CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Planregels herstelbesluit Chw bestemmingsplan Nieuw BoekhorstVoorhout

Gemeenteraad 14 november 2024, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Nieuw Boekhorst21.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2,5 m2

> 10 m en < 20 m

idem

5 m2

> 20 m en < 50 m

idem

10 m2

> 50 m

idem

15 m2

Tabel 1

31

Artikel 12 Wonen - 1 12.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in vrijstaande woningen met de mogelijkheid van aan-huis-gebonden beroepen; en b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, perceelontsluitingen, tuinen en water. 12.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 12.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan; c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; d. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte; e. de goothoogte en de bouwhoogte bedragen maximaal de goot- en bouwhoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding respectievelijk 'maximum goothoogte (m)', 'maximum bouwhoogte (m)'; f. bij hoofdgebouwen mag de goothoogte worden doorbroken met dakkapellen onder de voorwaarde, dat deze constructie minimaal 0,5 m onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak minimaal 0,5 m boven de goot is geplaatst; en g. bij hoofdgebouwen mag de bouw- en goothoogte worden doorbroken met een dakopbouw op een zadeldak onder de voorwaarde, dat de dakhelling van dit zadeldak maximaal 30 graden bedraagt. 12.2.2 Erfbebouwing a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan, waarbij geldt dat aan- en uitbouwen uitsluitend toegestaan: 1.

aan de zijkant naast het hoofgebouw binnen een zone met een breedte van ten hoogste 70% van de breedte van het hoofdgebouw en ten hoogste 5 m, gemeten vanuit de zijgevel(s) van het oorspronkelijke hoofdgebouw; én 2. binnen een zone van ten hoogste 4 m, gemeten vanuit de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van het zij- en achtererf binnen de bestemming Wonen - 1 met een maximum van 150 m2; c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen de zones zoals genoemd onder 1 bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m; d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen de zones zoals genoemd onder 1 bedraagt ten hoogste 4,5 m; e. de bouwhoogte van overkappingen binnen de zones zoals genoemd onder a bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m; f. de goothoogte van bijgebouwen buiten de zones zoals genoemd onder 1 bedraagt ten hoogste 3 m; g.

de bouwhoogte van bijgebouwen buiten de zones zoals genoemd onder 1 bedraagt ten hoogste 4,5 m; in afwijking hiervan bedraagt deze bouwhoogte ten hoogste 3 m als het bijgebouw op of binnen een afstand van 2 m van de bouwperceelgrens is gesitueerd én indien ingevolge figuur D in lid 1.144.3 nadelige verandering optreedt in de bezonningssituatie; h. de bouwhoogte van overkappingen buiten de zones zoals genoemd onder a bedraagt ten hoogste 3 m; i. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen tot bouwperceelsgrenzen bedraagt 0 m of ten minste 1 m; j. in afwijking van onderdeel d, f en g zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' de bestaande bouw en goothoogte van bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat de goothoogte en de bouwhoogte maximaal de goot- en bouwhoogte mag bedragen zoals aangegeven ter plaatse van respectievelijk de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' en

32

'maximum bouwhoogte (m)'; in afwijking van onderdeel b geldt voor de percelen met de aanduiding 'bijgebouwen' dat een groter gezamenlijk oppervlakte voor bijgebouwen is toegestaan, met dien verstande dat: 1. uitsluitend herbouw binnen de aanduiding 'bijgebouwen' is toegestaan; 2. voor zover een maximum goothoogte is aangegeven bedraagt de maximale goothoogte van gebouwen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven hoogte; en 3. voor zover een maximum bouwhoogte is aangegeven bedraagt de maximale bouwhoogte van gebouwen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven hoogte. 12.2.3 Dakterrassen k.

Voor dakterrassen gelden de volgende regels: a. dakterrassen zijn toegestaan op de achtergevel en/of zijgevel van het hoofdgebouw en op aan- en uitbouw indien zowel de achtergevel als de zijgevel is gericht naar openbaar toegankelijk gebied; b. dakterrassen zijn niet toegestaan aan de voorgevel van de woning; en c. de bouwhoogte van terrashekken ten behoeve van dakterrassen bedraagt ten hoogste 1,2 m boven de vloer van het dakterras. 12.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m; b. in afwijking van onderdeel 1 bedraagt de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m; c. in afwijking van sub 2 is het toegestaan om een erfafscheiding te bouwen, die is samengesteld uit kolommen met een bouwhoogte van ten hoogste 1,5 meter met daartussen een hekwerk bestaande uit open constructie met een bouwhoogte van ten hoogste 1,25 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. 12.2.5 Zwembaden Achter de voorgevelrooilijn is per woning één zwembad toegestaan, met dien verstande dat: a. de oppervlakte van het zwembad maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen, met een maximum van 50m2; b. de afstand van het zwembad tot de perceelsgrens minimaal 5 m dient te bedragen; c.

de afstand van het zwembad tot de grens van de weg minimaal 5 m dient te bedragen; en d. de bouwhoogte van de rand van het zwembad en de overige bij het zwembad behorende voorzieningen maximaal 0,3 m mag bedragen, gemeten vanaf het aangrenzende maaiveld. 12.3

Specifieke gebruiksregels

Ten aanzien van het gebruik gelden de volgende regels: a. bedrijfsactiviteiten mogen geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor het woon- en leefmilieu van de woonomgeving; b. de bedrijfsactiviteiten mogen door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen, het woonkarakter van de buurt niet onevenredig aantasten; c. de uit te oefenen functie van bijgebouwen zoals bedoeld in lid 12.2.2 is ondergeschikt aan de woonfunctie; en d. een aan-huis-gebonden beroep mag uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels: 1. de woonfunctie blijft als primaire functie gehandhaafd; en 2. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m² met inachtneming van de volgende voorwaarden: ten behoeve van de activiteiten is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zie artikel 21.3; het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer; het gebruik van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan; er vindt geen horeca en geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan een beroep aan huis; en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

33

12.4

Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.1 voor het toestaan van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten met in achtneming van de volgende regels: a. de bedrijfsactiviteiten mogen geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor het woonen leefmilieu van de woonomgeving; b. de bedrijfsactiviteiten mogen door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen, het woonkarakter van de buurt niet onevenredig aantasten; c. de activiteiten worden door de bewoner uitgeoefend; d. de woning behoudt in overwegende mate haar woonfunctie en heeft een ruimtelijke uitstraling, die met de woonfunctie in overeenstemming is; e. de vloeroppervlakte ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m²: f. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer; g. ten behoeve van de activiteiten is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zie artikel 21.3; h. seksinrichtingen zijn niet toegestaan; en i. er mogen in geringe mate publieksaantrekkende beroepsactiviteiten plaatsvinden.

34

Artikel 13 Woongebied 13.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Woongebied aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen met de mogelijkheid van aan-huis-gebonden beroepen, in de vorm van: 1. woningen, met dien verstande dat gestapelde woningen, uitsluitend ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld -1 tot en met -10', worden gerealiseerd; b. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' tevens voor: 1. educatieve voorzieningen, met dien verstande dat maximaal 2.400 m2 bruto vloeroppervlakte educatieve voorzieningen wordt gerealiseerd; 2. aanvullende culturele- en maatschappelijke- en levensbeschouwelijke voorzieningen zoals opgenomen in bijlage 2, met dien verstande dat: maximaal 200 m2 per vestiging; en maximaal één kinderdagverblijf is toegestaan; en c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - publieke voorzieningen' tevens voor publieke voorzieningen en een woonzorgcomplex, met in achtneming van de regels in 22.4 overige zone - publieke voorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - publieke voorzieningen' tevens voor een jachthaven, met in achtneming van de regels in 22.4 overige zone - publieke voorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'sport' tevens voor: 1. sportvoorzieningen in de vorm van: een sporthal met een maximaal brutovloeroppervlakte van 3.300 m2 ; sportvelden met een maximaal oppervlakte 4.500 m2 aan sportvelden; en 2.

aanvullende culturele- en maatschappelijke- en levensbeschouwelijke voorzieningen zoals opgenomen in bijlage 2, met dien verstande dat maximaal 200 m2 per vestiging is toegestaan; en f. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, perceelontsluitingen, calamiteitenroutes, tuinen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen (waaronder mede begrepen duikers), openbare groenvoorzieningen, al dan niet in de vorm van wadi's, speelvoorzieningen, langzaamverkeersroutes, wegen, alsmede opstelstroken, hellingbanen, opritten, bruggen, viaducten en duikers, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling en wegmeubilair. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Algemeen a. op deze gronden mag worden gebouwd. b. in afwijking hiervan worden ter plaatse van de aanduiding 'openheid' geen bouwwerken gerealiseerd. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid' betreffen geen erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. c. ter plaatse van de aanduidingen 'maatschappelijk' en 'sport' mag een geluidsbeperkende voorziening worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 m. 13.2.2 Voorwaardelijke verplichting groenvoorziening Het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen (zoals bedoeld in artikel 13, lid 13.1 onderdeel a) binnen de bestemming ‘Woongebied’ is niet toegestaan indien niet binnen twee jaar na ingebruikname van gronden en bouwwerken voor wonen gemiddeld minimaal 75 m² aan openbare groenvoorziening per in gebruik genomen woning binnen de bestemming ‘Woongebied’ of ‘Groen’ is aangelegd en deze openbare groenvoorzieningen vervolgens niet in stand worden gehouden. Onder openbare groenvoorziening in de zin van dit artikel (13.2.2) wordt verstaan: openbare groenstroken, parken, plantsoenen, bermen, wadi’s en speelplaatsen.

13.2.3 Voorwaardelijke verplichting waterberging Vervallen

35

13.2.4 Voorwaardelijke verplichting hoofdontsluitingsweg In aanvulling op het bepaalde in artikel 13.2.1, onderdeel a, wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die tot gevolg heeft dat ten minste 1125 woningen binnen de bestemming kunnen worden gerealiseerd slechts verleend als aannemelijk is dat uiterlijk twee jaar na het verlenen van die vergunning een hoofdontsluitingsweg ten behoeve van de betreffende woningen is gerealiseerd, met een minimaal profiel conform Bijlage 4.

13.2.5 Voorwaardelijke verplichting trillingen In aanvulling op het bepaalde in artikel 13.2.1, onderdeel a, wordt een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor het realiseren van gestapelde of grondgebonden woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - voorwaardelijke verplichting trillingshinder - 1', of een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor het realiseren van grondgebonden woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - voorwaardelijke verplichting trillingshinder - 2' niet eerder verleend dan nadat een rapport is overgelegd, waaruit door middel van een dynamische berekening van de trillingssterkte blijkt dat de streefwaarden voor wonen nieuwe situatie, zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden.

13.2.6 Voorwaardelijke verplichting nadere onderzoeken a. in aanvulling op het bepaalde in artikel 13.2.1, onderdeel a, wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet eerder verleend dan nadat een rapport is overgelegd, waarin door middel van nader onderzoek is aangetoond dat er geen onevenredige belemmeringen zijn vanuit: 1. ontplofbare oorlogsresten; en 2. flora en fauna. b. het nader onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten wordt uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, conform het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten. c. als uit de onderzoeken blijkt dat er maatregelen getroffen moeten worden, worden deze maatregelen getroffen en in stand gehouden. 13.2.7 Hoofdgebouwen a. er worden niet meer dan 1.250 woningen gerealiseerd, waarvan maximaal 520 gestapelde woningen; b. gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld -1 tot en met -10', met dien verstande dat: 1. het bebouwingspercentage niet meer dan 40% van het aanduidingsvlak bedraagt; 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding gestapeld - 8' het bebouwingspercentage niet meer dan 40% van het aanduidingsvlak bedraagt voor gestapelde woningen en voorzieningen met in achtneming van bepaalde in 22.4; en c.

ter plaatse van de aanduiding 'aantal bouwlagen' bedraagt het aantal bouwlagen niet meer dan op de verbeelding is aangegeven; d. de bouwhoogte van gestapelde woningen bedraagt niet meer dan op de verbeelding is aangegeven; e. de bouwhoogte van grondgebonden woningen bedraagt niet meer dan 11,5 m, bestaande uit maximaal 3 bouwlagen; f. het bebouwingspercentage van grondgebonden woningen bedraagt: 1. niet meer dan 75 % van het bouwperceel bij kavels kleiner dan 125 m2; 2. niet meer dan 70 % van het bouwperceel bij kavels tussen 125 en 225 m2, en; 3. niet meer dan 65 % van het bouwperceel bij kavels groter dan 225 m2; g. bij gestapelde woningen mag het bouwperceel volledig worden bebouwd; h. bij vrijstaande woningen wordt een minimale afstand van 2,5 m ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen aangehouden; i. zowel een plat dak als een kap zijn toegestaan; en j. als eenmaal een hoofdgebouw op een bouwperceel is gerealiseerd, mag - in afwijking van het bepaalde in lid 13.2.7 onderdeel e. de bouwhoogte- van een hoofdgebouw op dat bouwperceel niet worden vergroot, mag het oppervlakte van een hoofdgebouw op dat bouwperceel niet worden vergroot en mag de kapvorm en afdekking niet worden gewijzigd.

36

13.2.8 Sporthal en School Ter plaatse van de aanduiding 'sport' en de aanduiding 'maatschappelijk': a. mogen hoofdgebouwen ten behoeve van een sporthal en educatieve voorziening worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 12 m met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'sport' een sporthal met een maximaal bruto vloeroppervlakte van 3.300 m2 mag worden gerealiseerd; 2. ter plaatse van de aanduiding 'sport' sportvelden met een maximaal oppervlakte 4.500 m2 mogen worden gerealiseerd; en 3. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' een educatieve voorziening met een maximaal bruto vloeroppervlakte van 2.400 m2 met bijbehorende voorzieningen, waaronder mede begrepen een schoolplein, mag worden gerealiseerd. 4. de regels in artikel 22, lid 22.1 vrijwaringszone - molenbiotoop, tevens van toepassing zijn bij de oprichting van een hoofdgebouw binnen de aangeduide vrijwaringszone. 5. de regels in artikel 25, lid 25.1 Geluid niet wonen functies, tevens van toepassing zijn bij de oprichting en in gebruikname van een hoofdgebouw en daarbij horende voorzieningen. 13.2.9 Woningtypen a. minimaal 30% van de woningen, bedoeld in art. 13.2.7 onder sub a wordt gerealiseerd als sociale huurwoningen; b. minimaal 24% van de woningen, bedoeld in art. 13.2.7 onder sub a wordt gerealiseerd als middeldure huurwoningen en sociale koopwoningen gezamenlijk.

13.2.10 Erfbebouwing a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan, waarbij aan- en uitbouwen uitsluitend toegestaan zijn: 1. aan de zijkant naast het hoofgebouw binnen een zone met een breedte van ten hoogste 70% van de breedte van het hoofdgebouw en ten hoogste 5 m, gemeten vanuit de zijgevel(s) van het oorspronkelijke hoofdgebouw; én 2. binnen een zone van ten hoogste 4 m, gemeten vanuit de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van het zij- en achtererf met een maximum van 150 m2; c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen de zones zoals genoemd in onderdeel a bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m; d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen de zones zoals genoemd in onderdeel a bedraagt ten hoogste 4,5 m; e. de bouwhoogte van overkappingen binnen de zones zoals genoemd in onderdeel a bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m; f. de goothoogte van bijgebouwen buiten de zones zoals genoemd in onderdeel a bedraagt ten hoogste 3 m; g.

de bouwhoogte van bijgebouwen buiten de zones zoals genoemd in onderdeel a bedraagt ten hoogste 4,5 m; in afwijking hiervan bedraagt deze bouwhoogte ten hoogste 3 m indien het bijgebouw op of binnen een afstand van 2 m van de bouwperceelgrens is gesitueerd én indien ingevolge figuur D in lid 1.144.3 nadelige verandering optreedt in de bezonningssituatie; h. de bouwhoogte van overkappingen buiten de zones zoals genoemd in onderdeel a bedraagt ten hoogste 3 m; i. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot bouwperceelsgrenzen bedraagt 0 m of ten minste 1 m. 13.2.11

Erkers

a Erkers aan de voorgevel Voor erkers aan de voorgevel van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de diepte, gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 1,5 m; b. de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 50% van de breedte van de gevel; c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m, hierbij mag de bouwhoogte niet meer bedragen

37

dan de aanwezige goothoogte van de betreffende voorgevel; en d. de afstand van de erker tot het betreffende openbaar toegankelijk gebied bedraagt ten minste 1 m. b Erkers aan de zijgevel Voor erkers aan de zijgevel van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de diepte, gemeten vanuit de zijgevel van het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste 1,5 m; b. de breedte bedraagt ten hoogste 40% van de breedte van de zijgevel van het hoofdgebouw; c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m, hierbij mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de aanwezige goothoogte van de betreffende zijgevel; d. de afstand van de erker tot het openbaar toegankelijk gebied bedraagt ten minste 1 m; e. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 m; en f. de afstand tot de achtergevel van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 0,5 m. 13.2.12 Dakterrassen Voor dakterrassen gelden de volgende regels: a. dakterrassen zijn toegestaan op de voor-, achtergevel en zijgevel van het hoofdgebouw en op aan- en uitbouw indien zowel de achtergevel als de zijgevel is gericht naar openbaar toegankelijk gebied; en b. de bouwhoogte van terrashekken ten behoeve van dakterrassen bedraagt ten hoogste 1,2 m boven de vloer van het dakterras. 13.2.13 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde a.

de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m; b. in afwijking van onderdeel 1 bedraagt de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m; c. in afwijking van sub 2 is het toegestaan om een erfafscheiding te bouwen, die is samengesteld uit kolommen met een bouwhoogte van ten hoogste 1,5 m met daartussen een hekwerk bestaande uit open constructie met een bouwhoogte van ten hoogste 1,25 meter; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten en lantaarnpalen bedraagt ten hoogste 9 m; e. lichtmasten zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sport' en aanduiding 'maatschappelijk'; f. ballenvangers, reclameborden en scoreborden zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sport' en aanduiding 'maatschappelijk'; g. de hoogte van klikobergingen mag ten hoogste 1,3 meter bedragen, het maximaal oppervlak bedraagt 2 m2; h. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m; i. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding, viaducten, bruggen, bedraagt ten hoogste 3 m. 13.2.14

Zwembaden

Achter de voorgevelrooilijn is per vrijstaande woning één zwembad toegestaan, met dien verstande dat: a. de oppervlakte van het zwembad maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen, met een maximum van 50m2; b. de afstand van het zwembad tot de perceelsgrens minimaal 5 m dient te bedragen; c. de afstand van het zwembad tot de grens van de weg minimaal 5 m dient te bedragen; en d. de bouwhoogte van de rand van het zwembad en de overige bij het zwembad behorende voorzieningen maximaal 0,3 m mag bedragen, gemeten vanaf het aangrenzende maaiveld. 13.2.15

Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken geldt, in aanvulling op het bepaalde in artikel 20.5.2, dat: a. ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan in het bestemmingsvlak, en; b. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken, niet zijnde parkeergarages, niet groter is dan het hoofdgebouw; en c. de maximale bouwhoogte boven het maaiveld maximaal 1,5 m is.

38

13.2.16 Watergangen a. in aanvulling op het bepaalde in artikel 13.2.10 en 13.2.13 dienen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het zij- en achtererf grenzend aan watergang(en) op een afstand van ten minste 2 m uit de beschoeiing of kant van water te worden gebouwd. b. de gronden in deze zone betreffen geen erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. 13.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' en de aanduiding 'overige zone - publieke voorzieningen' nadere eisen te stellen aan de situering van vluchtwegen ten opzichte van risicobronnen.

13.4

Afwijken van de bouwregels

a. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.2.7, onderdelen a, c en d, en 13.2.9 voor het realiseren van: 1. maximaal 50 extra woningen, zodat het totaal aantal woningen maximaal 1.300 bedraagt, 2. één extra bouwlaag, het maximaal 4 meter afwijken van de bouwhoogte, en 3. afwijkende percentages voor woningtypen ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld 2', 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld 3', 'specifieke bouwaanduiding gestapeld 7' en 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld 8', 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld 10'; b. de omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt alleen verleend als van het totaal aantal toegestane woningen: 1. minimaal 29% van de woningen, wordt gerealiseerd als sociale huurwoningen; 2. minimaal 25% van de woningen, wordt gerealiseerd als middeldure huurwoningen en sociale koopwoningen gezamenlijk; 3. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is; en 4. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. c. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.2.7, onderdelen c en d voor het realiseren van: 1.

één extra bouwlaag, het maximaal 4 meter afwijken van de bouwhoogte ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld 4, en 'specifieke bouwaanduiding gestapeld 6'; d. de omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt alleen verleend als: 1. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is; en 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. e. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.2.7, onderdeel e, voor het realiseren van een bouwhoogte van grondgebonden woningen van maximaal 13 m, bestaande uit 4 bouwlagen, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. f. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.2.7, onderdeel j, inzake de realisatie van een herhalingsplan. g. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20.5.2 aanhef, onderdeel b, voor het realiseren van een ondergrondse bouwhoogte van maximaal 10 m beneden maaiveld, mits de waterhuishouding niet ontoelaatbaar wordt verstoord. h.

het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 13.2.13 aanhef, onderdeel e, voor het realiseren van lichtmasten met een maximale bouwhoogte van 6 m ter plaatse van de aanduiding 'sport' en aanduiding 'maatschappelijk' mits: 1. er wordt voldaan aan de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde; en 2. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Hiervoor moet advies worden ingewonnen bij een landschapsdeskundige, of ecoloog. i. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 13.2.13 aanhef, onderdeel f voor het realiseren van ballenvangers, reclameborgen en scoreborden

39

met een maximale bouwhoogte van 5 m ter plaatse van de aanduiding 'sport' mits: 1. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Hiervoor moet advies worden ingewonnen bij een landschapsdeskundige, of ecoloog. 13.5

Specifieke gebruiksregels

13.5.1 Algemeen Ten aanzien van het gebruik gelden de volgende regels: a. de uit te oefenen functie van bijgebouwen zoals bedoeld in lid 13.2.10 is ondergeschikt aan de woonfunctie; en b. een aan-huis-gebonden beroep mag uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels: 1. de woonfunctie blijft als primaire functie gehandhaafd; en 2. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m² met inachtneming van de volgende voorwaarden: ten behoeve van de activiteiten is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zie artikel 21.3; het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer; het gebruik van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan; er vindt geen horeca en geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan een beroep aan huis; en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 13.5.2 Watergangen Bij de watergangen wordt een minimale waterbreedte van 8 m aangehouden.

13.5.3 Sportvoorziening Ter plaatse van sportvoorzieningen als bedoeld in 13.1, onderdeel e zijn tennis, padel, en hockey niet toegestaan.

13.6

Afwijken van de gebruiksregels

13.6.1 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.1, aanhef, onderdeel a, voor het toestaan van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten met in achtneming van de volgende regels: a. de bedrijfsactiviteiten mogen geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor het woonen leefmilieu van de woonomgeving; b. de bedrijfsactiviteiten mogen door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen, het woonkarakter van de buurt niet onevenredig aantasten; c. de activiteiten worden door de bewoner uitgeoefend; d. de woning behoudt in overwegende mate haar woonfunctie en heeft een ruimtelijke uitstraling, die met de woonfunctie in overeenstemming is; e. de vloeroppervlakte ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m²: f. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer; g. ten behoeve van de activiteiten is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zie artikel 21.3; h. seksinrichtingen zijn niet toegestaan; en i. er mogen in geringe mate publieksaantrekkende beroepsactiviteiten plaatsvinden.

40

Artikel 14 Leiding - Hoogspanning 14.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Hoogspanning aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor hoogspanningsleidingen met de daarbij behorende beschermingszone aan weerszijden uit het hart van de kabel. 14.2

Bouwregels

14.2.1 Bouwen Voor het bouwen geldt dat in afwijking van het bepaalde bij de bestemmingen zoals bedoeld in artikel 14.1 niet mag worden gebouwd. 14.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.2 en toestaan dat in de andere daar voorkomende bestemming(en) gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsleidingen als bedoeld in artikel 14.1; en b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.4.1 Verbod In het belang van de hoogspanningsleidingen als bedoeld in artikel 14.1 is het, behoudens het bepaalde in artikel 14.4.2, verboden op en in de in artikel 14.1 bedoelde gronden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen of afgraven, dieper dan 1 m onder peil; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen, dieper dan 1 m onder peil; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; d. diepploegen, dieper dan 1 m onder peil; e. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven, en daarmee verband houdende constructies, dieper dan 1 m onder peil; f.

het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen, dieper dan 1 m onder peil; of g. het aanbrengen van verhardingen. 14.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 14.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 14.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 14.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsleidingen als bedoeld in artikel 14.1; en b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

41

Artikel 15 Leiding - Riool 15.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding - Riool aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een rioolleiding.

15.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 15.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; en b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 15.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2 onder b. Deze omgevingsvergunning wordt verleend, indien de bij de betrokken bestemming(en) behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Hiervoor is een schriftelijk advies nodig van de beheerder van de rioolleiding.

15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; of f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. 15.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod van lid 15.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels is verleend, zoals in lid 15.3 bedoeld; b.

normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; of c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. 15.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De werken en werkzaamheden, zoals in lid 15.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Hiervoor is een schriftelijk advies nodig van de beheerder van de rioolleiding.

42

Artikel 16 Waarde - Archeologie 16.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 16.2

Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 16.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, als: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd van een archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; en 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op: het behoud van de archeologische resten in de bodem; het doen van opgravingen; het begeleiden van het bouwrijp maken en van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; en c. het bepaalde in lid 16.2 onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, als het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en/of waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 2': er geen grondwerk wordt verricht dieper dan 100 cm onder maaiveld en er geen hei- en schroefwerkzaamheden zullen worden verricht; óf het te bouwen oppervlak een omvang heeft die kleiner is dan 0 m²; 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 5': er geen grondwerk wordt verricht dieper dan 30 cm onder maaiveld en er geen hei- en schroefwerkzaamheden zullen worden verricht; óf het te bouwen oppervlak een omvang heeft die kleiner is dan 0 m²; en 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - speciaal': er geen grondwerk wordt verricht dieper dan 70 cm onder maaiveld en er geen hei- en schroefwerkzaamheden zullen worden verricht; óf het gebied van de van de werken een omvang heeft, die kleiner is dan 100 m². d. het archeologisch onderzoek als bedoeld in onderdeel b wordt uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het Programma van Eisen wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag.

In het Programma van Eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning worden verbonden worden uitgevoerd. e. het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een archeologisch onderzoek als bedoeld in onderdeel b niet is vereist, als de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate op een andere wijze is vastgesteld. 16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 0,50 meter;

43

b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en aanleggen van drainage; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; d. het werken met opsporingsapparatuur, gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; e. het verlagen of verhogen van het waterpeil; f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; of h. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 16.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod van 16.3.1 is niet van toepassing, als de werken en werkzaamheden, die: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 16.2 in acht is genomen; b. de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d.

ten dienste van het archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; of 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 2': werken of werkzaamheden in de bodem betreffen tot een diepte van 100 cm onder maaiveld; óf het gebied van de van de werken een omvang heeft, die kleiner is dan 0 m²; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 5': werken of werkzaamheden in de bodem betreffen tot een diepte van 30 cm onder maaiveld; óf het gebied van de van de werken of werkzaamheden een omvang heeft, die kleiner is dan 0 m²; en 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - speciaal': werken of werkzaamheden in de bodem betreffen tot een diepte van 70 cm onder maaiveld; óf het gebied van de van de werken een omvang heeft, die kleiner is dan 100 m². 16.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 16.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, als de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, als: 1.

de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhedenaanleg een rapport heeft overgelegd van een archeologisch onderzoek zoals gesteld in de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; en 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op: het behoud van de archeologische resten in de bodem; het doen van opgravingen; of het begeleiden van het bouwrijp maken en van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. c. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek; 2. de verplichting tot het doen van inventariserend, of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek; 3. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden; 4. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek, het conserveren van de

44

archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; en 5. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties. 16.3.4 Eisen aan archeologisch onderzoek Het archeologisch onderzoek als bedoeld in dit lid wordt uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het Programma van Eisen wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag. In het Programma van Eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning worden verbonden worden uitgevoerd.

16.3.5 Afzien van archeologisch onderzoek Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een archeologisch onderzoek als bedoeld in dit lid niet is vereist, als de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate op een andere wijze is vastgesteld.

16.4

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten met toepassing van artikel 3.6 eerste lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening, geheel of gedeeltelijk de verbeelding van het bestemmingsplan te wijzigen door: a. op de verbeelding de aanduiding Waarde - Archeologie geheel of gedeeltelijk te doen vervallen of van omvang te veranderen als op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische bescherming of zorg nodig is; of b. op gronden alsnog de aanduiding Waarde - Archeologie te leggen als uit archeologisch onderzoek blijkt, dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

45

Artikel 17 Waterstaat - Waterkering 1 17.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering 1' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - tevens bestemd voor de waterkering.

17.2

Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 17.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m; en c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, als het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 17.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.2. Deze vergunning wordt verleend, als de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Hiervoor is een schriftelijk advies nodig van de beheerder van de waterkering.

46

Artikel 18 Waterstaat - Waterkering 2 18.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het in stand houden van de peilscheiding. 18.2

Bouwregels

Op de in lid 18.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in dit artikel bedoelde bestemming worden gebouwd en mogen andere bouwwerken en gebouwen overeenkomstig de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd, mits het vloerpeil minimaal 0,4 m boven NAP ligt.

18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de in lid 18.1 bedoelde gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van open watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande open watergangen; b. het aanleggen van drainage en hemelwaterriool; en c. ontgravingen dieper dan 0,10 meter plus NAP. 18.3.2 Uitzondering Het in lid 18.3.1 vervatte verbod geldt niet voor de werken of werkzaamheden: a. die het normale onderhoud en beheer van de peilscheiding betreffen, of; b. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende vergunning. 18.3.3 Voorwaarden De werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 18.3.1 zijn slechts toelaatbaar, als advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de peilscheiding en door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen (onevenredige) afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de peilscheiding.

47

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 19 anti-dubbeltelregel Grond, die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

48

Artikel 20 algemene bouwregels 20.1

Beeldkwaliteitsvisie

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de situering, de afmeting en de vormgeving van bebouwing, als dit naar hun oordeel noodzakelijk is in verband met: a. het realiseren van de met het plan beoogde stedenbouwkundige beeldkwaliteit, zoals vastgelegd in de "Gebiedsvisie Nieuw Boekhorst" en "Beeldkwaliteitsvisie Nieuw Boekhorst", zoals deze nader zijn of zullen worden gewijzigd; b. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; c. ter bevordering van de verkeers- en brandveiligheid en sociale veiligheid; en d. het realiseren van een goed woon- en leefklimaat. 20.2

Geluid

20.2.1 Realiseren geluidgevoelige objecten of locaties a. bij het realiseren van geluidsgevoelige objecten of locaties bedraagt de geluidbelasting van de afzonderlijke geluidbronnen op de gevel niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 2: Geluidgevoelige objecten en Waarden geluid wegverkeer Waarden geluid railverkeer locaties (dB) incl. aftrek ex art 110g (dB) Wgh. woning

48

55

overige geluidsgevoelige objecten*

48

53

Tabel 2 waarden geluid *Artikel 1.2 Besluit geluidhinder: onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. b. in afwijking van onderdeel a is, als het treffen van maatregelen voor het verlagen van de geluidbelasting op de gevels, tot de waarden genoemd in tabel 2 waarden geluid, niet doelmatig is, de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege: 1. het verkeer op de N444 niet meer dan 63 dB; 2. het verkeer op de Noordelijke Randweg niet meer dan 63 dB; en 3. het railverkeer op de spoorlijn Leiden-Haarlem niet meer dan 68 dB. c. als onderdeel b. wordt toegepast en de geluidbelasting vanwege wegverkeer hoger is dan 53 dB of vanwege railverkeer hoger is dan 58 dB, dan: 1. is sprake van minimaal één geluidluwe zijde met een geluidbelasting van maximaal 48 dB vanwege wegverkeer en 55 dB vanwege railverkeer; 2. grenst ten minste één slaapvertrek aan de geluidluwe zijde met een geluidbelasting van maximaal 48 dB vanwege wegverkeer en 55 dB vanwege railverkeer; 3. is ten minste één of meer van de verblijfsruimten niet aan de gevel gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt; 4. is ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet gesitueerd aan de gevel waar de hoogste geluidbelasting optreedt; 5. wordt akoestische compensatie toegepast, en 6.

het bepaalde onder onderdelen 1 tot en met 5. is niet van toepassing op de realisatie van de educatieve voorziening en kinderdagverblijf. d. in afwijking van het bepaalde in onderdeel c. mogen gestapelde woningen, met uitzondering van de gestapelde woningen ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding gestapeld - 5' en 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld - 6', worden opgericht, voor zover: 1. de geluidbelasting op de woning zoveel mogelijk wordt beperkt, en met dien verstande dat: bij een gevelbelasting hoger dan 53 dB voor wegverkeer akoestische compensatie wordt toegepast, en bij een gevelbelasting hoger dan 58 dB voor railverkeer akoestische compensatie wordt toegepast. 2. de buitenruimte wordt voorzien van een gesloten vloerafscheiding en geluidabsorberende plafondbeplating of van een voorziening met ten minste een gelijkwaardig geluidwerend of geluidabsorberend effect.

49

20.2.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot: a. de situering, en de afmeting van bebouwing als naar hun oordeel met niet onredelijke inspanning een lagere geluidbelasting op de gevel kan worden gerealiseerd, en b. de locatie van geluidgevoelige ruimten als de gecumuleerde geluidbelasting op het object meer dan 53 dB bedraagt. 20.2.3 Geluidsreducerende maatregelen Maatregelen die zijn getroffen om het geluidniveau te verbeteren, om te voldoen aan de regels zoals genoemd in de artikelen 20.2 en 23.4 worden in stand gehouden, tenzij op aanvraag toestemming is verleend om via een gelijkwaardige maatregel minimaal hetzelfde geluidreducerend effect te bereiken. Het gestelde in dit artikel geldt dan voor die gelijkwaardige maatregel.

20.3

Vlonders

In aanvulling op het bepaalde in Hoofdstuk 2 mogen vlonders aangrenzend aan de watergangen worden gerealiseerd, waarbij het is toegestaan om een boot aan te meren, mits de vlonders centraal worden geconcentreerd op de kavel en maximaal 1/3 van de breedte van de kavel beslaan, met dien verstande dat een minimale breedte van 3 m altijd is toegestaan.

20.4

Overschrijding bouw- en bestemmingsgrenzen

a. De bouw- en bestemmingsgrenzen en bouwregels, mogen worden overschreden door: 1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, zonnecollectoren, antennes en veranda's, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt; of 2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, zoals dakoverstekken, gevelversieringen en funderingen, mits de overschrijding ten hoogste 1m bedraagt. b. Dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en lift- en overige installaties mogen de toegestane bouwhoogte met niet meer dan 2,5 m overschrijden en mogen geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste laag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst. 20.5

Ondergronds bouwen en -aanleggen

20.5.1 Ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen bepalingen, geen beperkingen.

20.5.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, gelden de volgende bepalingen, tenzij in de regels anders is opgenomen: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. de ondergrondse bouwhoogte van de ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 m beneden maaiveld; en c. bij het berekenen van de bebouwingspercentages, of van het maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen. 20.5.3 Afwijken voor ondergronds bouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 20.5.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwhoogte van maximaal 10 m onder maaiveld onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet ontoelaatbaar wordt verstoord.

50

20.6

Bodemenergiesystemen

a. Bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van bodemenergiesystemen zijn toegestaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van bodemenergiesystemen met het oog op het voorkomen of verminderen van interferentie tussen verschillende bodemenergiesystemen.

51

Artikel 21 algemene gebruiksregels 21.1

Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen: a. het gebruik van een woning door meer dan één huishouden; b. het gebruik van gronden voor terrassen; en c. het gebruik van gronden voor evenementen op evenemententerreinen voor zover geen sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 21.4. 21.2

Bijzondere woonvormen

21.2.1 Vergunning bijzondere woonvormen a. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21.1, voor het gebruik van een woning door meer dan één huishouden, ten behoeve van bijzondere woonvormen, met inachtneming van de volgende regels: 1. per woning zijn maximaal 4 onzelfstandige wooneenheden ten behoeve van bijzondere woonvormen toegestaan; 2. per onzelfstandige wooneenheid mag maximaal 1 persoon worden gehuisvest; 3. per straat mag minimaal 1 woning en, voor zover sprake is van een straat van 30 woningen of meer, maximaal 5% van de woningen ten behoeve van onzelfstandige wooneenheden worden gebruikt; 4. gestapelde woningen tellen niet mee bij het bepalen van het percentage per straat; 5. per gebouw ten behoeve van gestapelde woningen mag minimaal 1 woning en, voor zover sprake is van een gebouw van 30 woningen of meer, maximaal 5% van de woningen in het gebouw ten behoeve van onzelfstandige wooneenheden worden gebruikt; 6. aansluitende percelen, of woningen kunnen niet beide gebruikt worden voor onzelfstandige wooneenheden; 7.

voor de berekening van het toegestane maximum aantal onzelfstandige wooneenheden per straat of gebouw ten behoeve van gestapelde woningen geldt, dat een afronding naar beneden op een geheel getal dient plaats te vinden, met dien verstande dat altijd tenminste één onzelfstandige wooneenheid per straat of gebouw ten behoeve van gestapelde woningen is toegestaan; 8. er wordt in voldoende parkeerruimte voorzien, volgens de geldende parkeernormen, zoals opgenomen in artikel 25.3; en, 9. het gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de buurt, waarbij tevens wordt aangetoond dat de bijzondere woonvorm geen onevenredige beperking tot gevolg heeft voor het woongenot bij aangrenzende woonpercelen. b. onzelfstandige wooneenheden tellen niet mee bij het bepalen van de woningaantallen als bedoeld in artikel 13.2.7. 21.3

Parkeren en laden of lossen

a. als de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, met inachtneming van het bepaalde in 25.3 Parkeren en laden of lossen; b. tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen het gebruiken van gronden en bouwwerken, voor zover die zijn ingericht voor parkeren ter uitvoering van het gemeentelijk parkeerbeleid, voor ander gebruik dan parkeren, met inachtneming van het bepaalde in 25.3 Parkeren en laden of lossen; c. bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en b: 1. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid of laad- of losruimte wordt voorzien, dan wel; en 2. mits het voldoen aan deze regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; een te verwachten meer dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers, als het gebouw bestemd is voor de vestiging van één of meer detailhandelsbedrijven, dan wel openbare dienstverlening of vermakelijkheid; een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf; en

52

een bestemming die zich verzet tegen een gebruik ten dienste van het parkeren en/of laden of lossen. 21.4

Evenementen buiten aangewezen evenemententerreinen

Onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk 2 en Artikel 21, lid 21.6 van dit bestemmingsplan geldt dat niet-locatiegebonden evenementen, zoals bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen, in het plangebied zijn toegestaan.

21.5

Vergunning terrassen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21.1 , voor het gebruik van gronden ten behoeve van terrassen behorende bij een horecabedrijf, mits: a. het gebruik van de gronden als verkeer- en verblijfsfunctie niet onaanvaardbaar belemmeren. 21.6

Vergunning evenemententerrein

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21.1, voor het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen op evenemententerreinen, ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - publieke voorzieningen', 'sport', en 'maatschappelijk' is, mits: a. maximaal 3 evenementen per jaar plaatsvinden ter plaatse van de aanduidingen 'sport' en 'maatschappelijk'; en b. maximaal 1 evenement per jaar plaatsvindt ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - publieke voorzieningen'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=e6d615a9-edc8-45d9-a331-83bd560e29f2