Inspreektekst Messenverbod Teylingen
Tekst van het document
Voorzitter, dank u wel. In het dagelijks leven ben ik jurist, gespecialiseerd in wapenwetgeving. Als deskundige en docent sta ik personen en instanties bij in zaken rond de Wet wapens en munitie, het strafrecht, strafvordering en aanverwante rechtsgebieden, binnen en buiten de rechtszaal. Laat ik vooropstellen: het is belangrijk dat wij onze politiemensen op straat uitrusten met de juiste juridische middelen om effectief op te treden wanneer ratdraaiers over de schreef gaan. Het is dus in de basis helemaal geen gek idee om in sommige gevallen preventief te kunnen optreden tegen het dragen van een mes of steekvoorwerp. Maar het is óók belangrijk dat in deze zaal kwalitatief hoogwaardige wetgeving wordt gemaakt, waarbij rechtszekerheid belangrijker is dan de handelingszekerheid van de uitvoerende macht. En juist daarin zie ik in de talloze procedures waar mijn collega’s en ik bij betrokken zijn structureel iets misgaan. Er vindt steeds vaker een verschuiving plaats van goede wetgeving naar het idee dat de rechter het later maar moet uitzoeken. En dat gaat mis. Want vage definities in regelgeving leiden uiteindelijk tot een puinhoop in de rechtszaal. In theorie klinkt het allemaal prachtig: “een functioneel en contextueel begrip”, “voorkomen van leemten en ontwijkgedrag”.
Maar in de praktijk krijgt u hiermee een niet-limitatief sleepnet, waarmee iedereen met een voorwerp dat als steekwapen gebruikt kán worden onder een strafbepaling komt te vallen. De facto criminaliseert u daarmee niet alleen de kwaadwillende, maar ook de gewone burger die afhankelijk wordt van de willekeur van een opsporingsambtenaar die besluit er proces-verbaal van op te maken. Ik zie dit op tal van terreinen misgaan: bij de patroonhouders, geluidsdempers, geweren die zodanig gewijzigd zijn dat het dragen minder zichtbaar is, staartstukken, en het criterium van sprekende gelijkenis. Allemaal voorbeelden van wapenwetgeving die op papier prachtig oogt, maar in de praktijk één groot drama wordt door vage formuleringen. Vervolgens blijft de rechtbank achter met vrije speelruimte en onduidelijkheid. Het is alsof u de maximumsnelheid op de Oosthoutlaan afschaft en in de APV zet dat je daar niet “te hard” mag rijden. Vervolgens mag de rechter per geval uitmaken wat “te hard” is. En als u dan bij de verkeerde rechter komt, bent u de klos. Wat betekent dit voorstel concreet in de praktijk? Stel dat de Herenstraat straks, al dan niet tijdelijk, wordt aangewezen als verboden gebied. Dan loopt daar een timmerman met een schroevendraaier omdat hij ergens een klus moet doen: strafbaar, want die schroevendraaier kán als steekwapen worden gebruikt.
Een jager komt terug uit zijn jachtveld en heeft zijn zakmes nog in zijn broekzak zitten: strafbaar, want hij bevindt zich in het aangewezen gebied. U zit bij Cheers op het terras van uw biefstuk te genieten: ook dat kan strafbaar zijn, want dat mes kán op dat moment als steekwapen worden gebruikt, ook al blijkt nergens enige verkeerde intentie uit. Iemand van de supermarkt heeft een werkmesje in zijn werkkleding en haalt voor sluitingstijd nog even de karretjes binnen: strafbaar, want het kán als steekwapen worden gebruikt en hij is op een openbare plaats.
En met dit prachtige “functionele en contextuele begrip” van de VNG is straks zelfs de politie mogelijk zelf strafbaar. Want de multitool die standaard aan de koppel hangt, is geen in het Besluit bewapening en uitrusting politie aangewezen geweldsmiddel, maar wel een voorwerp dat als steekwapen gebruikt kán worden. En u denkt misschien dat dit een grap is, maar uit de praktijk is mij al een voorbeeld bekend waarin in Amsterdam een politieagent een multitool van een BOA in beslag nam. Als ik dit voorgestelde artikel als deskundige beoordeel, dan schiet het inhoudelijk zwaar tekort in definities. Het geeft simpelweg geen duidelijke kadering van welke voorwerpen precies bedoeld worden en op wie dit verbod nu precies van toepassing is. Daarmee legt u de strafbaarstelling in feite neer bij de rechter, en niet bij de wetgever. En dat is een gevaarlijk en hellend vlak. Want wat wordt anders het volgende? Dat het strafbaar wordt om chemicaliën te vervoeren die voor de vervaardiging van GHB gebruikt kúnnen worden? Dan is de interieurverzorgster ook de klos. En naast de interieurverzorgster zit straks ook de tuinman achter de tralies. Want die vervoerde immers een zak potgrond, en dat is óók een product dat gebruikt kán worden voor het aanleggen van een wietplantage. Mijn punt is dus nadrukkelijk niet dat ik de politie de handen wil binden. Integendeel.
Ik wil de politie juist kwalitatief hoogwaardige juridische tools bieden, die op zitting ook standhouden en in de bedoelde gevallen leiden tot effectieve vervolging. Geen willekeurig containerbegrip dat van geval tot geval wordt ingevuld. Daarom heb ik twee heldere aanbevelingen aan uw raad. Ten eerste: zorg ervoor dat u duidelijke en objectieve criteria opneemt voor de voorwerpen die u precies wilt verbieden. Stop dus met de vage formulering dat iets als steekwapen gebruikt “kan worden”, en beantwoord de vraag: wat is in deze verordening nu precies een steekwapen? Ten tweede: omschrijf duidelijk op welke maatschappelijk aanvaardbare gebruiksdoeleinden dit verbod níet ziet. Neem expliciet op voor wie dit verbod niet geldt, in plaats van dat u willekeurig iedereen criminaliseert en achteraf de rechter laat uitzoeken of dat terecht was. Wees dus kritisch op de modeltekst van de VNG, en sta open voor verbetering. Dank u wel, voorzitter.