Ruimtelijke onderbouwing Herenstraat 66-68 Voorhout_rap1_v4.4
Tekst van het document
Aangezien de gebruiksfase van het planvoornemen wijzigt ten opzichte van de huidige gebruiksfase, wordt geadviseerd om een stikstofberekening uit te laten voeren. Zorgplicht: De Wet natuurbescherming kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de huismuis. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: •
• •
• •
Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de doorgaande weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg over gejaagd waar ze worden overreden. Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nachtactieve dieren niet verstoord worden. Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van beschermde soorten.
Conclusie flora en fauna Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet leidt tot verstoring
van beschermde soorten of natuurgebieden. Nader onderzoek naar soorten is niet nodig.
4.7
Stikstofdepositie
De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Begin 2023 vindt de jaarlijkse update van de AERIUS Calculator plaats. De actualisatie heeft betrekking op emissiefactoren, natuurgegevens, en achtergronddepositie.
Met de actualisatie zal ook de Regeling Natuurbescherming (artikel 2.1) aangepast worden, zodat de nieuwste versie van AERIUS Calculator met onmiddellijke ingang vereist is voor het berekenen van stikstofdepositie van alle lopende projecten. Er geldt geen overgangsrecht voor stikstofberekeningen. Eventuele vervolgstappen Bij een stikstofdepositie uitkomst boven 0,00 mol/ha/jr, zijn er verschillende mogelijkheden om te bepalen of een nieuwe ontwikkeling in aanmerking komt voor een positief besluit/vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. De eerstvolgende stap hierin is intern salderen. Een belangrijke uitspraak hierover is gedaan door de Raad van State op 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) in de zaak Logtsebaan. Kort gezegd komt het erop neer dat als gevolg van deze uitspraak bij gebruikmaking van intern salderen géén vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Als intern salderen geen oplossing biedt kan met behulp van onder andere een ecologische voortoets gekeken worden of significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten kunnen worden Beoordeling planvoornemen Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Hierbij is een berekening gemaakt voor de uitstoot van de bouwmachines en het verkeer in de sloop-, aanleg-, bouwfase en het verkeer in de gebruiksfase.
De conclusie luidt dat geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. Het Pdf-bestand van de berekening is bij deze notitie apart bijgevoegd, zodat het bevoegd gezag deze in kan voeren ter controle.
Omdat het projecteffect niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr, geldt er geen vergunningsplicht volgens de Wet stikstofreductie en natuurbescherming. Een nader onderzoek naar stikstofdepositie is daarom niet nodig. Conclusie stikstofdepositie Uit het stikstofonderzoek is gebleken dat er geen significante stikstofdepositie ontstaat uit het beoogde plan. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. Tabel 5: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
NO2
PM10 PM2,5
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
40
Jaargemiddelde concentratie
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur
(AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).
AMvB en Regeling niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 μg/m 3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol.
Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan wordt gesteld dat de voorgenomen planontwikkeling, met de bouw van 16 huurwoningen, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald.
In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.
Uit bovenstaande figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 langs de Kerkbuurt nabij het plangebied voor de voorgenoemde stoffen achtereenvolgens maximaal 18,0 en 17,1 μg/m³ zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5. Deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 8,7 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,0 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd.
Tabel 6: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Stof
Maximale achtergrondwaarde [μg/m³]
Jaargemiddelde grenswaarde [μg/m³]
PM2,5
8,7
25
PM10
17,1
40
NO2
18,0
40
Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.9
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie.
De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB). Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan.
Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden
risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich bijna geen risicovolle inrichtingen. Op grote afstand van het plangebied ligt het Telingen College, waar chloorbleekloog en zoutzuur zijn opgeslagen. In het vigerende bestemmingsplan wordt een afstand gegeven van 20 meter voor de PR -6-contour. Het plangebied bevindt zich op voldoende afstand (195 meter). Er is geen groepsrisico gegeven. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmering is vanuit de school. Er is geen belemmering van risicovolle inrichtingen of op risicovolle inrichtingen. Immers bevinden zich al meerdere woningen tussen de school en het plangebied. Kwetsbare objecten Rondom het plangebied bevinden zich enkele kwetsbare objecten, waaronder publieksgebouwen, woonverblijven en tehuizen. De nieuwe woningen vormen geen belemmering voor de omliggende kwetsbare objecten. Andersom ontstaan er geen belemmeringen vanuit de kwetsbare objecten voor de beoogde ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Ten oosten van het plangebied ligt, op minder dan 200 m afstand, de spoorlijn van Leiden richting Haarlem. Over dit traject werden in 1998 nog structureel gevaarlijke stoffen vervoerd. De meest recente gegevens van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor staat in de publicatie van ProRail Spoorontwikkeling 'Marktverwachting van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor; een verwachting voor de middelange termijn' van 26 september 2007. Dit stuk is door de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer aangeboden en heeft daarmee officiële status gekregen. Uit de ProRail-prognose voor vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor blijkt dat via Leiden nu en in de toekomst incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien de zeer beperkte omvang van dit vervoer zal de PR 10-6risicocontour niet buiten het spoor liggen. Ook wordt er ruimschoots aan de oriëntatiewaarde van het GR voldaan.Het plangebied bevindt zich daarnaast op grote afstand van de spoorlijn (368 meter). Er is geen belemmering vanuit dit aspect. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich geen buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor planvoornemen.
Transport gevaarlijke stoffen door de lucht Het plangebied bevindt zich ver buiten de afwegings- en invloedgebieden van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB) en van de invloedgebieden van Luchthaven Rotterdam – The Hague Airport.
Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.
4.10
Watertoets
Algemeen Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).
2.
Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau zijn het beleid van het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente Teylingen met name relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met en in aanvulling op de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. Waterbeheerplan 5: Waardevol Water Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met de omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer.
De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur (gewijzigd vastgesteld) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer.
De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak.
Indien een initiatiefnemer meer dan 500m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000m2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is
vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.
De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. Klimaatadaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie.
Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Beoordeling planvoornemen In de huidige situatie bestaat het terrein voornamelijk uit bebouwing en verharding. De verharding is bestemd voor de ontsluiting en parkeervoorzieningen. Er is (vrijwel) geen onverhard terrein aanwezig. In de gewenste situatie wordt het plangebied opnieuw bebouwd, met woningen. Daarnaast wordt een parkeerplaats aangelegd en blijft de ontsluiting met de Herenstraat behouden. Deze bestaat volledig uit verhard terrein. Daarnaast worden een aantal groenstroken binnen het plan ingepast. de benedenwoningen worden voorzien van een privétuin, welke deels verhard en deels onverhard zullen worden ingericht. Om die reden is uitgegaan van halfverharding voor de
tuinen. In de onderstaande tabel is het verschil in verhard terrein berekend: Tabel 7: Terreinverharding bestaand en toekomstig
Toepassing
Oppervlakte
Oppervlakte
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
2
[m ] Verhard terrein
Saldo
2
[m ] 1.016
990
-26
0
89
89
Bebouwing
864
646
-218
Deeltotaal
1.880
1.725
-155
Openbaar groen
0
66
66
Water
0
0
0
Half verhard terrein
0
89
89
Deeltotaal
0
155
155
1.880
1.880
Half verhard terrein Verhard
Onverhard
Totaal
Vanuit de bovenstaande tabel blijk dat sprake is van een afname van verharding door het realiseren van het plan. In totaal neemt het oppervlak verhard terrein af met 155 m². Er is geen compensatie van water nodig. Onderstaande afbeeldingen tonen de verandering in beeld aan.
Digitale watertoets Het plan is ingevoerd in de digitale watertoets. Hierbij is uitgegaan van een nieuwe ontwikkeling met meer dan 15 huishoudens in het stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt met minder dan 500 m² toe en er wordt op de bestaande riolering van omliggende woningen aangesloten. Het plan is geen onderdeel van een groter plan. Vanuit de ingevoerde gegevens ontstaat het volgende resultaat:
De digitale watertoets geeft als resultaat dat de korte procedure kan worden doorlopen. Via een standaard advies kunnen de beperkte waterbelangen worden afgedaan. Hiervoor dient het plan te worden voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Legger van oppervlaktewateren Een legger is een register waarin van alle wateren in het Rijnlandse beheergebied het volgende is weergegeven: de ligging en de vereiste afmetingen, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat dit onderhoud inhoudt. Zoals uit de onderstaande afbeelding valt op te maken zijn er geen oppervlaktewateren en primaire waterkeringen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op watergangen die in beheer zijn van het Hoogheemraadschap, noch heeft het plan effect op het waterpeil of waterverontreiniging. Nader onderzoek is niet nodig.
Geconcludeerd wordt dat geen vergunningen nodig zijn voor het realiseren van het beoogde ontwikkeling. Er dient geen water te worden gecompenseerd aangezien het verhard oppervlak niet met meer dan 500 m² toeneemt, er is juist sprake van een afname. Vanuit de digitale watertoets blijkt dat de korte procedure geldt, aangezien geringe waterschapsbelangen spelen binnen het plan. Het plan dient te worden voorgelegd aan het waterschap om deze te toetsen en advies over uit te brengen.
Conclusie Watertoets Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het water voor mogelijk tot een belemmering zorgt. Er is geen compensatie van water nodig. Het plan wordt aan het Hoogheemraadschap voorgelegd om in te zien. Er is geen nader onderzoek nodig.
4.11
Duurzaamheid
De gemeente Teylingen vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Teylingen streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. De gemeente wilt daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. In het bouwbesluit staan ook al meerdere aspecten op duurzaam vlak beschreven. Deze gaan in op circulariteit, kwaliteit en duurzame materialen. In het gemeentelijk beleid ‘Samen voor verduurzaming - Gemeente Teylingen’ staat betreffende de duurzaamheidsambities genoemd dat Teylingen in 2030 100% duurzaam moet zijn. Alle woningen en gebouwen (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken.
Bouwbesluit In de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit ten aanzien van energie (BENG (bijna energie neutraal gebouw)) en milieu (Milieu Prestatie Gebouw(MPG) berekening), toegankelijkheidseisen van bouwwerken, politiekeurmerk, woonkeur eisen etc, komt het aspect duurzaamheid aan de orde: Duurzaam slopen Het bestaande pand wordt volledig gesloopt, bij de bouwaanvraag dient er aandacht te zijn voor duurzaam slopen en hergebruik: • Inventarisatie vooraf van producten en grondstoffen die zich lenen voor hoogwaardig hergebruik of recycling; • Aandacht voor manier van slopen; • Ver doorgevoerde afvalstoffenscheiding om hergebruik of recycling te optimaliseren; • Materialen paspoort voor nieuw op te richten bouwwerken. Duurzaam bouwen Er dient op gebouwniveau aandacht te zijn voor: • Energie: goede energieprestatie van gebouwen, bij voorkeur energie neutraal; • Gebruikskwaliteit: goede, toegankelijk, functioneel en veilige gebouwen; • Circulair en milieu: inzetten op hergebruikte en/of duurzaam geproduceerde materialen om zodoende schadelijke emissies en uitputting van grondstoffen als gevolg van de productie van bouwmaterialen te beperken; • Toekomstwaarde: Inzetten op flexibele plattegronden, levensloopbestendig.
wonen, met maatregelen zoals drempelloos bouwen en eenvoudig aanpasbare (binnen‐ )constructies; • Natuur inclusief bouwen: er moet aandacht zijn voor de toegankelijkheid van het bouwwerk voor beschermde soorten, zoals vleermuizen, de gierzwaluw en huismus. • Gezondheid: Realisatie van een gezonde woning door bijvoorbeeld voldoende frisse lucht, comfortabele ventilatie en voldoende daglicht. BENG Vanaf 1 januari 2021 dienen alle vergunningsaanvragen te voldoen aan de BENG-eisen ((bijna) energieneutrale gebouwen). BENG is de opvolger van de voormalige EPC-eisen. De energieprestatieeisen onder BENG worden vastgesteld aan de hand van drie indicatoren: 1. Energiebehoefte gebouw; 2. Primair fossiel energiegebruik;
3. Hernieuwbare energie. Bij de bouwaanvraag (welke een separaat traject volgt) komen de aspecten uitgebreid aan de orde. MPG Het Bouwbesluit stelt eisen aan de milieuprestatie van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100m². Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. Raadsprogramma In het Raadsprogramma 2022-2026 Samen maken we Teylingen, wordt aangegeven dat Teylingen voor de opgaven staat om in 2050 klimaatbestendig en klimaatneutraal te zijn en dat de opgave tot verduurzaming een opgave van ons allemaal is. Lokale energiestrategie Teylingen heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. Alle energie die nodig is wordt dan op eigen grondgebied geproduceerd en in de totale vraag naar warmte, elektriciteit en mobiliteit wordt voorzien met alleen duurzame bronnen. Dit is een grote opgave. Als eerste willen zij daarbij, in lijn met de RES Holland Rijnland, de doelen voor 2030 halen: • •
15% energiebesparing in de gebouwde omgeving en 11% energiebesparing bij mobiliteit, dit ten opzichte van 2014; Forse stijging van de duurzame elektriciteitsproductie tot 268 TJ, aandeel stijgt van 7,3% in 2019 naar circa 42% in het jaar 2030.
Structuurvisie In de Structuurvisie 2030 worden een aantal accenten gelegd t.a.v. duurzaamheid: • • • • • • • •
Bij nieuwbouw hanteren we duurzaam bouwen ++ Er wordt maximale duurzaamheid meegenomen in exploitatie overeenkomsten, ingezet op laag energiegebruik, duurzame ontwerpen en duurzaam ruimtegebruik. Stimuleren van elektrisch rijden Streven naar opwekken van duurzame energie Vergroten biodiversiteit Voldoende groen en water Verbeteren van de lucht en waterkwaliteit Afval als grondstof en bijdragen aan een de biobased economie.
DGO In de gemeente Teylingen wordt met het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling (kader DGO) duurzaamheid verankert in de volgende categorieën:
• • • • •
Nieuwbouwwoningen (gebouweisen en eisen voor de inrichting openbare ruimte) Herinrichting van de bestaande openbare ruimte Onderhoud van de bestaande openbare ruimte Ontwikkeling van nieuw maatschappelijk vastgoed (scholen, (sport) verenigingsgebouwen, buurthuizen, sociaal-culturele accommodaties)
Duurzaamheid heeft hierbij de volgende 6 pijlers: • • • • • •
Energie (Energieprestatie, Energiebesparing, Duurzame energie, Opslag van energie) Circulair (grondstoffenbesparing en het bevorderen van de circulaire keten, duurzaam slopen) Natuur en milieu (o.a. Biodiversiteit) Klimaatadaptatie Duurzame mobiliteit Sociale duurzaamheid (sociale cohesie, mentaal en fysiek welbevinden)
Per thema worden drie ambitieniveaus uitgewerkt: 1. Wettelijk 2. Plus 3. Ambitieus Beoordeling planvoornemen Met het plan wordt voldaan aan de duurzaamheidseisen voor nieuwbouw (BENG en MPG). Er wordt voldaan aan het duurzaamheidsbeleid van Teylingen. Zo worden de woningen gasloos opgeleverd en worden er daar waar mogelijk duurzame materialen gebruikt. De verwarming van de woningen wordt geregeld via een duurzaam verwarmingssysteem. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie vanuit de gemeente, om in 2030 100% duurzaam te willen zijn. In eerste instantie wordt er aangesloten bij de wet- en regelgeving op het gebied van duurzaamheid. In een later stadium wordt bekeken of er, onder andere gelet op de financiële haalbaarheid en toelaatbaarheid, aangesloten kan worden bij duurzame ambities die verder reiken dan de wetgeving. De woningen worden aangesloten op de openbare riolering van het bestaande winkel/bedrijvenpand en omliggende woningen. Binnen het plan is rekening gehouden met de invulling van openbaar groen en afwatering. Daar waar mogelijk wordt voorzien in groen terrein. Dit kan in de vorm van hagen, bomen en gras en struiken. Door PH Bouwadvies is er een BENG en een MPG berekening gemaakt. Het project zal wanneer de in deze rapportage vermelde maatregelen worden toegepast en uitgevoerd voldoen aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen.
Daarmee wordt er ook voldaan aan de duurzaamheidseisen. Het rapport is als bijlage toegevoegd. De conclusie luidt dat het aspect duurzaamheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Er wordt niet afgeweken van huidige wet- en regelgeving op het vlak van duurzaamheid.
4.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient
dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Sinds juli 2017 dient het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r. beoordeling een expliciet besluit te nemen. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarde van 2.000 woningen wordt met dit planvoornemen niet gehaald. Dat neemt niet weg dat in dat geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): 1. Kenmerken van het project; 2. Plaats van het project; 3. Kenmerken van het potentiële effect. Het Besluit m.e.r. is voor dit plan niet van toepassing.
Uit diverse jurisprudentie over het begrip stedelijke ontwikkeling in relatie tot het Besluit m.e.r. blijkt dat niet alleen de omvang van de wijziging, maar ook de vigerende bestemming van het gebied een rol speelt bij het bepalen of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing is niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In het vigerende bestemmingsplan kent de kavel de bestemming Gemengd – 1. De gronden zijn o.a. bestemd voor wonen met de mogelijkheid van aan-huis-gebonden beroepen. Ook geldt er een wijzigings-bevoegdheid om de gronden te wijzigen naar grondgebonden en gestapelde woningen. Dit, mede gelet op de ligging van het plangebied in het binnenstedelijke gebied van Voorhout en het beperkte aantal woningen, waarbij de bebouwde oppervlakte ten opzichte van de bestaande situatie zelfs wat afneemt, maakt het plan te kleinschalig om te beschouwen als een (wijziging) van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld onder D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Ook ligt het plangebied niet binnen Natuur Netwerk Nederland en ligt niet op een beschermd landgoed- en kasteelbiotoop, waardoor er geen potentiële effecten ontstaan met het planvoornemen.
Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de vrijwaringszone van een beschermd molenbiotoop. Verder bevinden zich geen monumentale of beeldbepalende panden in de directe nabijheid van het plangebied, waar het plan negatieve effecten op heeft. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor geen belemmering op milieugevoelige thema’s. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Het Besluit m.e.r. is voor dit plan niet van toepassing.
Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning, die gezien de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure kent. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging wordt beslist over de vaststelling.
5.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. De kosten voor de hiervoor beschreven gewenste ontwikkeling en eventuele daaruit voortvloeiende planschadeclaims komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.
5.3
Eindconclusie
Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. Er zijn naar onze mening geen zwaarwegende bezwaren aan te voeren tegen de realisatie van het plan. IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. Noordwijk (ZH)
Bijlagen • • • • • • • • • •
Bijlage 1. A2514 rapport-definitief_Voorhout, Herenstraat 68_v1.3_COMPLEET Bijlage 2. 2514 rapport-concept_Voorhout, Herenstraat 68_v1.2_COMPLEET2 Bijlage 3. Geurhinder 22200219r01a_221123 Verdieping milieuzonering geur Bijlage 4. A2514-03 Rapport quickscan Wnb, Herenstraat 66, Voorhout_v1.2 Bijlage 5A - A2514-07 Stikstof berekening Herenstraat 66-68, Voorhout_rap1_v1.3 Bijlage 5B. A2514-07 AERIUS_Bijlage - Herenstraat 66-68, Voorhout – sloop en aanlegfase Bijlage 5C. A2514-07 AERIUS_Bijlage - Herenstraat 66-68, Voorhout – gebruiksfase Bijlage 6. Vergunningencheck Digitale watertoets Bijlage 7. Bouwbesluittoetsing kenmerk 95178-R-V2.1 Bijlage 8. Ontwerptekeningen Van Manen 6126_00-15-210913