CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing bijlage 4

Gemeenteraad 14 maart 2024, gemeente TeylingenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen bouw 16 woningen, Herenstraat 68 Voorhout [BESPREEKPUNT]6.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Herenstraat 66-68, Voorhout

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Herenstraat 66-68, Voorhout A2514-03/KMI/qs1 23 mei 2022

Auteur Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Mevr. K. Mirck Dhr. D. van der Meer kmirck@idds.nl 06 5731 2876

Opdrachtgever

:

Exploitatiemaatschappij Seaside B.V. Dhr. H. Havik hhavik@vanreisen.nl

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van Exploitatiemaatschappij Seaside B.V. is op 10-5-2022 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Herenstraat 66-68 te Voorhout. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 7 Conclusie en advies. Soortbescherming Vogels zonder jaarrond beschermd nest: binnen de verstorende invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden in de bomen en struiken aan de westhoek van het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Mitigerende maatregelen

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is

Huismus

Advies natuurinclusief bouwen

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Aangezien de gebruiksfase van het planvoornemen wijzigt ten opzichte van de huidige gebruiksfase, wordt geadviseerd om een stikstofberekening uit te laten voeren.

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Doel van het onderzoek.............................................................................................. 5 Leeswijzer .................................................................................................................. 5

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ......................................................................................... 6 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 6 Veldonderzoek ........................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ................................................................................................... 6

3.1 3.2 3.3

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen ............................................. 7 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied ................................................ 7 Planvoornemen .......................................................................................................... 9 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 10 Bureauonderzoek ................................................................................................... 13

5.1 5.2 5.3 5.4

Veldonderzoek........................................................................................................ 15 Aangetroffen soorten en sporen daarvan .................................................................. 15 Biotoop bebouwing ................................................................................................... 16 Biotoop aanwezig groen en bodem ........................................................................... 18 Biotoop water ........................................................................................................... 19

6.1 6.2

Effectbeoordeling ................................................................................................... 20 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt .......................................... 20 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt......................................... 20

7.1 7.2 7.3

Conclusie en advies ............................................................................................... 24 Gebiedsbescherming................................................................................................ 24 Soortbescherming .................................................................................................... 24 Advies natuurinclusief bouwen ................................................................................. 26 Literatuur en bronvermelding ................................................................................ 27

Bijlage I Wet natuurbescherming......................................................................................... 28 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen............................................................. 30

Inleiding 1.1

Aanleiding

De opdrachtgever is voornemens het huidige gebouw, een voormalige supermarkt, aan de Herenstraat 66-68 te Voorhout te slopen en 16 nieuwbouw woningen met parkeerplaats te realiseren. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats) • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling uiteen gezet. Tenslotte worden hieruit in Hoofdstuk 7 conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in Hoofdstuk 8. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast worden relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 8 voor de literatuurlijst) geraadpleegd. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Daarmee wordt een inschatting gemaakt of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebieden. 2.2

Veldonderzoek

Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Het veldonderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is in kaart gebracht of het aanwezige biotoop geschikt is voor de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.

De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Soorten die geen strikte bescherming genieten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 zal bestaan uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Daarnaast wordt uiteengezet wat de ligging van het plangebied is ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de omgeving. Tevens wordt er een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied in een stedelijke omgeving ligt en omgeven wordt door gebouwen en straten. Er zijn in de directe omgeving van het plangebied weinig tot geen bomen te vinden.

Het plangebied bestaat uit een leegstaande supermarkt met garage, een fietsenberging en een parkeerplaats. De supermarkt is twee bouwlagen hoog en bekleedt met betonplaten. Enkel aan de entree zijn grote ramen en een glazen deur aanwezig. Op het plat bitumen dak is een opbouw aanwezig van één bouwlaag hoog. Deze opbouw heeft eveneens een plat bitumen dak zonder grindlaag. Figuren 2 en 3 geven een impressie van het plangebied.

3.2

Planvoornemen

De opdrachtgever is voornemens het huidige gebouw (supermarkt) te slopen om 8 bovenwoningen en 8 benedenwoningen met tuin te realiseren. Tevens komt er een gemeenschappelijke berging en 28 parkeerplaatsen waarvan 16 voor de woningen en 12 voor openbaar gebruik. Onderstaande figuren geven de bestaande situatie en een impressie van het planvoornemen weer.

3.3

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 6. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied Natura-2000 gebied

Afstand tot het plangebied in meters 3.660 - Coepelduynen (zeer gevoelig voor stikstof) 4.040 – Kennemerland-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

430

Belangrijk weidevogelgebied

650

Strategische reservering natuur

5.860

In Figuur 7 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (1-07-2021) is een bouwvrijstelling opgenomen. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Aangezien de gebruiksfase wijzigt ten opzichte van de huidige situatie, wordt er geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren.

Bureauonderzoek Tijdens het bureauonderzoek is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om te kijken of beschermde soorten voorkomen in de omgeving van het plangebied. Om een goed beeld van de situatie ter plaatse te krijgen, zijn waarnemingen tot vijf jaar terug meegenomen in dit onderzoek. In een straal van 3 kilometer rond het plangebied is gekeken welke beschermde soorten in de omgeving voorkomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De data van de NDFF is niet volledig sluitend, indien tijdens de biotooptoets geschikt habitat wordt aangetroffen, kan het plangebied alsnog geschikt worden geacht voor specifieke soorten. Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied (Bron: NDFF). Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam) Boomvalk (Falco subbuteo) Buizerd (Buteo buteo) Gierzwaluw (Apus apus) Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) Havik (Accipiter gentilis) Huismus (Passer domesticus)

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Kerkuil (Tyto alba) Ooievaar (Ciconia ciconia) Ransuil (Asio otus) Roek (Corvus frigilegus) Slechtvalk (Falco peregrinus) Sperwer (Accipiter nisus) Wespendief (Apivorus pernis) Zwarte wouw (Milvus migrans) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Vleermuizen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Overige zoogdieren Amfibieën Weekdieren

Boommarter (Martes martes) Poelkikker (Pelophylax lessonae) Rugstreeppad (Epidalea calamita) Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) Akkerboterbloem (Ranunculus arvensis)

Planten

Groot spiegelklokje (Specularia speculum) Schubvaren (Asplenium ceterach)

Vlinders

Grote vos (Nymphalis polychloros)

Vissen, reptielen, libellen en overige insecten

Geen beschermde soorten waargenomen binnen 3km

In de omgeving van het plangebied zijn tevens enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht.

Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 10 mei 2022 uitgevoerd door deskundig ecoloog K. Mirck. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

10-5-2022

18

ZW 5

Deels bewolkt

Geen

De in Hoofdstuk 4 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied potentieel geschikt is voor (onder andere) deze soorten. In dit hoofdstuk worden de aantroffen biotopen binnen het plangebied beschreven. 5.1

Aangetroffen soorten en sporen daarvan

Tijdens het veldbezoek zijn slechts twee algemene vogelsoorten gehoord en gezien. Dit waren de kauw en de houtduif. Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, zijn niet aangetroffen in het plangebied zelf maar wel in de directe omgeving. Dit betreft de huismus welke broedt onder de dakpannen aan de achterzijde van de huizen aan de Margrietstraat (Figuur 8). Naast deze vogelsoorten is geen andere fauna waargenomen in het plangebied.

Figuur 9 geeft de locatie van de huismussen weer ten opzichte van het plangebied.

5.2

Biotoop bebouwing

De te slopen supermarkt heeft twee bouwlagen met een dakopbouw en een garage. Alle delen hebben een plat bitumen dak zonder grindlaag. De gevels zijn bekleedt met betonpanelen met gevoegde naden. De daklijsten sluiten nauw aan op de gevels (Figuur 10).

Aan de zuidwestgevel is een opening (Figuur 11). Voor gierzwaluw en huismus ontbreekt echter een achterliggende ruimte om in te broeden. Vleermuizen kunnen via deze opening niet naar een achterliggende ruimte of spouwmuur waardoor ze worden blootgesteld aan regen en tocht. Hetzelfde geldt voor een opening aan de noordoostgevel, deze opening eindigt blind in de betonplaat waardoor geen beschutte ruimte is om dienst te doen als broedplaats voor gierzwaluw of huismus of als verblijfplaats voor vleermuizen (Figuur 12).

5.3

Biotoop aanwezig groen en bodem

De bodem in het plangebied is volledig verhard. In het plangebied zijn geen sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het enige groen binnen het plangebied bevindt zich aan de fietsenberging in de westhoek van de parkeerplaats (Figuur 13). De berging is 2,5 meter hoog, heeft een plat dak en de wanden bestaan uit verticale houten latten met open ruimten. Tussen de berging en de achterliggende brandgang staat opschot van jonge esdoorn en berk. Het dak van de berging is overgroeid met kamperfoelie. Verder grenst dit stuk van het plangebied aan een achterliggende tuin met bomen. Algemene broedvogels kunnen hierin tot broeden komen. Holtes en jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen in de vegetatie. Op de gevels aan de achterzijde van de supermarkt zijn sporen van verwijderde klimop zichtbaar. In enkele vakken tussen de tegels van de brandgang tussen de te slopen supermarkt en de achtertuinen van de Margrietstraat staat aanplant zoals hortensia (Figuur 14). Algemene broedvogels zoals heggenmus en merel kunnen hierin tot broeden komen.

Er zijn binnen het plangebied geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie rondom de fietsberging en in de brandgang kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel beschouwd gezien de geringe omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.4

Biotoop water

Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen waterlichamen aanwezig.

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen plannen een al dan niet nadelig effect hebben op de beschermde soorten die volgens de bureaustudie in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst zullen de soorten aan bod komen waar wel een negatief effect te verwachten is. Deze soorten en/of beschermde functies kunnen naar aanleiding van het bureauonderzoek en de biotooptoets niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Vervolgens komen de soorten aanbod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1

Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of er naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wet natuurbescherming potentieel overtreden wordt. Tabel 5: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep) Reden van verwachting negatief effect Artikel en lid Wnb Vogels

Algemene broedvogels

6.2

Er kunnen vogels broeden in de bomen en struiken die grenzen aan het plangebied en in de begroeiing aan de achtergevel van de te slopen supermarkt. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en er broedende vogels aanwezig zijn, kan een negatief effect op broedende vogels niet uitgesloten worden.

§3.1, lid 2 en lid 4

Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of er naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tabel 6: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën

Poelkikker

De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een veeleisende soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Dit biotoop is niet aanwezig.

Rugstreeppad

Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomer-, winter- en paarverblijfplaatsen. Vergraafbaar zand en water zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Tevens zijn tussen de bekende waarnemingen en het plangebied onoverbrugbare barrières aanwezig in de vorm van drukke wegen.

Vogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik

Er zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied

Gierzwaluw

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals neststenen, ruimten onder dakgoten, losliggende dakpannen, gaten bij regenpijpen of gaten in muren waarachter een ruimte is om eieren te leggen..

Grote gele kwikstaart

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten

Huismus

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig. Ook is er binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van groenblijvende struiken, zanderige stukjes en drinkplaats. Huismussen broeden wel in de daken van de woningen aan de Margrietstraat. Deze woningen met tuin liggen aan het plangebied. De nesten worden door de werkzaamheden niet verstoord en er wordt geadviseerd natuurinclusief te bouwen zodat het bestaand habitat kan worden uitgebreid.

Kerkuil

Binnen het plangebied zijn geen kasten aanwezig voor uilen. Ook zijn er geen toegankelijke schuren of zolders aanwezig.

Ooievaar

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform.

Ransuil

Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn er geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. Ook zijn er geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.

Roek

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen of kanalen in de buurt van graslanden. De roek is een koloniebroeder. Er zijn binnen het plangebied geen oude nesten aangetroffen.

Slechtvalk

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn er geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen.

Wespendief

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk loofbos of gemengd bos met open plekken, hoogvenen, heide, moerasbos en kleinschalig cultuurlandschap met bos hoogvenen.

Zwarte wouw

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk halfopen, bos, rivierdalen met ooibossen en moerasgebied.

Vleermuizen Bosvleermuis

Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in bomen en in het oosten van het land.

Baardvleermuis, Brandts vleermuis

Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.

Franjestaart

Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied met waterpartijen binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Langs en boven kleinschalige weilanden en akkers en in open veestallen.

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger

Binnen het plangebied vinden werkzaamheden plaats aan een gebouw, echter zijn geen geschikte openingen in het gebouw aanwezig die als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig. De bomen in de omgeving hebben geen holten. Ook zijn er geen effecten op essentieel foerageergebied. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: boomholtes (met uitzondering van laatvlieger), onder dakpannen, onder dakranden, spouwmuren, gaten in muren en vleermuiskasten. Winterverblijfplaats: spouwmuren, spleten in gebouwen, zolders, onder dakpannen en dakranden. Foerageergebied: bosranden, heggen, lanen en waterlichamen.

Gewone grootoorvleermuis

Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosachtige omgeving en de aanwezigheid van straatverlichting en/of

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten andere felle lichtbronnen. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige structuren niet te groot zijn.

Grijze grootoorvleermuis

De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig. Ze zijn sterk gevoelig voor aanwezigheid van straatverlichting en/of andere felle lichtbronnen. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap Negatieve effecten op de meervleermuis worden niet verwacht, aangezien er in het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Meervleermuis

Zomerverblijfplaats: vleermuiskasten en woonhuizen. Winterverblijfplaats: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Foerageergebied: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Boven vochtige weilanden binnen een straal van 500m van water.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn of worden gekapt binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen.

Vale vleermuis

Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen worden gekapt binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.

Watervleermuis

Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn of worden gekapt binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.

Overige zoogdieren Boommarter

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook zijn er geen holtebomen aanwezig binnen het plangebied.

Weekdieren

Platte schijfhoren

Er is geen geschikt biotoop aanwezig binnen het plangebied. De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalgvegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbenscheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten

Planten Akkerboterbloem

Akkerboterbloem groeit in akkers (wintergraanakkers), zelden op ruderale plaatsen en op omgewerkte grond. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Groot spiegelklokje

Groot spiegelklokje groeit in akkers, bermen en dijken, braakliggende grond, als adventief nabij graansilo’s en langs spoorwegen. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Schubvaren

Schubvaren groeit op oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes langs begraafplaatsen en wegen. Deze biotopen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Vlinders Grote vos

De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Binnen het plangebied staan geen bomen.

Conclusie en advies In dit hoofdstuk worden alle soorten behandeld waarvoor mitigerende maatregelen nodig zijn of nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Soorten die zijn uitgesloten, worden hier niet behandeld, de reden van uitsluiting is terug te vinden in Hoofdstuk 6 Effectbeoordeling. Tevens wordt besproken of er een vervolgtraject benodigd is aangaande gebiedsbescherming. 7.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 3.660m afstand tot Natura 2000-gebied. Mogelijke stikstof effecten zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Er geldt een vrijstelling voor bouw-, aanlegen sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Aangezien de gebruiksfase wijzigt ten opzichte van de huidige situatie, wordt er geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren. 7.2

Soortbescherming

Nader onderzoek Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. Mitigerende maatregelen Vogels zonder jaarrond beschermd nest: binnen de verstorende invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden in de bomen en struiken aan de westhoek van het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Zorgplicht: De Wet natuurbescherming kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan.

Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de huismuis. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de doorgaande weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg over gejaagd waar ze worden overreden. • Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nachtactieve dieren niet verstoord worden. • Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn.

• •

Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van beschermde soorten.

Ecologisch vervolgtraject Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen, een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 7: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Diverse algemene soorten

Mitigerende maatregelen

Boomvalk (Falco subbuteo)

Nee

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Advies natuurinclusief bouwen

Kerkuil (Tyto alba)

Nee

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Roek (Corvus frigilegus)

Nee

Slechtvalk (Falco peregrinus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Wespendief (Apivorus pernis)

Nee

Zwarte wouw (Milvus migrans)

Nee

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Nee

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Nee

Brandts vleermuis (Myotis brandtii)

Nee

Franjestaart (Myotis nattereri)

Nee

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Nee

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Nee

Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus)

Nee

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Nee

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Nee

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Nee

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Nee

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Boommarter (Martes martes)

Nee

Poelkikker (Pelophylax lessonae)

Nee

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Nee

Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)

Nee

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Vleermuizen

Overige zoogdieren Amfibieën Weekdieren

Soortgroep

Planten

Vlinders

7.3

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Akkerboterbloem (Ranunculus arvensis)

Nee

Groot spiegelklokje (Specularia speculum)

Nee

Schubvaren (Asplenium ceterach)

Nee

Grote vos (Nymphalis polychloros)

Nee

Advies natuurinclusief bouwen

In de daken aan de achterzijde van de huizen van de Margrietstraat broeden huismussen. Deze huizen grenzen aan het plangebied. Huismussen zijn vogels met een jaarrond beschermd nest. De huismus is zeer honkvast, hij blijft het gehele jaar in de buurt van zijn eenmaal gekozen nest. Huismussen gebruiken het nest zelf ook het gehele jaar door. De huismus gebruikt ’s winters vooral altijd groenblijvende struiken of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen, maar zijn dan ook wel onder dakpannen of in gebouwen te vinden, vooral tijdens koude nachten. Door de werkzaamheden in het plangebied gaan geen nestplaatsen verloren. Geadviseerd wordt om te werken buiten broedseizoen om verstoring te beperken. Voor het verbeteren van de kwaliteit van het bestaand en het realiseren van nieuw geschikt habitat voor huismussen wordt geadviseerd om natuurinclusief te bouwen. Dit kan door in de nieuwbouw nestplaatsen te realiseren en het aanplanten van groenblijvende, inheemse heesters of opgaand groen (zie bijlage II).

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels

Internetbronnen www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden.

Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht. Verder zijn beschermde soorten die niet via een natuurlijke verspreiding in Zuid-Holland terecht zijn gekomen niet beschermd in deze provincie.

Bijlage II

Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen

Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.

Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.

Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiële verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.

Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.

Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.

Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor.

Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=2d5915d2-68cb-433e-8440-93c72c294308