02 Nota van zienswijzen Buitengebied De Zandleij 2012, 22e herziening (Groenstraat 98)
Tekst van het document
Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012, 22e herziening (Groenstraat 98) Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied De Zandleij 2012, 22e herziening (Groenstraat 98)’ heeft van woensdag 27 december 2023 tot en met dinsdag 6 februari 2024 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Zienswijzen konden worden ingediend door eenieder. Bij de gemeente zijn gedurende de periode van tervisielegging 2 zienswijzen ingekomen. Deze zienswijzen zijn afkomstig van het Waterschap De Dommel en de Provincie NoordBrabant. De zienswijzen zijn tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. Hierna volgt een zakelijke, puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijzen en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijze; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. N.B.: in verband met de toepassing van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) zijn er geen namen van natuurlijke personen weergegeven. Zienswijze 1 – Waterschap De Dommel 1.1
Zienswijze waterbelangen plantoelichting
Reactie gemeente
– in
Reclamant stelt dat de plantoelichting niet of nauwelijks een beschrijving geeft hoe de plaatselijk bekende waterbelangen een plek krijgen in de ontwikkeling. Hieronder wordt puntsgewijs aangegeven wat er specifiek wordt bedoeld: a. Reclamant stelt dat er drie aanduidingen binnen (een deel van) het plangebied gelden – zijnde Natuurnetwerk Brabant, de Attentiezone Waterhuishouding en de Regionale waterberging – waarvan in de plantoelichting niet wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met en aansluit bij deze aanduidingen en hoe dit overlapt met de Natte Natuurparel (NNP) De Brand. b. Reclamant geeft aan dat er onvoldoende wordt aangegeven hoe ‘de watergang’ – die onderdeel lijkt uit te maken van de landschappelijke inpassing – wordt versterkt en invulling geeft aan de natuurdoelen van de watergang. Dat zal om aanvulling én om afstemming vragen met het waterschap nu het verleggen van de Roomleij – zoals het inpassingsplan aangeeft – niet aan de orde is zonder overleg. c. Reclamant merkt op dat verschillende B-watergangen in en langs het plangebied niet worden genoemd, waar algemene regels volgens de Waterschapsverordening (hierna: Wsv) gelden en waar mogelijk voor bepaalde activiteiten een watergunning nodig kan zijn. d. Reclamant stelt dat de afvoerende oppervlaktes uit de toelichting afwijken van de regels en verbeelding van het plan. e.
Reclamant stelt dat er in de plantoelichting onvoldoende wordt aangegeven hoe in het plan de regenwaterbergingsopgave wordt ingevuld. a. Een nadere toetsing van deze drie genoemde aanduidingen aan de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) ontbreekt inderdaad in paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied binnen deze werkingsgebieden weergegeven en wordt nader ingegaan op de doorvertaling van de provinciale regels in het voorliggende bestemmingsplan. Dit zal tevens worden opgenomen in de verbeelding, paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting en in de daartoe specifiek genoemde planregels Deze wijzigingen worden genoteerd in de bijbehorende Staat van wijzigingen.
Natuur Netwerk Brabant
Ten aanzien van het deel van het plangebied waar de aanduiding ’Natuur Netwerk Brabant’ ligt, worden de regels van artikel 3.15 van de IOV doorvertaald in de enkelbestemming ’Natuur’. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur, het bos (en de bijbehorende bosgroeiplaats), landschappelijke waarden en natuurwaarden. Voor aanlegactiviteiten die een negatief effect op bovengenoemde waarden, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is. Op een groot deel van de percelen waar het plan betrekking op heeft, rust reeds deze enkelbestemming. Deze zijn meegenomen in het landschappelijk inpassingsplan en zijn tevens aangegeven met de aanduiding ’landschapswaarden’ op de verbeelding. Voor het kadastrale perceel 4807 – waar reeds een ecologische verbindingszone is gerealiseerd – ontbreekt echter nog deze bestemming ’Natuur’ en zal zowel op de verbeelding als in de planregels worden toegevoegd. Attentiezone waterhuishouding
Ten aanzien van de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ worden de regels van artikel 3.26 van de IOV doorvertaald in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’ die aan het plangebied is toegekend. Doel van deze regels binnen de attentiezone is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels (hier ligt het oostelijk deel van het plangebied binnen De Brand) tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is. Regionale waterberging
b.
c.
Ten aanzien van de aanduiding ‘Regionale waterberging’ worden de regels van artikel 3.35 van de IOV doorvertaald in de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterbergingsgebied’. Bij hoogwater kan de A-watergang de Roomleij binnen het plangebied overstromen. Het natuurlijk overstromingsgebied is met deze dubbelbestemming beschermd. Het is niet de bedoeling dat de A-watergang de Roomleij wordt verlegd.. Het waterschap is namelijk verantwoordelijk voor het onderhoud van Awatergangen en moet deze doelmatig kunnen uitvoeren. Als deze Awatergang onderdeel zou uitmaken van het inpassingsplan, dan zou er op basis van de Wsv een aanvullende vergunningplicht gelden om daar handelingen te mogen verrichten (art. 2.2 lid 1 Wsv). Door deze dus buiten beschouwing te laten, geldt er in dit geval geen vergunningplicht meer. Mogelijk staat in het inpassingsplan foutief aangegeven dat de watergang verlegd gaat worden. Zo ja, dan zal dit worden aangepast in paragraaf 3.5.5 van de plantoelichting en in de landschappelijke inpassing. Er grenst inderdaad een B-watergang aan het perceel en daarnaast liggen er nog twee B-watergangen in noordoostelijke en zuidwestelijke richting van het perceel. Deze zullen worden toegevoegd aan de waterparagraaf in de plantoelichting.
Hierin zal ook worden aangegeven dat indien het voor de bouw van het oostelijk deel noodzakelijk is dat de kopse kant van de B-watergang wordt gedempt, dat dit niet – o.b.v. de algemene regels van de WSV – zonder watervergunning mag worden uitgevoerd.
d.
Conclusie
1.2
Zienswijze waterbelangen borgen planregels
Reactie gemeente
– in
De tabel m.b.t. de te wijzigen/aan te leggen afvoerende verharde oppervlakte is als volgt gewijzigd:
Op basis van de gewijzigde afvoerende oppervlakte van de toekomstige situatie (1.122m²) geldt voor het plangebied een bergingsopgave van ca. 80 m³. De opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke gewijzigde afvoerende verharde oppervlakken. Dit zal tevens worden aangepast in de waterparagraaf van de plantoelichting. e. In de plantoelichting wordt in de waterparagraaf beschreven: “De invulling van deze waterberging vindt bij voorkeur plaats in een centrale, robuuste voorziening. Zowel de toepassing van (evt. ondergrondse) waterbergende en infiltrerende voorzieningen als van groene/waterbergende daken worden als kansrijk gezien.” Het is aan de initiatiefnemer om de daadwerkelijke invulling van deze opgave te regelen. a. Dit onderdeel van de zienswijze is gegrond. b. Dit onderdeel van de zienswijze is gegrond. c. Dit onderdeel van de zienswijze is gegrond. d. Dit onderdeel van de zienswijze is gegrond. e. Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond. Reclamant stelt dat de planregels onvoldoende de waterbelangen borgen in het bestemmingsplan. Hieronder wordt puntsgewijs aangegeven wat er specifiek wordt bedoeld: a. Reclamant benoemt dat artikel met de voorwaardelijke verplichting voor regenwaterberging in overeenstemming moet worden gebracht met het Programma Water en Riolering 2024-2027 (hierna: Programma) van de gemeente.
Het in overeenstemming brengen van de regels met het Programma is tweeledig: enerzijds gaat het over het toevoegen van de instandhoudingsverplichting voor de waterbergingsvoorziening en anderzijds het verplichten tot het realiseren van waterberging bij het realiseren van verhard oppervlak in plaats van bij ‘bouwwerken’. b. Reclamant geeft aan dat de voorgestelde retentiepoel (bijlage 1 van de planregels) in strijd is met de Waterschapsverordening (hierna: Wsv) en dat hiervoor geen watervergunning voor het afwijken van deze regels zal worden verleend. Om die reden vraagt reclamant aanpassing van het inpassingsplan (met bijbehorende teksten). c. Reclamant stelt dat artikelen 4.5.3 en 5.4.3 van de planregels verwijzen naar een aanduiding 'hydrologisch waardevol gebied'. Bij omgevingsvergunningaanvragen binnen deze aanduiding geldt dat het waterschap om advies gevraagd moet worden. Op de verbeelding ontbreken echter de aanduidingen voor hydrologisch waardevol gebied. d. Reclamant merkt op dat er een dubbelbestemming Waterstaat – Regionale waterberging ontbreekt. e. Tevens merkt reclamant op dat de regels voor de ‘Attenziezone waterhuishouding’ in de planregels ontbreken. a. Voor wat betreft de voorwaardelijke verplichting voor de waterbergingsopgave in de planregels zal er een extra artikel worden toegevoegd m.b.t.
de instandhoudingsverplichting van de waterberging zodat deze (dynamische) waterbergingsregeling in overeenstemming zal zijn met het ‘Tilburg, parapluplan Waterberging & grondwaterbescherming’. Met dit artikel wordt het verboden om bouwwerken te gebruiken ten behoeve van de bestemming, indien de
waterberging niet (volledig) is aangelegd dan wel niet (volledig) in stand wordt gehouden.
b.
c.
1
Voor wat betreft het vergunningplichtig stellen van een waterbergingsopgave bij alle verharde oppervlakken heeft de gemeente het volgende standpunt ingenomen: “De gemeente Tilburg koppelt geen vergunningplicht aan het realiseren van verhard oppervlak in bestaand stedelijk gebied en dat gebeurt heel bewust. De gemeente kan namelijk de inwoners hier niet zomaar mee confronteren en dat is ook helemaal niet te controleren of handhaafbaar. Bij het opnemen van regels in het Omgevingsplan zal dit opnieuw beschouwd worden. Maar als de gemeente Tilburg uiteindelijk wel een vergunningplicht zou introduceren voor de aanleg van verharding, dan hoort daar een heel uitgebreid gemeentebreed communicatietraject bij.” Reclamant is hierover inmiddels per mail over geïnformeerd. Zij geven te kennen dat zij graag in gesprek willen blijven over hoe de uitgangspunten van het Programma Water en Riolering toch zoveel mogelijk geborgd kunnen worden, vooral bij concrete nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast willen ze graag meedenken hoe de uitgangspunten verankerd kunnen worden in het op te stellen Omgevingsplan van de gemeente Tilburg. De retentiepoel zoals deze in eerste instantie is gepresenteerd voldeed inderdaad niet aan de eisen uit de Wsv. Omdat de poel binnen het Attentiegebied is gepland zijn deze algemene regels uit de Wsv van toepassing.
Volgens de regels uit de Wsv mag een poel namelijk maximaal even diep zijn als de gemiddeld laagste grondwaterstand (hierna: GLG). Als de GLG dieper is dan 1,2 meter onder het maaiveld, dan geldt 1,2 meter als maximale diepte. Dat laatste is hier het geval, gezien het feit dat de GLG volgens het Waterschap op meer dan 1,5 meter onder maaiveld op de plek van de poel was gelegen. Naar aanleiding van deze constatering heeft er een overleg plaatsgevonden tussen een ecoloog van de gemeente en een planadviseur van het Waterschap om te bezien of er mogelijkheden bestonden om toch een retentiepoel te kunnen realiseren op een andere locatie. Dit zou mogelijk zijn indien er een lager deel van het perceel zou worden gezocht voor het graven van de poel. Geadviseerd werd om hiervoor de AHN-kaart1 te raadplegen: een digitale hoogtekaart dat inzicht geeft in de hoogtegegevens van Nederland. Op basis hiervan is een nieuwe locatie voor de retentiepoel voorgesteld aan het Waterschap en akkoord bevonden: “De afmetingen (diepte en oevertaluds) van de poel voldoen nu aan de voorwaarden uit de Waterschapsverordening. Dat betekent dat de poel met deze afmetingen mag worden aangelegd. De poel biedt bovendien naar verwachting voldoende ruimte voor het opvangen van regenwater van de bebouwing (200 m² groot en 80 cm boven GHG). De nieuwe locatie sluit ook beter aan op het hoogteverschil in het perceel.
De nieuwe locatie ligt in een wat lager gedeelte van het plangebied. En deze locatie sluit direct aan op de al aanwezige “stapsteen” in de EVZ langs de Roomleij, ten zuiden van het plangebied.” Deze aanpassing zal worden verwerkt in het inpassingsplan. Deze is als bijlage 1 opgenomen bij deze nota. Artikelen 4.5.3. en 5.4.3 geven aan dat slechts een vergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden 2 kan worden verleend indien er op locaties met de specifieke aanduiding ‘specifieke vorm van
Algemeen Hoogtebestand Nederland. Voorheen de ‘aanlegvergunning’. Aanlegactiviteiten zijn bijvoorbeeld het aanleggen van een weg, het graven (of dempen) van een sloot of het planten van een boom. 2
Conclusie
1.3
Zienswijze – waterbelangen borgen op de verbeelding Reactie gemeente
natuur-hydrologisch waardevol gebied' en 'specifieke vorm van Agrarisch met waarden-hydrologisch waardevol gebied' eerst advies wordt ingewonnen bij het Waterschap. Echter, deze gebiedsaanduidingen zijn niet juist en zijn abusievelijk overgenomen in deze artikelen. Over het gehele plangebied zal de gebiedsaanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ worden toegevoegd. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur(waarden). Binnen deze gronden is ook een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden opgenomen, waarbij advies moet worden ingewonnen bij het Waterschap. Hiermee is voldoende beschermd dat in het geval van aanlegactiviteiten eerst het Waterschap wordt benaderd. Voor de volledigheid zullen de artikelen 4.5.3. en 5.4.3. hierop worden aangepast. d. Zie ons standpunt bij zienswijze 1.1 onder a, wat betrekking heeft op de ‘Regionale waterberging’. De dubbelbestemming ‘Waterstaat Waterbergingsgebied’ zal worden toegevoegd aan de verbeelding en planregels. e. Zie ons standpunt bij zienswijze 1.1 onder a, wat betrekking heeft op ‘Attentiezone waterhuishouding’. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’ zal worden toegevoegd aan de verbeelding en planregels. a. De zienswijze is deels gegrond. b. De zienswijze is gegrond. c.
De zienswijze is gegrond. d. De zienswijze is gegrond. e. De zienswijze is gegrond. Reclamant stelt dat een tweetal aspecten ontbreken op de verbeelding: a. De aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’; b. De dubbelbestemming ‘Leiding - Riool’. a.
b.
Conclusie
a. b.
Zie ons standpunt bij zienswijze 1.1 onder a, wat betrekking heeft op ‘Attentiezone waterhuishouding’. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’ zal worden toegevoegd aan de verbeelding en planregels. De dubbelbestemming 'Leiding-Riool' overlapt inderdaad voor een zeer klein gedeelte met (het noordelijk deel van) het plangebied. Deze dubbelbestemming zal worden toegevoegd aan zowel de verbeelding als de planregels. De zienswijze is gegrond. De zienswijze is gegrond.
Zienswijze 2 – Provincie Noord-Brabant 2.1
Zienswijze – maatvoering bijgebouwen bij woonbestemming
Reclamant verzoekt om de maatvoering m.b.t. bijgebouwen bij de agrarische bedrijfsbestemming – dat zal worden omgezet naar een woonbestemming – expliciet in de planregels en op de verbeelding vast te leggen en te verduidelijken, omdat dit geborgd moet zijn voor de kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarnaast wordt verzocht om vergroting door middel van nietvergunningsvrije aanbouwen bij de nieuw te bouwen woningen uit te sluiten.
Reactie gemeente
Ten aanzien van de bestaande bedrijfswoning dat zal worden omgezet naar een woonbestemming blijven de bestaande bijgebouwen behouden. Dit omvat een damwandschuur van 537m2 die voor het onderhoud en behoud van het omliggende landschap zal worden gebruikt en een klein bijgebouw van 29 m2. Om de bouw van nieuwe bijgebouwen te voorkomen, is er een maatvoeringsaanduiding opgenomen voor het gedeelte met de functieaanduiding ‘erf’: maximum bebouwd oppervlak: 570m2. In artikel 3.2.3 onder e van de planregels (Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woningen) is het volgende opgenomen: de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan 1. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; 2. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 3000m²; 3. 200m2 op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 3000m2, doch kleiner dan 5000m²; 4. 250m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²\ tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven. In dit geval is er met een maatvoeringsaanduiding een ander maximum (van 570m2) aangegeven. Hiermee achten wij voldoende borging t.a.v. de bijgebouwen op dit perceel in de planregels. Om een en ander te verduidelijken passen we de maatvoeringsaanduiding aan, zodat duidelijk wordt dat het gaat om de maximum oppervlakte voor bijgebouwen.
Dit zal tevens worden opgenomen in de Staat van wijzigingen. Ten aanzien van het verzoek om niet-vergunningsvrije aanbouwen bij de nieuw te bouwen woningen uit te sluiten, zullen de termen ‘aan- en uitbouwen’ uit artikel 3.2.3 (Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woningen) worden verwijderd. Hierdoor gelden de bouwregels alleen nog voor (vrijstaande) bijgebouwen bij woningen.
2.2
Conclusie Zienswijze – Maatwerk omgevingskwaliteit
De zienswijze is deels gegrond. Reclamant geeft aan dat het plan wordt gemotiveerd op basis van Maatwerk omgevingskwaliteit en de daarop gebaseerde provinciale Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit. Reclamant geeft hierover de volgende opmerkingen: a. In de planregels zou onvoldoende geborgd zijn dat de langgevelboerderij ook als zodanig zal worden gerealiseerd en niet als twee afzonderlijke woningen wordt gebouwd. Tevens wordt verzocht de omvang van de langgevelboerderij nader te duiden in de planregels. Dit omdat de provinciale beleidsregel Maatwerk omgevingskwaliteit uitgaat van 1.000 m3 bouwmassa als maximum voor 2 wooneenheden. b. Reclamant verzoekt om voor het kadastrale perceel UDH00E 4807 een bestemming ‘Natuur’ op te leggen nu deze lijkt te ontbreken. Op deze locatie is reeds een ecologische verbindingszone gerealiseerd. c. Reclamant heeft opmerkingen over verschillende posten die in de berekeningen voor Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit zijn opgevoerd.
Niet alle kosten kunnen volgens reclamant worden opgevoerd of worden gezien als omgevingskwaliteit: • Voor het inleveren van de ammoniakrechten wordt verzocht om inzichtelijk te maken dat alle op de locatie rustende rechten en toestemmingen van de te beëindigen milieubelastende activiteit zijn ingetrokken, inclusief de onderbouwing al dat de ingetrokken N-emissie gebaseerd is op de referentiesituatie en dat de capaciteit
Reactie gemeente
3
ook feitelijk is gerealiseerd op het moment van het verzoek tot intrekking. • De realisatie van een retentiepoel kan niet als omgevingskwaliteit worden gezien, tenzij onderbouwd kan worden dat deze poel als stapsteen voor de soorten voor de ecologische verbindingszone kan worden ingezet. d. Reclamant merkt een tekstuele fout op in de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing. a. Om te borgen dat de langgevelboerderij ook daadwerkelijk als zodanig wordt gerealiseerd, zal er een specifieke woningtype ‘twee-aaneen (tae)’ als bouwaanduiding worden opgenomen in zowel de planregels als op de verbeelding. Dit wordt nader gedefinieerd als ‘een woning waarbij twee hoofdgebouwen direct met elkaar zijn verbonden’. Deze aanpassingen worden tevens opgenomen in de Staat van wijzigingen. Daarnaast zal er voor de langgevelboerderij een maximum inhoud (van 1000m3) worden opgenomen in artikel 3.2.2 (Woningen) van de bouwregels, zodat deze in overeenstemming is met de provinciale regelgeving. Dit geldt dus als de maximale bouwmassa voor twee wooneenheden. b. Het bovengenoemde perceel is niet in eigendom van de initiatiefnemer, maar van Stichting Het Noordbrabants Landschap. Vanuit de Stichting is zijn er in verleden afspraken zijn gemaakt om hier natuur te ontwikkelen middels de Stimuleringsregeling Landschap (StiLa)3.
Deze is inmiddels gerealiseerd en maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Omdat hier reeds natuur is ontwikkeld, is dit in het landschappelijk inpassingsplan voor Groenstraat 98 buiten beschouwing gelaten. Om dit te verduidelijken, is door initiatiefnemer een aangepast inpassingsplan aangeleverd. Dit aangepaste inpassingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij deze nota. Het perceel UDH00E 4807 zal tevens worden gewijzigd naar de bestemming ‘Natuur’. c. Ten aanzien van de op te voeren kosten als omgevingskwaliteit is de berekening voor Maatwerk omgevingskwaliteit opgenomen als bijlage 3 bij deze nota. Hierover het volgende: • Initiatiefnemer heeft eerder aangegeven zorg te zullen dragen voor deze intrekking en de daarbij horende onderbouwing. Inmiddels is het verzoek om de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit milieu in te trekken ingediend bij de afdeling Vergunningen van de gemeente Tilburg. Dit verzoek is tevens opgenomen als bijlage 2 bij deze nota. • Zie onze reactie bij zienswijze 1.2 onder b en bijlage 1 bij deze nota. Er is een nieuwe locatie voor de retentiepoel en deze is door het Waterschap akkoord bevonden. Aanvullend hierop heeft een ecoloog van de gemeente aangegeven: “de poel heeft inderdaad een grote bijdrage aan de (ecologische) omgevingskwaliteit, omdat deze precies ligt tussen de gebieden De Brand en de Leemkuilen.
Beide gebieden horen tot hetzelfde Natura 2000-gebied en hebben als doelsoort vanuit de Habitatrichtlijn de Kamsalamander. Tevens is Boomkikker hier een provinciale doelsoort. Voor beide soorten kan de poel als voortplantingswater dienen.” We zijn om die reden van mening dat het realiseren van de retentiepoel wel als omgevingskwaliteit kan worden gezien en deze post kan worden opgevoerd in de berekeningen voor
Een subsidieregeling ten behoeve van het stimuleren van de landschappelijke kwaliteit van het Brabantse buitengebied.
d.
Conclusie
a. b. c. d.
Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. Deze onderbouwing zal ook worden toegevoegd aan de plantoelichting. In artikel 3.4.3 onder a (Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing) wordt verwezen naar een onjuiste locatie. Dit zal worden aangepast en tevens worden opgenomen in de Staat van wijzigingen. De zienswijze is gegrond. De zienswijze is deels gegrond. De zienswijze is deels gegrond. De zienswijze is gegrond.
Bijlagen: 1. 2. 3.
Landschappelijk inpassingsplan d.d. 11-04-24 Brief verzoek tot intrekking omgevingsvergunning Groenstraat 98 d.d. 12-04-24 Berekening maatwerk omgevingskwaliteit d.d. 21-11-23