01 Raadsvoorstel wijziging Algemene Plaatselijke Verordening 2021_1_aangepast
Tekst van het document
raad 2021_1166 definitief
1
Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg Aanleiding Er bestaat aanleiding tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV). De voorstellen hiertoe worden verzameld en periodiek aan de raad voorgelegd. De adviezen van de VNG ten aanzien van wijzigingen van de APV zijn hier ook bij betrokken en worden indien van toepassing overgenomen. Bij deze wijziging gaat het om de wijziging van 17 artikelen en/of de toelichting op deze artikelen, en de toevoeging van 1 nieuw artikel. Het betreft de volgende onderwerpen. Nieuw artikel 69a verbod op lachgas Door het toenemende recreatief gebruik van lachgas in het publieke domein van Tilburg ziet de politie elk jaar meer en meer situaties waarbij het recreatief gebruik van lachgas zorgt voor overlast op straat of situaties waarbij de verkeersveiligheid onder druk staat. Door het jaarlijks toenemende recreatief gebruik van lachgas op straat staat de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat onder druk. Nu landelijke regelgeving ten aanzien van lachgas is uitgesteld tot in ieder geval het voorjaar van 2022 wordt vooruitlopend hierop voorgesteld een verbod op recreatief lachgasgebruik op te nemen in de APV. Het voorstel wordt nader toegelicht op pagina 18 en 19.
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. In diverse artikelen in de APV wordt verwezen naar de Drank- en Horecawet. Voorgesteld wordt om deze verwijzingen te wijzigen in ‘Alcoholwet’.
Beoogd effect/ bestuurlijk kader Dit voorstel beoogt de APV te actualiseren.
Voorstel De bijgevoegde Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2021.1 vaststellen, met de volgende wijzigingen voor de APV:
• • • • • • • • • • • • • • • • •
Artikel 25 wijzigen; De toelichting op artikel 26A wijzigen; Artikel 36a en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 36b en de toelichting op dit artikel wijzigen; De toelichting op artikel 38 wijzigen; Artikel 39 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 40 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Artikel 41 wijzigen; Artikel 43 en de toelichting op dit artikel wijzigen; De toelichting op artikel 44 wijzigen; De toelichting op artikel 45b wijzigen; De toelichting op artikel 51 wijzigen; De toelichting op artikel 53a wijzigen; Artikel 69 en de toelichting op dit artikel wijzigen; Na artikel 69a een nieuw artikel 69b en toelichting op dit artikel invoegen; De toelichting van artikel 89 wijzigen; Artikel 98 wijzigen;
Portefeuillehouder: Burgemeester Behandelend ambtenaar: Juridische Zaken, Gertruud Dellevoet
raad 2021_1166 definitief
•
2
De toelichting op artikel 100 wijzigen.
Argumenten 1.
Verwijzing in artikel 25 naar Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in artikel 25 lid 1 sub d APV naar de Drank- en Horecawet moeten worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. Het voorgestelde gewijzigde artikel 25 komt dan als volgt te luiden:
•
o o o o
o
o
• o o o o o • o
o
o
Oude tekst 25 APV
Nieuwe tekst artikel 25 APV
Artikel 25. Begripsomschrijving. • 1. Een evenement is een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen;o b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid sub og van de Gemeentewet; o c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. activiteiten welke plaatsvinden in de besloten o ruimte van een inrichting als bedoeld in de Drank- en Horecawet mits het evenement betrekking heeft op de reguliere exploitatie van de horeca-inrichting; e. de jaarlijkse kermis als bedoeld in de Verordeningo houdende vaststelling van de plaatsen en tijden van de kermis; o f. sporttoernooien of sportwedstrijden die binnen de bestemming en/of reguliere bedrijfsvoering van de accommodatie vallen, mits het geen full contact vechtsport betreft. • 2. Onder evenement wordt mede verstaan: o a. een herdenkingsplechtigheid; o b. een braderie; o c. een rommelmarkt; o d. een buurt- of straatfeest; o e. een straatspeeldag. • 3. In deze bepalingen worden de volgende evenementen onderscheiden: a. Kennisgevings-evenement: evenement met een o laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd; b.
A-evenement: regulier evenement met praktisch o geen risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door een of meer diensten op het gebied van Openbare Orde en Veiligheid (OOV) niet noodzakelijk worden geacht; c. B-evenement: aandacht evenement met één of o meerdere aanzienlijke risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer OOVdiensten voorstelbaar wordt geacht;
Artikel 25. Begripsomschrijving. 1. Een evenement is een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid sub g van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. activiteiten welke plaatsvinden in de besloten ruimte van een inrichting als bedoeld in de Alcoholwet mits het evenement betrekking heeft op de reguliere exploitatie van de horeca-inrichting; e. de jaarlijkse kermis als bedoeld in de Verordening houdende vaststelling van de plaatsen en tijden van de kermis; f. sporttoernooien of sportwedstrijden die binnen de bestemming en/of reguliere bedrijfsvoering van de accommodatie vallen, mits het geen full contact vechtsport betreft. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een rommelmarkt; d. een buurt- of straatfeest; e. een straatspeeldag. 3. In deze bepalingen worden de volgende evenementen onderscheiden: a. Kennisgevings-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd; b. A-evenement: regulier evenement met praktisch geen risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door een of meer diensten op het gebied van Openbare Orde en Veiligheid (OOV) niet noodzakelijk worden geacht; c.
B-evenement: aandacht evenement met één of meerdere aanzienlijke risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer OOVdiensten voorstelbaar wordt geacht;
raad 2021_1166 definitief
o
•
•
d. C-evenement: risicovol evenement waarbij sprakeo is van één of meerdere grote risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer OOV-diensten noodzakelijk worden geacht. 4. Onder Evenementenkalender wordt in deze • afdeling verstaan een door de burgemeester vast te stellen lijst met B- en C-evenementen die in een kalenderjaar plaatsvinden. 5. Onder organisator wordt in deze bepalingen • verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is. 6. De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van de Evenementenkalender.
2.
3
d. C-evenement: risicovol evenement waarbij sprake is van één of meerdere grote risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer OOV-diensten noodzakelijk worden geacht. 4. Onder Evenementenkalender wordt in deze afdeling verstaan een door de burgemeester vast te stellen lijst met B- en C-evenementen die in een kalenderjaar plaatsvinden. 5. Onder organisator wordt in deze bepalingen verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is. 6. De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van de Evenementenkalender.
Verwijzing in toelichting artikel 26A naar Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de toelichting van artikel 26A APV naar de Drank- en Horecawet moeten worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 26A komt dan als volgt te luiden: Oude tekst toelichting artikel 26A APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 26A APV
Voor het organiseren van kleine evenementen is in het kader van de vermindering van administratieve lasten de termijn van kennisgeving 6 weken. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een kennisgeving door middel van een standaardformulier geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte. Een evenement kan met een kennisgeving worden afgedaan, indien aan alle in het artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De burgemeester kan het evenement verbieden indien door het organiseren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De organisator dient aan een toezichthouder te kunnen aantonen dat hij een kennisgeving heeft gedaan. De verplichting om de ontvangstbevestiging te kunnen tonen aan een toezichthouder is opgenomen in de APV.
Voor het organiseren van kleine evenementen is in het kader van de vermindering van administratieve lasten de termijn van kennisgeving 6 weken. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een kennisgeving door middel van een standaardformulier geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte. Een evenement kan met een kennisgeving worden afgedaan, indien aan alle in het artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De burgemeester kan het evenement verbieden indien door het organiseren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De organisator dient aan een toezichthouder te kunnen aantonen dat hij een kennisgeving heeft gedaan. De verplichting om de ontvangstbevestiging te kunnen tonen aan een toezichthouder is opgenomen in de APV.
raad 2021_1166 definitief
4
Het feit dat een kennisgevings-evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en horecawet is verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient rekening te worden gehouden. 3.
Het feit dat een kennisgevings-evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Alcoholwet is verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient rekening te worden gehouden.
Verwijzingen in artikel 36a en 36b naar Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de artikelen 36a en 36b APV naar de Drank- en Horecawet moeten worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde artikelen 36a en 36b en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden:
• • • •
Oude tekst + toelichting artikel 36a en 36b APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 36a en 36b APV
Artikel 36a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: -alcoholhoudende drank, -inrichting, -paracommerciële rechtspersoon,
Artikel 36a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: -alcoholhoudende drank, -inrichting, -paracommerciële rechtspersoon,
• • • •
dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 36 b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. een paracommerciële rechtspersoon mag onverminderd het bepaalde in artikel 32 omtrent het sluitingsuur van inrichtingen uitsluitend alcoholhoudende dranken verstrekken vanaf één uur vóór de tijd, waarop zij haar in artikel 1 eerste lid van de Drank en Horecawet bedoelde hoofdactiviteit uitoefent. 2. het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, te houden. 3. het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting bijeenkomsten te houden, die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks betrokken zijn bij de hoofdactiviteit van de betreffende rechtspersoon.
Artikel 36 b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. een paracommerciële rechtspersoon mag onverminderd het bepaalde in artikel 32 omtrent het sluitingsuur van inrichtingen uitsluitend alcoholhoudende dranken verstrekken vanaf één uur vóór de tijd, waarop zij haar in artikel 1 eerste lid van de Alcoholwet bedoelde hoofdactiviteit uitoefent. 2. het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, te houden. 3. het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting bijeenkomsten te houden, die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks betrokken zijn bij de hoofdactiviteit van de betreffende rechtspersoon.
Toelichting artikel 36 a en b Artikel 4 van de Drank-en Horecawet verplicht de gemeente om ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen, waaraan paracommerciële rechtspersonen gebonden zijn bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Onder
Toelichting artikel 36 a en b Artikel 4 van de Alcoholwet verplicht de gemeente om ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen, waaraan paracommerciële rechtspersonen gebonden zijn bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Onder een
raad 2021_1166 definitief
een paracommerciële rechtspersoon wordt een rechtspersoon verstaan, die naast activiteiten op sportief, recreatief, educatief, sociaal-cultureel, levensbeschouwelijk of religieus gebied in eigen beheer een horeca-inrichting exploiteert. De regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de tijden waarop alcohol houdende drank mag worden geschonken en op de in de inrichting te houden bijeenkomsten. Artikel 36 b geeft aan deze verplichting invulling.
4.
5
paracommerciële rechtspersoon wordt een rechtspersoon verstaan, die naast activiteiten op sportief, recreatief, educatief, sociaal-cultureel, levensbeschouwelijk of religieus gebied in eigen beheer een horeca-inrichting exploiteert. De regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de tijden waarop alcohol houdende drank mag worden geschonken en op de in de inrichting te houden bijeenkomsten. Artikel 36 b geeft aan deze verplichting invulling.
Verwijzingen in de toelichting op artikel 38 naar Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de toelichting op artikel 38 APV naar de Drank- en Horecawet moeten worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 38 komt dan als volgt te luiden: Oude tekst toelichting artikel 38 APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 38 APV
De burgemeester is het vergunningverlenende orgaan, omdat de vergunningsplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast.
De burgemeester is het vergunningverlenende orgaan, omdat de vergunningsplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast.
In het derde lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voor één of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vast te stellen dan die in artikel 32 zijn opgenomen. Deze bevoegdheid moet onderscheiden worden van de bevoegdheid van artikel 34. Laatstgenoemd artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om tijdelijk andere sluitingstijden vast te stellen. Artikel 38 geeft hem de bevoegdheid voor één of meer inrichtingen permanent andere sluitingstijden vast te stellen bij wege van vergunningvoorschrift. De burgemeester kan voor het gebruik van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Hierin kan b.v. het beleid worden opgenomen om voor een bepaalde categorie inrichtingen aparte sluitingstijden vast te stellen. Dit moet dan wel zijn reden vinden in het belang van de openbare orde en/of het voorkomen van overlast c.q. de bescherming van het woon- en leefklimaat. Door de burgemeester zijn in september 2005 beleidsregels vastgesteld omtrent de sluitingstijden van coffeeshops In het vierde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn komt overeen met de termijn die voor het beslissen op aanvragen voor een dranken horecavergunning is opgenomen in de Drank- en
In het derde lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voor één of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vast te stellen dan die in artikel 32 zijn opgenomen. Deze bevoegdheid moet onderscheiden worden van de bevoegdheid van artikel 34. Laatstgenoemd artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om tijdelijk andere sluitingstijden vast te stellen. Artikel 38 geeft hem de bevoegdheid voor één of meer inrichtingen permanent andere sluitingstijden vast te stellen bij wege van vergunningvoorschrift. De burgemeester kan voor het gebruik van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Hierin kan b.v. het beleid worden opgenomen om voor een bepaalde categorie inrichtingen aparte sluitingstijden vast te stellen. Dit moet dan wel zijn reden vinden in het belang van de openbare orde en/of het voorkomen van overlast c.q. de bescherming van het woon- en leefklimaat. Door de burgemeester zijn in september 2005 beleidsregels vastgesteld omtrent de sluitingstijden van coffeeshops In het vierde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn komt overeen met de termijn die voor het beslissen op aanvragen voor een dranken horecavergunning is opgenomen in de
raad 2021_1166 definitief
Horecawet. De praktijk leert dat deze termijn veelal ook nodig is. Door het bepaalde in het vijfde en zesde lid komt de verplichting om over een exploitatievergunning te beschikken te vervallen voor inrichtingen, waarin uitsluitend horeca-activiteiten plaatsvinden, die cumulatief voldoen aan de in het zesde lid gestelde eisen. Wordt niet aan één of meer van deze eisen voldaan, dan blijft de vergunningplicht bestaan. [Wijziging per 23-09-2012] Artikel 38 zesde lid bevat de eisen waaraan voldaan moet worden, wil er sprake van ondersteunende horeca. Voor deze vorm van horeca is geen exploitatievergunning vereist. Uitgangspunt voor ondersteunende horeca is dat deze ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van het pand waarin deze plaats vindt. Daarin past niet, dat wel een terras zou worden toegestaan, omdat dit afbreuk doet aan het (louter) ondersteunende karakter van de horeca. 5.
6
Alcoholwet. De praktijk leert dat deze termijn veelal ook nodig is. Door het bepaalde in het vijfde en zesde lid komt de verplichting om over een exploitatievergunning te beschikken te vervallen voor inrichtingen, waarin uitsluitend horeca-activiteiten plaatsvinden, die cumulatief voldoen aan de in het zesde lid gestelde eisen. Wordt niet aan één of meer van deze eisen voldaan, dan blijft de vergunningplicht bestaan. [Wijziging per 23-09-2012] Artikel 38 zesde lid bevat de eisen waaraan voldaan moet worden, wil er sprake van ondersteunende horeca. Voor deze vorm van horeca is geen exploitatievergunning vereist. Uitgangspunt voor ondersteunende horeca is dat deze ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van het pand waarin deze plaats vindt. Daarin past niet, dat wel een terras zou worden toegestaan, omdat dit afbreuk doet aan het (louter) ondersteunende karakter van de horeca.
Verwijzing in artikel 39 en de toelichting naar Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in artikel 39 lid 2 sub a en de toelichting op dit artikel naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. Het voorgestelde gewijzigde artikel 39 en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden: Oude tekst + toelichting artikel 39 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 39 APV
Artikel 39. Gedragseisen. 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde. 2. De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen : a. zij dienen te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag; b. zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet te zijn; c. zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; d. zij dienen de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van het tweede lid. 4. Bij uitbreiding van het aantal leidinggevenden alsook bij wijziging van de persoon van de
Artikel 39. Gedragseisen. 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde. 2. De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen : a. zij dienen te voldoen aan de eisen gesteld in het Alcoholbesluit, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag; b. zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet te zijn; c. zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; d. zij dienen de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van het tweede lid. 4. Bij uitbreiding van het aantal leidinggevenden alsook bij wijziging van de persoon van de leidinggevende dient de exploitant hiervan
raad 2021_1166 definitief
7
leidinggevende dient de exploitant hiervan melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe leidinggevende(n) geldt het bepaalde in het tweede lid.
melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe leidinggevende(n) geldt het bepaalde in het tweede lid.
Toelichting Dit artikel is uitsluitend van toepassing op exploitanten van droge horeca-inrichtingen (inclusief Qat). Voor exploitanten van natte horecainrichtingen gelden al gedragseisen op grond van de drank- en Horecawet en het daarop berustende “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999”. Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren, dat de exploitant en de beheerder(s) van voldoende “kaliber” zijn om de inrichting op een goede wijze te exploiteren. Door het bepaalde in het tweede lid onder a. worden de eisen die krachtens de Drank- en Horecawet gelden voor exploitanten van alcoholschenkende inrichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard op exploitanten van droge horeca-inrichtingen. In het “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999” is bepaald, dat een exploitant of beheerder zich niet schuldig gemaakt mag hebben aan een aantal in het besluit opgesomde strafbare feiten. Indien de exploitant of beheerder zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt en hij terzake is veroordeeld tot een in het besluit aangegeven straf, dan voldoet hij niet aan de eisen en dient de vergunning geweigerd te worden.
Toelichting Dit artikel is uitsluitend van toepassing op exploitanten van droge horeca-inrichtingen (inclusief Qat). Voor exploitanten van natte horecainrichtingen gelden al gedragseisen op grond van de Alcoholwet en het daarop berustende Alcoholbesluit. Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren, dat de exploitant en de beheerder(s) van voldoende “kaliber” zijn om de inrichting op een goede wijze te exploiteren. Door het bepaalde in het tweede lid onder a. worden de eisen die krachtens de Alcoholwet gelden voor exploitanten van alcoholschenkende inrichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard op exploitanten van droge horeca-inrichtingen. In het Alcoholbesluit is bepaald, dat een exploitant of beheerder zich niet schuldig gemaakt mag hebben aan een aantal in het besluit opgesomde strafbare feiten. Indien de exploitant of beheerder zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt en hij terzake is veroordeeld tot een in het besluit aangegeven straf, dan voldoet hij niet aan de eisen en dient de vergunning geweigerd te worden.
Bij wijziging van beheerder dient dit gemeld te worden. Iedere nieuwe beheerder dient uiteraard ook aan de eisen van artikel 39 te voldoen. 5.
Bij wijziging van beheerder dient dit gemeld te worden. Iedere nieuwe beheerder dient uiteraard ook aan de eisen van artikel 39 te voldoen.
Verwijzingen in artikel 40 en de toelichting daarop naar Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in artikel 40 lid 1 en de toelichting op dit artikel naar de Drank- en Horecawet moeten worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. Naar aanleiding van het vervallen van de verwijzing naar de Drank- en Horecawet moet het artikel en de toelichting ook inhoudelijk wat worden aangepast. Het eerste lid kan komen te vervallen omdat het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet waarnaar verwezen komt te vervallen. De eisen ten aanzien van de minimale vloeroppervlakte en de aanwezigheid van een voor bezoekers toegankelijk toilet moeten blijven bestaan. Het voorgestelde gewijzigde artikel 40 en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden:
raad 2021_1166 definitief
8
Oude tekst + toelichting artikel 40 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 40 APV
Artikel 40. Inrichtingseisen. 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, dient te worden voldaan aan de inrichtingseisen zoals opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, met uitzondering van de eis met betrekking tot de vloeroppervlakte van de horecalokaliteit en het bepaalde omtrent de eisen die worden gesteld aan een toiletgelegenheid. 2. Ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid geldt, dat tenminste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte dient te hebben van 25 m². 3. Ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan een toiletgelegenheid geldt dat in een inrichting tenminste een toilet aanwezig dient te zijn dat toegankelijk is voor bezoekers. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 40. Inrichtingseisen. 1. Voor inrichtingen waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt geldt, dat tenminste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte dient te hebben van 25 m². 2. In een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt moet tenminste een toilet aanwezig zijn dat toegankelijk is voor bezoekers. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Toelichting Ook dit artikel is uitsluitend van toepassing op droge horeca-inrichtingen (incl. Qat). Voor natte horecainrichtingen gelden inrichtingseisen op grond van het “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet”.
Toelichting Ook dit artikel is uitsluitend van toepassing op droge horeca-inrichtingen (incl. Qat). Op grond van dit artikel worden eisen gesteld aan de minimumvloeroppervlakte van de horecalokaliteit en eisen aan de aanwezigheid van een toiletgelegenheid. Voor droge horeca-inrichtingen geldt een minimum van 25 m² vloeroppervlakte. Er worden geen andere eisen aan een toilet gesteld dan de aanwezigheid en de toegankelijkheid voor bezoekers.
Op grond van dit artikel worden eisen gesteld aan de inrichting, zoals afmetingen, hoeveelheid licht, ventilatievoorzieningen e.d. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de eisen zoals opgenomen in het “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet” worden de eisen zoals die gelden voor de natte en de droge horeca deels geharmoniseerd. Uitzondering geldt voor de minimumvloeroppervlakte van de horecalokaliteit en de eisen aan de inrichting van de toiletgelegenheid. Voor droge horeca-inrichtingen geldt een minimum van 25 m², voor de natte horeca van 35 m². Er worden geen andere eisen aan een toilet gesteld dan de aanwezigheid en de toegankelijkheid van bezoekers.
raad 2021_1166 definitief
6.
9
Verwijzingen in artikel 41 naar de Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet.
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in artikel 41 lid 5 naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. Het voorgestelde gewijzigde artikel 41 komt dan als volgt te luiden: Oude tekst artikel 41 APV
Nieuwe tekst artikel 41 APV
Artikel 41. Weigering vergunning. 1. De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. 2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen. 5.
De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Drank- en Horecawet. 6. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en
Artikel 41. Weigering vergunning. 1. De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. 2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen. 5.
De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Alcoholwet. 6. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is
raad 2021_1166 definitief
leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 7.
10
geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
Verwijzingen in artikel 43 en de toelichting naar de Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet.
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in artikel 43 lid 2 en de toelichting op dit artikel naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. Het voorgestelde gewijzigde artikel 43 en de toelichting daarop komen dan als volgt te luiden: Oude tekst + toelichting artikel 43 APV
Nieuwe tekst + toelichting artikel 43 APV
Artikel 43. Intrekking vergunning. 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 kan een eenmaal verleende vergunning voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 39 en 40 gestelde eisen of het bepaalde in artikel 44 APV niet in acht wordt genomen. 2. Een vergunning kan eveneens worden ingetrokken, indien voor de exploitatie tevens een drank- en horecavergunning is vereist en deze wordt ingetrokken omdat niet langer voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8 van de Drank- en Horecawet respectievelijk het Besluit zedelijk gedrag Dranken Horecawet. 3. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: a. aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 34 van deze verordening b. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen. 4.
Indien de vergunning ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
Artikel 43. Intrekking vergunning. 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 kan een eenmaal verleende vergunning voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 39 en 40 gestelde eisen of het bepaalde in artikel 44 APV niet in acht wordt genomen. 2. Een vergunning kan eveneens worden ingetrokken, indien voor de exploitatie tevens een drank- en horecavergunning is vereist en deze wordt ingetrokken omdat niet langer voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8 van de Alcoholwet respectievelijk het Alcoholbesluit. 3. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: a. aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 34 van deze verordening b. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen. 4. Indien de vergunning ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
raad 2021_1166 definitief
11
Toelichting Intrekking van de vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat) is mogelijk, als niet meer voldaan wordt aan één of meer van de op grond van de artikelen 39 en 40 gestelde eisen. Daarnaast is voor alle inrichtingen intrekking mogelijk als aannemelijk is, dat de exploitant betrokken is bij of ernstige nalatigheid verweten kan worden ten aanzien van overtreding van de Opiumwet of een aantal andere strafbare feiten, zoals genoemd in artikel 34 APV (b.v. verboden wapenbezit). Intrekking is ook mogelijk als dit anderszins noodzakelijk is het belang van de openbare orde of ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Intrekking van een exploitatievergunning voor een alcoholschenkende inrichting is ook mogelijk als de Drank- en Horecavergunning wordt ingetrokken, omdat niet langer aan de zedelijkheidseisen wordt voldaan.
Toelichting Intrekking van de vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat) is mogelijk, als niet meer voldaan wordt aan één of meer van de op grond van de artikelen 39 en 40 gestelde eisen. Daarnaast is voor alle inrichtingen intrekking mogelijk als aannemelijk is, dat de exploitant betrokken is bij of ernstige nalatigheid verweten kan worden ten aanzien van overtreding van de Opiumwet of een aantal andere strafbare feiten, zoals genoemd in artikel 34 APV (b.v. verboden wapenbezit). Intrekking is ook mogelijk als dit anderszins noodzakelijk is het belang van de openbare orde of ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Intrekking van een exploitatievergunning voor een alcoholschenkende inrichting is ook mogelijk als de Drank- en Horecavergunning wordt ingetrokken, omdat niet langer aan de zedelijkheidseisen wordt voldaan.
De gronden voor intrekking van de vergunning zijn (nagenoeg) gelijk aan de gronden om een inrichting tijdelijk te sluiten op grond van artikel 34. In welke gevallen van welke bevoegdheid gebruik gemaakt zal worden is uitgewerkt in de “Handhavingsmodule horeca”.
De gronden voor intrekking van de vergunning zijn (nagenoeg) gelijk aan de gronden om een inrichting tijdelijk te sluiten op grond van artikel 34. In welke gevallen van welke bevoegdheid gebruik gemaakt zal worden is uitgewerkt in de “Handhavingsmodule horeca”.
Op grond van het derde lid kan bij intrekking van de vergunning bepaald worden, dat gedurende een alsdan te bepalen termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe vergunning verleend zal worden voor dezelfde inrichting. Deze bevoegdheid komt overeen met een soortgelijke bevoegdheid die is opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de Drank- en Horecawet. Gebruikmaking van deze bevoegdheid is b.v. aan de orde als er in een inrichting gehandeld is in harddrugs. Voorkomen moet worden, dat na intrekking van de vergunning direct een nieuwe vergunning moet worden verleend, omdat dan te vrezen is, dat deze handel zal worden voortgezet. Door het pand op deze wijze enige tijd als het ware aan zijn horecabestemming te onttrekken wordt beoogd de bekendheid van het pand als adres waar harddrugs te verkrijgen zijn weg te nemen en op die manier “de loop” er uit te halen.
Op grond van het derde lid kan bij intrekking van de vergunning bepaald worden, dat gedurende een alsdan te bepalen termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe vergunning verleend zal worden voor dezelfde inrichting. Deze bevoegdheid komt overeen met een soortgelijke bevoegdheid die is opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de Alcoholwet. Gebruikmaking van deze bevoegdheid is b.v. aan de orde als er in een inrichting gehandeld is in harddrugs. Voorkomen moet worden, dat na intrekking van de vergunning direct een nieuwe vergunning moet worden verleend, omdat dan te vrezen is, dat deze handel zal worden voortgezet. Door het pand op deze wijze enige tijd als het ware aan zijn horecabestemming te onttrekken wordt beoogd de bekendheid van het pand als adres waar harddrugs te verkrijgen zijn weg te nemen en op die manier “de loop” er uit te halen.
8.
Verwijzingen in de toelichting op artikel 44 naar de Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet.
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de toelichting op artikel 44 naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 44 komt dan als volgt te luiden:
raad 2021_1166 definitief
12
Oude toelichting artikel 44 APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 44 APV
Op grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder dat daar een bevoegde (= op de vergunning vermelde) leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met artikel 24 Drank- en Horecawet (voor de natte horeca) en met artikel 100 APV (voor seksinrichtingen). Bedoeling is te verzekeren dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is. Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden is geregeld in de “Handhavingsmodule horeca”.
Op grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder dat daar een bevoegde (= op de vergunning vermelde) leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met artikel 24 Alcoholwet (voor de natte horeca) en met artikel 100 APV (voor seksinrichtingen). Bedoeling is te verzekeren dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is. Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden is geregeld in de “Handhavingsmodule horeca”.
9.
Verwijzingen in de toelichting op artikel 45b naar de Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet.
De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de toelichting op artikel 45b naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 45b komt dan als volgt te luiden: Oude tekst toelichting artikel 45b APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 45b APV
De burgemeester is het vergunning verlenende orgaan, omdat de vergunningplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast. In het derde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn spoort met de termijn, die geldt voor vergunningverlening op grond van de Drank- en Horecawet en met die voor de exploitatievergunning voor de horeca. Deze termijn is nodig, omdat een BIBOB-onderzoek onderdeel uitmaakt van de toetsing van de aanvraag.
De burgemeester is het vergunning verlenende orgaan, omdat de vergunningplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast. In het derde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn spoort met de termijn, die geldt voor vergunningverlening op grond van de Alcoholwet en met die voor de exploitatievergunning voor de horeca. Deze termijn is nodig, omdat een BIBOBonderzoek onderdeel uitmaakt van de toetsing van de aanvraag.
10. Verwijzingen in de toelichting op artikel 51 naar de Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet. De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de toelichting op artikel 51 naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 51 komt dan als volgt te luiden: Oude tekst toelichting artikel 51 APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 51 APV
In artikel 30 c, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen is bepaald, dat de gemeente in een verordening dient te regelen hoeveel speelautomaten in een inrichting mogen worden geplaatst. Speelautomaten worden onderscheiden in behendigheidsautomaten (keren geen geld uit, uitkomst is grotendeels afhankelijk van de
In artikel 30 c, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen is bepaald, dat de gemeente in een verordening dient te regelen hoeveel speelautomaten in een inrichting mogen worden geplaatst. Speelautomaten worden onderscheiden in behendigheidsautomaten (keren geen geld uit, uitkomst is grotendeels afhankelijk van de
raad 2021_1166 definitief
behendigheid van de speler) en kansspelautomaten (keren geld uit, uitkomst is kwestie van geluk). Op grond van artikel 30 c mogen in laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten worden geplaatst en in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten. Onder hoogdrempelige inrichtingen verstaat artikel 30 sub d van de wet een inrichting als bedoeld in artikel 1 Drank- en Horecawet, waar het café- en restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, die zelfstandige betekenis hebben; verder geldt dat de activiteiten zich in belangrijke mate moeten richten op personen ouder dan 18 jaar. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting. Er is veel jurisprudentie over de uitleg van deze begrippen. Zo is b.v. een bowlingcentrum een laagdrempelige inrichting (er vinden activiteiten plaats, die los staan van de activiteiten die hun basis vinden in de Drank- en horecawet) en is een sportkantine veelal een hoogdrempelige inrichting, omdat daar uitsluitend café- en/of restaurantactiviteiten plaatsvinden, die zich vaak veelal richten op personen, die 18 jaar en ouder zijn. De wetgever heeft het dus aan de gemeente over gelaten te bepalen hoeveel speelautomaten in een inrichting geplaatst mogen worden; maar wel heeft hij daarbij een grens gesteld aan het aantal toe te laten kansspelautomaten.
Rekening houdend met die grens en met het bestaande beleid is in artikel 51 het aantal toegelaten speelautomaten als volgt vastgesteld: Voor hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. Voor laagdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, niet zijnde kansspelautomaten. [Wijziging per 23-09-2012] In het oude artikel 51 was naast het aantal toegestane kansspelautomaten per (horeca)inrichting ook het aantal toegestane behendigheidsautomaten geregeld. Door een wijziging van de Wet op de kansspelen is voor het hebben van behendigheidsautomaten geen vergunning meer vereist. Daarom dient artikel 51 te worden aangepast en dient uitsluitend nog een regeling te worden getroffen omtrent kansspelautomaten. Op grond van de wet mogen deze automaten uitsluitend geplaatst worden in hoogdrempelige inrichtingen.
13
behendigheid van de speler) en kansspelautomaten (keren geld uit, uitkomst is kwestie van geluk). Op grond van artikel 30 c mogen in laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten worden geplaatst en in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten. Onder hoogdrempelige inrichtingen verstaat artikel 30 sub d van de wet een inrichting als bedoeld in artikel 1 Alcoholwet, waar het café- en restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, die zelfstandige betekenis hebben; verder geldt dat de activiteiten zich in belangrijke mate moeten richten op personen ouder dan 18 jaar. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting. Er is veel jurisprudentie over de uitleg van deze begrippen. Zo is b.v. een bowlingcentrum een laagdrempelige inrichting (er vinden activiteiten plaats, die los staan van de activiteiten die hun basis vinden in de Alcoholwet) en is een sportkantine veelal een hoogdrempelige inrichting, omdat daar uitsluitend café- en/of restaurant-activiteiten plaatsvinden, die zich vaak veelal richten op personen, die 18 jaar en ouder zijn. De wetgever heeft het dus aan de gemeente over gelaten te bepalen hoeveel speelautomaten in een inrichting geplaatst mogen worden; maar wel heeft hij daarbij een grens gesteld aan het aantal toe te laten kansspelautomaten.
Rekening houdend met die grens en met het bestaande beleid is in artikel 51 het aantal toegelaten speelautomaten als volgt vastgesteld: Voor hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. Voor laagdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, niet zijnde kansspelautomaten. [Wijziging per 23-09-2012] In het oude artikel 51 was naast het aantal toegestane kansspelautomaten per (horeca)inrichting ook het aantal toegestane behendigheidsautomaten geregeld. Door een wijziging van de Wet op de kansspelen is voor het hebben van behendigheidsautomaten geen vergunning meer vereist. Daarom dient artikel 51 te worden aangepast en dient uitsluitend nog een regeling te worden getroffen omtrent kansspelautomaten. Op grond van de wet mogen deze automaten uitsluitend geplaatst worden in hoogdrempelige inrichtingen.
raad 2021_1166 definitief
14
11. Verwijzingen in de toelichting op artikel 53a naar de Drank- en Horecawet vervangen in Alcoholwet. De Drank- en Horecawet wordt gewijzigd en wordt de Alcoholwet. Naar verwachting treedt de Alcoholwet op 1 juli 2021 in werking. De verwijzing in de toelichting op artikel 53a naar de Drank- en Horecawet moet worden gewijzigd in ‘Alcoholwet’. Deze wijziging treedt pas in werking op de dag dat de Alcoholwet in werking treedt. De voorgestelde gewijzigde toelichting op artikel 53a komt dan als volgt te luiden: Oude tekst toelichting artikel 53a APV
Nieuwe tekst toelichting artikel 53a APV
Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV –al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van artikel 53a gaat uit van een gebieds-, pand- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden.
De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten(strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor
Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV –al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van artikel 53a gaat uit van een gebieds-, pand- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden.
De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten(strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor
raad 2021_1166 definitief
zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche worden ingevoerd. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. De burgemeester wijst een pand of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebied of gebouw zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waarop de aanwijzing betrekking heeft.
Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde en vijfde lid De algemene intrekkings- en/of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 4 van de APV. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 3 APV).Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Dranken Horecawet. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub c in lid 4 en sub i in lid 5 is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Negende lid
15
zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche worden ingevoerd. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. De burgemeester wijst een pand of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebied of gebouw zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waarop de aanwijzing betrekking heeft.
Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde en vijfde lid De algemene intrekkings- en/of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 4 van de APV. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 3 APV).Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub c in lid 4 en sub i in lid 5 is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Negende lid
raad 2021_1166 definitief
Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts één van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Elfde lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen.