Toelichtingen vragen APV commissievergadering DEB Teylingen
Tekst van het document
Inleiding De onderstaande toelichtingen vormen een nadere beantwoording van de openstaande (technische) vragen die zijn gesteld in de commissie DEB, ter voorbereiding op de raadsvergadering van 21 mei aanstaande. Waar relevant wordt verwezen naar eerdere beantwoording van technische vragen. Toelichting vraag over standplaatsen op zondag Naar aanleiding van de vraag of het mogelijk is om in de APV op te nemen dat standplaatsen ook op zondagen toegestaan worden, wordt het volgende opgemerkt. De APV bevat de juridische grondslag voor het verlenen van standplaatsvergunningen, maar regelt niet de nadere invulling van het gebruik van standplaatsen, zoals de dagen en tijden waarop deze zijn toegestaan. Deze nadere uitwerking vindt plaats in het standplaatsenbeleid. In dat beleid wordt per locatie bepaald op welke dagen en tijdstippen een standplaats kan worden ingenomen. Het opnemen van dergelijke specifieke regels in de APV ligt daarom niet voor de hand en zou de verordening onnodig gedetailleerd en minder flexibel maken. Voor de gemeente Teylingen geldt dat het huidige standplaatsenbeleid is vastgesteld in 2011, op basis van het oorspronkelijke beleid uit 2007. In dit beleid is gekozen voor een stelsel waarin het aantal standplaatsen, de locaties en de dagen en tijden waarop standplaatsen zijn toegestaan, expliciet worden begrensd.
Dit is gedaan om wildgroei van standplaatsen te voorkomen en om een goede balans te waarborgen in de openbare ruimte, onder andere in relatie tot openbare orde, verkeersveiligheid, leefbaarheid en het gebruik van parkeer- en verblijfsruimte. Binnen dit kader is er destijds voor gekozen om standplaatsen in beginsel toe te staan van maandag tot en met zaterdag, met alleen beperkte uitzonderingen voor specifieke situaties, zoals seizoensgebonden verkoop. De huidige beperking ten aanzien van zondagen maakt daarmee onderdeel uit van deze bredere beleidsmatige afweging. De vraag of zondagsopenstelling wenselijk is, raakt direct aan deze keuzes en aan de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte. Dit is daarmee bij uitstek een onderwerp dat thuishoort in het standplaatsenbeleid en niet in de APV. Naar verwachting wordt in 2027 een planning opgesteld voor de herziening van het standplaatsenbeleid, waarbij ook deze vraag kan worden meegenomen. In dat kader kan de vraag over het al dan niet toestaan van standplaatsen op zondagen integraal worden meegenomen, waarbij ook actuele ontwikkelingen en belangen van ondernemers en omgeving kunnen worden betrokken. Tot die tijd geldt dat de APV hiervoor niet het juiste instrument is en dat eventuele aanpassingen beleidsmatig via het standplaatsenbeleid dienen te plaatsvinden. Toelichting wijziging artikel 2:24, derde lid onder c en g 3.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: c.
de activiteiten, inclusief opbouw en afbouw, plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;
g. er maximaal vijf kleine objecten worden geplaatst, waarvan ten hoogste één springkussen; ieder object heeft een oppervlakte van maximaal 15 m², met uitzondering van het springkussen dat maximaal 25 m² mag bedragen; en Voorgesteld wordt om in artikel 2:24, derde lid onder c, expliciet vast te leggen dat de activiteiten van een klein evenement (inclusief de op- en afbouw) plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur. Het betreft hier uitdrukkelijk de categorie kleine, eendaagse evenementen, zoals een straatfeest, buurtbarbecue of vergelijkbare kleinschalige activiteit in de open lucht. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat onder deze categorie ook activiteiten vallen waarbij gebruik wordt gemaakt van een springkussen of vergelijkbare kleinschalige voorzieningen, zoals bedoeld in de voorgestelde wijziging van artikel 2:24, derde lid onder g. Activiteiten van grotere omvang, zoals het Luchtkussenfestival in Voorhout, zijn vergunningplichtige evenementen en vallen daarmee niet onder de voorwaarden voor een klein evenement zoals omschreven in het derde lid.
Aanleiding voor de wijziging in artikel 2:24, derde lid onder c, zijn signalen en klachten van omwonenden over overlast die ontstaat wanneer op- en afbouwwerkzaamheden in de nachtelijke uren plaatsvinden. In de praktijk blijkt dat juist deze werkzaamheden, en niet alleen het evenement zelf, tot hinder leiden. Door de tijdsgrenzen gelijk te trekken met de toegestane duur van het evenement zelf, wordt deze vorm van overlast beperkt en ontstaat een duidelijk en handhaafbaar kader. Indien de aard en omvang van het evenement en de daarbij behorende op- en afbouw zodanig zijn dat deze niet binnen het genoemde tijdsvenster kunnen plaatsvinden, is er feitelijk geen sprake meer van een klein eendaags evenement. In dat geval blijft het mogelijk om het evenement doorgang te laten vinden, maar ligt het in de rede dat een reguliere evenementenvergunning wordt aangevraagd. Binnen dat vergunningenstelsel kan, indien passend en verantwoord, ook ruimte bestaan voor open afbouw buiten de genoemde tijdsgrenzen, waarbij een bredere belangenafweging plaatsvindt ten aanzien van onder meer overlast, veiligheid en ruimtelijke inpassing. Met deze aanpassing wordt beoogd enerzijds ruimte te blijven bieden voor kleinschalige initiatieven van bewoners, en anderzijds de belangen van omwonenden beter te beschermen en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te verbeteren.
Toelichting wijziging artikel 2:25, elfde lid onder h 11. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: h. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past bij het imago of de belangen van de gemeente Teylingen. De voorgestelde bepaling is al langere tijd opgenomen in de APV van de gemeente Lisse. In de praktijk is van deze weigeringsgrond tot op heden geen gebruik gemaakt. Dit betekent dat er geen concrete praktijkvoorbeelden beschikbaar zijn uit eerdere toepassing. Naar aanleiding van de gestelde vragen en opmerkingen hierover, lichten wij graag nader toe wat de bedoeling is van deze bepaling en op welke wijze deze kan worden toegepast. De bepaling is primair bedoeld voor situaties waarin een evenement juridisch toelaatbaar is, maar waarbij het wenselijk is om een bredere belangenafweging te kunnen maken. Het gaat daarbij om gevallen waarin een evenement formeel mogelijk is, maar niet goed aansluit bij de beleidsmatige koers, de aard of de uitstraling van de gemeente. De bestaande weigeringsgronden, zoals openbare orde en veiligheid, bieden in dergelijke gevallen niet altijd voldoende aanknopingspunten om deze bredere afweging expliciet mee te nemen.
De voorgestelde bepaling biedt de burgemeester in dit type situaties aanvullende afwegingsruimte om ook de bredere maatschappelijke inpassing van een evenement te betrekken bij de besluitvorming. Daarbij gaat het nadrukkelijk om uitzonderlijke of grensgevallen, waarin meerdere belangen samenkomen en een integrale beoordeling noodzakelijk is. Een concreet voorbeeld waarin deze bepaling van betekenis kan zijn, is de aanvraag voor een roofvogelshow of een circus waarbij wilde dieren worden ingezet. Hoewel een dergelijk evenement niet per definitie in strijd is met wet- en regelgeving of direct leidt tot openbare orde- of veiligheidsproblemen, kan het spanning opleveren met het profiel van de gemeente als groene en duurzame leefomgeving, waarin nadrukkelijk aandacht is voor biodiversiteit, natuur en kwaliteit van de leefomgeving. Het is daarbij van belang te benadrukken dat deze bepaling geen zelfstandige of onbeperkte weigeringsgrond is. Toepassing zal altijd zorgvuldig moeten worden gemotiveerd, moeten aansluiten bij concreet gemeentelijk beleid of vastgestelde ambities, en evenredig moeten zijn in verhouding tot de belangen van de organisator. Dit betekent dat een weigering uitsluitend op basis van ‘imago’ zonder nadere onderbouwing juridisch niet standhoudt.
De bepaling vraagt daarom om een zorgvuldige toepassing en kan niet los worden gezien van bestaande wettelijke kaders, waaronder het evenredigheidsbeginsel en de bescherming van grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering. In de praktijk zal
deze bepaling dan ook altijd worden toegepast in samenhang met objectieve belangen, zoals leefomgeving, maatschappelijke impact en beheersbaarheid. Daarnaast geldt dat wanneer zich een concrete situatie voordoet, deze steeds afzonderlijk juridisch zal worden getoetst. Er zal per geval worden beoordeeld wat mogelijk is binnen het geldende juridische kader en op welke wijze een besluit zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd kan worden. Daarmee wordt geborgd dat toepassing van deze bepaling juridisch houdbaar blijft. De bepaling is daarmee primair bedoeld als aanvullende afwegingsruimte in situaties waarin bestaande weigeringsgronden niet volledig voorzien, maar waarin het wel noodzakelijk wordt geacht om het bredere gemeentelijke belang expliciet te betrekken bij de vergunningverlening. Hiermee wordt aangesloten bij de wens om binnen de HLT-samenwerking de vergunningverlening te harmoniseren en uitvoerbaar te houden, terwijl tegelijkertijd ruimte blijft bestaan voor een zorgvuldige en contextafhankelijke belangenafweging. Toelichting wijziging artikel 2:50a Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2.
Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie. Bij de behandeling van het voorgestelde artikel zijn vragen en zorgen geuit over de juridische kwaliteit van de bepaling, met name over de gehanteerde open normen en de mogelijke gevolgen voor goedwillende inwoners. Het college wil de raad bij het nemen van zijn besluit graag het volgende meegeven. Het voorgestelde artikel is een bestuursrechtelijke bepaling, gericht op het handhaven van de openbare orde. Dit onderscheid is wezenlijk, omdat de zorgen die zijn geuit grotendeels zijn gebaseerd op een strafrechtelijk redenering. Strafrecht en bestuursrecht werken echter fundamenteel anders. Er is geen sprake van strafbaarstelling, automatische beboeting of strafrechtelijke vervolging. Wie in een aangewezen gebied wordt aangetroffen met een voorwerp dat als steekwapen kan worden gebruikt, wordt niet direct beboet of vervolgd. Handhaving verloopt zorgvuldig en getrapt. Wanneer politie of boa's in een aangewezen gebied een situatie aantreffen, leggen zij dit vast in een bestuurlijke rapportage. Dit gebeurt juist vaak in gevallen waarin strafrechtelijk optreden niet mogelijk of niet passend is.
Die rapportage wordt vervolgens juridisch beoordeeld door het team Openbare Orde en Veiligheid, dat de burgemeester adviseert over de vraag of bestuurlijk optreden noodzakelijk en proportioneel is. Pas ná een expliciet besluit van de burgemeester kan een bestuurlijke maatregel worden opgelegd, zoals een last onder dwangsom. Van automatische sanctionering is dus geen sprake. De keuze voor een open norm, waarbij wordt gewerkt met een functioneel begrip in plaats van een limitatieve lijst, is een bewuste en gebruikelijke keuze binnen het bestuursrecht. Daarbij is van belang dat de geuite kritiek grotendeels voortkomt uit een strafrechtelijke benadering, waarin juist wordt gewerkt met limitatieve en strak omlijnde definities, terwijl binnen het bestuursrecht ruimte wordt gelaten voor een contextgerichte beoordeling. Dit biedt de ruimte om per situatie een zorgvuldige afweging te maken op basis van context, gedrag en concrete omstandigheden. Een limitatieve definitie zou het instrument juist kwetsbaar maken. Zodra een nieuw t ype voorwerp opduikt, of zodra de omstandigheden veranderen, schiet zo'n lijst tekort en ontstaat precies de leemte die het artikel beoogt te vullen. Daarmee zou ook de noodzakelijke flexibiliteit ontbreken om het instrument toe te passen in uiteenlopende situaties waarin sprake is van risico’s voor de openbare orde.
Bovendien sluit de huidige formulering exact aan bij de model-APV van de VNG. Deze is juridisch getoetst en wordt in gemeenten door het hele land toegepast.
Daar komt bij dat het feit dat de toepassing van een open norm door de rechter kan worden getoetst geen zwakte is, maar juist een waarborg. De rechter beoordeelt daarbij niet wat een steekwapen in abstracte zin ‘is’, maar of de burgemeester in een concreet geval tot een redelijke en proportionele beslissing heeft kunnen komen. Rechterlijke toetsing is dus binnen het bestuursrecht geen vangnet voor gebrekkige wetgeving maar een structurele bescherming die bij iedere bestuurlijke maatregel hoort en die de burger zekerheid biedt. Ten slotte benadrukt het college dat het verbod pas werking krijgt nadat een afzonderlijk aanwijzingsbesluit is vastgesteld. Het artikel is nadrukkelijk bedoeld voor situaties waarin sprake is van risico’s voor de openbare orde, en niet voor het sanctioneren van het normale, dagelijkse bezit van gebruiksvoorwerpen zonder enige aanleiding. Er is dus geen sprake van een generieke maatregel die op iedereen en overal van toepassing is. Het instrument wordt gericht ingezet, op basis van concrete signalen, voor een specifiek gebied en/of een bepaalde periode. Daarmee biedt het artikel precies de flexibiliteit en de zorgvuldigheid die nodig zijn om effectief en proportioneel te kunnen optreden ter bescherming van de openbare orde en veiligheid in Teylingen.
Toelichting op de technische vragen over campagne uitingen Ten aanzien van vragen over de communicatie en campagne uitingen tijdens verkiezingen wordt verwezen naar de beantwoording van de technische vragen, waarin hier reeds nader op is ingegaan.