmerd wordt. Daar komt bij dat cumulatie van geur niet inzichtelijk is gemaakt. Er wordt verwezen naar het geurbeleid van de (voormalige) gemeente Haaren. Een achtergrondgeurberekening had echter voor de hand gelegen om te bepalen of sprake is van een (redelijk) goed woon- en leefklimaat.
Reactie gemeente
Het test- en innovatiecentrum hoeft niet aan te worden gemerkt als een geurgevoelig object, omdat er geen permanent menselijk verblijf, of een daarmee te vergelijkbare wijze van gebruik, plaats vindt. Om te borgen dat het test- en innovatiecentrum niet als een geurgevoelig object gebruikt kan worden, zal op de verbeelding de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geurgevoelige objecten uitgesloten’. In de regels wordt geregeld dat ter plaatse van deze aanduiding geurgevoelige objecten niet zijn toegestaan. Hier kan van worden afgeweken wanneer een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, bijvoorbeeld middels een geuronderzoek naar voor- en achtergrondgeur.
Conclusie
In het bestemmingsplan worden ter plaatse van het test- en innovatiecentrum geurgevoelige objecten uitgesloten.
Zienswijze – er is in het bestemmingsplan geen aandacht geschonken
De provincie Noord-Brabant heeft het Amendement ‘tijdelijk moratorium geitenhouderij’ behandeld en de Verordening ruimte op dit punt aangepast. Ontwikkeling van dierenverblijven bij
aan het geitenmoratorium
geitenhouderijen worden hierbij uitgesloten. Vanwege de omgekeerde werking dient bij nieuwe ontwikkelingen af te worden gewogen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij het voornemen tot het bouwen en oprichten van gevoelige bestemmingen binnen een afstand van 2 kilometer tot geitenhouderijen. De provincie stelt dat binnen 2 kilometer geen nieuwe gevoelige objecten mogen worden opgericht zonder dat daarvoor de effecten en risico’s op de volksgezondheid in beeld zijn gebracht. Nu in de toelichting op het bestemmingsplan in het geheel geen aandacht is geschonken aan het geitenmoratorium is het bestemmingsplan onzorgvuldig voorbereid.
Reactie gemeente
Terecht merkt reclamant op dat in de toelichting op het bestemmingsplan het geitenmoratorium niet wordt genoemd. Wij zullen hier alsnog aandacht aan besteden. Het college heeft op 14 mei 2019 de Beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Voor nieuwe woningbouwinitiatieven binnen 2 km van een geitenhouderij worden regels en voorwaarden gesteld. Daarnaast worden de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. Bedrijven worden niet gezien als een gevoelige bestemming, zoals bedoeld in het geitenmoratorium.
Conclusie
In de toelichting op het bestemmingsplan zal aandacht worden besteed aan het geitenmoratorium.
Conclusie De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan, in die zin dat in het bestemmingsplan de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geurgevoelige objecten uitgesloten’ zal worden opgenomen. In de toelichting op het bestemmingsplan zal een paragraaf worden opgenomen waarbij wordt getoetst aan de Beleidslijn geitenmoratorium. Zienswijze 2: bewoner Biezenmortelsestraat 34 Biezenmortel 1.
Zienswijze – tijdstip tot wanneer het licht in de kas mag branden
In de toelichting op het bestemmingsplan staat dat het licht in de kas tot 20.00 uur ’s-avonds en af en toe tot 22.00 uur ’s-avonds aan zal zijn. Het licht in de kas leidt tot een grote lichtbundel. Reclamant verzoekt vast te leggen in het bestemmingsplan dat het licht tot uiterlijk 20.00 uur aan mag zijn.
Reactie gemeente
Het bedrijf moet zich houden aan de geldende regelgeving. Dit houdt in dat zij zich moeten houden aan het activiteitenbesluit. Hierin is geregeld dat er gewerkt moet worden met een lichtdichte afscherming tot 98%. In het ontwerp van het innovatiecentrum zal rekening gehouden worden met assimilatiebelichting en voornoemde eis. Er zal dan ook geen sprake zijn van een grote lichtbundel. Het vastleggen van het tijdstip waarop het licht uitgeschakeld moet worden is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het bedrijf zal zich houden aan de regels t.a.v. lichthinder zoals bepaald in het activiteitenbesluit.
2.
Zienswijze – geen duidelijkheid over plaats inrit
Reclamant kan niet achterhalen waar de inrit is gepland. Reclamant gaat er vanuit dat het verkeer naar en van het gebouw over het bestaand terrein gaat rijden en niet over het nu nog onverharde pad recht tegenover de woning van reclamant.
Reactie gemeente
De nieuwe ontwikkeling heeft geen invloed op het gebruik van de bestaande in- en uitrit van het bedrijf. Het test- en trainingscentrum kan via de bestaande inrit worden bereikt. Daarbij zijn er geen plannen het onverharde pad tegenover de woning van reclamant te gaan verharden en/of als extra inrit te gaan gebruiken. Enkel bij calamiteiten zal het onverharde pad worden gebruikt. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande in- en uitrit van het bedrijf.
Conclusie
3.
Zienswijze – er is voldoende ruimte op het bestaande terrein voor de uitbreiding Reactie gemeente
Reclamant vraagt zich af waarom voor deze uitbreiding het bouwvlak uitgebreid moet worden, nu er voldoende ruimte is binnen het bestaande bouwvlak.
Conclusie
Het is niet mogelijk en wenselijk het test- en innovatiecentrum binnen het bestaande bouwvlak op te richten.
Het bestaande bestemmingsvlak en bouwvlak is al volledig in gebruik door het bedrijf. Dit blijkt ook uit het feit dat het huidige test- en innovatiecentrum op een externe locatie is gelegen. Uit efficiency overwegingen is het gewenst beide locaties samen te voegen. Daar komt bij dat het uit bedrijfseconomisch oogpunt het niet wenselijk is het innovatiecentrum nabij de composteerinrichting te plaatsen, vanwege mogelijk stof- en trillinghinder.
Conclusie De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zienswijze 3: Waterschap De Dommel, Boxtel 1.
2.
Zienswijze – aanvoer regenwater naar vijver
Binnen de bedrijfslocatie ligt een vijver voor het opvangen van schoon regenwater. Die ligt in de noordwesthoek van het plangebied. De nieuwbouw en het parkeerterrein liggen aan de zuidkant van het bedrijf. Niet duidelijk is hoe het schoon regenwater in de vijver terecht komt.
Reactie gemeente
De vijver en de afvoer daarheen zijn ook in het huidige bedrijf al in gebruik. De huidige ontwikkeling betreft slechts een uitbreiding van een al bestaande situatie. Het is niet nodig om in het bestemmingsplanstadium de wijze van afvoer van het regenwater verder uit te werken.
Conclusie
Deze wijziging van het bestemmingsplan zal geen invloed hebben op de wijze waarop binnen het bestaande bedrijf de opvang van het regenwater wordt geregeld.
Zienswijze – dimensionering vijver ontbreekt
Het is niet duidelijk of de vijver groot genoeg is voor het opvangen van het regenwater van de nieuwbouw en het parkeerterrein. In de waterparagraaf dient de capaciteit van de vijver en het totale aangesloten oppervlak aan te worden getoond. Tevens dient aangetoond te worden dat de bergingsopgave van 60 mm per m² nieuw verhard oppervlak in de vijver past. Laat ook zien dat er steeds voldoende capaciteit is voor het opvangen van regenwater, ook als er
in de winter geen water uit de vijver nodig is voor het begieten van laanbomen in opkweek.
3.
Reactie gemeente
Er is vanuit de wateropvang geen overloop naar het watersysteem. Ook valt niet te verwachten dat andere percelen onderlopen. Wij zijn het echter met reclamant eens dat een dimensionering nodig is. Dit zal alsnog worden uitgevoerd en in de waterparagraaf op worden genomen.
Conclusie
In de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de waterberging voldoende capaciteit heeft.
Zienswijze – gescheiden houden van vuil en schoonwater
De proefopstellingen bij de testlocatie bestaan uit containerteelt en teelt op stellingen. Regen- en gietwater dat afstroomt van de proefopstellingen bevat meststoffen en mogelijk ook bestrijdingsmiddelen. Daarom mag dit water niet afstromen naar de schoonwatervijver. In de waterparagraaf dient te worden beschreven hoe schoon en vuil water gescheiden blijven.
Reactie gemeente
Het verontreinigde percolaatwater wordt opgevangen in vloeistofdichte bassins. Alleen het regenwater van het verharde oppervlak wordt afgevoerd naar de regenwatervijver. Bovendien staat de regenwatervijver niet in verbinding met het oppervlaktewatersysteem maar wordt het water gebruikt voor beregening van de eigen kwekerij. Het verontreinigde water wordt opgevangen in vloeistofdichte bassins.
Conclusie 4.
5.
Zienswijze / waterbergingsgebied
Volgens de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant liggen kleine delen van het plangebied in Regionale waterberging en Reserveringsgebied waterberging. Gevraagd wordt deze aanduidingen over te nemen op verbeelding en in de planregels.
Reactie gemeente
Inderdaad liggen deze aanduidingen zoals genoemd in de Interim verordening over het plangebied en geven deze aanduidingen instructieregels aan gemeenten bij ontwikkelingen aldaar. In dit geval is de ontwikkeling aan de voorzijde van het perceel gelegen en ligt deze niet in 1 van deze aanduidingen. Uit de Interim Omgevingsverordening volgt dat ter plaatse van de aanduiding ‘regionale waterberging’ regels in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden. Wij zijn het met reclamant eens dat daarom deze aanduiding alsnog op de verbeelding en in de regels moet worden opgenomen. Zoals bij punt 5 aangegeven zullen wij hiervoor de dubbelbestemming ‘waterstaat – waterbergingsgebied‘ gebruiken. Voor de aanduiding ‘reserveringgebied waterberging’ zijn wij van mening dat, nu de instructie luidt dat hier enkel in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht aan moet worden besteed, er geen reden is deze aanduiding over te nemen. Overigens heeft de provincie NoordBrabant op dit punt geen zienswijze ingediend.
Conclusie
De dubbelbestemming ‘waterstaat – waterbergingsgebied’ zal ter plaatse van de in de Interim Omgevingsverordening genoemde Regionale waterberging, op worden genomen.
Dubbelbestemming waterstaat – waterbergingsgebied
Op de plankaart geldt voor de schoonwatervijver en de bassins voor percolaatwater de dubbelbestemming Waterstaat – Waterbergingsgebied. Deze dubbelbestemming geldt normaal gesproken voor plekken die overstromen vanuit beken en sloten. Ook
in het bestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020 van gemeente Haaren is de dubbelbestemming op deze manier gebruikt. Het werkt verwarrend om in dit plan de dubbelbestemming te gebruiken voor de plek waar wateropvang vanuit de bedrijfslocatie plaatsvindt. Een gebiedsaanduiding past hier beter. En pas de dubbelbestemming dan toe voor de plekken die de Interim Omgevingsverordening aanduidt als Regionale waterberging.
6.
Reactie gemeente
Wij zijn het reclamant eens dat in dit geval een gebiedsaanduiding beter is. Daarbij wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ nu opgenomen voor de in de Interim Omgevingsverordening opgenomen regionale waterberging. Op de verbeelding zal daar waar nu de dubbelbestemming ‘waterstaatwaterbergingsgebied’ is gelegen, aan worden aangepast naar de gebiedsaanduiding ‘overige zone- norm waterberging 1’.
Conclusie
Ter plaatse van het waterbassin zal op de verbeelding de aanduiding ‘overige zone- norm waterberging 1’ worden opgenomen.
Afspraken over beheer en onderhoud watergang
De plantoelichting noemt de oude grenswaarde van 2.000 m² uit onze Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater. Sinds 1 april hebben wij deze grenswaarde voor het compenseren van nieuw verhard oppervlak verlaagd naar 500 m². Dat betekent dat er ook volgens de Keur een opgave voor regenwaterberging geldt voor de nieuwbouw (inclusief erfverharding) en het parkeerterrein.
Reactie gemeente
Terecht wordt door reclamant opgemerkt dat in de toelichting een oude grenswaarde is opgenomen. Bestemmingsplannen hebben echter een lange doorlooptijd waardoor het oude waterschapsbeleid nog steeds genoemd wordt. Wij gaan proberen dit zoveel mogelijk te ondervangen. Dat het hier nog niet genoemd wordt heeft geen inhoudelijke consequenties. Het gemeentelijke beleid ten tijde van de totstandkoming van dit plan bedroeg al 60 mm en had toen al een lagere ondergrens.
Conclusie
Het gewijzigde beleid heeft voor dit bestemmingsplan geen consequenties, omdat het gemeentelijk beleid wél al een lagere ondergrens had.
Conclusie De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Ter plaatse van het waterbassin zal op de verbeelding de gebiedsaanduiding ‘overige zone- reservering waterberging’ worden opgenomen. Ter plaatse van de in de Interim Omgevingsverordening genoemde Regionale waterberging wordt de dubbelbestemming ‘waterstaat – waterbergingsgebied’ opgenomen.
Conclusie De zienswijzen zijn gedeeltelijk gegrond en leiden tot de volgende aanpassingen in het bestemmingsplan: • • •
Ter plaatse van de in de provinciale Interim verordening aanduiding ‘regionale waterberging’: wordt in het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘waterstaat – waterbergingsgebied’ gelegd; Ter plaatse van de waterberging van het bedrijf wordt de gebiedsaanduiding ‘overige zone- reservering waterberging’ gelegd; Ter plaatse van het nieuwe bouwvlak ten behoeve van het test- en innovatiecentrum wordt de aanduiding: ‘specifieke vorm van bedrijf – geurgevoelige objecten uitgesloten’ gelegd;
• • •
In de toelichting op het bestemmingsplan wordt paragraaf 4.7 gewijzigd, waarbij uit wordt gegaan van een niet geurgevoelig object; In de toelichting op het bestemmingsplan wordt in paragraaf 4.3 aandacht besteed aan het geitenmoratorium. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt in paragraaf 5.4 nader ingegaan op de nadere dimensionering van de vijver.
Voor het overige zijn de zienswijzen ongegrond.