CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Raadsvoorstel wijziging Algemene Plaatselijke Verordening 2023_1

Raadsvergadering 6 juli 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel tot wijziging Algemene Plaatselijke Verordening 2023.111.590 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raad 2023_1436 definitief

1

Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.1 Aanleiding Er bestaat aanleiding tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV). De voorstellen hiertoe worden verzameld en periodiek aan de raad voorgelegd. In de afgelopen periode hebben er diverse bijeenkomsten plaatsgevonden met de raad waarin is gesproken over de APV. Informatiebijeenkomst raad 18 oktober 2021 Tijdens een informatiebijeenkomst over de voorgestelde wijzigingen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) op 18 oktober 2021 zijn vragen gesteld over wat onze APV eigenlijk zou moeten regelen. M.a.w. wat voor een APV willen wij in onze gemeente? Tijdens de gemeenteraadsvergadering van maandag 15 november 2021 is tijdens de behandeling van het raadsvoorstel door de VVD Tilburg een vraag gesteld over het voeren van het goede gesprek hierover. De burgemeester gaf aan hiervoor open te staan en ook andere partijen hadden reeds aangegeven dit gesprek te willen voeren. Om die reden werd voorgesteld een informatiebijeenkomst te houden over de vraag “Wat voor APV-gemeente willen wij zijn?”. De reguliere wijzigingen van de APV werden aangehouden tot na deze informatiebijeenkomst. In 2022 heeft daarom maar één wijziging van de APV plaatsgevonden. Deze wijziging bevatte enkel onderwerpen die geen uitstel konden verdragen.

Informatiebijeenkomst raad 6 maart 2023 Op 6 maart 2023 vond de informatiebijeenkomst plaats. Naar aanleiding van een presentatie over de kenmerken van de APV is een vragenronde gehouden bij de aanwezige fracties. Deze vragen werden beantwoord door medewerkers van Juridische Zaken en Handhaving. Er bleef onvoldoende tijd over om gedachtebepalend te spreken over de stelling 'Welke APV-gemeente willen we zijn.' Er is daarom afgesproken om voorafgaand aan het moment dat enkele artikelen uit de APV ontvlecht worden (richting Omgevingswet) een nieuw moment in te plannen met de raad om over de stelling inhoudelijk verder te spreken. Daarnaast is afgesproken dat de reguliere wijzigingen van de APV weer gewoon opgepakt kunnen worden. Voorstel tot wijziging APV 2023.1 In dit raadsvoorstel wordt de eerste wijziging van de APV van 2023 aan de raad voorgelegd. Er zullen dit jaar nog twee raadsvoorstellen tot wijziging van de APV volgen. Er liggen namelijk nog verschillende voorstellen tot wijziging ‘op de plank’ en deze worden verdeeld over diverse raadsvoorstellen zodat een en ander overzichtelijk blijft qua besluitvorming. Bij de in dit raadsvoorstel opgenomen wijziging gaat het om de wijziging van 7 artikelen en/of de toelichting op deze artikelen, de toevoeging van 1 nieuw artikel en het laten vervallen van 1 artikel.

De adviezen van de VNG ten aanzien van wijzigingen van de APV zijn hier ook bij betrokken en worden indien van toepassing overgenomen. Het betreft de volgende onderwerpen. Definitie ‘kermis’ opnemen in artikel 1 ‘Begripsomschrijvingen’ en aanvulling artikel 51 ‘Speelautomaten’. Voor het plaatsen en laten gebruiken van zogenaamde kermis(speel-)automaten is op grond van artikel 30a lid van de Wet op de kansspelen geen vergunning nodig. Het gaat dan, volgens dit artikel, om door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen typen van speelautomaten die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt ter gelegenheid van kermissen, en die zodanig zijn ingericht, dat het bespelen ervan niet kan leiden tot de uitkering van geldprijzen, of tot de onmiddellijke uitkering van premies, waardebonnen of penningen, die een waarde vertegenwoordigen van meer dan het veertigvoud van de inzet per spel. Alleen op kermissen mogen de door de minister van V&J aangewezen typen speelautomaten zonder vergunning worden geplaatst. Wat in Tilburg onder een kermis wordt verstaan is ter beoordeling aan de gemeenteraad.

Raad 2023_1436 definitief

2

Uit alle plaatselijke regelgeving die van toepassing is op kermissen (de APV en de Verordening vaststelling plaatsen en tijdens kermissen 2018) blijkt dat we in Tilburg enkel tijdelijke kermissen kennen en geen kermissen met een permanent karakter. Om ervoor te zorgen dat hier geen onduidelijkheid over kan ontstaan wordt voorgesteld om in de APV een definitie van het begrip ‘kermis’ op te nemen waarin dit tijdelijke karakter is vastgelegd. Daarnaast wordt voorgesteld om in de APV concreet op te nemen dat de zogenaamde kermis(speel-)automaten alleen op een kermis zonder vergunning mogen worden geplaatst. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 3. Nieuw artikel 12 toevoegen aan APV om op te kunnen treden tegen fietsen die niet tijdig verwijderd zijn bij evenementen. Bij evenementen en andere openbare samenkomsten kan het noodzakelijk zijn dat zaken die zich op of rondom de daartoe aangewezen locatie bevinden worden verwijderd. Daaronder vallen ook zaken die niet in eigendom zijn van de gemeente Tilburg en die daar in beginsel rechtmatig zijn geplaatst, bijvoorbeeld fietsen en snor-/ bromfietsen die geplaatst zijn in of op de daarvoor bestemde beugels/plaatsen. Er bestaat op dit moment geen grondslag om handhavend op te treden in deze situatie.

Het voorstel is om een nieuwe verbodsbepaling op te nemen in de APV die de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij evenementen en andere samenkomsten tijden en plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om zaken, zoals fietsen, op de weg te plaatsen of te hebben. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 6. Artikel 27 lid 4 en 5 en artikel 27a APV, het zogenaamde colorverbod, laten vervallen. De Hoge Raad heeft het colorverbod in de APV onverbindend verklaard. Het gaat om het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties, zoals het logo van een verboden motorclub. Gemeenten moeten dit verbod uit de APV schrappen. De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat artikel 2:50a zoals bijvoorbeeld opgenomen in de modelAPV van de VNG in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Hoge Raad verklaart artikel 2:50a APV onverbindend. Gemeenten die het colorverbod in hun APV hebben staan, moeten dit laten vervallen. Tilburg heeft dit colorverbod vastgelegd in artikel 26 lid 4 en 5 en in artikel 27a van de APV. Er wordt voorgesteld om deze artikelen te laten vervallen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 7.

Artikel 34 APV ‘Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting’ aanpassen aan modelbepaling VNG Artikel 34 APV geeft de burgemeester de bevoegdheid om in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden tijdelijk andere sluitingstijden vast te stellen voor horecabedrijven. Daarnaast kan de burgemeester in de situaties die genoemd worden in het tweede lid van dit artikel tijdelijke sluiting bevelen van een horeca-inrichting. In een recente bezwaarzaak was er discussie over de toepassing van dit artikel, hetgeen de vraag opriep of dit artikel, gelet op de huidige tekst, wel voldoende adequaat gebruikt kan worden. De model-APV van de VNG biedt een oplossing. Er wordt voorgesteld de tekst van artikel 34 APV zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de betreffende bepaling uit de model-APV van de VNG. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 10. Artikel 39 APV gedragseis exploitatievergunning ‘niet ontzet zijn uit ouderlijke macht of voogdij’ laten vervallen. In artikel 39 lid 2 APV zijn de gedragseisen opgenomen voor leidinggevenden van exploitatievergunningplichtige inrichtingen. Bij het opstellen van deze gedragseisen werd aangesloten bij de eisen uit de Drank- en Horecawet.

De gedragseis dat een leidinggevende niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet mag zijn is al sinds 2015 geen weigeringsgrond meer voor een drank- en horecavergunning. Dat is logisch omdat deze gedragseis geen verband houdt met het al dan niet zijn van een goed leidinggevende van een horeca-inrichting. De VNG heeft geadviseerd om deze gedragseis te schrappen uit de vergunningenstelsels in de APV. Voorgesteld wordt om het advies van de VNG over te nemen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 13.

Raad 2023_1436 definitief

3

Artikel 41 Weigering exploitatievergunning: toelichting actualiseren. De toelichting op artikel 41 van de APV is niet meer voldoende actueel. Zo wordt er nog verwezen naar inrichtingen waar Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse en naar het oude coffeeshopbeleid. Voorgesteld wordt om dit aan te passen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 14. Verkeerde verwijzing in artikel 98 APV ‘Gedragseisen exploitant en beheerder’ seksinrichting aanpassen. De VNG heeft in haar ledenbrief van juni 2021 aangegeven dat een verkeerde verwijzing in artikel 98 lid 3 aanhef onder a van de APV moet worden aangepast. Daarnaast stelt de VNG nog twee redactionele wijzigingen voor. Voorgesteld wordt om het advies van de VNG over te nemen. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 16. In de uitwerking van de wijzigingsvoorstellen is in de nieuwe tekst van de artikelen steeds schuingedrukt en in rood aangegeven wat er wordt gewijzigd.

Beoogd effect/ bestuurlijk kader Dit voorstel beoogt de APV te actualiseren.

Voorstel De bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.1 vaststellen, met de volgende wijzigingen voor de APV: • • • • • • • • •

Artikel 1 wijzigen; Een nieuw artikel 12 met toelichting toevoegen; Artikel 27 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 27a en de toelichting op dit artikel laten vervallen; Artikel 34 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 39 wijzigen; De toelichting op artikel 41 APV wijzigen; Artikel 51 wijzigen; Artikel 98 wijzigen;

Argumenten 1. Definitie ‘kermis’ opnemen in artikel 1 ‘Begripsomschrijvingen’ en aanvulling artikel 51 ‘Speelautomaten’. Voor het plaatsen en laten gebruiken van zogenaamde kermis(speel-)automaten is op grond van artikel 30a lid 2 van de Wet op de kansspelen (Wks) geen vergunning nodig. Het gaat dan, volgens dit artikel, om door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen typen van speelautomaten die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt ter gelegenheid van kermissen, en die zodanig zijn ingericht, dat het bespelen ervan niet kan leiden tot de uitkering van geldprijzen, of tot de onmiddellijke uitkering van premies, waardebonnen of penningen, die een waarde vertegenwoordigen van meer dan het veertigvoud van de inzet per spel. Alleen op kermissen mogen de door de minister van V&J aangewezen typen speelautomaten zonder vergunning worden geplaatst. De aangewezen speelautomaten betreffen zowel kansspelautomaten (zoals bijvoorbeeld roulette-automaten, fruitautomaten, muntenschuivers) als behendigheidsautomaten (zoals bijvoorbeeld flipperkasten of schietspelen). Wat is een kermis? Wat in Tilburg onder een kermis wordt verstaan is ter beoordeling aan de gemeenteraad. In de toelichting op de Wks heeft de Minister het volgende hierover opgemerkt: “Thans is het ter beoordeling van de plaatselijke overheid om te bepalen wanneer er sprake is van een kermis.

Dat wil zeggen dat de gemeente bepaalt in hoeverre de duur en de aard van een bepaalde activiteit van belang

Raad 2023_1436 definitief

4

zijn om die activiteit als kermis te kwalificeren. Onder het begrip kermis kunnen derhalve zowel een tijdelijke gelegenheid van openbaar vermaak als ook een toeristisch vermaak- of amusementscentrum met een meer permanent karakter vallen.”1 In Tilburg alleen kermissen met tijdelijk karakter toegestaan Uit alle plaatselijke regelgeving die van toepassing is op kermissen (de APV en de Verordening vaststelling plaatsen en tijdens kermissen 2018) blijkt dat we in Tilburg enkel tijdelijke kermissen kennen en dat er geen kermissen met een permanent karakter zijn toegestaan. Een definitie van het begrip ‘kermis’ ontbreekt echter. Om ervoor te zorgen dat er geen onduidelijkheid bestaat over wat er in Tilburg onder ‘kermis’ wordt verstaan, wordt voorgesteld om in artikel 1 van de APV de volgende definitie van het begrip ‘kermis’ op te nemen: “Kermis: een volksfeest van tijdelijke aard in de buitenlucht met kramen, attracties, toestellen waar men in kan en andere vormen van vermaak.” Het voorgestelde gewijzigde artikel 1 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 1 APV Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2.

de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen. D. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

1

Kamerstukken II 1997-98, 25727 nr. 3, p17-18 (mvT)

Nieuwe tekst artikel 1 APV Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen. D. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

Raad 2023_1436 definitief

E.

Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. F. Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. G. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L. Parkeren: daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; M. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

5

E.

Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. F. Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. G. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. H. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. I. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. J. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. K. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. L. Parkeren: daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; M. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. N. Kermis: een volksfeest van tijdelijke aard in de buitenlucht met kramen, attracties, toestellen waar men in kan en andere vormen van vermaak.

Voorstel ten aanzien van artikel 51 Speelautomaten Om duidelijk te maken dat in Tilburg de zogenaamde kermis(speel-)automaten enkel op een kermis zonder vergunning op grond van de Wet op de Kansspelen mogen worden geplaatst wordt voorgesteld artikel 51 aan te vullen met een tweede lid. Het voorgestelde gewijzigde artikel 51 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 51 APV Artikel 51. Speelautomaten

Nieuwe tekst artikel 51 APV Artikel 51. Speelautomaten

1.

1.

Het aantal kansspelautomaten, dat in een inrichting als bedoeld in artikel 30c onder a. van de Wet op de kansspelen, mag worden geplaatst bedraagt twee.

2.

Het aantal kansspelautomaten, dat in een inrichting als bedoeld in artikel 30c onder a. van de Wet op de kansspelen, mag worden geplaatst bedraagt twee. Speelautomaten, zoals bedoeld in artikel 30a lid 2 van de Wet op de kansspelen, mogen alleen op

Raad 2023_1436 definitief

6

een kermis zonder vergunning op grond van de Wet op de kansspelen worden geplaatst.

2. Nieuw artikel 12 Verbod op het plaatsen van zaken (bijv. fietsen), bij evenementen en andere openbare samenkomsten. Voor evenementen en andere openbare samenkomsten kan het noodzakelijk zijn dat zaken die zich op of rondom de daartoe aangewezen locatie bevinden worden verwijderd. Daaronder vallen ook zaken die niet in eigendom zijn van de gemeente Tilburg en die niet bij wettelijk voorschrift zijn verboden, bijvoorbeeld fietsen en snor-/bromfietsen die geplaatst zijn in de daarvoor bestemde beugels en andere plaatsen. Huidige situatie Als er bijvoorbeeld ten behoeve van een evenement of een andere openbare samenkomst fietsbeugels verwijderd moeten worden, dan wordt enige tijd voorafgaand aan het evenement een waarschuwingsbord bij die fietsbeugels geplaatst. Daarop staat aangegeven dat fietsen die daar geplaatst worden vanaf datum X verwijderd zullen worden. Een dergelijk bord heeft geen wettelijke grondslag. Een fietsbeugel heeft in Tilburg echter wel een juridische betekenis. In geval het bijvoorbeeld een fietsbeugel betreft binnen een door het college aangewezen gebied als bedoeld in art. 76 lid 2 APV, dan is het stallen van een fiets nu juist alleen binnen die beugels toegestaan. Buiten een aangewezen gebied is het stallen van fietsen in beginsel op elke veilige plek toegestaan.

Fietsen die bij fietsbeugels staan en waar een waarschuwingsbord bij staat, zoals hierboven beschreven, worden daadwerkelijk geruimd. Noodzaak om soms fietsen en andere zaken te kunnen verwijderen Om een evenemententerrein of een plaats voor een samenkomst daadwerkelijk te kunnen gebruiken is het soms nodig om zaken die in de weg staan, zoals fietsen, te kunnen verwijderen. In het uiterste geval, als het plaatsen van een waarschuwingsbord niet voldoende helpt, moet het mogelijk zijn om bestuursdwang toe te passen. Er bestaat geen andere wetgeving op grond waarvan in deze situaties kan worden opgetreden. Voorstel om nieuw artikel toe te voegen in de APV In de APV kan een verbodsbepaling worden opgenomen die ziet op de geschetste problematiek en die een grondslag geeft om handhavend op te treden. De gemeente Amsterdam kent al een dergelijke bepaling in haar APV. Met een verbodsbepaling in de APV kunnen er bij een evenement of andere samenkomst, waarbij dat nodig wordt geacht, tijden en plaatsen worden aangewezen waarop het verboden is om zaken, zoals bijvoorbeeld fietsen, te plaatsen of aanwezig te hebben. Overtreding van dit verbod kan dan resulteren in het opleggen van een last onder bestuursdwang, waarbij na een (korte) begunstigingstermijn een fiets daadwerkelijk geruimd wordt.

Het is logisch om de bevoegdheid tot het aanwijzen van deze plaatsen aan de burgemeester toe te kennen nu de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op het houden van toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden. Het voorgestelde nieuwe artikel 12 en de toelichting daarop luiden als volgt: Oude tekst artikel 12 APV Artikel 12. Beperking aanbieden gedrukte of geschreven stukken e.d. [VERVALLEN per 24 december 2019]

Nieuwe tekst + toelichting artikel 12 APV Artikel 12. Plaatsen van zaken bij samenkomsten Het is verboden bij openbare samenkomsten en vermakelijkheden op door de burgemeester aangewezen tijden en plaatsen zaken op of aan de weg te plaatsen of te hebben. Toelichting

Raad 2023_1436 definitief

7

Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om plaatsen en tijden aan te wijzen waarop zaken, zoals (brom)fietsen, niet geplaatst mogen worden. Op grond van artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de uitvoering van (bepalingen van) verordeningen die betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, en op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. De aanwijzingsbevoegdheid wordt daarom aan de burgemeester toegekend. De bevoegdheid uit dit artikel is vooral bedoeld voor het instellen van een verbod om gebruik te maken van fietsparkeervoorzieningen, omdat deze voorzieningen ten behoeve van een openbare samenkomst of vermakelijkheid, zoals bijvoorbeeld een evenement, verwijderd moeten kunnen worden. Het artikel kent echter wel een wat bredere bevoegdheid, zodat ook in andere situaties adequaat opgetreden kan worden. Er is sprake van een verbod: overtreding daarvan kan leiden tot handhaving, zoals het met bestuursdwang verwijderen van een fiets of een andere zaak.

3. Het colorverbod is onverbindend verklaard door de Hoge Raad. Artikel 27 lid 4 en 5 en artikel 27a APV moeten komen te vervallen. Arrest Hoge Raad De Hoge Raad heeft het colorverbod in de Algemene plaatselijke verordening (APV) onverbindend verklaard. Het gaat om het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties, zoals het logo van een verboden motorclub. De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1946) dat artikel 2:50a van de model-APV van de VNG in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Hoge Raad verklaart artikel 2:50a APV onverbindend. Gevolgen voor gemeenten Gemeenten die het colorverbod in hun APV hebben staan, moeten dit laten vervallen. De VNG heeft de betreffende bepalingen reeds geschrapt uit haar model-APV. In Tilburg betreft het de artikelen 27 lid 4 en 5 en artikel 27a van de APV. Voorstel ten aanzien van artikel 27 Er wordt voorgesteld om het vierde en vijfde lid van artikel 27 in te trekken, onder vernummering van de leden 6 en 7 naar 4 en 5. Ook de toelichting op dit artikel moet worden aangepast. Het voorgestelde gewijzigde artikel 27 APV en de toelichting daarop luiden als volgt: Oude tekst + toelichting artikel 27 APV Artikel 27. Ordeverstoring. 1.

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.

Nieuwe tekst + toelichting artikel 27 APV Artikel 27. Ordeverstoring. 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.

Raad 2023_1436 definitief

3.

4.

5.

6.

7.

Het is verboden bij evenementen, messen, knuppels en slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het verbod in het vierde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer en de gemeente in het belang van de openbare orde of veiligheid stipt en terstond op te volgen. Het vorenstaande geldt ook voor de jaarlijkse kermis zoals bedoeld in de Verordening houdende vaststelling van de plaatsen en tijden van de kermis.

8

3.

Het is verboden bij evenementen, messen, knuppels en slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.

4.

Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer en de gemeente in het belang van de openbare orde of veiligheid stipt en terstond op te volgen. Het vorenstaande geldt ook voor de jaarlijkse kermissen zoals bedoeld in de Verordening vaststelling plaatsen en tijden kermissen.

5.

Toelichting Het verbod de orde bij een evenement te verstoren, spreekt voor zich. De leden 2 en 3 geven nog extra verboden in relatie met het plaatsvinden van evenementen. Deze hebben betrekking op ongewenst gedrag en ongewenst bezit van messen en wapens.

Toelichting Het verbod de orde bij een evenement te verstoren, spreekt voor zich. De leden 2 en 3 geven nog extra verboden in relatie met het plaatsvinden van evenementen. Deze hebben betrekking op ongewenst gedrag en ongewenst bezit van messen en wapens.

Lid 4 en 5: Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten. Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers. Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte

Lid 4 bevat de verplichting gevolg te geven aan aanwijzingen die de politie of de brandweer geeft in het belang van de openbare orde of veiligheid. Lid 5 is toegevoegd nu de jaarlijkse kermissen niet onder het begrip evenement vallen zoals bedoeld in artikel 25 APV.

Raad 2023_1436 definitief

nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak. Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een verbodsbepaling opgenomen in de APV. Deze bepaling houdt in dat het verboden is om bij evenementen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde.

Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 137. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (vijfde lid). Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.

4. Voorstel ten aanzien van artikel 27a ‘Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties’ Voorgesteld wordt om artikel 27a in zijn geheel te laten vervallen.

9

Raad 2023_1436 definitief

10

5. Artikel 34 APV aanpassen aan modelbepaling APV-VNG Wat staat er nu in artikel 34 APV? Artikel 34 APV lid 1 van de APV geeft de burgemeester de bevoegdheid om in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden tijdelijk andere sluitingstijden vast te stellen voor horecabedrijven. Het tweede lid van dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om in bepaalde situaties tijdelijke sluiting te bevelen van een horeca-inrichting. Tijdelijke sluiting van een horeca-inrichting kan als: a. daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. b. daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen. c. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend. d. zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd. e. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid.

Discussie over reikwijdte artikel 34 APV In een recente bezwaarzaak was er discussie over de toepassing van het tweede lid van artikel 34 aanhef en onder e. In deze zaak, waarbij buiten kijf stond dat de openbare orde werd geschonden door bezoekers die vanuit een horeca-inrichting naar buiten liepen, werd betwijfeld of genoemd artikel kon worden toegepast. Het gedrag dat de openbare orde schond en de openbare veiligheid in gevaar bracht vond plaats buiten het pand waarin de horeca-inrichting was gevestigd. Er kon niet worden vastgesteld of het ongewenste gedrag plaatsvond vanaf het terras van de horeca-inrichting (dat onderdeel uitmaakt van die horeca-inrichting) of plaatsvond in het openbaar gebied (buiten de horeca-inrichting). De vraag was of de reikwijdte van het bepaalde in het tweede lid onder e ook strekte tot gedragingen die net buiten de horeca-inrichting plaatsvonden. Duidelijk was echter dat er een relatie lag met de bewuste horeca-inrichting en met de exploitatie daarvan. Er was alle reden voor de burgemeester om op te treden en een tijdelijke sluiting te bevelen van deze inrichting. Het bevel tot tijdelijke sluiting is in bezwaar overeind gebleven en er is geen beroep ingesteld. Huidige tekst en beleid artikel 34 APV versus modelbepaling VNG Deze casus heeft ervoor gezorgd dat er nog eens kritisch is gekeken naar de tekst van artikel 34 APV.

Ook het beleid van de burgemeester ten aanzien van toepassing van zijn bevoegdheden uit artikel 34 APV is hierbij betrokken. Daarnaast is ook gekeken hoe een en ander is geregeld in de model-APV van de VNG. In de Tilburgse praktijk vindt toepassing van artikel 34 het vaakst plaats op grond van het tweede lid aanhef en onder e. Dat is de restcategorie. Dat betekent dat zich vaker situaties voordoen die niet, dan situaties die wel van tevoren expliciet beschreven zijn. De gevallen die onder de restcategorie vallen vragen een goede feitelijke beschrijving van hetgeen is voorgevallen en een gedegen motivering van de onderbouwing van het gevaar voor de openbare orde, de veiligheid of de gezondheid. De bepaling uit de model-APV van de VNG op grond waarvan de burgemeester tot vaststelling van tijdelijke andere sluitingsuren kan besluiten of een tijdelijke sluiting van een horeca-inrichting kan bevelen is algemener van opzet. De situaties waarin de burgemeester gebruik kan maken van zijn bevoegdheden zijn hierin niet opgesomd. Dat artikel luidt als volgt: “Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.” Deze modelbepaling biedt meer ruimte voor de burgemeester om maatwerk te leveren dan het Tilburgse artikel.

Raad 2023_1436 definitief

11

Het beleid van de burgemeester ten aanzien van toepassing van artikel 34 APV, zoals opgenomen in het Handhavingsprotocol Horeca geldt onverkort. In dat beleid is bepaald dat de burgemeester in ieder geval in de volgende situaties reden ziet om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot tijdelijke sluiting van een horecainrichting: 1. Vuurwapengeweld; 2. Geweldsdelicten in of nabij de inrichting waarbij een relatie kan worden gelegd met de wijze van exploiteren van de inrichting; 3. Handelen in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen; 4. Indien in de inrichting door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen; 5. Indien in de inrichting een wapen als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig is, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend; 6. Indien zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd. In het beleid wordt aangegeven dat deze lijst niet uitputtend is. De situaties die benoemd worden in het beleid zijn vrijwel identiek aan de situaties die nu worden genoemd in het tweede lid van artikel 34 APV. Het is goed om van tevoren duidelijkheid te geven op welke wijze gebruik gemaakt gaat worden van een bevoegdheid.

Dat hoeft echter niet per se in een APV-artikel, de uitwerking kan ook prima plaatsvinden in beleidsregels. Voorstel De tekst van de betreffende bepaling uit de model-APV van de VNG biedt de burgemeester meer ruimte om maatwerk te leveren dan de huidige tekst van het Tilburgse artikel. Daarnaast heeft de burgemeester de manier waarop hij gebruik wil maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 34 APV uitgewerkt in het Handhavingsprotocol Horeca, zodat dit voor eenieder op voorhand duidelijk is. Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld om de tekst van artikel 34 APV zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de betreffende bepaling uit de model-APV van de VNG. Het voorgestelde gewijzigde artikel 34 APV en de toelichting daarop luiden als volgt: Oude tekst + toelichting artikel 34 APV Artikel 34. Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting. 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 32 geldende sluitingsuren vaststellen. 2. De burgemeester kan de tijdelijke sluiting bevelen van een inrichting, indien: a. daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. b.

daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen. c. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend. d. zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft

Nieuwe tekst + toelichting artikel 34 APV Artikel 34 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting. 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 32 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Raad 2023_1436 definitief

3.

12

gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd. e. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid. Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voorzover artikel 13b Opiumwet van toepassing is.

Toelichting De bevoegdheid om afwijkende sluitingsuren vast te stellen of inrichtingen tijdelijk te sluiten vindt zijn grondslag in artikel 174 Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester belast met het toezicht op openbare samenkomsten, maar ook op “voor het publiek openstaande gebouwen”, zoals horecainrichtingen. De burgemeester kan zijn in artikel 34 neergelegde bevoegdheid gebruiken in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid of in bijzondere omstandigheden. Op basis van het eerste lid kan de burgemeester voor één of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen dan de geldende. Te denken is b.v. aan de situatie, dat er bij een bepaalde inrichting sprake is van een overlastpatroon, dat zich met name na twaalf uur ‘s nachts manifesteert. De burgemeester kan dan gedurende een bepaalde periode de sluitingstijd vaststellen op 24.00 uur. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid inrichtingen gedurende een bepaalde tijd volledig te sluiten. Onder a t/m c. is een aantal concrete feiten opgesomd, die, als zij zich in de inrichting voordoen, kunnen leiden tot sluiting van de inrichting voor bepaalde tijd. Met het bepaalde onder d. is aangegeven, dat van de exploitant van een horeca-inrichting verwacht wordt, dat deze zijn volledige medewerking verleent aan de opsporing van ernstige strafbare feiten, zoals b.v.

zware mishandeling, als die in de inrichting hebben plaatsgevonden. Indien onvoldoende medewerking wordt verleend of zaken worden verdoezeld, duidt dit er op, dat de inrichting op een wijze wordt geëxploiteerd, die een gevaar voor de openbare orde en de veiligheid met zich meebrengt. Het bepaalde onder e. maakt sluiting mogelijk in alle andere gevallen, waarin de openbare orde in gevaar is, zonder dat zich specifiek één van de onder a. t/m d. genoemde feiten heeft voorgedaan.

Toelichting Eerste lid Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot één maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting. Tweede lid Het tweede lid verwijst naar artikel 13b Opiumwet. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een inrichting te sluiten, indien daar middelen als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 Opiumwet (hard- dan wel softdrugs) worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Deze bevoegdheid staat dus naast de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 34. Artikel 13b Opiumwet is bedoeld om op te kunnen treden tegen inrichtingen, waar drugs worden verkocht etc., waar dat niet wordt gedoogd.

Indien zich openbare orde problemen (niet specifiek gekoppeld aan de verkoop van drugs) voordoen in een inrichting, waar de verkoop van soft drugs gedoogd wordt (coffeeshops) is niet artikel 13b maar artikel 34 APV het aangewezen artikel om toe te passen.

Raad 2023_1436 definitief

13

De beleidsregels, die de burgemeester hanteert bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid, zijn vastgelegd in de zogenaamde Handhavingsmodule Horeca. Derde lid Het derde lid verwijst naar artikel 13 b Opiumwet. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een inrichting te sluiten, indien daar middelen als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 Opiumwet (hard- dan wel softdrugs) worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Deze bevoegdheid staat dus naast de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 34 1. Artikel 13 b Opiumwet is bedoeld om op te kunnen treden tegen inrichtingen, waar drugs worden verkocht etc., waar dat niet wordt gedoogd. Indien zich openbare orde problemen (niet specifiek gekoppeld aan de verkoop van drugs) voordoen in een inrichting, waar de verkoop van soft drugs gedoogd wordt (coffeeshops) is niet artikel 13 b maar artikel 34 APV het aangewezen artikel om toe te passen. [Wijziging per 23-09-2012] Dit artikel heeft betrekking op de sluiting van een horeca-inrichting. De term inrichting geeft beter weer dat het om de sluiting van het pand gaat. 6. Artikel 39 APV gedragseis ‘niet ontzet zijn uit ouderlijke macht of voogdij’ laten vervallen. In artikel 39 lid 2 APV zijn de gedragseisen opgenomen voor leidinggevenden van exploitatievergunningplichtige inrichtingen.

Bij het opstellen van deze gedragseisen werd aangesloten bij de eisen uit de Drank- en Horecawet (nu: de Alcoholwet). De gedragseis dat een leidinggevende niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet mag zijn is al sinds 2015 geen weigeringsgrond meer voor een drank- en horecavergunning. Dat is logisch omdat deze gedragseis geen rechtstreeks verband houdt met het al dan niet zijn van een goede leidinggevende van een horeca-inrichting. De VNG heeft geadviseerd om deze gedragseis te schrappen uit de vergunningenstelsels in de APV. Voorgesteld wordt om het advies van de VNG over te nemen. Het voorgestelde gewijzigde artikel 39 APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 39 APV Artikel 39. Gedragseisen. 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde. 2. De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen: a. zij dienen te voldoen aan de eisen gesteld in het Alcoholbesluit, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag; b. zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet te zijn;

Nieuwe tekst artikel 39 APV Artikel 39. Gedragseisen. 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde. 2. De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen: a. zij dienen te voldoen aan de eisen gesteld in het Alcoholbesluit, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag; b. zij dienen niet onder curatele te staan;

Raad 2023_1436 definitief

c.

3. 4.

zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; d. zij dienen de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van het tweede lid. Bij uitbreiding van het aantal leidinggevenden alsook bij wijziging van de persoon van de leidinggevende dient de exploitant hiervan melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe leidinggevende(n) geldt het bepaalde in het tweede lid.

14

c.

3. 4.

zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; d. zij dienen de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van het tweede lid. Bij uitbreiding van het aantal leidinggevenden alsook bij wijziging van de persoon van de leidinggevende dient de exploitant hiervan melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe leidinggevende(n) geldt het bepaalde in het tweede lid.

7. Artikel 41 weigering exploitatievergunning: toelichting actualiseren De toelichting op artikel 41 van de APV is niet meer actueel. Zo wordt er nog verwezen naar inrichtingen waar Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse en naar het oude coffeeshopbeleid. Voorgesteld wordt om dit aan te passen. De voorgestelde nieuwe toelichting op artikel 41 APV luidt als volgt: Oude tekst toelichting artikel 41 APV De vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat)) dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40. Voor alle inrichtingen geldt als weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan of de Leefmilieuverordening.

Nieuwe tekst toelichting artikel 41 APV De vergunning voor een droge horeca-inrichting dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40. Voor alle inrichtingen geldt als weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan of de Leefmilieuverordening. In de praktijk doet zich wel eens de situatie voor, dat een inrichting al lang ergens gevestigd is, maar wel in strijd met het bestemmingsplan, zonder dat daartegen is opgetreden. Het is niet reëel om een exploitatievergunning te weigeren voor bestaande inrichtingen op grond van strijdigheid met het bestemmingsplan als deze inrichtingen reeds geruime tijd ter plaatse gevestigd zijn. De formulering van het eerste lid (‘kan’-bepaling) geeft de burgemeester de ruimte om in dat geval toch vergunning te verlenen. Het is niet de bedoeling om in die gevallen via een postzegelplan het bestemmingsplan ook te herzien. Bij nieuwvestiging, die strijdig is met het bestemmingsplan, zal geen exploitatievergunning verleend worden, tenzij tegelijkertijd een herziening van het bestemmingsplan wordt geïnitieerd.

Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon- en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van

Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon- en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van

Raad 2023_1436 definitief

beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld. Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops. In de “Eindnota koffieshop-problematiek” van september 1992 is het vestigingsbeleid voor coffeeshops opgenomen. Deze nota is een tweetal malen aangevuld en wel door de “Nota lokaal drugsbeleid 1997” en de “Nota aanpassing vestigingsbeleid koffieshops”, die is vastgesteld op 14 juni 2001. Op basis hiervan geldt een maximum voor het aantal in Tilburg te vestigen koffieshops van twaalf.

15

beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld. Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops en vastgelegd in het Coffeeshopbeleid.

Ook voor inrichtingen, waarin Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse zal van deze mogelijkheid gebruik gemaakt worden. Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel.

Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel.

Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting.

Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horecainrichting.

Op grond van artikel 41 (oud) was de burgemeester verplicht een exploitatievergunning voor een horeca-inrichting te weigeren, indien er sprake is van strijd met het bestemmingsplan. In de praktijk doet zich wel eens de situatie voor, dat een inrichting al lang ergens gevestigd is, maar wel in strijd met het bestemmingsplan, zonder dat daartegen is opgetreden. De verplichting tot het beschikken over een exploitatievergunning is pas enkele jaren geleden in de APV opgenomen. Bestaande inrichtingen zijn aangeschreven om een vergunning aan te vragen. Het is niet reëel om een exploitatievergunning te weigeren voor bestaande

Raad 2023_1436 definitief

16

inrichtingen op grond van strijdigheid met het bestemmingsplan als deze inrichtingen reeds geruime tijd ter plaatse gevestigd zijn. De aangepaste formulering geeft de burgemeester de ruimte om in dat geval toch vergunning te verlenen. Het is niet de bedoeling om in die gevallen via een postzegelplan het bestemmingsplan ook te herzien. Bij nieuwvestiging, die strijdig is met het bestemmingsplan, zal geen exploitatievergunning verleend worden, tenzij tegelijkertijd een herziening van het bestemmingsplan wordt geïnitieerd. 8. Verkeerde verwijzing in artikel 98 APV aanpassen. De VNG heeft in haar ledenbrief van juni 2021 aangegeven dat een verkeerde verwijzing in artikel 98 lid 3 aanhef onder a moet worden aangepast. Er wordt verwezen naar ‘artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’, maar dit moet zijn ‘artikel 76, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’. Daarnaast raadt de VNG aan om in de aanhef van lid 3 expliciet te verwijzen naar het tweede lid onder b en c. Dit is een puur redactionele wijziging die dit deel van het artikel beter leesbaar maakt. Het voorgestelde gewijzigde artikel 98 lid 3 aanhef en onder a APV luidt als volgt: Oude tekst artikel 98 lid 3 aanhef en onder a APV Nieuwe tekst artikel 98 lid 3 aanhef en onder a APV Artikel 98. Artikel 98. Gedragseisen exploitant en beheerder. Gedragseisen exploitant en beheerder.

1. De exploitant en de beheerder: 1. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele; a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk b.

binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of, tot een geldboete van 500 euro of meer of, tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1. bepalingen gesteld bij of krachtens de 1.

bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Alcoholwet, de Opiumwet, de

Raad 2023_1436 definitief

3.

4.

5.

Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197 a t/m c, 240b, 242 tot en met 249, 273a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; 3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j* artikel 8 of j* artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning, bedoeld in artikel 97, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Tilburg, 9 mei 2023 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris, de burgemeester,

17

3.

Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197 a t/m c, 240b, 242 tot en met 249, 273a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; 3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j* artikel 8 of j* artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid onder b en c wordt gelijk gesteld: a. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b.

4.

5.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning, bedoeld in artikel 97, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Raad 2023_1436 definitief

18

Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 Gemeentewet;

Besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2023.1 Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 komt te luiden: Artikel 1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Weg: 1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. C.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12926280/2