02 Algemene uitgangspunten nadeelcompensatie augustus 2021
Tekst van het document
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN STELSEL VAN NADEELCOMPENSATIE
versie adviseur
augustus 2021 drs. P.A.J.M. van Bragt
STICHTING ADVIESBUREAU ONROERENDE ZAKEN POSTBUS 29196 • 3001 GD ROTTERDAM • BEZOEKADRES KRUISPLEIN 484 • ROTTERDAM T 010 – 469 3899 • INFO@SAOZ.NL • WWW.SAOZ.NL • IBAN NL21INGB0000508019 • BTW NL002767661B01 • KVK 41126679 TAXATIES • RISICOANALYSES • PLANSCHADE • NADEELCOMPENSATIE • JURIDISCHE ONDERSTEUNING • TRAININGEN
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING ...............................................................................................................3
2
HET STELSEL VAN NADEELCOMPENSATIE.........................................................4
3
WAT TE DOEN BIJ EEN VERZOEK OM NADEELCOMPENSATIE .........................7
4
RECHTSBESCHERMING SCHADEBESLUITEN ...................................................10
5
MATERIELE BEOORDELINGSCRITERIA BEHORENDE TOT HET STELSEL VAN NADEELCOMPENSATIE .......................................................................................11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
De aard en omvang van de schade ...............................................................11 Causaal verband ...........................................................................................12 Voorzienbaarheid en actieve risicoaanvaarding .............................................13 Normaal maatschappelijk risico .....................................................................14 Vergoeding van wettelijke rente .....................................................................15 Tegemoetkoming in de deskundigenkosten ...................................................16
1
INLEIDING
Dit kennisdocument bevat de algemene uitgangspunten behorende tot het stelsel van nadeelcompensatie zoals deze worden gehanteerd bij de adviesgroep nadeelcompensatie van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken. Dit document is uitsluitend bestemd voor interne kennisoverdracht en opleiding. Aan de inhoud van het document kunnen geen rechten worden ontleend. De Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) is een onafhankelijk en deskundig adviesbureau op het gebied van het bestuursrechtelijk schadevergoedingsrecht. SAOZ vervult in het onderhavige dossier de rol van onafhankelijk adviseur zoals bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en in de rechtspraak (zie onder meer ABRS d.d. 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0665). Dit betekent dat SAOZ, met inachtneming van de van toepassing zijnde wettelijke kaders en de stand van de rechtspraak, een zelfstandig, onpartijdig en deskundig onderzoek heeft uitgevoerd naar de eventuele aanspraken die verzoeker kan hebben op een tegemoetkoming in de schade op basis van het stelsel van nadeelcompensatie. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen worden gehanteerd bij de verdere besluitvorming met betrekking tot het onderhavige verzoek om schadevergoeding.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
3 van 16
2
HET STELSEL VAN NADEELCOMPENSATIE
Juridische grondslag nadeelcompensatie Het stelsel van nadeelcompensatie is een bestuursrechtelijk schadevergoedingsstelsel op basis waarvan derden (burgers en ondernemers) een bestuursorgaan aansprakelijk kunnen stellen voor de onevenredige nadelen vanwege de rechtmatige uitoefening van een publieke taak of bevoegdheid van dit bestuursorgaan (zie onder meer ABRS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, en ABRS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6926. De juridische grondslag van het stelsel van nadeelcompensatie kan worden gevonden in het zogenaamde beginsel van de “égalité devant les charges publique”, of ook wel het zogenaamde beginsel van de gelijke verdeling van de openbare lasten. Rechtmatige uitoefening publieke taak Ingevolge dit beginsel geldt dat een bestuursorgaan bij de rechtmatige uitoefening van een publieke taak of bevoegdheid verplicht kan zijn de bij derden ontstane onevenredige nadelen te vergoeden. Dit is een wezenlijk andere aansprakelijkheid dan bijvoorbeeld de aansprakelijkheid vanwege onrechtmatig handelen (op basis van artikel 6.162 BW). Immers, binnen het stelsel van nadeelcompensatie geldt als vereiste dat de schadeoorzaak een rechtmatig besluit en/of een rechtmatige feitelijke handeling dient te zijn.
Met andere woorden, indien door een benadeelde wordt gesteld dat het bestuursorgaan onrechtmatig jegens hem of haar heeft gehandeld, is het stelsel van nadeelcompensatie niet van toepassing. Bestuursorgaan Het stelsel van nadeelcompensatie is alleen maar van toepassing op besluiten of handelingen van een bestuursorgaan. De eventuele nadelen van beslissingen of rechtshandelingen van de rechtspersoon “de gemeente” kunnen niet binnen het stelsel van nadeelcompensatie worden beoordeeld. Indien door een benadeelde wordt gesteld dat de rechtspersoon ‘de gemeente’ weliswaar rechtmatig jegens hem of haar heeft gehandeld, doch dat daardoor alsnog schade is ontstaan, dan is het stelsel van nadeelcompensatie niet van toepassing.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
4 van 16
Wettelijke grondslag De schadevergoedingsplicht die voortvloeit uit het égalitébeginsel is deels wettelijk verankerd en deels (nog) niet. Het planschaderecht op basis van artikel 6.1 Wro is een wettelijk geregeld schadevergoedingsstelsel dat op het égalitébeginsel is gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de nadeelcompensatieregeling
op
basis
van
artikel
7.14
Waterwet.
Deze
schadevergoedingsregelingen kennen een limitatieve opsomming van schadeoorzaken (artikel 6.1 Wro) of zijn uitsluitend voorbehouden aan bepaalde overheidstaken (artikel 7.14 Waterwet). Indien sprake is van een wettelijk gecodificeerd schadevergoedingsstelsel, bestaat
geen
ruimte
–
om
in
plaats
van
het
voorgeschreven
schadevergoedingsstelsel- een verzoek om schadevergoeding binnen het stelsel van nadeelcompensatie te beoordelen. Buitenwettelijk schadevergoedingsstelsel Voor schadeveroorzakende besluiten of feitelijke handelingen waarvoor geen wettelijke schadevergoedingsregeling bestaat, geldt–kort gezegd- het niet-gecodificeerde algemene nadeelcompensatierecht op basis van het égalitébeginsel. Het betreft hier in de praktijk vaak
schadeoorzaken
zoals
tijdelijke
of
permanente
verkeersmaatregelen
(verkeersbesluiten) of feitelijke handelingen van een bestuursorgaan. In 2013 is weliswaar een aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht (de zogenaamde Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten)
vastgesteld,
doch
Titel
4.5
van
deze
aanvulling
(het
nadeelcompensatiegedeelte) is nog niet in werking getreden. Ingevolge het bepaalde in artikel 4.126 van deze nog niet in werking getreden codificatie van het égalitébeginsel, luidt de schadevergoedingsregeling als volgt: “Indien
een
bestuursorgaan
in
de
rechtmatige
uitoefening
van
zijn
publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe”
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
5 van 16
Vereiste van belangenafweging Naast het vereiste dat de schadeoorzaak gekenmerkt moet kunnen worden als een rechtmatige uitoefening van een publieke taak of bevoegdheid, geldt tevens het vereiste dat deze rechtmatige uitoefening het resultaat moet zijn geweest van een voorafgaande belangenafweging ex artikel 3.4 lid 2 Awb door het bestuursorgaan. Indien de schadeoorzaak kan worden aangemerkt als een zogenaamde gebonden beschikking (zijnde een beschikking waarbij het bestuursorgaan geen zelfstandige afwegingsruimte heeft), kan niet worden verzocht om een vergoeding ten titel van nadeelcompensatie. Een voorbeeld van een gebonden beschikking is de omgevingsvergunning voor de activiteit slopen. Een dergelijke vergunning dient te worden verleend indien wordt voldaan aan een aantal “technische” criteria. De vergunningssystematiek biedt geen aanvullende ruimte voor een belangenafweging. Het stelsel van nadeelcompensatie is derhalve niet van toepassing op een verleende sloopvergunning.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
6 van 16
3
WAT TE DOEN BIJ EEN VERZOEK OM NADEELCOMPENSATIE
Geen wettelijke procedureregeling Zoals hiervoor is aangegeven, gelden voor het stelsel van nadeelcompensatie geen formeel wettelijke eisen en criteria. Dit betekent dat ook voor de behandeling van een verzoek om nadeelcompensatie geen formeel wettelijke voorschriften van toepassing zijn1. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot het planschaderecht, waarvoor in het Besluit ruimtelijke ordening een (procedure)regeling is opgenomen in Afdeling 6.1. “Tegemoetkoming in schade”. Basisregels Algemene wet bestuursrecht van toepassing Het bovenstaande betekent dat bij de ontvangst en behandeling van een verzoek om nadeelcompensatie in beginsel teruggevallen wordt op de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht die gelden voor de voorbereiding en het nemen van besluiten. Immers, met een verzoek om nadeelcompensatie wordt in juridische zin verzocht om ter zake een besluit te nemen (tweede lid van artikel 1.3 Awb). Het besluit op een verzoek om nadeelcompensatie wordt een schadebesluit genoemd. Indien in een schadebesluit uitsluitend wordt beslist op het schadeverzoek, is er sprake van een zuiver schadebesluit. Indien in het schadebesluit niet alleen wordt beslist op het schadeverzoek maar ook over de schadeoorzaak zelf, dan is er sprake van een onzuiver schadebesluit. Onzuivere schadebesluiten komen zelden voor.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het toegestaan de besluitvorming over de schadeoorzaak af te zonderen van de besluitvorming over de schade vanwege het schadeveroorzakende besluit. Een schadebesluit is derhalve aan te merken als een besluit ex het eerste lid van artikel 1.3 Awb. Dit betekent onder meer dat een bestuursorgaan bij het voorbereiden van het (schade)besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart (artikel 3.2 Awb).
1 Dit is uiteraard anders als het bestuursorgaan een procedureverordening nadeelcompensatie heeft
vastgesteld. Dan is de procedure in deze verordening geregeld.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
7 van 16
Geen verplichting inschakeling deskundige Op basis van de Algemene wet bestuursrecht noch op basis van de huidige stand van de rechtspraak is er een verplichting om een externe deskundige in te schakelen. Het bestuursorgaan is bevoegd het verzoek zelfstandig af te doen. Uiteraard geldt onverkort de verplichting dat het besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3.46 Awb). Redelijke beslistermijn Indien een verzoek om nadeelcompensatie door het bestuursorgaan zelf wordt afgehandeld, gelden de regels van artikel 4.13 Awb, artikel 4.14 Awb en artikel 4.15 Awb voor wat betreft de redelijke beslistermijn. Zienswijze bij gehele of gedeeltelijke afwijzing Voordat een aanvraag geheel of gedeeltelijk afgewezen wordt, dient het bestuursorgaan de verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen (artikel 4:7 Awb), tenzij één van de uitzonderingsgronden van toepassing zijn. Vereisten aan het verzoek en verplichtingen verzoeker In Afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht (in het bijzonder artikel 4:2 Awb) worden regels gegeven waaraan verzoekers moeten voldoen indien zij een aanvraag om een (schade)besluit indienen bij een bestuursorgaan. Deze regels gelden onverkort voor verzoeken om nadeelcompensatie. Dit betekent dat een aanvraag moet zijn voorzien van de minimale naam-adreswoonplaatsgegevens.
Tevens dient duidelijk uit de aanvraag naar voren te komen om wat voor besluit wordt gevraagd en, indien sprake is van een verzoek om schadevergoeding, wat de schadeoorzaak is en welke schade is geleden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat de benadeelde in objectieve zin de aard en omvang van de schade dient aan te tonen. De bewijslast ligt derhalve bij de verzoeker. Bij inkomensschade (ondernemer) is het gebruikelijk dat de verzoeker over een aantal boekjaren zijn financiële administratie verstrekt. Immers, dergelijke gegevens zijn nodig om de inkomensschade te berekenen.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
8 van 16
Advies externe deskundigen mogelijk Ingevolge de huidige stand van het recht en de rechtspraak is het mogelijk dat het bestuursorgaan zich door een externe onafhankelijke deskundige laat adviseren inzake het te nemen besluit op een verzoek om nadeelcompensatie. Het is gebruikelijk dat een dergelijke deskundige, ongeacht of er sprake is van een van toepassing zijnde nadeelcompensatieregeling, een vaste (in de rechtspraktijk gebruikelijke) adviesprocedure zal volgen. Zo hanteren de deskundigen van SAOZ de volgende standaardprocedure: • De deskundige verzamelt bij het bestuursorgaan en de verzoeker de benodigde (financiële) gegevens; • De deskundige stelt partijen in de gelegenheid om gezamenlijk of afzonderlijk een mondelinge toelichting te geven; • De deskundige brengt eerst, gelijktijdig aan alle betrokken partijen, een advies in concept uit, waarbij de deskundige de betrokken partijen de gelegenheid biedt om een schriftelijke zienswijze in te dienen; • De deskundige zal de zienswijzen betrekken bij het uit te brengen definitieve advies aan het bestuursorgaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een bestuursorgaan bij haar besluit en de onderbouwing van dit besluit uitgaan van een
advies
van
een
externe
deskundige
(zie
ABRS
21
januari
2015,
ECLI:NL:RVS:2015:131).
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
9 van 16
4
RECHTSBESCHERMING SCHADEBESLUITEN
Vanwege
het
ontbreken
van
een
wettelijke
grondslag
voor
het
stelsel
van
nadeelcompensatie is er sprake van een complexe situatie met betrekking tot de rechtsbescherming tegen besluiten van een bestuursorgaan op verzoeken om nadeelcompensatie. Zoals hiervoor is aangegeven, wordt een besluit van een bestuursorgaan op een verzoek om nadeelcompensatie aangemerkt als een besluit ex artikel 1.3 Awb. Dit betekent evenwel niet als vanzelfsprekend dat tegen een dergelijk schadebesluit beroep bij de bestuursrechter openstaat (voorafgegaan door bezwaar bij het bestuursorgaan). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is bezwaar en beroep tegen een zuiver schadebesluit uitsluitend mogelijk indien de schadeoorzaak zelf een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is geweest. Er moet sprake zijn van de zogenaamde processuele connexiteit. Als er geen sprake is van processuele connexiteit dient de rechtsbescherming te worden gezocht bij de civiele rechter. Voorbeelden van niet voor beroep vatbare schadeoorzaken zijn feitelijke handelingen door of vanwege een bestuursorgaan, of besluiten van een bestuursorgaan waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat (zie onder meer ABRS d.d. 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195). Als uitzondering geldt de situatie als er binnen het beheersgebied van het bestuursorgaan een nadeelcompensatieverordening of nadeelcompensatieregeling van toepassing is.
In een dergelijk geval wordt de processuele connexiteit in geval van feitelijke handelingen of niet
voor
beroep
vatbare
schadeveroorzakende
nadeelcompensatieverordening.
Dit
betekent
dat
besluiten dan
in
ontleend alle
aan
de
gevallen
de
rechtsbescherming kan worden gezocht bij de bestuursrechter. Na inwerkingtreding van Titel 4.5 Nadeelcompensatie van de Algemene wet bestuursrecht geldt de processuele connexiteit voor alle, onder deze titel vallende schadeoorzaken.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
10 van 16
5
MATERIELE BEOORDELINGSCRITERIA BEHORENDE TOT HET STELSEL VAN NADEELCOMPENSATIE
Indien is vastgesteld dat een verzoek om schadebeoordeling kan worden aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie, dient het verzoek te worden beoordeeld aan de hand van een aantal voorgeschreven materiële criteria. De overwegingen en uitkomsten van deze beoordeling dienen vervolgens helder en duidelijk te worden verwoord in het te nemen schadebesluit. De volgende criteria dienen te worden beoordeeld: • De aard en omvang van de schade; • Het causale verband tussen de schade en de schadeoorzaak • De vergoedbaarheid van de schade op basis van een beoordeling van de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak en de actieve risicoaanvaarding van de gevolgen van de voorzienbare schadeoorzaak; • De vergoedbaarheid van de schade op basis van het normaal maatschappelijk risico • De wettelijke rente; • De tegemoetkoming in de deskundigenkosten. In dit hoofdstuk hebben wij deze criteria nader uiteengezet. 5.1
De aard en omvang van de schade
Binnen het stelsel van nadeelcompensatie kan sprake zijn van vermogensschade en inkomensschade. Vermogensschade betreft in de regel de waardevermindering van onroerende zaken (woningen en/of bedrijfsmatig vastgoed) en is per definitie permanent van karakter. Inkomensschade betreft schade in de vorm van derving van brutowinst en/of toename van de bedrijfskosten. Inkomensschade kan zowel tijdelijk als permanent van karakter zijn. In beginsel geldt binnen het stelsel van nadeelcompensatie dat de bewijslast, dus de last om de aard en omvang van de schade aan te tonen, gelegen is bij de benadeelde partij. Dit betekent dat een verzoeker in objectieve zin dient aan te tonen dat er sprake is van schade en hoe hoog deze schade is.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
11 van 16
Dit kan geschieden aan de hand van een taxatierapport (bij vermogensschade) of een bedrijfseconomische schadeberekening (bij inkomensschade) Echter, in de praktijk blijkt dat, vanwege de criteria binnen het stelsel van nadeelcompensatie, aan dergelijke taxatierapporten en/of schadeberekeningen zodanige eisen worden gesteld, dat het verstrekken van de kale informatie over de onroerende zaak of de bedrijfsadministratie in de regel leidt tot juistere resultaten. Deze kale, objectieve informatie wordt vervolgens door het bestuursorgaan of een benoemde onpartijdige deskundige beoordeeld en verwerkt in een schadeberekening. Bij vermogensschade bestaat de schadeberekening in de regel uit een vergelijkende vastgoedtaxatie van de onroerende zaak in de oude situatie ten opzichte van de nieuwe (nadeligere) situatie. Het verschil tussen deze twee waardes kan vervolgens worden aangemerkt als de schade. De waarderingen dienen overigens te geschieden tegen een vaste schadepeildatum; in de regel de datum waarop het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk (en dus rechtmatig) is geworden. Bij inkomensschade bestaat de schadeberekening uit een vergelijking tussen de werkelijk in de schadeperiode gerealiseerde omzetten en de redelijkerwijs te verwachten omzetten indien de schadeoorzaak wordt weggedacht.
Bij deze schadeberekening dient onder meer rekening te worden gehouden met de autonome en brancheontwikkelingen. De schade is dan de gemiste brutowinstmarge op het omzetverlies, gecorrigeerd met eventuele kostenbesparingen in de bedrijfsvoering dan wel extra kosten. 5.2
Causaal verband
De enkele omstandigheid dat er sprake is van schade betekent niet als vanzelfsprekend dat de schade direct is toe te rekenen aan de gestelde schadeoorzaak. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen uitsluitend de direct aan de schadeoorzaak toe te rekenen nadelen voor tegemoetkoming in aanmerking (zie onder meer ABRS d.d. 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:831). De beoordeling van het causale verband is in grote mate afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
12 van 16
Feiten en omstandigheden die van belang zijn, hebben vaak betrekking op aspecten als uitzicht, privacy, hinder en overlast in het geval van waardevermindering van onroerende zaken of op aspecten als bereikbaarheid, zichtbaarheid en hinder en overlast in het geval van inkomensschade bij bedrijven. Externe ontwikkelingen zoals weersomstandigheden, invloed
van
de
seizoenen,
ziekte
van
werknemers,
stakingen,
normale
omzetschommelingen en economische recessie, dienen ook bij de beoordeling te worden betrokken (zie onder meer ARBS d.d. 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:794). Hoewel ook ten aanzien van dit aspect de bewijslast in beginsel bij de verzoeker ligt, geldt er vervolgens ook de plicht voor het bestuursorgaan om een eventueel standpunt met betrekking tot het causale verband op een deugdelijke wijze te motiveren. 5.3
Voorzienbaarheid en actieve risicoaanvaarding
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer ABRS d.d. 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3666) komen nadelen die voor een benadeelde, op het moment van de investeringsbeslissing (aankoop pand of vestiging bedrijf), redelijkerwijs voorzienbaar waren, niet voor vergoeding ten titel van nadeelcompensatie in aanmerking. Het ter zake geldend criterium voor het aannemen van actieve risicoaanvaarding vanwege voorzienbaarheid is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, of ‘op het moment van de beslissing tot investeren’ aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de investering niet volledig en/of minder snel zou kunnen worden terugverdiend. Hierbij is niet vereist dat de schadeveroorzakende maatregel tot in detail is uitgewerkt was of dat de omvang van de nadelige gevolgen op voorhand nauwkeurig kan worden
bepaald
(zie
onder
meer
ABRS
d.d.14
november
2012,
ECLI:NL:RVS:2012:BY3029). Bij het beoordelen van dit materiele aspect dient enerzijds te worden onderzocht op welke datum de benadeelde verzoeker zich ergens heeft gevestigd of een bedrijf heeft overgenomen of een woning heeft gekocht. Anderzijds dient vervolgens, aan de hand van door de gemeente verstrekte informatie onderzocht te worden welke openbare en concrete gegevens op dat moment van investeren bekend was over de schadeoorzaak. Het is vervolgens niet vereist dat de verzoeker feitelijk bekend was met deze informatie.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
13 van 16
Het gaat om de vraag of de verzoeker bekend had kunnen zijn met deze informatie en op basis daarvan een afweging had kunnen maken wat deze informatie zou moeten betekenen voor zijn investering. 5.4
Normaal maatschappelijk risico
Binnen het stelsel van nadeelcompensatie komt eventuele toerekenbare schade pas voor tegemoetkoming in aanmerking indien deze uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normaal ondernemersrisico (onevenredig nadeel) van de benadeelde en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft (zie onder meer ABRS 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1652 en ABRS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6926). Normale maatschappelijke ontwikkeling Als uitgangspunt geldt dat een overheidshandeling zoals het treffen van een verkeersmaatregel of de uitvoering van een infrastructureel project als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee eenieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten (zie onder meer ABRS d.d. 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6926). Onderzoek feiten en omstandigheden Het bovenstaande neemt evenwel niet weg dat zelfs indien er sprake is van een normaal maatschappelijke
ontwikkeling
er
sprake
kan
zijn
van
zodanige
feiten
en/of
omstandigheden die de overheid verplichten (een deel van) de toerekenbare schade te vergoeden. Dit betekent dat bij het beoordelen van het normaal maatschappelijk risico onderzocht dient te worden of en zo ja in welke mate sprake is van dergelijke bijzondere feiten en/of omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de aard van de schadeoorzaak, de duur ervan, de wijze van verwezenlijking ervan en de (relatieve) omvang van de schade (zie onder meer ABRS d.d. 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105, 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2052, 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1868 en 15 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1650).
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
14 van 16
Normaal maatschappelijk risico uit te drukken als een drempel van het geschade belang. Gelet op de stand van het recht ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico binnen het stelsel van nadeelcompensatie is het aanvaardbaar om het normaal maatschappelijk risico uit te drukken in een drempelbedrag dat bepaald wordt aan de hand van een percentage van de voor de schadeperiode gerealiseerde omzet. Minimale drempel in alle gevallen 2% In ieder geval kan, gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 12 december 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:4034) en 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:336) een minimale drempel van 2% worden gehanteerd. Hogere drempels niet uitgesloten Uit eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat ook drempels van 10%, 8% en 5% aanvaardbaar zijn (zie ABRS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1868, ABRS d.d. 15 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1650 en ABRS d.d. 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1198). Van belang is ten slotte dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 15 juni 2016 heeft geoordeeld dat bij tijdelijke infrastructurele werkzaamheden een drempel van 8% als uitgangspunt mag worden gehanteerd, waarvoor geen verhoogde motiveringsplicht geldt. 5.5
Vergoeding van wettelijke rente
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, indien een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend, wettelijke rente verschuldigd over de toe te kennen tegemoetkoming vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding tot de datum van betaling van de tegemoetkoming (zie onder meer ABRS 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2865). Het betreft hier de wettelijke (samengestelde) rente zoals bedoeld in artikel 6.119 BW (zie ABRS d.d. 30 juli 2014 ECLI:NL:RVS:2014:2865), zijnde derhalve de wettelijke rente bij niet-handelstransacties.
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
15 van 16
5.6
Tegemoetkoming in de deskundigenkosten
Ingevolge bestendige rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen de redelijke kosten voor het inroepen van rechtsbijstand dan wel andere deskundigenbijstand voor vergoeding in aanmerking indien het inroepen van dergelijke bijstand eveneens als redelijk is aan te merken (zie onder meer ABRS d.d. 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8139). Een tegemoetkoming in de redelijke deskundigenkosten is overigens uitsluitend aan de orde indien het verzoek om nadeelcompensatie wordt toegekend. Er dient eerst onderzocht te worden of het inschakelen door de verzoeker van rechtsbijstand of andere deskundigenbijstand als redelijk dient te worden aangemerkt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden vastgesteld dat binnen het stelsel van nadeelcompensatie geen (hoge) drempels worden opgeworpen ten aanzien van het inroepen van eigen deskundigenbijstand, zowel ten aanzien van rechtsbijstand als ten aanzien van andere bijstand, vaak op financieel gebied. De juridische en/of financiële materie is immers niet zelden complex van aard. Vervolgens dient te worden onderzocht of de omvang van de kosten van de ingeschakelde deskundigenbijstand als redelijk kan worden aangemerkt.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan voorts worden opgemaakt dat de beoordeling van de redelijkheid van de omvang van de kosten mede afhankelijk is van de mate van relevantie van de bijdrage van de ingeschakelde deskundigen, de gehanteerde uurtarieven, het aantal uren dat aan de bijstand is besteed, de verhouding tussen de gedeclareerde uren in verhouding tot de verrichte werkzaamheden, en de complexiteit van de materie en de doorlopen procedure.
Adviesgroep nadeelcompensatie
Peter van Bragt Productaccountmanager nadeelcompensatie SAOZ
Intern kennisdocument nadeelcompensatie
16 van 16