01 Raadsvoorstel belastingverordeningen 2023 bijlagen zonder Leges
Tekst van het document
Raadsvoorstel belastingverordeningen 2023 Aanleiding De raad stelt jaarlijks de belastingverordeningen voor het komende jaar vast. De actualisatie van de belastingverordeningen behelst aanpassing van de tarieven en redactionele wijzigingen. Voordat een belasting kan worden geheven, moet een belastingverordening worden vastgesteld door de raad. Aangezien de datum van ingang van de heffing 1 januari 2023 is, dienen de hierna genoemde belastingverordeningen vóór deze datum te worden vastgesteld door de raad: 1. de Verordening onroerende zaakbelastingen 2023 2. de Verordening afvalstoffenheffing 2023 3. de Verordening rioolheffing 2023 4. de Verordening hondenbelasting 2023 5. de Verordening precariobelasting 2023 met tarieventabel 6. de Verordening reclamebelasting Binnenstad 2023 en kaart 7. de Verordening reclamebelasting Linten 2023 en 2 kaarten 8. de Verordening reclamebelasting Bedrijventerreinen 2023 en 8 kaarten 9. de Verordening toeristenbelasting 2023 10. de Verordening parkeerbelastingen 2023 met tarieventabel en 1 kaart 11. de Verordening begraafplaatsrechten 2023 en kaart 12. de Verordening scheepvaartrechten 2023 13. de Verordening liggelden Piushaven Tilburg 2023 en kaart De tarieven in de belastingverordeningen voor 2023 zijn afgestemd op de voorstellen in de Programmabegroting 2023.
In de meeste gevallen is sprake van een nominale indexering van 5,8% van de tarieven 2023 ten opzichte van de tarieven 2022 en in andere gevallen van een extra tariefsverhoging of verlaging in verband met het streven naar kostendekkendheid.
Beoogd effect/ bestuurlijk kader In het kader van de Programmabegroting 2023 dienen de tarieven van de belastingverordeningen te worden geactualiseerd. Bij het vaststellen van de tarieven is rekening gehouden met de uitgangspunten van de Programmabegroting 2023.
Voorstel Vaststellen van de bijgevoegde 13 belastingverordeningen 2023.
Argumenten 1. Onroerende zaakbelastingen WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2023 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waardepeildatum 1 januari 2022 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses komt de stijging van de WOZ-waarden voor de woningen uit op gemiddeld 19,03 % en voor de niet-woningen op 3,19 %. De totale WOZ-waarde stijgt daarnaast als gevolg van een toename van het aantal woningen en niet-woningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2022 is: € 34.006.281.000
De totale WOZ-waarde van woningen 2022 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2022 is:
€ 27.296.095.000 € 6.710.186.000
De totale WOZ-waarde 2023 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2023 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2023 is:
€ 41.261.747.000 € 33.825.535.000 € 7.436.212.000
Voor het belastingjaar 2023 wordt een opbrengst geraamd van € 50.651.000,00. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten. Tarieven 2023 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen
eigenaar eigenaar gebruiker
0,0719 % 0,2043 % 0,1701 %
De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2023 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling. 2. Afvalstoffenheffing Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid. Ten opzichte van 2022 stijgen de tarieven voor een eenpersoonshuishouden van € 260,50 naar € 278,17 en voor een meerpersoonshuishouden van € 289,45 naar € 309,08. Ten opzichte van 2022 zijn de kosten van de afvalstoffenheffing € 2,5 miljoen hoger. Dit komt door de kosten voor nieuw beleid 2023(N € 1,9 miljoen), prijsontwikkelingen (N € 1,0 miljoen) verwerkingskosten afval (V € 0,7 miljoen) en overige kosten inzameling (N € 0,3 miljoen). Het nieuw beleid bestaat uit elektrificatie wagenpark (N € 0,4 miljoen), aandeel in Impuls schone openbare ruimte (N € 0,5 miljoen), doorontwikkeling BAT (N € 0,3 miljoen), aanpak bijplaatsingen (N € 0,3 miljoen) en de doorwerking van het nieuw beleid uit 2022 (N € 0,4 miljoen). 3.
Rioolheffing
Tarieven Ten opzichte van 2022 dalen de tarieven respectievelijk van € 75,46 en € 32,52 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a/bij waterverbruik van 0 tot en met 250m3) naar respectievelijk € 73,35 en € 31,61. Dit is een daling van 2,79% ten opzichte van 2022 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100 % kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een daling zien van € 0,3 mln ten opzichte van 2022. Dit wordt met name veroorzaakt door de afname van de kapitaallasten. 4. Hondenbelasting Ten opzichte van 2022 stijgen de tarieven hondenbelasting voor 2023 met 4,9%. Voor 2023 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.784.000,00. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 270.000,00 die is ingesteld vanwege de afspraken uit het Coalitieakkoord 2014-2018. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.514.000,00. 5. Precariobelasting De tarieven 2023 zijn gestegen door indexering van de tarieven 2022 met 5,8%. Voor de precariobelasting is een overdekking wettelijk toegestaan. De kosten zijn geraamd op € 361.000,00 en de opbrengsten op € 764.000,00.
6. Reclamebelasting Binnenstad De tarieven voor 2023 zijn niet gewijzigd ten opzichte van 2022. De kosten zijn geraamd op € 250.000,00 en de opbrengsten op € 250.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan het Ondernemersfonds Binnenstad Tilburg. Het ondernemersfonds is een initiatief van de samenwerkende partijen in de binnenstad, te weten: Binnenstad Management Tilburg (B.M.T.), Winkeliersvereniging Binnenstad Tilburg (W.B.T.) en Stichting Horeca Concentratiegebied Tilburg (H.C.G.). 7. Reclamebelasting Linten Het heffingsgebied Linten omvat Korvel en De Besterd. De tarieven 2023 zijn gestegen ten opzichte van 2022. De tarieven zijn bepaald door indexering van de tarieven 2022 met 5,8%. De kosten zijn geraamd op € 80.000,00 en de opbrengsten op € 80.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan de Stichting de Tilburgse Linten. 8. Reclamebelasting Bedrijventerreinen Het heffingsgebied voor deze reclamebelasting omvat de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Kreitenmolen, Loven en Vossenberg. De tarieven 2023 zijn op verzoek van Stichting TOF op zeven bedrijventerreinen met 5% gestegen ten opzichte van 2022. Dit geldt niet voor het bedrijventerrein Kreitenmolen.
Voor 2023 is met stichting TOF een tarief van € 137,80 overeengekomen inzake "Deelgebruik - geen WOZwaarde"(artikel 8, lid 2) voor de bedrijventerreinen Het Laar, Kanaalzone Noord, Kanaalzone Zuid, Katsbogten, Kraaiven, Loven & Vossenberg. De kosten zijn geraamd op € 530.000,00 en de opbrengsten geraamd op € 530.000,00. De opbrengst van de reclamebelasting wordt na aftrek van de door de gemeente gemaakte kosten overgemaakt aan stichting TOF. 9. Toeristenbelasting Het tarief voor 2023 is ten opzichte van 2022 ongewijzigd, namelijk 3,5 % van de verblijfsvergoeding. De kosten zijn geraamd op € 40.000,00 en de opbrengsten op € 442.000,00. 10. Parkeerbelasting De meeste tarieven voor 2023 zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2022. Hoofdstuk 1 Het tarief voor parkeren op straat in tariefzones 1 en 2 is gelijk getrokken aan het weekendtarief in de parkeergarages. Dit doen we om parkeren in de garages aantrekkelijker te maken voor bezoekers. Wanneer parkeren op straat goedkoper is dan in de garages zullen bezoekers eerder uitwijken naar parkeerplaatsen op straat. Deze capaciteit is schaars. De garages daarentegen hebben voldoende capaciteit en zijn bedoeld voor het opvangen van bezoekers. Het tarief voor de bezoekersregeling en het tarief in zone 3 en 4 blijven gelijk. Hoofdstuk 4.1 Het tarief voor de naheffingsaanslag parkeerbelasting bedraagt in 2023 € 53,77 (=excl.
de kosten voor één uur parkeren). De werkelijke kosten blijkens de kostenberekening (zie bijlage Kostprijs naheffingsaanslag) bedraagt € 53,77 per naheffingsaanslag op basis van een raming van 2023. Voor de parkeerbelasting (naheffingsaanslag) bedragen de geraamde kosten 2023 € 5.376.558,00 en de geraamde opbrengsten over deze periode zijn € 5.376.558,00. 11. Begraafplaatsrechten De tarieven voor 2023 zijn ten opzichte van 2022 aangepast met een nominale verhoging van 5,8%. De kosten zijn geraamd op € 271.000,00 en de opbrengsten geraamd op € 250.000,00. 12. Scheepvaartrechten Voor 2023 zijn de tarieven verhoogd met de nominale index van 5,8%.
Voor de scheepvaartrechten en de liggelden bedragen de geraamde kosten € 396.000,00 en de geraamde opbrengsten € 84.000,00. 13. Liggelden Piushaven De tarieven voor 2023 zijn verhoogd met de nominale index van 5,8%. Voor de liggelden en de scheepvaartrechten bedragen de geraamde kosten € 396.000,00 en de geraamde opbrengsten € 84.000,00.
Vervolg De raadsbesluiten tot vaststelling van deze belastingverordeningen worden bekendgemaakt in het elektronische Gemeenteblad. De belastingverordeningen zijn te downloaden via overheid.nl en via de gemeentewebsite.
Evaluatie De verantwoording van de geraamde opbrengsten en kosten vindt plaats middels de jaarrekening.
Bijlagen Het raadsvoorstel bevat 13 belastingverordeningen (ontwerpbesluiten). Bijlagen 1) Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2023 2) Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Tilburg 2023 3) Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023 4) Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2023 5) Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2023 6) Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Binnenstad 2023 7) Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Linten 2023 8) Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Bedrijventerreinen 2023 9) Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2023 10) Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023 11) Verordening op de heffing en invordering van begraafplaatsrechten 2023 12) Verordening op de heffing en invordering van scheepvaartrechten 2023 13) Verordening op de heffing en invordering van liggelden Piushaven Tilburg 2023
Tilburg, 18 oktober 2022 Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, de secretaris, de burgemeester,
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;
Besluit Vast te stellen de “Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2023”. Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
2.
3.
Onder de naam "onroerende zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2 Belastingobject 1. 2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. 2.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Belastingtarieven 1.
2. 3.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1701 % b. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,0719 % c. de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,2043 % Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro's. Belastingbedragen van minder dan € 10,-- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 5 Vrijstellingen 1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt bij het bepalen van de maatstaf van heffing buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, worden beheerd; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. onroerende zaken, die worden gebruikt als pastorie of kosterswoning, indien het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt aan een kerkgenootschap of ander genootschap als in onderdeel c bedoeld; m. onroerende zaken met agrarische bestemming, voor zover deze ongebouwd zijn en al niet vrijgesteld zijn op grond van letter a voornoemd;
n.
2.
onroerende zaken die worden gebruikt als sportterrein, één en ander met uitzondering van gebouwde eigendommen; o. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht daarvan toekomt, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
2. 3.
4.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.
Artikel 8 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.
4.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking, doch niet eerder dan 1 januari 2023. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. De "Verordening onroerende zaakbelastingen 2022" van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerende zaakbelastingen 2023".
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2022.
de griffier,
voorzitter,
Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening onroerende zaakbelastingen 2023” WOZ-waarde In verband met de jaarlijkse herwaardering zijn de onroerende zaken voor het belastingjaar 2023 opnieuw getaxeerd en hiervoor is de waardepeildatum 1 januari 2022 gehanteerd. Op basis van de huidige prognoses komt de stijging van de WOZ-waarden voor de woningen uit op gemiddeld 19,03 % en voor de niet-woningen op 3,19 %. De totale WOZ-waarde stijgt daarnaast als gevolg van een toename van het aantal woningen en niet-woningen (areaalontwikkeling). Voor de ontwikkeling van de WOZ-waarde geeft dit het volgende totaalbeeld: De totale WOZ-waarde 2022 is: € 34.006.281.000 De totale WOZ-waarde van woningen 2022 is: € 27.296.095.000 De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2022 is: € 6.710.186.000 De totale WOZ-waarde 2023 is: De totale WOZ-waarde van woningen 2023 is: De totale WOZ-waarde van niet-woningen 2023 is:
€ 41.261.747.000 € 33.825.535.000 € 7.436.212.000
Voor het belastingjaar 2023 wordt een opbrengst geraamd van € 50.651.000,00. Hierbij is rekening gehouden met een correctie voor vrijstellingen, leegstand (voor gebruikers), afrondingen, bezwaarschriften en oninbare posten. Tarieven 2023 OZB woningen OZB niet-woningen OZB niet-woningen
eigenaar eigenaar gebruiker
0,0719 % 0,2043 % 0,1701 %
De OZB tarieven zijn berekend op basis van de nieuwe WOZ-waarden voor 2023 met inbegrip van de verwachte areaal- en waardeontwikkeling.
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
Besluit vast te stellen de ’Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Tilburg 2023’. Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. perceel: een gebouwde onroerende zaak - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel wordt gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen, een demontabel zomer- of vakantiehuisje en een wisselwoning, indien gebruikt door een particuliere huishouding; b. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; c. herbruikbare afvalstoffen: de als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aangewezen afvalstoffen (o.a. oud papier, karton, glas, textiel, oud ijzer/ metalen en elektrische en elektronische apparatuur); d. 'gebruik maken': gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer; e. aanbieding: de hoeveelheid en samenstelling van grof huisvuil zoals omschreven bij de aanmelding vooraf aan de inzameldienst. Artikel 2 Aard van belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven voor het gebruikmaken van een perceel waarvoor krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt: a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b.
gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het
perceel ter beschikking is gesteld. Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing 1. 2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving waarop het verschuldigde bedrag is vermeld.
Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 5. Bij de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is de situatie aan het begin van het belastingjaar of zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht, bepalend voor de tariefstelling van een éénpersoons- of meerpersoonshuishouden. 6.
De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvraag tot ophalen van grof huisvuil, de aanvraag voor een vervangende toegangspas of bij aanvang van het gebruik van de ter beschikking gestelde plaats (milieustraat). Artikel 8 Termijnen van betaling 1.
2. 3.
4.
5.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. De in hoofdstuk 2 van de tarieventabel opgenomen bedragen moeten per pinbetaling worden afgerekend op het moment van de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de afvalstoffenheffing kan kwijtschelding worden verleend voor de in hoofdstuk 1 van de tarieventabel opgenomen tarieven.
Artikel 10 Overgangsrecht 1. De 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2022' vastgesteld bij raadsbesluit van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van afvalstoffenheffing in die periode plaatsvindt. Artikel 11 Inwerkingtreding 1. 2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 12 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2023'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2022.
de griffier,
voorzitter,
Tarieventabel behorende bij de 'Verordening Afvalstoffenheffing Tilburg 2023' Deze bijlage omvat de in artikel 6 van genoemde verordening aangehaalde tarieventabel per 1 januari 2023.
Hoofdstuk 1 AFVALSTOFFENHEFFING 1.1
1.2
1.3
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 278,17 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 309,08 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen afvalstoffenheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Hoofdstuk 2 Overige maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing 2.1
Het tarief voor het op de milieustraat van de gemeente Tilburg achterlaten van: a. grof huishoudelijk restafval € 0,25 per kg b. verbouwingsrestafval bedraagt € 0,25 per kg 2.2 De belasting genoemd onder 2.1 wordt niet geheven voor het achterlaten van: a. klein chemisch afval en asbesthoudend materiaal; b. per soort gescheiden aangeboden herbruikbare huishoudelijke afvalstoffen. 2.3 Het tarief voor het op aanvraag aan huis ophalen van grof huisvuil bedraagt € 25,00 per aanbieding. 2.4 Het tarief voor het bij vermissing of beschadiging aanvragen van een nieuwe toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainer of voor de milieustraat bedraagt € 12,50 per aangevraagde toegangspas. Nadere regels met betrekking tot het achterlaten en laten ophalen van grof huishoudelijk afval zijn in het Gewijzigde Uitvoeringsbesluit 2022 behorende bij de Afvalstoffenverordening gemeente Tilburg 2019 opgenomen. Hierin zijn ook de omschrijvingen van diverse afvalsoorten opgenomen.
Memorie van toelichting behorende bij de 'Verordening afvalstoffenheffing Tilburg 2023' Voor de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekking. Ten opzichte van 2022 zijn de kosten van de afvalstoffenheffing € 2,5 miljoen hoger. Dit komt door de kosten voor nieuw beleid 2023 (N € 1,9 mln), prijsontwikkelingen (N € 1,0 miljoen), verwerkingskosten afval (V € 0,7 mln) en overige kosten inzameling (N € 0,3). Het nieuw beleid bestaat uit elektrificatie wagenpark (N € 0,4 mln), aandeel in Impuls schone openbare ruimte (N € 0,5 mln), doorontwikkeling BAT (N € 0,3 mln), aanpak bijplaatsingen (N € 0,3 mln) en de doorwerking van het nieuw beleid uit 2022 (N € 0,4 mln). -
Tariefontwikkeling afvalstoffenheffing Tarief
2021
2022
2023
- Eenpersoonshuishouden
€ 249,48
€ 260,50
€ 278,17
- Meerpersoonshuishouden
€ 277,20
€ 289,45
€ 309,08
- grof huishoudelijk restafval per kg.
€ 0,25
€ 0,25
€ 0,25
- verbouwingsrestafval per kg.
€ 0,25
€ 0,25
€ 0,25
Ophalen grof huisvuil
€ 25,00
€ 25,00
€ 25,00
Vervangende toegangspas milieustraat of ondergrondse container (bij beschadiging/vermissing)
€ 12,50
€ 12,50
€ 12,50
Afvalstoffenheffing Per perceel;
Afgifte Milieustraat;
Bedragen * € 1.000,Omschrijving Kosten taakveld(en) incl omslagrente Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld
Rekening Begroting Begroting 2021 2022 2023 19.241 21.904 23.281 -3.270 -2.665 -2.327 15.971 19.239 20.954
Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente BTW Totale kosten
5.596 2.494 24.061
5.865 2.642 27.746
6.333 2.994 30.281
Opbrengst heffingen Dekkingspercentage
26.739 111%
27.746 100%
30.281 100%
Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -)
-2.678
Dekkingspercentage incl. onttrekking reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing
100%
100%
100%
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023'. Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; b. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: 1. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en 2. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
2.
3.
De belastingen worden geheven: a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c.
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. 2. 3.
4.
5.
6.
Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters afvalwater, als bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 12 maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. Indien er geen sprake is van een voorafgaande verbruiksperiode wordt de hoeveelheid water bepaald naar het werkelijke verbruik (eventueel herleid naar een periode van 12 maanden) op het moment van aangifte of, indien daarover ook geen gegevens bekend zijn, door schatting. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water, of de op grond van het vierde lid bepaalde hoeveelheid water, wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6 Belastingtarieven 1. 2.
Het tarief van het eigenarendeel bedraagt € 73,35. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt bij een hoeveelheid water van: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.
0 251 501 751 1.001 2.501 5.001 7.501 10.001 15.001 20.001 50.001 100.001 500.001
m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³
tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met tot en met en meer
250 500 750 1.000 2.500 5.000 7.500 10.000 15.000 20.000 50.000 100.000 500.000
m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³ m³
€ € € € € € € € € € € € € €
31,61 289,54 536,23 822,20 1.537,15 3.878,65 6.434,62 9.651,91 12.726,26 17.159,00 28.526,82 48.259,63 56.481,68 72.210,73
3.
Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De rioolheffing wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.
3.
4.
De belastingen zijn verschuldigd bij aanvang van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Bij aanslagen, die opgelegd zijn op basis van de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, en 6, tweede lid, onderdeel a, is het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel niet van toepassing indien er sprake is van een verhuizing binnen de gemeente Tilburg, waarbij de belastingplichtige zowel op het nieuwe als op het oude adres als belastingplichtige kan worden aangemerkt.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). 4. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid. Artikel 11 Vrijstellingen 1. 2.
Vervallen. De belastingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, worden niet geheven ter zake van afvalwater dat wordt geloosd op het gemeentelijke rioleringsstelsel en afkomstig is van saneringsprojecten in het kader van bodemverontreiniging.
Artikel 12 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
3.
4.
De 'Verordening rioolheffing 2022' van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2023'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2022.
de griffier,
voorzitter,
Memorie van toelichting behorende bij de ‘Verordening rioolheffing 2023’ Tarieven Ten opzichte van 2022 dalen de tarieven respectievelijk van € 75,46 en € 32,52 (tarief artikel 6, lid 2, onderdeel a/bij waterverbruik van 0 tot en met 250m3) naar respectievelijk € 73,35 en € 31,61. Dit is een daling van 2,79% ten opzichte van 2022 en dit geldt ook voor de overige tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 2. Voor de rioolheffing wordt uitgegaan van 100 % kostendekkendheid. De toerekening aan de rioolheffing laat een daling zien van € 0,3 mln ten opzichte van 2022. Dit wordt met name veroorzaakt door de afname van de kapitaallasten.
Tariefontwikkeling rioolheffing:
Rioolheffing eigenaar Rioolheffing gebruiker (“basis” tarief)
bedragen * € 1.000,Kosten taakveld(en) incl omslagrente Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten: Overhead incl. omslagrente BTW
2021 € 71,83 € 30,96
2022 € 75,46 € 32,52
2023 € 73,35 € 31,61
Rekening Begroting Begroting 2021 2022 2023 8.691 10.789 10.086 -127 -69 -69 8.564 10.720 10.017
649 1.543
616 2.302
616 2.698
Totale kosten
10.756
13.638
13.331
Opbrengst heffingen
12.963
13.638
13.331
121%
100%
100%
-2.207
0
0
100%
100%
100%
Dekkingspercentage Reserve en/of voorziening Afvalstoffenheffing (onttrekking is +, storting is -) Dekkingspercentage incl. reserve en/of voorziening Rioolheffing
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; - gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; - gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2023'. Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van één of meer honden binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van één of meer honden. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook één of meer honden onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van één of meer honden door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van één of meer honden door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden: Artikel 4 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar: a. voor een eerste hond € 118,74; b. voor een tweede hond € 168,40; c. voor iedere hond boven het aantal van twee € 200,05. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in kennels, per kennel per belastingjaar € 374,81.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen. Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.
De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting respectievelijk de hogere belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
4.
Indien de belastingplicht in de loop van het belasting jaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, wordt geheel of gedeeltelijke ontheffing verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden resteren. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen hondenbelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 8 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: 1. a. die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en als zodanig door een blind persoon of een persoon met een lichamelijke en/of geestelijke beperking worden gehouden of die verblijven bij een opleider van een hulp- of geleidehondorganisatie om te worden opgeleid tot assistentiehond. b. Onder assistentiehonden wordt verstaan: - Een hulphond: opgeleid voor hulp aan mensen met een motorische beperking. - Een signaalhond: opgeleid voor hulp aan mensen met een auditieve beperking. - Een (blinde)geleidehond: opgeleid voor de begeleiding van blinden en mensen met een visuele beperking. - Een epilepsiehond: opgeleid om mensen met epilepsie bij te staan en alarm te slaan bij een aanval. - Een therapiehond: opgeleid voor hulp aan mensen met autisme. 2. die in een hondenasiel verblijven. Onder hondenasiel wordt verstaan: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren; 3. die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid van het Besluit houders van dieren; 4.
die jonger zijn dan drie maanden, voor zover ze tezamen met de moederhond worden gehouden; 5. waarvan de houder een geldig certificaat 'politiehond' van de Koninklijke Nederlandse Politiehondenvereniging kan tonen, die gehoorzamen naar de bevelen van zijn begeleider en waarvoor de houder zich heeft verbonden om hond en begeleider op aanvraag aan de politie ter beschikking te stellen; 6. vervallen; 7. die door de 'Stichting Hulphond Nederland' of een daarmee gelijk te stellen erkende instantie als gehandicaptenhond aan een lichamelijk of auditief gehandicapte persoon of een persoon met epilepsie of autisme ter beschikking zijn gesteld.
Artikel 9 Termijn van betaling 1.
2. 3.
4.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 12 gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt tussen de 24e en het einde van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later (eveneens tussen de 24e en het einde van de maand). Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het derde lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische betalingsincasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.
Artikel 10 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3.
4.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. De 'Verordening hondenbelasting 2022' van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening hondenbelasting 2023'.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 november 2022.
de griffier,
voorzitter,
Memorie van toelichting behorende bij de “Verordening hondenbelasting 2023" Tarieven Ten opzichte van 2022 stijgen de tarieven hondenbelasting voor 2023 met 4,9%. Voor 2023 wordt een totale opbrengst hondenbelasting verwacht van € 1.784.000,00. Dit is inclusief een extra te realiseren opbrengst van € 270.000,00 die is ingesteld vanwege de afspraken uit het Coalitieakkoord 2014-2018. De totale kosten bedragen naar verwachting € 1.514.000,00. Tariefontwikkeling hondenbelasting
2019
2020
2021
2022
2023
1e hond
€ 107,86
€ 108,93
€ 109,40
€ 113,19
€ 118,74
2e hond
€ 152,98
€ 154,49
€ 155,15
€ 160,53
€ 168,40
3e hond
€ 181,73
€ 183,53
€ 184,31
€ 190,71
€ 200,05
Kennel
€ 340,48
€ 343,85
€ 345,32
€ 357,29
€ 374,81
Kosten en opbrengsten (x € 1.000) Omschrijving
Rekening Begroting Begroting 2021
2022
2023
Handhaving/dierenopvangcentrum
937
1.018
1.068
Afvalverwijdering
322
337
360
Heffing en invordering
73
76
86
Totaal kosten
1.332
1.431
1.514
Totaal opbrengsten
1.693
1.701
1.784
361
270
270
Saldo
bedragen * € 1.000,-
Rekening Begroting Begroting 2021
Kosten taakveld(en) incl. omslagrente
2022
2023
1.005
1.080
1.152
1.005
1.080
1.152
Overhead incl. omslagrente
137
154
155
BTW
190
197
207
Totale kosten
1.332
1.431
1.514
Opbrengst heffingen
1.693
1.701
1.784
361
270
270
Inkomsten taakveld(en) incl. omslagrente Netto kosten taakveld Toe te rekenen kosten:
Saldo
Bijlage 5
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;
Besluit vast te stellen de 'Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2023'. Artikel 1 Definities 1.
Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. jaar: een kalenderjaar; b. maand: een kalendermaand; c. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; d. dag: een periode van 24 uur, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan. e. dag bij hoofdstuk 6 (nr. 60 en nr. 62) van de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel: een periode van 24 aaneengesloten uren; f. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.
Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht 1.
2.
De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
Artikel 4 Belastingtijdvak 1. 2.
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het kalenderjaar, bedraagt de belasting zoveel twaalfden van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na aanvang van de belastingplicht nog volle maanden van het kalenderjaar resteren.
3.
In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.
Artikel 5 Ontheffing Indien het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar en de belastingplicht eindigt voor het verstrijken van het belastingtijdvak, wordt op verzoek van de belastingplichtige ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten van het over een jaar verschuldigde bedrag als er na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden van het belastingtijdvak resteren. Artikel 6 Maatstaf van heffing, belastingtarief en berekening van de precariobelasting 1. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, voorkomende in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde. 2. Bij de berekening van de belasting worden gedeelten van in de tarieventabel genoemde eenheden van tijd, lengte-, oppervlakte- of inhoudsmaat, waarover de tarieven worden berekend, als een volle eenheid aangemerkt. 3. Bij de toepassing van tarieven waarbij de oppervlakte bepalend is voor de hoogte van de belasting, wordt deze oppervlakte, tenzij anders bepaald, berekend naar de horizontale projectie van het belastbaar object. 4. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 5.
Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij artikel 5 van overeenkomstige toepassing is. 6. Indien op grond van deze verordening meer dan één tarief kan worden toegepast, wordt het tarief dat het hoogste bedrag tot uitkomst geeft, gehanteerd. 7. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt voor de berekening van de precariobelasting: a. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week; b. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand. 8. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak. 9.
Belastingbedragen van minder dan € 200,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen precariobelasting aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 7 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor: a. Voorwerpen of werken, welke ingevolge een wettelijk voorschrift, een overeenkomst, een concessie of anderszins rechtens moeten worden gedoogd; b. Voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde; c. Het gebruik van de openbare gemeentegrond en het hebben van voorwerpen onder, op of boven openbare gemeentegrond, voor zover reeds uit andere hoofde, anders dan reclamebelasting, een vergoeding is verschuldigd; d. Wegwijzers en verkeersaanwijzingen van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB en van andere overeenkomstige instellingen; e. Postzegel- en andere automaten, alsmede leidingen, ten dienste van Koninklijke PostNL; f. Voorwerpen van de beheerder van het gas- en elektriciteitsnetwerk; g. Buizen, kabels en draden ten behoeve van aansluitingen voor gas, elektriciteit, water, riolering, telefoon
h. i. j. k.
l.
of televisie, welke rechtstreeks aansluiten op buizen, kabels of draden van de gemeente, nuts- en telecombedrijven; Voorwerpen, welke uitsluitend voorzien in een algemeen belang dan wel worden gebezigd voor weldadige doelen en welke niet worden geëxploiteerd tegen betaling; Gesaneerde olietank waarvoor een saneringsbewijs is afgegeven; Voorwerpen ten behoeve van zogenaamde Warmte Koude Opslag-systemen, waarbij grondwater wordt gebruikt voor het verwarmen en koelen van gebouwen; Het gebruik van de openbare gemeentegrond voor straat-/buurt- en wijkactiviteiten, die al dan niet zijn gesubsidieerd door Verrijk je Wijk/Stad en georganiseerd zijn voor en/of door de bewoners ter bevordering van de sociale cohesie en leefbaarheid; Het gebruik van de openbare gemeentegrond voor evenementen vermeld op de Evenementenkalender.