CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

OUD 2025-02-17 Toelichting.pdf - 2025-02-17 Toelichting

Gemeenteraad 17 april 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan “Uitbreiding Bedrijventerrein Oosteinde 16, Warmond”33.864 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De beoordeling van het groepsrisico vindt niet plaats door toetsing aan een vaste norm maar door middel van het afleggen van een verantwoording. Het bevoegd gezag beoordeelt hierbij de aanvaardbaarheid van het groepsrisico in het ruimtelijk besluit. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient bij een plan (voor bijvoorbeeld het realiseren van woningen of bedrijven) gelegen binnen een afstand van 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen het plaatsgebonden risico, het plasbrandaandachtsgebied en het groepsrisico te worden beschouwd. De Regeling Basisnet geeft transporthoeveelheden waarmee rekening moet worden gehouden en de plaatsgebonden risico contour. Voor een aantal veelvoorkomende inrichtingen en langs de belangrijkste transportroutes is het PR door middel van een wettelijk voorgeschreven afstand vastgesteld. Bij inrichtingen geldt dit ook voor het invloedsgebied waarbinnen het bevoegd gezag het GR moet verantwoorden (gegeven in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)). Voor wegen en spoorwegen zijn effectafstanden van de maatgevende scenario's, waarbinnen deze routes effect kunnen hebben, bekend. Voor gevallen waarin afstanden niet zijn voorgeschreven, kan een berekening nodig zijn om de omvang van effecten aan te tonen. 4.9.2

Verkenning risicobronnen

De externe risicobronnen worden in beeld gebracht aan de hand van de risicokaart (www.risicokaart.nl) en het Basisnet. De risicokaart omvat industriële bedrijven die een extern risico kunnen vormen. Ook buisleidingen zijn opgenomen op de risicokaart. Het Basisnet bevat de wegen, spoorwegen en vaarwegen die als transportroutes voor geklasseerde gevaarlijke stoffen worden gebruikt. Gemeentelijke routeringen voor transport van gevaarlijke stoffen zijn niet opgenomen in het Basisnet. Op afbeelding 4.9 zijn de risicobronnen in de omgeving van het onderhavig plangebied, de locatie Oosteinde 16, weergegeven. Het onderhavige bestemmingsplan maakt geen risicovolle bedrijven/Bevi-inrichtingen mogelijk.

65

Afbeelding 4.9: Risicobronnen in de omgeving van de planlocatie - risicokaart.nl

Op circa 210 meter van de dichtstbijzijnde nieuwe bedrijfskavel in het plangebied bevindt zich de autosnelweg A44. Het plangebied ligt ten zuiden van deze snelweg. De A44 is opgenomen in het Basisnet. Over deze snelweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze gevaarlijke stoffen en een mogelijke calamiteit daarmee vormen echter geen wezenlijke risico's/belemmering voor het onderhavige plan. De plaatsgebonden risico-contouren van de snelweg reiken bij lange na niet tot het plangebied, en er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. De dichtstbijzijnde bedrijfskavel bevindt zich buiten de afstand van 200 meter zoals benoemd in het Besluit externe veiligheid transportroutes. Er hoeft derhalve geen groepsrisicoberekening te worden gemaakt. In het onderhavige plan zijn naast niet-kwetsbare objecten tevens kwetsbare objecten volgens het Bevi opgenomen, namelijk onzelfstandige kantoren (als onderdeel van bedrijven) groter dan 1.500 m². Het kwetsbaar object kantoor betreft een functie die een hoge(re) personendichtheid kent. De toevoeging van een kwetsbaar object, op meer dan 200 meter van de risicobron snelweg A44, leidt er niet toe dat er een groepsrisicoberekening hoeft te worden gemaakt, omdat de invloed op het groepsrisico gering blijft.

Wel zijn de nieuwe bedrijfskavels (en daarmee ook de mogelijk te realiseren kwetsbare objecten) gelegen binnen het invloedsgebied gerelateerd aan de gevaarlijke stoffen van de risicobron/snelweg, namelijk de 355 meter voor de stofcategorie GF3. Daarom dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Tevens kan het transport van toxische stoffen over de A44 niet worden uitgesloten. Het plangebied is (ook) te bereiken via een weg ten zuiden van de risicobron; daarmee is het plangebied ook bereikbaar als er een calamiteit is op de A44 en/of Warmonderweg. Het plangebied is in het geval van een calamiteit tevens te bereiken via een bestaand pad aan de oostzijde van het plangebied. Bij het plangebied is voldoende water aanwezig om een calamiteit/brand te bestrijden. De vluchtroutes zijn van de risicobron af gericht, namelijk in oostelijke en zuidelijke richting. Er kan worden gevlucht via de wegen Oosteinde en Herenweg.

66

Met het plan worden geen functies met beperkt zelfredzame personen opgericht. Indien er een gifwolk ontstaat, dan kan men schuilen in de gebouwen en zal de mechanische ventilatie in de gebouwen worden uitgezet. Ten aanzien van het toxisch scenario is in de specifieke gebruiksregels van de bedrijfsbestemming een bepaling opgenomen die toeziet op het handmatig kunnen uitschakelen van mechanische ventilatiesystemen. Op circa 150 meter van de planlocatie bevindt zich een treinverbinding tussen Leiden en Amsterdam Centraal. Deze treinverbinding is niet opgenomen in het Basisnet en wordt (in principe) niet gebruikt voor vervoer van gevaarlijke stoffen, en is derhalve geen risicobron. Op een afstand van circa 600 meter van de planlocatie bevindt zich een LPG-tankstation, namelijk ten (noord)westen van het plangebied. Gezien de afstand, vormt deze bron geen risico. Ten noorden van het plangebied bevinden zich op circa 500 meter enkele risicobronnen. Vanwege de ruime afstand tot de planlocatie vormen deze bedrijven geen risico; de invloedsgebieden reiken niet tot het plangebied. Ten oosten van het plangebied bevindt zich op ruim 500 meter van de planlocatie de Firma Kagerzoom. Dit bedrijf valt onder de categorie 'overig' op de risicokaart.

In het gebied van de firma bevindt zich een installatie, een bovengrondse tank met propaan of ander (vloeibaar) gas, van 3.000 liter, met een PR 10-6 contour/afstand van 10 meter. De planlocatie bevindt zich ver buiten de contouren van deze risicobron; derhalve is het geen risico voor het onderhavige bestemmingsplan. 4.9.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. De snelweg A44 ligt op een dusdanige afstand van het plangebied dat het groepsrisico geen knelpunt is. Ten aanzien van de risicobron A44 en het onderhavige plan zijn de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid op orde. De snelweg A44 is geen belemmering voor het onderhavige plan. Er zijn geen risicovolle bedrijven in de nabijheid van het onderhavig plangebied die een belemmering vormen voor het plan. Het onderhavige plan vormt zelf geen risico omdat er met het plan geen risicovolle bedrijven worden opgericht.

4.10 Cultuurhistorieen Archeologie 4.10.1

Cultuurhistorie

In de ''visie gebouwd erfgoed'' wordt de bescherming van het erfgoed in de gemeente geborgd. Door middel van deze visie wil de gemeente behoudsmogelijkheden van het gebouwde erfgoed onder de aandacht brengen. Daarbij wordt niet alleen gedacht aan bescherming van monumenten, maar ook aan behoud door het aanwijzen van beeldbepalende objecten en maatregelen zoals het stimuleren van hergebruik. Het gaat hierbij om beeldbepalende objecten; gebouwen, bouwwerken of andersoortig erfgoed met emotionele waarde en herkenbare ankers in het straatbeeld. Op afbeelding 4.10A is de uitsnede te zien van de atlas Duin- en Bollenstreek waarin de cultuurhistorische waarden te zien zijn. In het plangebied bevonden zich voorheen twee woonhuizen met de daarnaast gelegen bollenschuur. De bollenschuur op de planlocatie, te zien in het bruin, is gebouwd in 1928. De bollenschuur bestaat momenteel echter niet meer, het terrein van de planlocatie is daardoor braakliggend. De overige beeldbepalende monumenten in de omgeving van de planlocatie betreffen tevens bollenschuren, een woonhuis en een de enige korenmolen in de omgeving, welke aanwezig is geweest van 1370 tot 1872. Het onderhavig plan heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van de omgeving.

Hoewel het bedrijventerrein nabij een bestaande bollenschuur wordt gebouwd, Oosteinde 14a, doet de ontwikkeling echter geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde en karakter van het object.

67

Afbeelding 4.10A: Uitsnede cultuurhistorische atlas Duin- en Bollenstreek

4.10.2

Archeologie

4.10.2.1

Beleidskader en gemeentelijke archeologische kaarten

De gemeente Teylingen heeft met betrekking tot archeologie een onderzoek laten uitvoeren door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., genaamd Toelichting op de archeologische verwachtings(waarden) kaart en beleidskaart (d.d. 9 april 2015). Op basis van dit onderzoek, heeft de gemeente Teylingen een beleidskader opgesteld, genaamd ''Onder de grond 2015 Beleid voor archeologie in Teylingen'', vastgesteld door de gemeenteraad op 29 oktober 2015 en in werking getreden op 18 november 2015. Het doel van deze nota beleid is het beschermen van archeologisch erfgoed van Teylingen. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: streven naar, zoveel mogelijk, behoud in de grond van archeologische waarden. Als behoud in de grond (in-situ) niet mogelijk blijkt moeten de archeologische waarden veilig gesteld worden door behoud buiten de grond (ex-situ), door middel van een definitieve archeologische opgraving; de verstoorder, initiatiefnemer van de bodemverstoringen, betaalt; archeologie verankeren in ruimtelijke ordening; bewustmaking van een breed publiek door communicatie; regionale samenwerking en afstemming. In 2020 is de beleidskaart geactualiseerd, op basis van een regionaal archeologisch verstoringen onderzoek (Erfgoed Leiden en Omstreken - Brandenburgh, C.R., 2020: Graven in archieven.

Een niet-gravend verstoringenonderzoek in de bollengemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk en Teylingen.). In, dan wel bij, de gemeentelijke beleidsnota "Onder de grond 2015 - Beleid voor archeologie in Teylingen" (1 september 2015) is de geactualiseerde archeologische waardenkaart opgenomen. In 2023 is er voor het onderhavige plangebied een archeologisch vooronderzoek verricht door RAAP. De uitkomsten van het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) worden beschreven in paragraaf 4.10.2.2 na de beschouwing van de gemeentelijke archeologische kaarten. De gemeente maakt in het nemen van beslissingen gebruik van de archeologische verwachtingskaarten. Deze kaarten geven initiatiefnemers informatie over eventuele

68

archeologische consequenties. Op de planlocatie bevindt zich momenteel, of bevond zich, de dubbelbestemming Archeologie 6. Deze bestemming komt overeen met de verwachtingskaart op afbeelding 4.10B, en de geactualiseerde verwachtingskaart op afbeelding 4.10C, waarmee de vrijstellingsgrenzen zijn aangegeven. De gouden kleur betekent volgens de legenda dat de planlocatie behoort tot de bekende archeologische waarde 6, een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Binnen deze categorie vallen de (deels) afgegraven strandwallen (kalkrijke en kalkloze top), de ingesloten strandvlakten ten westen van de strandwal van Hillegom, de (overstoven) Romeinse en post-Romeinse beddingafzettingen van de Oude Rijn en de zone met duinzand op kwelderafzettingen in de strandvlakte. Ook de met klei afgedekte strandvlakte in de gemeente Teylingen en het zuiden van de gemeente Lisse hebben op basis van resultaten uit recent onderzoek een middelhoge verwachting. Voor de middelhoge archeologische verwachting geldt een vrijstellingsgrens van 30 cm -mv / 500 m², bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 500 m² dient voorafgaand aan de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Afbeelding 4.10B: Archeologische verwachtings(waarden)kaart - vrijstellingsgrenzen

Afbeelding 4.10C: Geactualiseerde Archeologische verwachtings(waarden)kaart (2020)

69

De afbeelding 4.10D bevat een uitsnede van een kaart waarop de geomorfologische eenheden zijn afgebeeld. De onderhavige planlocatie behoort volgens de legenda tot de eenheid Oude duinen en Strandwallen. Dit houdt (ingesloten) strandvlaktes in, afgedekt met verstoven duinzand/kwelderafzettingen. De archeologische verwachting op de planlocatie is dan ook een lage verwachting vanaf het Neolithicum en een middelhoge verwachting vanaf de Late Ijzertijd. In verband met de archeologische verwachtingswaarde, en op basis van het verrichte archeologisch vooronderzoek, is in het onderhavige bestemmingsplan de beschermende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 9' opgenomen. Afbeelding 4.10D: Archeologische verwachtings(waarden)kaart - geomorfologie

4.10.2.2

Archeologisch onderzoek plangebied

In het kader van de beoogde ontwikkeling van een bedrijventerrein uitbreiding, is archeologisch vooronderzoek verricht door bureau RAAP, voor het gehele plangebied. Het rapport "Onderzoeksgebied Oosteinde 16 te Warmond, gemeente Teylingen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)" (d.d. 7 juli 2023) is opgenomen als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan. Hierna staan de uitkomsten van het verrichte archeologisch onderzoek beschreven. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied voornamelijk bestaat uit een bouwvoor met daaronder kwelderafzettingen op hollandveen op strand(vlakte)afzettingen. Onder de bouwvoor is plaatselijk (sub)recent geroerde grond aanwezig en aan de zuidoostzijde van het onderzoeksgebied is plaatselijk een dunne laag ingewaaid duinzand aanwezig boven het hollandveen. In een zestal boringen is in de top van de strand(vlakte)afzettingen een vegetatiehorizont aangetroffen. Dit potentieel archeologische niveau komt binnen het onderzoeksgebied voor vanaf 190-250 cm -mv (2,44-3,05 m -NAP). Op basis van deze resultaten kan de hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen voor de periode van het Neolithicum worden gehandhaafd.

Binnen de overige bodemlagen zijn geen potentiële archeologische niveaus of archeologische indicatoren aangetroffen en zodoende geldt een lage archeologische verwachting voor alle overige perioden. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in een deel van het

70

onderzoeksgebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Om verstoring te voorkomen zou het volgende kunnen worden aangehouden: eventuele (graaf)werkzaamheden ten behoeve van de toekomstige inrichting van het plangebied niet dieper te laten reiken dan 175 cm -mv in de zuidelijke hoek (zuidoostzijde) van het plangebied. Het aanbrengen van heipalen vormt hierop een uitzondering, mits de afstand tussen de palen minimaal 4 meter bedraagt. Het gebied waarvoor bij de betreffende werkzaamheden/bodemingrepen dieper dan 175 centimeter vervolgonderzoek geadviseerd wordt, is weergegeven op afbeelding 4.10E. Indien de (graaf)werkzaamheden in de zuidelijke hoek van het plangebied dieper reiken dan 175 centimeter, dan is om de gespecificeerde verwachting te toetsen een vervolgonderzoek nodig in de vorm van een karterende fase van een inventariserend veldonderzoek. Afbeelding 4.10E: Adviesgebied vervolgonderzoek bij bodemingrepen dieper dan 175 centimeter

Uit het verrichte archeologisch vooronderzoek blijkt dat de archeologisch verwachtingswaarde van het plangebied lager is dan op basis van eerdere globale onderzoeken en kaarten werd aangehouden. Op basis van het onderzoek is in het onderhavige bestemmingsplan de beschermende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 9' opgenomen, met het bestemmingsvlak op de zuidelijke hoek van het plangebied ofwel de Verbeelding. Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling in het onderhavige bestemmingsplan hoeven geen graafwerkzaamheden dieper dan 175 centimeter te worden verricht. Op het bedrijventerrein ofwel in de bedrijfspanden worden geen kelders aangelegd. Op basis van het archeologisch vooronderzoek kan worden verwacht dat het aspect archeologie de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.11 Bedrijven & Milieuzonering Ten aanzien van de afstand tussen woningen en bedrijven worden de richtafstanden van de VNG gehanteerd, opgenomen in de publicatie ''Bedrijven en milieuzonering'', om te beoordelen of er al dan niet sprake is van (mogelijke) hinder vanwege bedrijven op de woningen. Zoals vermeld, betreft het onderhavige bestemmingsplan een uitbreiding van een bedrijventerrein met een toegestane milieucategorie van maximaal 3.2 voor de bedrijven. Met betrekking tot hinder, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, geldt voor de milieucategorie 3.2 een richtafstand van ten hoogste 100 meter voor een rustig gebied. Voor gemengd gebied geldt een richtafstand van ten hoogste 50 meter. Voor het aspect gevaar geldt dat de richtafstand geen stap teruggaat in het geval van gemengd gebied, echter is de grootste richtafstand voor gevaar bij categorie 3.2 bedrijven 50 meter (m.u.v. groothandel in chemische producten, welke echter als risicovolle inrichting niet mogelijk is). Gelet op de toegestane bedrijven is een richtafstand van 100 meter voor het aspect gevaar niet aan de orde. De richtafstand van 50 meter kan in de onderhavige situatie voor alle hinderaspecten worden aangehouden.

71

De woningen in de omgeving liggen buiten de contour van 50 meter afstand voor een gemengd gebied; hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG. Op afbeelding 4.11 is de afstand tussen het bedrijfsvlak en woningen in de omgeving weergegeven. In de omgeving bevinden zich een aantal bedrijfswoningen zoals Oosteinde 14a, 14b en 14c, en Vinkenbaan 5. De locatie Vinkenbaan 8 betreft een bedrijfsgebouw en ligt op tenminste/circa 50 meter. Voor de gewone woningen (geen bedrijfswoningen zijnde), zoals de nieuwe woningen van het bestemmingsplan Vinkenbaan 2-4, geldt dat de afstand tussen het nieuwe bedrijventerrein en de woningen meer dan 100 meter is. Afbeelding 4.11: Afstanden tussen bedrijfsvlak nieuw bedrijventerrein en woningen

4.12 Bezonning en Schaduwhinder De nieuwbouw van het onderhavige plan kan invloed hebben op de mate van bezonning in de omgeving van het plan, door schaduw vanwege de bebouwing. Door het bureau Heembouw is een zonnestudie verricht. Het bijbehorende document (d.d. 3 juni 2024) is opgenomen als bijlage 10 bij dit bestemmingsplan. In het onderzoek is inzicht gegeven in de schaduw vanwege de nieuwbouw. De positie van het bouwplan ten opzichte van de zon en de omgeving, geeft inzicht in de bezonning van de bestaande woningen, panden en terreinen.

72

Uit de zonnestudie naar het effect van de nieuwbouw op de omgeving qua schadwuw blijkt het volgende: Van schaduwwerking op bestaande woningen is geen of verwaarloosbaar sprake. Van schaduwwerking op terreinen ten oosten van het plangebied is geen of verwaarloosbaar sprake. Schaduwwerking op het naastgelegen perceel ten oosten van het plangebied kan enkel in de (zomer)avonden plaatsvinden. Schaduwwerking ten noorden van het plangebied/bouwplan vindt hoofdzakelijk plaats in de wintermaanden, en ook dan resteert een aanzienlijke hoeveelheid bezonning. Schaduwwerking ten (zuid)westen van het plangebied/bouwplan vindt enkel plaats op graslanden, en is in tijdsduur beperkt. (Deze ochtend schaduwwerking is niet zichtbaar in de zonnestudie). Schaduwwerking vindt hoofdzakelijk plaats binnen het plangebied en dus op het eigen terrein, en op het bestaande bedrijventerrein van Greenib (tevens eigen terrein). Conclusie Het onderhavige plan geeft geen relevante verandering in de bezonningssituatie in de omgeving. Van (onevenredige) schaduwhinder is geen sprake. Het aspect bezonning/schaduw vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.

4.13 Milieueffectrapportage (m.e.r.) 4.13.1

Wet- en regelgeving

Het instrument en de procedure milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in (samenhang met) het Besluit milieueffectrapportage. Voor alle projecten waarbij de activiteit is opgenomen in (Bijlage D van) het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) moet door het bevoegd gezag worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Via een m.e.r.-beoordeling worden de milieueffecten van de gewenste ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan wordt beoordeeld en beslist of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Volgens onderdeel D 11.3 van de Bijlage bij het Besluit mer dient er voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein een m.e.r.-beoordeling te worden gedaan. Volgens onderdeel D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit mer dient er voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen een m.e.r.-beoordeling te worden gedaan. De inhoudelijke vereisten voor de m.e.r-beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van het potentiële effect. 4.13.2

M.e.r.-beoordeling

De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft de aanleg en/of uitbreiding van een industrieterrein als bedoeld bij onderdeel D 11.3 van het Besluit milieueffectrapportage dan wel een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld bij onderdeel D 11.2. De waarden/gevallen in kolom 2 bij D 11.3 en D 11.2 zijn ten aanzien van de beoordeling van de mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen niet van belang. Ongeacht de waarden/gevallen in kolom 2 moet door het bevoegd bezag worden beoordeeld of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De Omgevingsdienst West-Holland beoordeelt namens de gemeente Teylingen of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld voor het onderhavige plan.

73

Het m.e.r.-beoordelingsbesluit, waarin is vastgesteld/besloten dat een m.e.r./MER niet nodig is voor het onderhavige plan, is opgenomen als een bijlage bij dit bestemmingsplan. Ten aanzien van de m.e.r.-beoordeling zijn in deze Toelichting van het bestemmingsplan de gegevens van het project/plan en een beoordeling van de (mogelijke) milieugevolgen vanwege het project/plan (weer)gegeven. De kenmerken en plaats van het project staan beschreven in de hoofdstukken 1, 2 en 4 van deze plantoelichting. In deze Toelichting van het bestemmingsplan is reeds ingegaan op de activiteit en de diverse milieuaspecten. Daarmee is in feite al inhoud gegeven aan de m.e.r.-beoordeling. De feitelijke m.e.r.-beoordeling staat in het m.e.r.-beoordelingsbesluit (zie bijlagen). Hierna wordt per milieuaspect een conclusie gegeven, en waar nodig een aanvullende analyse gegeven, ten aanzien van (de kenmerken van) het potentiële effect van de voorgenomen activiteit. De potentiële effecten van de voorgenomen activiteit Verkeer De verkeersgeneratie gerelateerd aan de bedrijventerrein uitbreiding is relatief beperkt. Het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid is vanwege de beperkte omvang van het project en bestemmingsplan beperkt. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot verkeer geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg.

Geluid Ten aanzien van woningen in de omgeving wordt voldaan aan de richtafstanden. Gezien de aard van het bedrijventerrein zal de geluidsbelasting vanwege het bedrijventerrein beperkt zijn. Gezien de beperkte verkeerseffecten vanwege het project, de beperkte verkeerssnelheid op de ontsluitingswegen van het bedrijventerrein, is er ook in dat kader geen geluidhinder vanwege het project te verwachten. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot geluid(hinder) geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg. Luchtkwaliteit De luchtconcentraties in de situatie met het nieuwe bedrijventerrein liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Het effect op de luchtkwaliteit is beperkt. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot luchtkwaliteit geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg. Geur De afstand tot het nieuwe bedrijventerrein en woningen voldoet aan de richtafstand. De afstand is daarmee voldoende groot om te stellen dat van wezenlijke geurhinder vanwege de bedrijven geen sprake zal zijn. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot geur(hinder) geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg.

74

Bodemkwaliteit In het plangebied zijn lichte, maar ook matige/sterke verontreinigingen aanwezig. De ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt ertoe dat waar dat verplicht is, bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden, de verontreinigingen worden gesaneerd. Hierdoor verbetert de bodemkwaliteit in het plangebied. De nieuwe ontwikkelingen zullen aan allerlei milieu-eisen moeten voldoen, zodat nieuwe bodemverontreinigingen grotendeels worden uitgesloten. Een deel van het terrein zal een laad-/losterrein en parkeerterrein worden. De voertuigen kunnen hier tot bodemverontreinigingen leiden, als vervuilingen door de verharding de bodem kunnen bereiken. Dit zal veelal niet mogelijk zijn, doordat zal worden geasfalteerd. Deze verhardingen worden aangesloten op de (vuilwater)riolering. De kans op bodemverontreiniging is dan ook zeer klein. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot bodemkwaliteit geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg. Water Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Er zal, bij de realisatie van het nieuwe bedrijventerrein, aanvullend oppervlaktewater worden gerealiseerd in het plangebied. Via regelgeving is geborgd dat voldoende extra waterberging ofwel watercompensatie wordt gerealiseerd. In het plan is rekening gehouden met voldoende ruimte voor extra waterberging/oppervlaktewater.

De aanleg van oppervlaktewater is gunstig voor de grondwaterstand. Bij de nieuwe bedrijfsgebouwen worden geen kelders aangelegd waarmee grondwatereffecten in dat kader niet aan de orde zijn. Het project zal geen invloed hebben op de naastgelegen waterkering en watergang aan de westzijde van het plangebied. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot water(huishouding) geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg. Natuur en Ecologie Het plangebied is niet gelegen in of nabij een natuurgebied of weidevogelleefgebied. Van effecten op aangewezen natuurgebieden, vanwege het project, is geen sprake. Voor het onderhavige plan is sprake van een stikstofdepositie bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar. Het plan veroorzaakt daarom geen significant negatieve effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Coepelduynen", "Kennemerland-Zuid" en "Meijendel & Berkheide". Binnen het plangebied worden bomen gekapt om het nieuwe bedrijventerrein te kunnen realiseren. De provinciale regelgeving borgt dat er voldoende bomen worden terug geplant. Het plangebied biedt veel ruimte voor nieuwe (vervangende) bomen, waardoor voldoende bomen kunnen worden terug geplant. In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig; dit los bezien van de anderszins beschermde bomen/houtopstanden. Bij het project is geen sprake van negatieve effecten op beschermde plantensoorten.

In het plan is rekening gehouden met de aanwezigheid van ransuil nesten. Ter plaatse van de nesten en het benodigde foerageergebied van de ransuil zal geen (bouw)ontwikkeling plaatsvinden. Tot op 50 meter afstand van het ransuil nest zal geen (bouw)ontwikkeling plaatsvinden. Tevens zijn er geen roestplekken van ransuilen aanwezig binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Daarmee is er met het project geen wezenlijk nadelig effect voor de ransuil. In het onderzoek zijn geen nesten van andere jaarrond beschermde vogel soorten aangetroffen. Er dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels en met de algemene zorgplicht (voor de andere soorten).

75

In het plangebied is geen sprake van verblijfplaatsen van vleermuizen, ook niet in bomen, en is geen sprake van essentiële foerageergebied en vliegroutes. Een Wnb-ontheffing is niet benodigd. Los van het ontbreken van verblijfplaatsen en essentiële foerageergebied en vliegroutes, zullen waar nodig mitigerende maatregelen worden genomen om effecten op niet essentieel foerageergebied en langs vliegende vleermuizen zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. Voor de overige aanwezige fauna soorten in het plangebied volstaat de algemene zorgplicht en is er geen wezenlijk effect op de gunstige staat van instandhouding. Gelet op de resultaten van de verrichte onderzoeken, en het via regelgeving geborgde treffen van (algemene) maatregelen, zijn er geen wezenlijke negatieve effecten voor de soorten te verwachten. De staat van instandhouding van de beschermde soorten komt niet in het geding. Door het het realiseren van een substantiële hoeveelheid nieuw groen en het zorgvuldig plaatsen van verlichting, is er geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen voor de fauna. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot natuur en ecologie geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg.

Externe veiligheid De ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt, vanwege de aard van de bedrijven en de ruime afstand tot woningen, naar verwachting niet tot veiligheidsrisico's voor anderen. De risico's op en voor het bedrijventerrein zijn gering. Bij het onderhavige project en bestemmingsplan is met betrekking tot externe veiligheid geen sprake van een belangrijk nadelig milieugevolg. Archeologie Het onderhavige project en bestemmingsplan doet geen afbreuk aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Cumulatie met andere projecten Ten aanzien van het onderhavige project en bestemmingsplan is er geen relevante cumulatie (van effecten) met andere projecten te verwachten. In de (directe) omgeving van het plangebied vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats (waarvoor nog een planologisch besluit moet worden genomen). 4.13.3

Conclusie

Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege het plan. Het is dus niet noodzakelijk om een MER op te stellen en een m.e.r.-procedure te voeren voor het onderhavige bestemmingsplan.

76

Hoofdstuk 5 regeling 5.1

Juridische planbeschrijving en

Algemeen

Het voorliggende bestemmingsplan is een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is opgesteld conform SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). Daarin zijn de regels voor een belangrijk deel gestandaardiseerd. Het bestemmingsplan is overeenkomstig de SVBP 2012 gedigitaliseerd opgesteld. Het bestemmingsplan wordt elektronisch/digitaal beschikbaar gesteld op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een actueel (op de toekomst gericht) en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Gezien de, qua locatie, duidelijke voorgestane ontwikkeling, en het grotendeels gewenste behoud van de ruimtelijke structuur aan de randen van het plangebied, is gekozen voor een redelijk gedetailleerde planvorm voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Deze planvorm maakt het mogelijk alle functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Een relatief klein deel van het plangebied is geschikt voor de vestiging van bedrijven. Het nieuwe bedrijfsvlak is ingepast in (de omgeving van) het plangebied.

De delen van het plangebied die in feite geen dienst doen als bedrijventerrein zijn bewust ook meegenomen in het plangebied, voor een integraal en aaneengesloten plan, tevens aansluitend op het bestaande bedrijventerrein. Op de Verbeelding is, met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen), te zien welke bestemmingen zijn gegeven aan de gronden binnen het plangebied. De Verbeelding geeft, voor een bepaalde bestemming, tevens informatie omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis. Opbouw van het bestemmingsplan Een bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de Verbeelding, de Toelichting en de Regels. Hierbij geven de Regels de juridische bepalingen van het bestemmingsplan en geeft de Verbeelding de locaties en aanduidingen van die juridische bepalingen weer. Hieronder worden deze onderdelen van het onderhavige bestemmingsplan "Uitbreiding Bedrijventerrein Oosteinde 16, Warmond" beschreven.

De Regels zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleidende regels. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hoofdstuk 3: Algemene regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. De regels in hoofdstuk 1 en de algemene regels in hoofdstuk 3 gelden voor het bestemmingsplan als geheel. Die regels werken door in de diverse bestemmingen.

77

5.2

Planregels

5.2.1

Inleidende regels - Begrippen en Wijze van meten

In Hoofdstuk 1 Inleidende regels van de Regels staan twee artikelen. In artikel 1 worden begrippen verklaard die worden gebruikt in de Regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Vervolgens is in artikel 2 'Wijze van meten' bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. 5.2.2

Bestemmingsregels- Bestemmingen

Het onderhavige bestemmingsplan kent vier enkelbestemmingen en twee dubbelbestemmingen. De regels in verband met de enkelbestemmingen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en voor een enkele bestemming tevens uit specifieke gebruiksregels en afwijkingsregels. Met betrekking tot behoud en bescherming zijn waterkering- en archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan opgenomen; deze kennen bijzondere regels. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Hierin is een omschrijving opgenomen van de functies die binnen de bestemming zijn toegestaan (het gebruik). De bouwregels van bestemmingen zijn gebaseerd op de functies van gronden en op de beoogde bebouwing. De Algemene bouwregels staan in Hoofdstuk 3 van de Regels. In dit bestemmingsplan worden de volgende bestemmingen gebruikt: Bedrijf (artikel 3) De toevoeging van de bestemming 'Bedrijf' in het plangebied is in feite de aanleiding voor het onderhavige bestemmingsplan. De bestemming 'Bedrijf' is de kern van het bedrijventerrein, als uitbreiding van het naastgelegen bedrijventerrein Greenin Business Park (De Wetering). Met de bedrijfsbestemming kunnen de beoogde bedrijven zich vestigen en de bedrijfsbebouwing worden gerealiseerd. Het enkele bestemmingsvlak 'Bedrijf' kent een oppervlakte van circa 12.000 m² (1,2 hectare).

Bedrijven t/m milieucategorie 3.2 kunnen zich op het bedrijfsvlak vestigen. De bedrijfsgebouwen kunnen enkel binnen het bestemmingsvlak, dat tevens het bouwvlak is, worden gebouwd. Voor de gebouwen en overkappingen is een maximum bebouwingspercentage van 80% en een maximum bouwhoogte van 13 meter en deels 11 meter van toepassing. De bouwregels voor de bedrijfsgebouwen zijn vergelijkbaar met die voor het naastgelegen bedrijventerrein. In de specifieke gebruiksregels van deze bedrijfsbestemming is opgenomen welke type bedrijven (ongeacht de toegestane milieucategorieën) niet zijn toegestaan, en is een bepaling opgenomen die toeziet op het handmatig kunnen uitschakelen van mechanische ventilatiesystemen. Tevens is in de specifieke gebruiksregels van deze bedrijfsbestemming, om te borgen dat in een realisatiejaar geen stikstofdepositie optreedt, bepaald wat de maximale emissie van NOx en NH3 per jaar mag bedragen. Daarnaast is in de specifieke gebruiksregels van deze bedrijfsbestemming bepaald dat vrachtwagens niet langer dan twee uren aanwezig mogen zijn op het bedrijventerrein, met uitzondering van elektrische vrachtwagens. Tevens is met betrekking tot deze regel een afwijkingsmogelijkheid toegevoegd. Groen (artikel 4) De groenstroken in het plangebied hebben de bestemming 'Groen' gekregen.

Het groen is mede bestemd voor (nieuwe) beplanting, paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Aan de westzijde en noordzijde van het plangebied zijn de voorgaande bestemmingen overgegaan in de bestemming Groen.

78

Verkeer (artikel 5) De gronden die bedoeld zijn voor de ontsluitingsweg richting en langs de bedrijfspercelen hebben de bestemming 'Verkeer'. Het bedrijfsvlak kan aan twee zijden worden ontsloten met het toegewezen bestemmingsvlak Verkeer. Bepaalde delen van het verkeersbestemmingsvlak zijn tevens bedoeld voor parkeren langs de ontsluitingsweg. Water (artikel 6) De gronden die bestemd zijn voor water en gerelateerde functies en voorzieningen hebben de bestemming 'Water'. Het gaat om die gronden waar vanuit het oogpunt van waterberging, afwatering en goede doorstroming ook daadwerkelijk water moet komen. Aan de zuidoostzijde van het plangebied is een langgerekt waterbestemmingsvlak van 8 meter breed opgenomen. Het voorgaande waterbestemmingsvlak aan de noordwestzijde is verbreed naar circa 6 meter breed. Waarde - Archeologie 9 (artikel 7) Voor de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 9' geldt dat de initiatiefnemer bij grote ingrepen in de bodem bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen of van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, een archeologisch rapport dient te overleggen. Op basis daarvan kunnen aan de betreffende vergunningen voorschriften worden verbonden.

In de planregels is opgenomen voor welke bodemingrepen de eisen met betrekking tot archeologie gelden en welke criteria van toepassing zijn om te mogen bouwen of werkzaamheden te mogen uitvoeren. De regels zijn van toepassing bij de volgende bodemingrepen: dieper dan 175 centimeter of groter dan 500 m². De verwachtingswaarde en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 9' is gebaseerd op het verrichte archeologisch onderzoek voor het plangebied. De dubbelbestemming geldt voor een deel van het plangebied, namelijk de zuidelijke hoek (zuidoostzijde) van het plangebied, waarbij het beschermingsgebied is gebaseerd op het verrichte archeologisch onderzoek. Waterstaat - Waterkering (artikel 8) Voor de in het plangebied aanwezige waterkering, langs de Dinsdagse Watering, is een dubbelbestemming opgenomen. Dit ten behoeve van de bescherming van de waterkerende functie. Deze dubbelbestemming voorziet in een vrijwaringszone over en langs de waterkering waarbij specifieke regels zijn opgenomen ten aanzien van het bouwen binnen deze bestemming.

5.2.3

Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen. Anti-dubbeltelregel (artikel 9) Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan. Dit artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.

79

Algemene bouwregels (artikel 10) In dit artikel staan de regels voor toegelaten overschrijdingen en voor ondergronds bouwen en aanleggen. In het eerste lid wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bouwgrenzen en/of bestemmingsgrenzen overschreden mogen worden. In het tweede lid wordt aangegeven onder welke voorwaarden ondergronds bouwen en aanleggen mogelijk is. Algemene gebruiksregels (artikel 11) In dit artikel staan de regels omtrent strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met betrekking tot parkeren en laden en lossen. Algemene afwijkingsregels (artikel 12) Het enkele lid opgenomen in dit artikel heeft betrekking op een afwijkingsmogelijkheid voor het overschrijden van bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels (artikel 13) Dit artikel ziet toe op het kunnen wijzigen van bestemmingsgrenzen. Overige regels (artikel 14) In dit artikel is bepaald dat de in het plan genoemde wet- en regelgeving moet worden gelezen zoals die op het moment van ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan geldt. Tevens zijn in dit artikel de regels voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen opgenomen.

Daarnaast is in dit artikel een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren en in stand houden van groen(inrichting) en een aardenwal in de bestemming 'Groen' in de zuidoostzijde en oostzijde van het plangebied, overeenkomstig de profielen in het document Beeldkwaliteitsparagraaf, gerelateerd aan de ingebruikname van gronden met de bestemming 'Bedrijf'. 5.2.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 15) Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik. Dit artikel is wettelijk voorgeschreven en overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Slotregel (artikel 16) Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het bestemmingsplan aangegeven.

80

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Inzake het bestemmingsplan "Uitbreiding Bedrijventerrein Oosteinde 16, Warmond" heeft vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) plaatsgevonden, waarbij er enkele vooroverlegreacties zijn binnengekomen bij de gemeente, en er overleg is geweest met de Omgevingsdienst West-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland, met tevens de initiatiefnemer. De gemeente heeft de Omgevingsdienst West-Holland verzocht om de onderzoeken, en de verwerking daarvan in het bestemmingsplan, te beoordelen. Het concept van dit bestemmingsplan, en dan met name het nieuwe wateroppervlak, is met het Hoogheemraadschap van Rijnland besproken. In oktober 2022 heeft de gemeente Teylingen het voorontwerp bestemmingsplan naar de vooroverleg-instanties gestuurd. De volgende instanties hebben een vooroverlegreactie ingediend bij de gemeente (in chronologische volgorde): Greenport Ontwikkelingsmaatschappij B.V. (GOM). Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM). Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR). De reactie is ontvangen na een eerder overleg. Omgevingsdienst West-Holland. Provincie Zuid-Holland. Vooroverlegreactie GOM De GOM geeft dat bollengrondcompensatie niet van toepassing is voor dit plan. De GOM heeft verder geen opmerkingen op het plan.

Vooroverlegreactie Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) De VRHM heeft enkele adviezen gegeven, ook adviezen buiten de scope van het bestemmingsplan. De voor het bestemmingsplan relevante adviezen zijn verwerkt in het plan. Het aspect vluchten behoefde nadere aandacht in de paragraaf 4.9 Externe veiligheid van dit bestemmingsplan. In de bestemmingsplankaart is een tweede toegangsweg (aansluitend op een ander terrein) toegevoegd als calamiteitenroute. Vooroverlegreactie Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR) Het Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR) geeft aan geen bezwaar tegen het bestemmingsplan te hebben. Het HvR geeft aan dat bij uitvoering van het plan er voor de werkzaamheden wel een watervergunning nodig is. De reactie van het Hoogheemraadschap van Rijnland gaf geen aanleiding om het plan aan te passen. Wel is ten opzichte van het voorontwerp, in het onderhavige plan de oppervlakte verharding verkleind en de oppervlakte van de waterbestemming verkleind en de oppervlakte van de groenbestemming vergroot. In de waterparagraaf van deze plantoelichting is de tekst inzake het beleid van HvR geactualiseerd.

81

Vooroverlegreactie Omgevingsdienst West-Holland De Omgevingsdienst West-Holland heeft een advies-/beoordelingsdocument aangeleverd aan de gemeente. De opmerkingen van de omgevingsdienst zijn verwerkt in het onderhavige bestemmingsplan behoudens de opmerking over bomencompensatie. De omgevingsdienst heeft, behoudens het aangeven van bomencompensatie op de verbeelding, geen aanwijzingen gegeven voor bestemmingsplankaart (verbeelding) aanpassingen, maar de plankaart is na het voorontwerp-bestemmingsplan wel aangepast ten behoeve van de flora en fauna. Bij het aangepaste plan worden minder bomen gekapt en blijft het relevante foerageergebied grotendeels bestaan. De bomencompensatie, voor zover nodig, is geregeld via wetgeving en de provinciale omgevingsverordening, en hoeft (in dit geval) verder niet te worden geborgd in het bestemmingsplan. Vooroverlegreactie provincie Zuid-Holland De provincie heeft op twee aspecten van het plan een reactie gegeven, namelijk bollenteeltgebied en bedrijven (oppervlakte en type bedrijvigheid). De GOM heeft reeds aangegeven dat van bollen(teelt)grondcompensatie geen sprake is. Daarbij kan worden opgemerkt dat in de huidige situatie feitelijk geen sprake is van bollenteelt.

De oppervlakte van het nieuwe bedrijventerrein betreft netto 12.000 m² voor wat betreft bedrijfskavel oppervlak en betreft circa 4.500 m² voor de ontsluitingsweg, waarmee de ontwikkeling past binnen de zachte bruto plancapaciteit van 4 hectare opgenomen in de provinciale behoefteraming 2021. De totale oppervlakte van het bestemmingsplangebied bedraagt 33.610 m² (3,36 ha). Mede op verzoek van de provincie is de onderbouwing van behoefte aan bedrijventerreinen en het plan geactualiseerd in deze plantoelichting, waarbij gebruik is gemaakt van de cijfers uit de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen uit 2021.

6.2

Zienswijzen(procedure)

Het ontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.8 Wro en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Een ieder kon gedurende deze termijn een zienswijze op het plan indienen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 december 2023 t/m 24 januari 2024 ter inzage gelegen, met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Er zijn een aantal zienswijzen ingediend. Enkele van de zienswijzen gaven aanleiding om het plan te wijzigen. De weergave en beantwoording van de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan, alsmede de wijzigingen in het bestemmingsplan, staan in de 'Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan' (zie bijlagen).

6.3

Planwijzigingen

Zoals aangegeven zijn er planwijzigingen gemaakt naar aanleiding van ingediende zienswijzen. Daarbij zijn, om tegemoet te komen aan een tweetal zienswijzen, juridische planwijzigingen gemaakt. De volgende wijzigingen zijn in dat kader, ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, doorgevoerd in de Verbeelding van het bestemmingsplan: De bestemming 'Bedrijf' is 8 meter opgeschoven in noordwestelijke richting ofwel is 8 meter verplaatst ten opzichte van de zuidoostelijke plangrens. Het zuidoostelijke deel van de bestemming 'Verkeer' is grotendeels 8 meter opgeschoven in noordwestelijke richting ofwel is grotendeels 8 meter verplaatst ten opzichte van de zuidoostelijke plangrens. Het zuidoostelijke bestemmingsvlak 'Water' is 6 meter opgeschoven in noordwestelijke richting ofwel is 6 meter verplaatst ten opzichte van de zuidoostelijke plangrens. Samenhangend met de voorgaande drie wijzigingen zijn de bestemmingsvlakken 'Groen' en andere delen van de bestemming 'Verkeer' aangepast.

82

Op het verschoven bestemmingsvlak en bouwvlak van de bestemming 'Bedrijf' is de aanduiding maximum bouwhoogte aangepast, waarbij aan de (zuid)oostrand van het bouwvlak een aanduidingsvlak van 6 meter breed is toegevoegd met een maximum bouwhoogte van 11 meter in plaats van een maximum bouwhoogte van 13 meter. Daarnaast is een wijziging, ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, doorgevoerd in de Regels van het bestemmingsplan. In de Overige regels (artikel 14) is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd, namelijk de volgende: 14.3 Voorwaardelijke verplichting groen(inrichting) en aardenwal: Het in gebruik nemen en houden van de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden is uitsluitend toegestaan indien, binnen een jaar na ingebruikname van die gronden, de voor 'Groen' aangewezen gronden aan de zuidoostzijde en oostzijde van het plangebied worden ingericht en in stand gehouden overeenkomstig de inrichting weergegeven op pagina 23 (met situering profielen op pagina 22) van het document Beeldkwaliteitsparagraaf dat is opgenomen als bijlage bij de regels, met uitzondering van de voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden. Om tegemoet te komen aan twee andere zienswijzen zijn aanpassingen gedaan in de toelichting van het bestemmingsplan. De planwijzigingen staan (tevens) vermeld in de 'Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan' (zie bijlagen).

Naast wijzigingen in het bestemmingsplan naar aanleiding van ingediende zienswijzen, zijn er ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan tevens 'ambtshalve' wijzigingen aangebracht in het vast te stellen bestemmingsplan, namelijk in de Regels. De ambtshalve planwijzigingen zijn gemaakt in verband met stikstof en de gewijzigde AERIUS Calculator (berekening). In de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Bedrijf' is de volgende regel toegevoegd: vrachtwagens mogen niet langer dan twee uren aanwezig zijn op het bedrijventerrein, met uitzondering van elektrische vrachtwagens. Tevens is met betrekking tot deze regel een afwijkingsmogelijkheid toegevoegd. In de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Bedrijf' is de regel met betrekking tot stikstof emissie (lid 3.3 onder i.) aangepast, waarbij de emissie is bijgesteld conform het geactualiseerde stikstofdepositie-onderzoek. Tevens is de Toelichting van het bestemmingsplan aangepast, onder meer vanwege aangepaste/vernieuwde onderzoeken en vanwege de wijzigingen in de Regels en Verbeelding. Ook is een beeldkwaliteitsparagraaf toegevoegd aan het bestemmingsplan, waarbij deze beeldkwaliteitsparagraaf is opgenomen als een bijlage van de toelichting en als een bijlage van de regels.

6.4

Vaststellingvan het bestemmingsplan

Na de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad zal het bestemmingsplan opnieuw zes weken ter inzage worden gelegd voor de beroepstermijn. Er kan dan beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

83

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Algemeen

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op het bestemmingsplan 'de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan' moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren, maar ook over economische uitvoerbaarheid, of het plan in de planperiode gerealiseerd kan worden. Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt, in artikel 6.2.1 van het Bro, onder meer aangewezen, een bouwplan voor de bouw van een hoofdgebouw. Bij het onderhavige bestemmingsplan "Uitbreiding Bedrijventerrein Oosteinde 16, Warmond" is sprake van een bouwplan ex artikel 6.2.1 Bro.

7.2

Exploitatieplan,grondexploitatie en kostenverhaal

Indien sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro is de gemeente op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro verplicht een exploitatieplan op te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c 4º respectievelijk 5º Wro niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid respectievelijk b, c of d Wro niet noodzakelijk is. Het kostenverhaal kan anderszins worden verzekerd via een gemeentelijke grondexploitatie, waarbij sprake moet zijn van gemeentelijke gronduitgifte, of via een anterieure overeenkomst met de grondeigenaar over de ontwikkeling. Ten aanzien van het onderhavige plan(gebied) is Greenib Onroerend Goed B.V. de eigenaar van de grond. Het kostenverhaal, met betrekking tot de bouwplanontwikkelingen, ten aanzien van het bestemmingsplan "Uitbreiding Bedrijventerrein Oosteinde 16, Warmond" is verzekerd middels een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de enige grondeigenaar van de particuliere grond in het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan.

De gemeente hoeft geen investeringen te doen voor de uitvoering van het onderhavige plan, omdat het plan volledig op private gronden ligt en er tevens geen bovenplanse kosten zijn. De planontwikkelingskosten voor de gemeente beperken zich (hoofdzakelijk) tot de kosten voor het in procedure brengen van het bestemmingsplan. De plankosten voor de gemeente worden verhaald via de anterieure overeenkomst, als ook eventuele planschadevergoedingen. Gelet op de aard van het plan, waarbij sprake is van een beperkte omvang en van een uitbreiding van een bestaand terrein, is het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig, en kan worden verwacht dat het plan binnen de planperiode van 10 jaar zal worden uitgevoerd. Met de gesloten anterieure overeenkomst, en de plankenmerken, kan worden gesteld dat voor het onderhavige bestemmingsplan "Uitbreiding Bedrijventerrein Oosteinde 16, Warmond" de economisch uitvoerbaarheid niet in het geding is.

84

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=a7a2ae4c-8fe4-4854-b431-cea7045919f5