OUD Was-Wordt-Lijst Teylingen 2025 definitief - Was-Wordt-Lijst Teylingen 2025 definitief
Tekst van het document
2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de
volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c.
het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f.
voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f.
als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of
strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c.
er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven.
14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Artikel 2:81 wordt toegevoegd conform model-APV van de VNG. Dit artikel vervangt het huidige artikel 2:34, dat daarmee komt te vervallen. Het nieuwe artikel 2:81 sluit inhoudelijk aan op artikel 2:80 en is breder geformuleerd dan de bestaande tekst van artikel 2:34. Hoewel beide artikelen in essentie dezelfde materie regelen, biedt artikel 2:81 een betere aansluiting op de opbouw van de APV en het nieuwe artikel 2:80. Artikel 3:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning
1.
1.
De vergunning vermeldt in ieder geval:
De vergunning vermeldt in ieder geval:
a.
de naam van de exploitant;
a.
de naam van de exploitant;
b.
indien van toepassing, die van de beheerder;
b.
indien van toepassing, die van de beheerder;
c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
2.
d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
e.
het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
f.
indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
f.
indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
h.
de geldigheidsduur van de vergunning;
h.
de geldigheidsduur van de vergunning;
i.
het nummer van de vergunning.
i.
het nummer van de vergunning.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
2.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
Toelichting: Artikel 3:8 is gewijzigd om het woord ‘vaste’ bij telefoonnummer te verwijderen. Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:1 Definities
Artikel 4:1 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
a.
Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
b.
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
b. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; c.
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de Omgevingswet;
c.
d. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
d.
e. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
e.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
f.
geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
f.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
g. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; h. gevoelige ruimte: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; i.
j.
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; i.
sportgelieerde activiteit: sportactiviteiten van een sportvereniging;
j.
activiteit van maatschappelijk belang: activiteit die bijdraagt aan het algemeen belang van de gemeente.
Toelichting: Enkele definities zijn aangepast en nieuwe begrippen toegevoegd om de toepassing van deze afdeling te verduidelijken. Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
1.
1.
Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en
Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en
2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
3.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
4.
Het equivalente geluidsniveau Leq, T veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen.
4.
Het equivalente geluidsniveau Leq, T veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen.
5.
In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.
5.
In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.
6.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur.
6.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur.
7.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00
7.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00
uur.
uur.
8.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen de bebouwing van de inrichting na 23.00 uur blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
8.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen de bebouwing van de inrichting na 23.00 uur blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
9.
Het college kan afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het zesde en zevende lid bepaalde eindtijden.
9.
Het college kan afwijken van de in het vierde en vijfde lid genoemde geluidsnormen en van de in het zesde en zevende lid bepaalde eindtijden.
Toelichting: In dit artikel is de verwijzing aangepast van ‘zesde lid’ naar ‘vierde en vijfde lid’ om aan te sluiten bij de juiste nummering van het artikel. Het artikel blijft inhoudelijk ongewijzigd.
Artikel 4:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
(Vervallen)
1. Het is verboden onaanvaardbare overlast te veroorzaken bij het binnen inrichtingen ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit. 2. Indien aan de normen van tabel e worden voldoen is in ieder geval geen sprake van onaanvaardbare geluidsoverlast, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheiduitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; e. Tijden
07.00 –
19.00 –
23.00 –
19.00 uur
23.00 uur
LAr.LT op de gevel in gevoelige gebouwen
50 dB
45 dB
40 dB
(A)
(A)
Lar.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB
30 dB
25 dB
(A)
(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB
65 dB
60 dB
(A)
(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB
50 dB (A)
45 dB (A)
07.00 uur
(A)
(A)
(A)
(A)
3. Voor de duur van zes uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het tweede lid.
4. Bij overschrijding van de normen van tabel e in het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van de normen onder voorwaarden. 5. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het gehele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 6. Het tweede lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2, artikel 4:2a en artikel 4:3. 7. Het ten gehore brengen van onversterkte muziek door middel van een carillon is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a. Het carillon mag op maandag tot
en met zaterdag worden bespeeld tussen 09.00 uur en 20.00 uur. Iedere melodie heeft een maximale duur van 60 seconden en mag niet vaker dan één keer per kwartier ten gehore worden gebracht.
b. Op zondagen en erkende
christelijke feestdagen is het niet toegestaan het carillon te bespelen vóór 10.30 uur, met uitzondering van het luiden voorafgaand aan kerkelijke erediensten. Dit luiden mag maximaal 30 minuten vóór aanvang beginnen en niet langer dan 15 minuten duren. Vanaf 10.30 uur tot 20.00 uur mag het carillon regulier worden bespeeld, onder dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a.
c.
Het college kan in bijzondere gevallen, waaronder herdenkingen, evenementen of andere gelegenheden van lokaal belang, ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde tijden, duur en frequentie.
Toelichting: Artikel 4:5 over onversterkte muziek wordt opnieuw opgenomen omdat het bij een eerdere wijziging van de APV per abuis was vervallen. De nieuwe versie is gebaseerd op het artikel dat in Lisse nog van kracht was en is aangevuld met uniforme normen en uitzonderingen, zodat het artikel nu inhoudelijk compleet en toepasbaar is voor alle drie de gemeenten. Daarnaast is een specifieke bepaling over het ten gehore brengen van carillonmuziek toegevoegd. Deze bepaling was eerder in oudere APV-versies opgenomen maar was door de jaren heen weggevallen, terwijl het reguleren van carillonmuziek in de openbare ruimte nog steeds wenselijk is. Door deze toevoeging sluit het artikel beter aan bij de lokale praktijk en worden de regels voor onversterkte muziek volledig en eenduidig vastgelegd. Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1.
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
1.
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van bouwwerkzaamheden. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening en op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 en straatoptredens als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening.
Toelichting: Artikel 4:6 is aangevuld met een expliciete uitzondering voor evenementen en straatoptredens zoals bedoeld in artikel 2:24 en 2:9 van deze verordening. Hiermee is het artikel inhoudelijk compleet. Artikel 4:9a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
1. Onder ‘ballon’ wordt verstaan: een licht omhulsel van welk materiaal dan ook gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of gevuld met hete lucht afkomstig van vuur of een brandstofelement.
1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.
2. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht, waaronder tevens moet worden begrepen het organiseren ervan. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
2. Onder een ballon wordt in ieder geval verstaan: herdenkingsballon, biologisch afbreekbare ballon, vuurballon, gelukslampion, alle wensballonen, papierballon en geluksballon.
4. Het verbod is niet van toepassing op: a. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald (een luchtballon voor personenvervoer); b. ballonnen die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: Artikel 4:9a is aangepast om alle vormen van ballonnen, ongeacht materiaal of type, onder het verbod te brengen. Daarbij zijn specifieke voorbeelden van ballonsoorten toegevoegd om duidelijkheid te bieden en interpretatieverschillen te voorkomen. Ontheffing is niet langer mogelijk vanwege de negatieve gevolgen voor milieu en dierenwelzijn. Artikel 5:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:5 Voertuig- en scheepswrakken
Artikel 5:5 Voertuig- en scheepswrakken
1. Het is verboden een voertuig of vaartuig dat rij- of vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren en/of in openbaar water te plaatsen of te hebben.
1.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het is verboden om een voertuig of vaartuig te parkeren of gestald te houden op een openbare plaats en/of openbaar water in de gemeente, indien: a. het voertuig niet is verzekerd overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM); b. de geldigheidsduur van de Algemene Periodieke Keuring (APK) is verlopen;
c.
het voertuig is geschorst bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW);
d. het voer- of vaartuig klaarblijkelijk niet wordt gebruikt voor regulier verkeer en een verwaarloosde of vervallen indruk maakt, waardoor deze bijdraagt aan een beeld van verloedering in de omgeving; of e. het voer- of vaartuig rij- en vaarttechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Toelichting: Artikel 5:5 wordt gewijzigd door het verbod uit te breiden zodat niet alleen wrakken, maar ook voertuigen zonder APK, zonder WAM-verzekering of met RDW-schorsing kunnen worden aangepakt. Dit geeft handhaving een duidelijke grondslag om stilstaande voertuigen die niet meer aan toelatingseisen voldoen te verwijderen. Het doel is het tegengaan van parkeerdruk, verloedering en het verbeteren van de leefbaarheid in de openbare ruimte. Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
1.
1.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
b.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk
uiterlijk aanzien van de gemeente.
aanzien van de gemeente;
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
b.
2.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: Artikel 5:6 is gewijzigd door het eerste lid uit te breiden met een opsomming van voertuigen om te verduidelijken welke kampeermiddelen en vergelijkbare voertuigen onder het verbod vallen. Daarnaast komt de ontheffing uit het tweede lid te vervallen. Het toestaan van ontheffingen voor (kampeer)voertuigen die meerdere parkeerplaatsen innemen vergroot de parkeerdruk, zeker bij langdurig parkeren. Dit is ongewenst in woonwijken en tast het uiterlijk aanzien en de leefbaarheid aan. Bovendien kan het toelaten van één geval een precedent scheppen, waardoor handhaving bemoeilijkt wordt. Artikel 5:20 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
1.
Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
1.
Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:18, vierde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Toelichting: In artikel 5:20 is de verwijzing aangepast van ‘derde lid’ naar ‘vierde lid’ om aan te sluiten bij de juiste nummering in artikel 5:18. In artikel 5:18 stond dit al correct; de wijziging betreft uitsluitend een technische correctie in artikel 5:20. Artikel 5:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
1.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op of in openbaar water.
1.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op of in openbaar water.
2.
Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar met vergunning ligplaats kan worden ingenomen.
2.
Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar met vergunning ligplaats kan worden ingenomen.
3.
Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen bij woningen die grenzen aan openbaar water, mits het een vaartuig betreft waar van de rechthebbende de eigenaar is van het aangrenzende perceel.
3.
Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen bij woningen die grenzen aan openbaar water, mits het een vaartuig betreft waar van de rechthebbende de eigenaar is van het aangrenzende perceel.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen in een gebied waarvoor de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten voor het exploiteren van dat gebied.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen in een gebied waarvoor de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten voor het exploiteren van dat gebied.
5.
Onder ligplaats innemen, hebben dan wel beschikbaar stellen wordt verstaan het (laten) afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen.
5.
Onder ligplaats innemen, hebben dan wel beschikbaar stellen wordt verstaan het (laten) afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen.
6.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
6.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
7.
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de
7.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de
provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 8.
Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
9.
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 8.
Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
9.
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Toelichting: De verwijzing naar de Omgevingswet is aangepast om dubbele vermelding te voorkomen; de inhoudelijke strekking van het artikel blijft ongewijzigd.
Artikel 6:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
1.
Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
1.
2.
Op aanvragen om een vergunning, ontheffing of een ander besluit op grond van de Algemene plaatselijke verordening (2020), waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.
2. Op aanvragen om een vergunning, ontheffing of een ander besluit op grond van de Algemene plaatselijke verordening (2020), waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.
3.
Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening (2020), worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of
Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
3. Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening (2020), worden geacht te zijn
handhaving van deze verordening. 4.
5.
Op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Algemene plaatselijke verordening (2020), waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten, mandaatbesluiten en delegatiebesluiten, als de rechtsgrond waarop die besluiten zijn gebaseerd ook is opgenomen in deze verordening.
genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Algemene plaatselijke verordening (2020), waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 5. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten, mandaatbesluiten en delegatiebesluiten, als de rechtsgrond waarop die besluiten zijn gebaseerd ook is opgenomen in deze verordening.
Toelichting: Verwijderde tekst heeft betrekking op de intrekking van de oude APV (APV 2020).