02 Bijlage Notitie van uitgangspunten Transitievisie Warmte
Tekst van het document
Notitie van uitgangspunten Transitievisie Warmte gemeente Tilburg In het Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente uiterlijk eind 2021 een Transitievisie Warmte opstelt. De Transitievisie Warmte geeft een beeld van de potentiële aardgasvrije infrastructuur per wijk (deel 1: WAT) en beschrijft het tempo waarin wijken aardgasvrij worden (deel 2: WANNEER), waarbij specifiek moet worden aangegeven welke wijken vóór 2030 van het aardgas af gaan. Gemeente Tilburg werkt samen met stakeholders aan deze Transitievisie Warmte, waarvan het eerste deel eind 2020 ter besluitvorming zal worden aangeboden aan de gemeenteraad. Het tweede deel volgt een jaar later. Belangrijke input voor de Transitievisie Warmte komt vanuit de Regionale Energie- en Klimaat Strategie, waarin de regionale warmtevraag en beschikbare warmtebronnen in kaart worden gebracht. Na de Transitievisie Warmte worden, voor de wijken die als eerste zijn aangewezen, uitvoeringsplannen opgesteld waarin de definitieve infrastructuur wordt vastgelegd, de definitieve einddatum voor aardgas wordt bepaald en het uitvoeringstraject wordt beschreven (HOE). In die wijkplannen worden ook andere relevante visies en aanpakken meegenomen. We werken daarmee integraal en van grof naar fijn. Om de visie actueel te houden zal deze minstens iedere vijf jaar worden herzien. Overigens is de afbakening van een wijk nog niet vastgelegd.
Een wijk kan worden bepaald passend bij de lokale situatie op basis van technische en sociale eigenschappen.
Figuur 1: relatie Klimaatakkoord, REKS, visies en wijkplannen
Als eerste onderdeel van het proces om te komen tot een Transitievisie Warmte is een startnotitie opgesteld. Hierin zijn de resultaten van de verkenningsfase opgenomen en is een plan van aanpak geschetst hoe te komen tot een gedragen visie. Het tweede onderdeel van het proces bedraagt het gezamenlijk opstellen van randvoorwaarden, uitgangspunten en besliscriteria, welke in deze notitie zijn uitgewerkt. Deze uitgangspunten en besliscriteria zullen we hanteren om de keuzes die we maken te onderbouwen. Deze notitie is opgesteld door de werkgroepen en het stedelijk team, waarin naast de gemeente de volgende partijen vertegenwoordigd zijn: Wonen Breburg, TBV Wonen, Tiwos, Enexis en de vijf energiecoöperaties. Vervolgens heeft de stuurgroep de notitie vastgesteld. In de stuurgroep zijn naast de genoemde partijen ook nog het Stedelijk Bewoners Overleg en BORT en Tilburg University vertegenwoordigd. De stappen die volgen op deze notitie zijn (1: WAT) het bepalen van potentiële aardgasvrije alternatieve warmteoplossingen per wijk en (2: WANNEER) het bepalen van kansrijke wijken om als eerste aardgasvrij te maken. Dit doen we door de uitgangspunten en besliscriteria uit deze notitie te vertalen naar één of meerdere voorkeursscenario's per wijk en een selectie te maken van kansrijke wijken die als eerste aardgasvrij gemaakt zouden kunnen worden.
Bij het doorlopen van deze stappen wordt de weging tussen de verschillende besliscriteria en de manier waarop ze tot keuzes leiden verder uitgewerkt.
1
Leeswijzer Deze notitie bestaat uit drie onderdelen. Eerst worden de randvoorwaarden beschreven die nodig zijn gedurende het proces. Vervolgens benoemen we leidende principes die we hanteren bij het opstellen van de Transitievisie warmte. Daarna gaan we in op de besliscriteria, oftewel het afwegingskader, die specifiek gelden voor het bepalen van de potentiële aardgasvrije infrastructuur. De besliscriteria om te bepalen welke wijken met meest kansrijk zijn om als eerste volledig aardgasvrij te worden gemaakt volgen later in het proces. Als bijlage is een begrippenlijst toegevoegd.
Randvoorwaarden Het nationale Klimaatakkoord, de REKS en gemeentelijke doelstellingen vormen het kader voor de visie, inclusief de daarin genoemde afspraken en verantwoordelijkheden. De doelstelling van het Klimaatakkoord is een CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050, met een tussendoelstelling van 49% CO 2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. De gemeentelijke doelstelling is een klimaatneutraal Tilburg in 2045. 1.
Bestaande afspraken en trajecten blijven parallel lopen We hanteren bestaande nationale, regionale en lokale afspraken en trajecten als randvoorwaarde bij het opstellen van de transitievisie. Zo zorgen we ervoor dat lopende trajecten parallel kunnen blijven lopen aan het traject van de Transitievisie Warmte. Het is daarbij essentieel dat over en weer verbindingen worden gelegd om toekomstbestendige uitkomsten in deze trajecten te borgen. Gaandeweg het traject wordt bekeken of bestaande afspraken strijdig zijn met de uitgangspunten voor de warmtetransitie. Mocht dit zo zijn dan maken we eerst inzichtelijk welke consequenties aanpassing van deze afspraken hebben en (waar mogelijk) worden de afspraken vervolgens herzien.
2.
Zorgvuldige en transparante kennisbank Een kennisbank is een brede set van informatie over de wijkgerichte verduurzaming van de gebouwde omgeving die transparant en beschikbaar is. Deze verduurzamingsopgave roept vaak tal van technische vragen op en soms ook onenigheid over de uitkomsten en effecten. In de praktijk kan er dan een rapportenstrijd ontstaan tussen experts. Hoewel er veel onzekerheden zijn omtrent deze transitieopgave en dat veel vragen oproept, kan een niet aflatende stroom van onderzoeksrapporten ook verwarring veroorzaken en omslaan in scepsis. Daarom organiseren we een proces van joint-fact-finding. Daarbij werken belanghebbenden samen -vanuit verschillende perspectieven en belangen- aan het ontwikkelen van data en informatie, de analyse van feiten, en ontwikkelen wij met elkaar aannames en gebruiken de informatie om tot besluiten te komen. Ook experimenteren we met het opzetten van een flexibel monitoringssysteem op stad en wijkniveau. Daarbij kunnen belanghebbenden zelf data aandragen over bijvoorbeeld CO2-impact van uitgevoerde verduurzamingsmaatregelen.
3.
Betrouwbaar en toekomstbestendig We vinden het belangrijk dat Tilburgse inwoners en bedrijven kunnen blijven rekenen op een betrouwbare en comfortabele warmtevoorziening, nu en in de toekomst. Daarom kijken we naar de leveringszekerheid van nieuwe en bestaande bronnen en infrastructuur en passen we alleen oplossingen toe die comfort bieden en waarvan we weten dat ze werken, nu en in de toekomst. We kiezen daarom in deze eerste Transitievisie Warmte voor bestaande, beschikbare en grootschalig toepasbare technieken. Met grootschalig bedoelen we collectieve oplossingen, of individuele oplossingen die zich ervoor lenen om veelvuldig te worden toegepast. Daarmee zijn vooralsnog alleen warmtenetten en volledig elektrische oplossingen toepasbaar in wijken die vóór 2030 aardgasvrij worden. We staan open voor nieuwe technieken die in de toekomst een rol kunnen gaan spelen. Daarom is het van belang om te anticiperen op de ontwikkeling van innovaties. We nemen een actieve rol om deze ontwikkelingen te stimuleren, bijvoorbeeld door proeven met waterstof toe te staan. Verder focussen we ons in deze visie alleen op lokale en regionale oplossingen waar we invloed op kunnen uitoefenen. Landelijke discussies over bijvoorbeeld de inzet van kernenergie laten we daarom buiten beschouwing.
2
Leidende principes Leidende principes zijn algemene uitgangspunten die van toepassing zijn op het gehele totstandkomingsproces van de Transitievisie Warmte in Tilburg. Alle stappen die we zetten kunnen worden getoetst aan deze leidende principes om op die manier de betrokkenheid van Tilburgers en de betrokken stakeholders te waarborgen. We erkennen daarbij dat er een spanningsveld bestaat tussen bepaalde uitgangspunten. Zo gaan bijvoorbeeld CO2-reductie en kosteneffectiviteit niet altijd hand in hand. Ook tussen verschillende partijen en hun belangen bestaan spanningen, bijvoorbeeld ten aanzien van de kostenverdeling in de keten, ambities en de te volgen planning. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle belanghebbende partijen om de uitvoering van de warmtetransitie vorm te geven. Verder is het goed te beseffen dat we al op veel plekken in de gemeente actief zijn. De op papier ideaaltypische volgorde van grof naar fijn is daarmee niet overal en altijd mogelijk. We schakelen continu tussen het stadsniveau en het wijkniveau op basis van afspraken op regionaal- en rijksniveau (Figuur 1). Dit gegeven biedt kansen om in de praktijk opgedane ervaringen toe te passen in dit visieproces. Gedurende het traject zullen we samen keuzes moeten maken om tot de meest duurzame infrastructurele oplossing te komen. De leidende principes helpen ons om tot deze keuzes te komen. 1.
CO2-reductie is leidend richting een klimaatneutraal Tilburg De gemeentelijke doelstelling is een klimaatneutraal Tilburg in 2045. Het maximaal terugdringen van de CO2 uitstoot is noodzakelijk om deze doelstelling te realiseren. Een van de middelen om dat doel te bereiken is het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. De huishoudens en dienstensector (zoals kantoren) zijn samen goed voor 36% van het finale energieverbruik en 16% van de CO2-uitstoot die gerelateerd is aan het energetische verbruik1. Het geheel aardgasvrij maken van een substantieel deel van deze sector vóór 2030 zal leiden tot forse CO2-reductie. Echter, door in de komende 10 jaar forse energiebesparing te realiseren bij zoveel mogelijk Tilburgse woningen en bedrijven kan dat effect ook worden bereikt. De in het Klimaatakkoord aangekondigde standaard en streefwaarden voor woningisolatie gaan hiervoor handelingsperspectief bieden aan eigenaren2. Bovendien is de warmtetransitie een stapsgewijs proces is waarbij ook tussenoplossingen met transitiebrandstoffen mogelijk zijn die niet direct tot volledige CO2-reductie leiden. Er zijn dus meerdere routes die leiden naar een klimaatneutrale gemeente. We stellen daarom de CO2 impact leidend bij het maken van onze keuzes.
2.
Bij uitbreiding van het Amernet streven we naar een verminderde hoeveelheid verstookte biomassa in de Amercentrale De Amercentrale is een elektriciteitscentrale die in toenemende mate gebruik maakt van biomassa als energiebron. De restwarmte die vrij komt bij de productie van elektriciteit wordt gebruikt als voeding voor het Amernet om vele gebouwen in o.a. Tilburg van warmte te voorzien. De gemeenteraad van Tilburg heeft een motie aangenomen om te streven naar een biomassavrije gemeente. Daarom streven we er ook naar dat uitbreiding van het Amernet op termijn leidt tot een verminderde hoeveelheid verstookte biomassa in de Amercentrale. Om dit te bewerkstelligen wordt ingezet op verduurzaming van de bron voor warmteproductie, ontwikkeling van nieuwe warmtebronnen en efficiëntie binnen het systeem.
3.
Borging van belangen; komen tot een gedragen visie Een belangrijke taak van de (lokale) overheid is om het algemeen belang te dienen en dat op een eerlijke en acceptabele manier te doen. Die taak is het best gediend als besluiten niet alleen voldoen aan de wet, maar ook recht doen aan de belangen van inwoners en andere belanghebbenden, én dat besluiten in het algemeen worden geaccepteerd. De acceptatie van besluiten is slechts deels afhankelijk van de effecten op inwoners en andere belanghebbenden. De manier waarop het besluit tot stand is gekomen en hoe men daarbij is betrokken draagt daar in vergelijkbare mate aan bij3. Het doel van het vormgeven van deze allereerste Transitievisie Warmte voor Tilburg is daarom tweeledig; enerzijds dient het een inhoudelijk doel. Anderzijds is er een procesdoel dat erop is gericht om de belangen
1 Monitor Energiebesparing Gebouwde Omgeving, RVO 2018, pagina 7. 2
Kamerbrief uitwerking Klimaatakkoord gebouwde omgeving d.d. 17 december 2019
3 Kader voor het vormgeven van participatie bij duurzame energieprojecten, Public Mediation, november 2019
3
van onze inwoners en bedrijven te borgen in het totstandkomingsproces. Daarmee streven we naar het realiseren van een gedragen visie. Belangen kunnen alleen worden geborgd in een gezamenlijk proces. We werken daarom samen met professionele stakeholders, inwoners en bedrijven. Het komen tot potentiële aardgasvrije infrastructuren per wijk is met name een proces op stadsniveau. Bij het beantwoorden van die wat-vraag betrekken we dus ook hoofdzakelijk stakeholders die op stadsniveau actief zijn. Het tempo waarin wijken aardgasvrij worden is een meer wijkgericht proces. Bij het beantwoorden van die wanneer-vraag zullen dus nadrukkelijk op wijkniveau aanwezige stakeholders worden betrokken. We hanteren een lerende governance structuur. Daarmee bedoelen we dat we het proces starten met een aantal georganiseerde en 'logische' stakeholders, zoals beschreven in de startnotitie. Gedurende het proces kunnen anderen, mogelijk nu nog niet georganiseerde belangengroepen, toetreden. 4.
Kosteneffectief voor de gehele warmteketen én eindgebruiker In het klimaatakkoord is afgesproken dat de warmtetransitie plaatsvindt tegen de laagste nationale kosten. Dit zijn de totale kosten van een warmtesysteem voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht bij wie deze kosten neerslaan (zie Bijlage 1 voor uitgebreide definitie). Daarmee wordt geborgd dat de totale kosten voor alle partijen samen zo laag mogelijk zijn. Gemeenten kunnen hiervan afwijken, maar dienen in dat geval expliciet te motiveren waarom voor een ander alternatief wordt gekozen. Wij onderschrijven het belang om te kiezen voor een warmteoplossing met de laagste nationale kosten en zullen dit criterium meenemen bij het maken van keuzes. Echter, wij vinden het van cruciaal belang om de transitie betaalbaar te houden voor onze inwoners. Daarom streven we ook naar de laagste kosten voor iedere eindgebruiker, waarbij het kostenverdelingsvraagstuk tussen diverse partijen (waaronder overheid en eindgebruiker) nog dient te worden opgelost.
Besliscriteria potentiële infrastructuur Onderstaande besliscriteria zijn van toepassing bij het bepalen van de potentiële aardgasvrije infrastructuur per wijk. In de Transitievisie Warmte wordt gekeken naar een mix aan oplossingen, variërend van individuele lage temperatuuroplossingen tot collectieve hoge temperatuuroplossingen. Alle oplossingen zijn onder te verdelen in drie hoofdcategorieën: warmtenetten, all-electric en groen gas. Per wijk zullen één of meerdere globale voorkeursrichtingen worden bepaald op basis van onderstaande criteria en een nader te bepalen wegingsfactor. Voor de wijken of buurten die worden aangewezen om vóór 2030 volledig aardgasvrij te worden gemaakt wordt alleen gekeken naar bewezen en bestaande warmteoplossingen, en zijn vooralsnog dus alleen warmtenetten of all-electric oplossingen mogelijk. A. CO2-uitstoot De warmteoplossing die tot de minste CO2-uitstoot leidt heeft de voorkeur. Het gaat hierbij om de CO2uitstoot van zowel de bron, infrastructuur, energiedrager en benodigde gebouw- en installatie aanpassingen. De doelstelling is dat iedere oplossing emissie-vrij is in 2050. Hoe en in welk tempo bestaande systemen, zoals het Amernet en het elektriciteitsnet, worden verduurzaamd is moeilijk te voorspellen. Op basis van modelberekeningen zullen we aannames maken voor dit criterium.
Te hanteren criteria: o Absolute CO2-uitstoot per warmteoplossing per wijk o CO2-uitstoot van een warmteoplossing in verhouding tot de warmteoplossing met de hoogste uitstoot B. Kosteneffectiviteit Conform Klimaatakkoord krijgt de warmteoplossing met de laagste nationale kosten de voorkeur boven duurdere oplossingen. Gemeenten kunnen hiervan afwijken, maar dienen in dat geval expliciet te motiveren waarom voor een ander alternatief wordt gekozen. Het is daarmee noodzakelijk om dit criterium mee te wegen.
4
Te hanteren criteria: o Absolute nationale kosten per warmteoplossing per wijk o Nationale kosten van een warmteoplossing in verhouding tot de duurste warmteoplossing C.
Eindgebruikerskosten Om te kunnen beoordelen of een warmteoplossing betaalbaar is voor iedere inwoner, is het van belang om inzicht te krijgen in het deel van de kosten dat neerslaat bij de eindgebruiker (eigenaar-bewoner of huurder). In deze zogenaamde eindgebruikerskosten worden alle kosten meegenomen die een eindgebruiker moet betalen voor een aardgasvrije strategie, waaronder energie- en onderhoudslasten, gebruik van installaties en isolatie, en eventuele aansluitbijdrages. Ook subsidies en belastingen worden meegerekend. Belangrijk bij de bepaling van de uiteindelijke eindgebruikerskosten is het kostenverdelingsvraagstuk tussen partijen. Te hanteren criteria: o Absolute eindgebruikerskosten per warmteoplossing per wijk o Eindgebruikerskosten van een warmteoplossing in verhouding tot de duurste warmteoplossing
D. Aanwezigheid van warmtebronnen De mate waarin een warmtebron geografisch gezien aanwezig is (lokaal/regionaal), is bepalend voor de potentie van een warmteoplossing. Indien er bijvoorbeeld in de nabijheid van een wijk een lage temperatuurbron beschikbaar is, zoals oppervlaktewater, dan is er meer potentie voor een collectieve infrastructuur in die wijk dan wanneer die bron niet aanwezig is. Bij de uiteindelijke bepaling of de oplossing geschikt is voor een wijk dient o.a. rekening te worden gehouden met de temperatuur van de bron in relatie tot het benodigde isolatieniveau van de bebouwing. Te hanteren criteria: o De benodigde warmtebron voor een warmteoplossing is sterk / gering / niet aanwezig. E.
Ruimtelijke inpassingsmogelijkheden De mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing van warmteoplossingen verschilt per wijk. Een warmtenet vraagt de benodigde ruimte in de ondergrond om woningen te kunnen aansluiten. Wanneer die ruimte al is ingenomen door andere infrastructuur ligt de aanleg van een warmtenet niet voor de hand. Een allelectric oplossing vraagt een verzwaring van het elektriciteitsnet, waarvoor niet alleen dikkere elektriciteitskabels in de bodem benodigd zijn, maar ook de plaatsing van extra transformatorhuisjes bovengronds. De beschikbare ruimte hiervoor kan de mogelijkheden voor een warmteoplossing beïnvloeden. Te hanteren criteria: o Weinig / gemiddeld / veel inpassingsmogelijkheden voor implementatie van een warmteoplossing
De hierboven genoemde criteria worden in een matrixtabel uitgewerkt zodat wijken met elkaar kunnen worden vergeleken. De volgende stap is het uitvoeren van een Multi-Criteria-Analyse. Dit zal gebeuren door weging toe te kennen aan de diverse criteria om de warmteoplossingen per wijk te kunnen scoren. Deze analyse is een hulpmiddel om afwegingen te maken. Tabel 1: voorbeeldmatrix wat-vraag per wijk
5
Bijlage 1: begrippenlijst Nationale kosten:
De totale kosten van een warmtesysteem voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht bij wie deze kosten neerslaan. De nationale kosten hebben betrekking op de gehele keten, van bron tot eindgebruiker, en omvatten onder andere investeringskosten (geannuïseerd over de afschrijvingstermijn van de investeringen), brandstofkosten en operationele kosten (of juist besparingen op deze kosten). In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er een Leidraad komt met maatschappelijke kosten van opties voor aardgasvrij verwarmen van gebouwen. Daarbij is de term ‘maatschappelijke kosten’ niet gedefinieerd. Bij het maken van de Leidraad door PBL is gebleken dat deze term bij veel mensen associaties oproept met een kostenbegrip waarin ook negatieve effecten van ingrepen zijn opgenomen die niet in geld kunnen worden uitgedrukt, zoals geluidshinder (van warmtepompen) of verkeershinder (door graafwerkzaamheden voor warmtenetten). Het kwantificeren (en in geld uitdrukken) van dit soort effecten blijft in de Leidraad echter buiten beschouwing, omdat de methoden daarvoor omslachtig zijn en vaak ter discussie worden gesteld. Om begripsverwarring te voorkomen, is op nationaal niveau besloten de term ‘maatschappelijke kosten’ te vervangen door ‘nationale kosten’. In Tilburg nemen we deze terminologie over.
6