Raadsvoorstel afronden Ondernemersfonds Getekend
Tekst van het document
Raadsvoorstel Besluitvormend Afronding Ondernemersfonds aan:
de raad van de gemeente Teylingen
zaaknummer: Z-20-134292 datum voorstel: 21 januari 2021 datum collegevergadering: 26 januari 2021 datum raadsvergadering: 11 maart 2021 agendapunt: 0 portefeuillehouder: Marlies Volten behandelend ambtenaar: Fred Wulp e-mailadres: f.wulp@hltsamen.nl
Wij stellen voor: 1. alle ondernemers die in 2017 extra opslag OZB niet woningen hebben betaald, die extra opslag (€ 355.000,-) terug te betalen; 2. de ondernemers het bedrag te vergoeden van € 100,- die zij hebben ingelegd voor juridische kosten (€ 16.000,-); 3. de ondernemers die beroep hebben aangetekend de griffiekosten (€ 1.665,-) over 2017 te vergoeden; 4. de financiële consequenties te dekken uit het terugontvangen bedrag uit het Ondernemersfonds van € 271.518, het terug te ontvangen bedrag van € 16.500,- inzake de terugbetaling over 2017 en voor het overige deel uit de Algemene reserve; 5. bijgaande begrotingswijziging nummer 6 vast te stellen.
Inleiding Nadat het bestuur van de stichting Ondernemersfonds Teylingen zichzelf had opgeheven, is het resterende budget uit het fonds, ad afgerond € 270.000,-, aan de gemeente overgemaakt. Met de gemeenteraad is na ontvangst van het budget afgesproken dat een voorstel wordt gemaakt om het terugontvangen bedrag ten goede te laten komen van de ondernemers. Na de uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof Den Haag van 12 mei 2020, waarbij Belastingen Bollenstreek is veroordeeld tot terugbetaling van een gedeelte van de ozb aan één ondernemer, is de afronding van het Ondernemersfonds nogmaals onderwerp van gesprek geweest in de gemeenteraad. Daarbij is naar voren gekomen dat een gedragen voorstel aan de raad noodzakelijk is waarmee het dossier Ondernemersfonds kan worden afgesloten. Er is een duidelijke behoefte om de verhoudingen en de samenwerking tussen en met de ondernemers te verbeteren. Hierop zijn in de afgelopen periode de inspanningen gericht geweest. Hiervoor zijn gesprekken gestart met een vertegenwoordiging van de VOT. Bij die gesprekken waren de voorzitter van de VOT en de juridische vertegenwoordigers van de
VOT aanwezig. Bij de eerste gesprekken zijn door de VOT de volgende punten naar voren gebracht: a. Er moet een substantieel financieel gebaar komen naar de belastingbetalers. Dit kan via een belastingverlaging of een eenmalige teruggave. Een concreet bedrag is daarbij door de VOT niet genoemd. b. De personen die aan het begin € 100,- hebben ingelegd om de verhoging van de OZB juridisch aan te vechten, moeten hun bedrag terugontvangen. Een overzicht over hoeveel personen dit gaat is nog niet ontvangen. Wel is eerder een bedrag van € 16.000,genoemd. c. De griffiekosten die personen hebben gemaakt die in beroep zijn gegaan, moeten worden vergoed. Het gaat daarbij om € 333,- per persoon. d. Steenbergen Advocaten moet een vergoeding ontvangen voor de door hun gemaakte kosten. Een urenoverzicht hiervan (818 uur) is ontvangen. In het gesprek van 16 oktober 2020 met de VOT is daar door Steenbergen Advocaten een lager uurtarief dan hun standaardtarief aan verbonden, namelijk van € 125,-. Wat neer komt op een totaalbedrag van rond de € 100.000,-. e. Het bedrag dat de TOV uit het fonds heeft gehad, ad € 15.000,-, zou naar de gemeente moeten worden overgemaakt voor het verkrijgen van draagvlak. f.
Om zoveel mogelijk mensen achter de oplossing te krijgen en een eind te maken aan nieuwe juridische procedures, stellen Steenbergen Advocaten de oprichting van een stichting voor, ex artikel 305a BW. Hiermee kan alsdan een schikking worden overeengekomen die vervolgens algemeen verbindend kan worden verklaard. De notitie die door Steenbergen Advocaten is opgesteld en de juridische toetsing hiervan door LaGro Geelkerken advocaten zijn in de bijlagen opgenomen. Naar aanleiding van het gesprek van 14 december 2020 is een nadere onderbouwing ontvangen van Steenbergen Advocaten over de gemaakte uren. In deze notitie ontbreekt een juridische onderbouwing voor de claim om vergoeding van de juridische kosten. Naast de gesprekken met de VOT is ook contact geweest met een vertegenwoordiging van het BPT. Uit die contacten is naar voren gekomen dat zij een financieel gebaar naar de ondernemers met een positieve insteek aan hun achterban kunnen voorleggen. Met Belastingen Bollenstreek is overleg gepleegd over mogelijke uitvoeringen van het toekennen een bedrag aan de ondernemers die in 2017 de OZB-opslag hebben betaald. Daarbij kwam naar voren dat naar aanleiding van de aanslag 2017 Steenbergen Advocaten namens 303 personen een bezwaar had ingediend.
Omdat ieder bezwaar individueel ingediend moet worden, en de bezwaren materieel gelijkluidend waren, heeft de heffingsambtenaar om praktische redenen toegezegd dat het bezwaar namens de 303 zou worden ingetrokken en dat 1 bezwaar zou worden ingediend en het resultaat van de procedure (uiteindelijk) voor alle 303 bezwaarmakers zou gelden. Deze toezegging was, op 6 ondernemers na, voldoende om daarvan gebruik te maken. Beoordeling oplossingsrichtingen a. Financieel gebaar Uitgangspunt is geweest dat ten minste het restantbudget, ad afgerond € 270.000,-, ten goede zou komen van de ondernemers. Uit de contacten met ondernemers (dan wel hun vertegenwoordigers) is naar voren gekomen dat een financieel gebaar via een
belastingverlaging in 2021 of de teruggave van een bedrag de voorkeur heeft. De gememoreerde toezegging van de heffingsambtenaar is (juridisch beoordeeld) voldoende om te concluderen dat de uitspraak in hoger beroep ook voor de 303 overige bezwaarmakers moet gelden. Het eerst toekennen van een bedrag ter hoogte van de door hun betaalde extra OZB aan deze 303 en daarna het restant bedrag verdelen over de overige 1300 ondernemers veroorzaakt ongelijkheid tussen de ondernemers. Dat draagt niet bij aan betere verhoudingen. Daaruit volgt dat alle 1600 ondernemers in gelijke mate in aanmerking moeten komen voor een teruggave van het bedrag dat zij aan ‘extra’ OZB over het jaar 2017 hebben betaald. Dit gaat om een totaalbedrag van € 355.000,-. De VOT en het BPT hebben op deze oplossingsrichting positief gereageerd. De VOT heeft aangegeven hiermee te kunnen instemmen. Dit kan worden uitgevoerd door iedereen die in 2017 de extra opslag heeft betaald dit bedrag terug te betalen. Deze methode is transparant en doet op verifieerbare wijze recht aan de ondernemers die daadwerkelijk hebben betaald. Dit houdt wel in dat ook ondernemers die in 2017 retributie hebben ontvangen, terugbetaald worden. Die krijgen op deze manier 2 maal het bedrag. Dit is besproken zowel met de vertegenwoordigers van de VOT als die van het BPT. Voor beide geldt dat dit niet als onoverkomelijk wordt gezien.
Voor zover bekend heeft in 2017 maar een beperkt aantal ondernemers gebruik gemaakt van het recht op retributie (alleen bij de voormalige stichting Ondernemersfonds is bekend wie er retributie heeft gehad). Omdat de gemeente gebruik heeft gemaakt van haar retributierecht, krijgt de gemeente € 16.500,- uitgekeerd. Het inzetten van die teruggave ten behoeve van de ondernemers zou worden gewaardeerd. Een alternatief dat is besproken was een verlaging van het OZB-tarief niet-woningen. Dat is echter minder geschikt geacht omdat het minder zichtbaar is en niet alle belastingbetalers uit 2017 bereik zouden worden. Ook is met de vertegenwoordiging van de VOT gesproken over de opslag ozb over het jaar 2016. Daartegen is door Steenbergen Advocaten een juridische procedure bij de rechtbank Den Haag gestart, maar de rechtbank heeft het beroepschrift niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaar en beroep niet is ingesteld namens de VOT, en ook niet namens haar leden. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiseres is gemachtigd door de leden van de Vereniging VOT om bezwaar en beroep in te kunnen stellen tegen aan die leden opgelegde aanslagen onroerende zaakbelasting. Dat betekent dat de aanslag OZB over het jaar 2016 onherroepelijk is geworden en in dit geval rechtens niet meer kan worden ‘aangetast’.
Zo’n besluit is dus niet meer vatbaar voor het voeren van een succesvolle (bestuursrechtelijke of civielrechtelijke) juridische procedure. Voor de OZB aanslagen over 2016 geldt daarom het beginsel van de formele rechtskracht, hoewel Steenbergen Advocaten daar anders over denkt. Het beginsel van de formele rechtskracht houdt in dat wanneer tegen een besluit (OZBaanslag) een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open heeft gestaan die niet (succesvol) is doorlopen, de civiele rechter ervan uit dient te gaan dat dit besluit qua wijzen van totstandkoming en inhoud in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dat wil zeggen dat indien de geldigheid van een onherroepelijk besluit onderwerp is van een civielrechtelijke procedure, de burgerlijke rechter ervan uit dient te gaan dat dit besluit qua wijze van totstandkoming en inhoud rechtmatig is. Op het beginsel van de formele rechtskracht geldt materieel een uitzondering voor de OZB-aanslagen over het jaar 2017. Ten aanzien van deze aanslagen heeft de heffingsambtenaar namelijk een toezegging gedaan zoals hiervoor is beschreven.
b. Inleg € 100,Bij de start van het Ondernemersfonds hebben een aantal ondernemers € 100,- ingelegd om de juridische kosten voor een juridische procedure tegen het ondernemersfonds te kunnen bekostigen. Er is geen juridische verplichting om deze kosten te vergoeden. Maar gezien de negatieve gevoelens die er nog zijn rondom het Ondernemersfonds zou een terugbetaling van dit bedrag een positieve bijdrage leveren aan kunnen sluiten van dit dossier. De VOT heeft aangegeven hiermee akkoord te kunnen gaan. Dit betekent wel dat Steenbergen Advocaten het door de ondernemers ingezamelde bedrag ad. € 16.000,- kan behouden ter dekking van de gemaakte juridische kosten. Bij punt d wordt hier verder op in gegaan. c. Kosten griffie Door een aantal ondernemers zijn griffiekosten gemaakt voor het instellen van beroep bij de rechtbank. Er is geen juridische verplichting om deze kosten te vergoeden. Maar deze kosten zijn wel gemaakt in het proces dat heeft geleid tot de uitspraak in hoger beroep bij het Gerechtshof. Het vergoeden van deze kosten draagt voor deze ondernemers bij aan het ‘afsluiten van het verleden’. De VOT heeft hiermee ingestemd. d. Juridische kosten Steenbergen Advocaten wenst de gemaakte uren voor de VOT van de gemeente vergoed te krijgen. Door Steenbergen Advocaten is een overzicht van gemaakte uren voor de VOT overlegd.
Dit overzicht bestrijkt de jaren 2016 t/m 2020 en omvat in totaal 818 uur. Hierbij zijn niet alleen de uren voor de rechtsgang tegen de belastingaanslag van 2017 in beeld gebracht maar alle gemaakte uren rondom het Ondernemersfonds. Uren voor overleggen van het bestuur van de VOT, het schrijven van stukken, gesprekken met de gemeente over een schikking, de oprichting van de stichting, enzovoort. Uit dit overzicht is niet te herleiden welke uren daadwerkelijk zijn genaakt voor de juridische procedure rondom de belastingaanslag 2017. Hierbij moet wellicht ook worden opgemerkt dat de VOT bij die juridische procedure geen partij is (zoals bij de procedure tegen de aanslag van 2016 is gebleken). Alleen individuele belastingbetalers kunnen tegen hun aanslag in bezwaar (en eventueel in beroep) gaan. En dat is dan een zaak tussen de bezwaarmaker en Belastingen Bollenstreek. In die procedure is de gemeente geen partij. In het laatste gesprek met de vertegenwoordiging van de VOT is desgevraagd aangegeven dat de VOT tot op heden van Steenbergen Advocaten nooit een factuur heeft ontvangen. Tijdens het overleg van 16 oktober 2020 is in eerste instantie een uurtarief van € 170,- genoemd, en in tweede instantie een uurtarief van 125,- (het standaardtarief van het kantoor is € 235,- per uur). Van de gemeente wordt gevraagd deze kosten te vergoeden.
Voor het vergoeden van deze kosten is, volgens Steenbergen Advocaten een juridische grondslag neergelegd in artikel 6:96 BW. De onderbouwing voor een geslaagd beroep op artikel 6:96 BW is (nog) niet ontvangen. Daarom valt niet met nauwkeurigheid de kans van slagen aan te geven in een eventuele gerechtelijke procedure gericht op een veroordeling van de gemeente tot betaling van de advocaatkosten. De kans van slagen zal onder meer afhangen van de precieze insteek van een eventuele procedure, de gekozen grondslag(en) en de te maken verwijten, alsmede de vraag welke feiten en omstandigheden in dat verband meer precies een rol spelen. Een eventuele procedure zal, naar wij aannemen, ingesteld moeten worden door de VOT. In algemene zin kunnen wij over het verkrijgen van een vergoeding van advocaatkosten op grond van artikel 6:96 BW het volgende opmerken.
Art. 8:75 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. De burgerlijke rechter dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Daarbij verdient opmerking dat de bestuursrechter op grond van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht “in bijzondere gevallen” een hogere dan een forfaitaire vergoeding van die kosten kan toekennen, en dat daarvoor onder meer aanleiding kan bestaan indien het bestuursorgaan tegen beter weten in een onjuist standpunt heeft gehandhaafd. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van art. 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van art. 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen.
In de gerechtelijke procedure bij het Gerechtshof heeft Steenbergen Advocaten verzocht om een vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof heeft in zijn uitspraak d.d. 12 mei 2020 hieromtrent het volgende besloten: “Het standpunt van belanghebbende dat de vergoeding op het bedrag van de werkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten moet worden vastgesteld, volgt het Hof niet omdat, gelet ook op de ongegrondverklaring van het beroep door de Rechtbank, de heffingsambtenaar niet kan worden verweten dat hij evident tegen beter weten in heeft geprocedeerd”. Wel heeft het Gerechtshof besloten een forfaitaire vergoeding in de proceskosten (bezwaar, beroep en hoger beroep) toe te kennen ten bedrage van in totaal € 2.361,-. Op grond van het vorenstaande is het verdedigbaar aan te nemen dat een veroordeling van de gemeente in een eventuele gerechtelijke procedure, gericht op het verkrijgen van een vergoeding van de advocaatkosten gebaseerd op art. 6:96 BW, allerminst vaststaat. Zekerheid daarover kunnen wij echter niet geven. Het is denkbaar, mede om een extra ‘prikkel’ te ontwikkelen gericht op het terugkeren naar ‘normale’ werkbare verhoudingen tussen betrokken partijen, aan de VOT een tegemoetkoming te verstrekken in de advocaatkosten. De vraag die alsdan beantwoord moet worden ziet op de redelijkheid van de hoogte van de vergoeding.
Het antwoord op die vraag draagt te allen tijde (op onderdelen) een min of meer arbitrair karakter. Het voeren van een bezwaar- en beroepsprocedure is namelijk ‘maatwerk’ en laat zich niet (eenvoudig) standaardiseren in een vast aantal uren. Als gekeken wordt naar de uitspraak van het Hof, dan weegt het Hof de procedure niet aan als een zware procedure, want voor de verschillende procesonderdelen geeft het Hof steeds 1 punt (en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Om te komen tot een overeenkomst over een vergoeding van de juridische kosten van de VOT is op basis van het voorgaande een redelijke vergoeding berekend. Dit zou maximaal € 25.000,- zijn. Dit naast het bedrag dat Steenbergen Advocaten kan behouden als gevolg van het bij b benoemde vergoeden van de inleg van € 100,- door ondernemers (€ 16.000,-). Aan de hand van dit gecumuleerde bedrag (€ 41.000,-) is op 14 december 2020 gesproken met de vertegenwoordiging van de VOT. Daarbij is door Steenbergen Advocaten herhaald dat nog niet is gefactureerd aan de VOT voor het werk dat is gedaan en dat nog maar een beperkte vergoeding vanuit de VOT heeft plaatsgevonden (€
15.875,24 is gebleken uit nadere stukken die begin januari 2021 zijn ontvangen). Tijdens het overleg werd tevens duidelijk dat het aanbod van de gemeente als te weinig werd beschouwd. Afgesproken is dat er een onderbouwing van de claim om een vergoeding zou worden gemaakt en aan de gemeente voorgelegd. Op 4 januari 2021 is deze onderbouwing ontvangen. Deze gaat wederom breed in op alle werkzaamheden die zijn gedaan rond het onderwerp Ondernemersfonds maar geeft geen juridische gronden waarop een vergoeding van de juridische kosten gebaseerd zou kunnen worden. e. Uitkering TOV Het toekennen van een financiële bijdrage door het Ondernemersfonds aan de (voormalige) TOV is een zelfstandige beslissing van het Ondernemersfonds geweest. De gemeente was hierbij niet betrokken. Wel is het verzoek vanuit de VOT doorgegeven aan het BPT (opvolger van de TOV). Met dit verzoek kunnen wij verder niets doen. f. Oprichten stichting Uit het advies van LaGro Geelkerken Advocaten blijkt dat de oplossing voor het oprichten van een stichting ex artikel 305a BW, zoals voorgesteld door Steenbergen Advocaten, omslachtig en niet ‘waterdicht’ is. Een andere, meer praktische oplossing, is mogelijk.
Als gekozen wordt voor het terug betalen van de ‘opslag OZB’ aan alle ondernemers die betaald hebben, is het oprichten van een stichting of het kiezen voor een andere (meer praktische) oplossing niet meer opportuun. Civiele procedure Steenbergen Advocaten en de VOT hebben het voornemen kenbaar gemaakt een civiele procedure te starten ingeval de gemeente de juridische kosten niet (geheel of in substantiële mate) vergoedt. Vervolg Tijdens de gesprekken met de VOT en het BPT is duidelijk geworden dat er draagvlak is voor het terugbetalen van de extra opslag OZB over 2017. Ook het vergoeden van de griffiekosten en het de inleg van € 100,- worden positief beoordeeld. Maar op het punt van de vergoeding van de juridische kosten kan worden geconcludeerd dat partijen nog te ver uit elkaar liggen. Omdat daar een fundamenteel verschil van mening aan ten grondslag over welke kosten in rekening worden gebracht is de kans op een minnelijke schikking klein. Voor de VOT zijn alle kosten rondom het Ondernemersfonds sinds 2015 relevant. Voor de gemeente is de juridische procedure rondom de aanslag OZB 2017 het uitgangspunt. Daarom is nu punt bereikt dat een splitsing in het proces voor de hand ligt.
Door nu de maatregelen uit te voeren waarover overeenstemming is wordt recht gedaan aan het uitgangspunt om het geld dat van het Ondernemersfonds ten goede van de ondernemers te laten komen, wordt recht gedaan aan de uitspraak van het gerechtshof en wordt tegemoetgekomen aan de individuele ondernemers die kosten hebben gemaakt in dit proces. Voor verdere gesprekken over een vergoeding van de juridische kosten moet een juridische basis worden gelegd. De VOT moet haar claim voor een vergoeding juridisch onderbouwen. Hiervoor is inmiddels een brief aan Steenbergen Advocaten als vertegenwoordiger van de VOT gestuurd. Beoogd effect Het herstellen van de normale werkbare verhoudingen tussen ondernemers (groepen) en het vertrouwen in de lokale overheid, door gemaakte afspraken na te komen. Argumenten
1.1. Hiermee wordt het meest recht gedaan aan de ondernemers. Met het terugbetalen van de in 2017 geinde extra opslag op de OZB voor niet woningen wordt recht gedaan aan de toezegging aan de 303 bezwaarmakers en de uitspraak in hoger
beroep. Hiermee komt de uitkering terecht bij de ondernemers die in 2017 belasting hebben betaald. 2.1. Dit draagt bij aan het afsluiten van het verleden. Door de ondernemers die aan de start € 100,- hebben ingelegd voor de juridische kosten te vergoeden, wordt naar die groep een gebaar gemaakt om te komen tot het afsluiten van het verleden en normale verhoudingen tussen ondernemers(groepen). 3.1. Dit draagt bij aan het afsluiten van het verleden. Het vergoeden van de griffiekosten over 2017 past binnen het pakket van maatregelen die moeten leiden tot het afsluiten het verleden. 4.1. Op deze wijze komt het terugontvangen bedrag van het Ondernemersfonds weer ten goede van de ondernemers. Uitgangspunt was dat het bedrag dat is ontvangen van de voormalige stichting Ondernemersfonds Teylingen ten goede zou komen van de ondernemers van Teylingen. De gekozen oplossing geeft daar uitvoering aan. 4.2. Op deze wijze komt het bedrag inzake het retributierecht weer ten goede van de ondernemers. In 2017 is gebruik gemaakt van het retributierecht. Door het nu terug te ontvangen bedrag niet in de algemene middelen te laten vloeien kan het bedrag ten behoeve van de ondernemers worden ingezet. 4.3. De Algemene reserve heeft onder andere als functie incidentele risico’s af te dekken en de financiële consequenties van dit voorstel zijn aan te merken als incidenteel risico. 5.1.
Het is de bevoegdheid van de raad om begrotingswijzigingen vast te stellen. Kanttekeningen
1.1. Met dit voorstel wordt niet volledig voldaan aan de eisen van de VOT. Met name op het punt van de juridische kosten ligt er een gat tussen wat gevraagd wordt en waartoe wordt besloten. Dit kan de leiden tot nieuwe procedures van de kant van de VOT. 1.2 Omdat er nog een aantal procedures lopen rond WOB-verzoeken over het Ondernemersfonds kan dit dossier nog niet volledig worden afgesloten. Financiële consequenties
Er zijn meerdere kostenposten 1. € 355.000,- voor het vergoeden van de ondernemers die in 2017 de extra opslag OZB hebben betaald. 2. € 16.000,- voor het vergoeden van de € 100,- aan de ondernemers die dat hebben ingelegd. 3. De griffiekosten die zijn gemaakt door de ondernemers die in 2017 in beroep zijn gegaan. Dit bedrag is nog niet bekend maar wordt geschat op ongeveer € 1.665,-. Dekking hiervoor kan deels worden gevonden in de € 271.518, het te ontvangen bedrag van € 16.500,- en voor het overige deel, € 84.647,-, uit de Algemene reserve als incidentele weerstandscapaciteit (afdekken van de risico’s binnen de risicobeheersing en weerstandsvermogen).
Aanpak, uitvoering en participatie
Na besluitvorming kan door Belastingen Bollenstreek in het eerste kwartaal van 2021 het bedrag worden uitgekeerd aan de ondernemers. Duurzaamheid
Na besluitvorming kan door Belastingen Bollenstreek het bedrag worden uitgekeerd aan de ondernemers. Hillegom-Lisse-Teylingen (HLT) Dit voorstel heeft alleen betrekking op Teylingen. Urgentie Nu de gesprekken hebben geleid tot een pakket van maatregelen voor de ondernemers, is het van belang deze zo spoedig mogelijk uit te voeren. Daarmee worden dan stappen gezet om de verhoudingen tussen ondernemers te verbeteren. Evaluatie Nvt Bijlagen en achtergrondinformatie
-
Notitie Steenbergen Advocaten over oprichten 305a-stichting Notitie La Gro Geelkerken Advocaten over oprichten 305a-stichting Begrotingswijziging nummer 6
namens het college van burgemeester en wethouders, Dhr. J.F.A. Tomassen secretaris
Carla G.J. Breuer burgemeester
Raadsbesluit
De raad van de gemeente Teylingen, gelezen het voorstel van het college van 26 januari 2021 met als onderwerp Afronding Ondernemersfonds gelet op de behandeling in de raadscommissie- en raadsvergadering, gelet op artikel 108 van de gemeentewet,
besluit: 1. alle ondernemers die in 2017 extra opslag OZB niet woningen hebben betaald, die extra opslag (€ 355.000,-) terug te betalen; 2. de ondernemers het bedrag te vergoeden van € 100,- die zij hebben ingelegd voor juridische kosten (€ 16.000,-); 3. de ondernemers die beroep hebben aangetekend de griffiekosten (€ 1.665,-) over 2017 te vergoeden; 4. de financiële consequenties te dekken uit het terugontvangen bedrag uit het Ondernemersfonds van € 271.518, het terug te ontvangen bedrag van € 16.500,- inzake de terugbetaling over 2017 en voor het overige deel uit de Algemene reserve; 5. bijgaande begrotingswijziging nummer 6 vast te stellen..
Aldus besloten in de raadsvergadering van 11 maart 2021,
Digitaal ondertekend door Robert van Dijk op 18-03-2021 Robert van Dijk griffier
Digitaal ondertekend door Carla G.J. Breuer op 19-03-2021 Carla G.J. Breuer voorzitter