GRO Bijlage 6 - Natuurtoets Hortusplein
Tekst van het document
Natuurtoets sloop Hortusplein 14 te Sassenheim Toetsing aan Soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming 1 mei 2023
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Verantwoording Titel
Natuurtoets sloop Hortusplein 14 te Sassenheim
Opdrachtgever
Stek Wonen
Projectleider
Jos Stofberg
Auteur(s)
Raoul Ratnavel
Tweede lezer
Karin Boelens
Uitvoering inspectiewerk
Raoul Ratnavel
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Aantal pagina’s
18
Datum
1 mei 2023
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Doel .................................................................................................................................... 4
1.2
Wettelijk kader .................................................................................................................... 4
1.3
Te beschouwen natuurwet- en regelgeving ....................................................................... 4
1.4
TAUW en biodiversiteit ....................................................................................................... 5
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 5
Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 6 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 6
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................... 8
Soortenbescherming ................................................................................................................. 8 3.1
Beschermingsregime en bepalingen .................................................................................. 8
3.2
Vrijstellingen ....................................................................................................................... 8
3.3
Zorgplicht ........................................................................................................................... 9
3.4
Werkwijze ......................................................................................................................... 10
3.5
Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 11
3.5.1
Flora .......................................................................................................................... 11
3.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 11
3.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 11
3.5.4
Vogels ....................................................................................................................... 13
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 16 4.1
Aanleiding en doel ............................................................................................................ 16
4.2
Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 16
4.3
Conclusies toetsing .......................................................................................................... 16
4.3.1
Natura 2000-gebieden .............................................................................................. 16
4.3.2
Soortenbescherming ................................................................................................. 16
4.4
Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 16
5
Aanbevelingen en kansen biodiversiteit .................................................................................. 17
6
Literatuur ................................................................................................................................. 18
3/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Stek Wonen heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de sloop van het gebouw gelegen aan Hortusplein 14 te Sassenheim. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen worden afgegeven en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: Welke natuurwet- en regelgeving is van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de geldende natuurwet- en
1.2
regelgeving? Zijn maatregelen en/of een vergunning/ontheffing/melding nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’) is het wettelijke stelsel voor bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten (flora en fauna) en houtopstanden. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning of ontheffing. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde soorten. Naast de Wnb geldt vanuit provinciale ruimtelijke beleidsregels ook regelgeving met betrekking tot beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).
1.3
Te beschouwen natuurwet- en regelgeving
Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 162 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, beschermd vanuit de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Kennemerland-Zuid’ is circa 5,6 kilometer. Binnen dit Natura 2000-gebied zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. De afstand tot zo een stikstofgevoelig habitat is ook circa 5,6 kilometer. Effecten door trilling, geluid en optische verstoring zijn uitgesloten door de afstand tot het plangebied. De omvang van de werkzaamheden en de exacte plannen zijn nog niet duidelijk. Zodra de plannen definitief zijn moet bepaald worden of een AERIUS-berekening nodig is. Het bevoegd gezag kan altijd om een dergelijke berekening vragen.
4/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Provinciaal beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN. Het NNN omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden met als doel deze beter met elkaar en het omliggende gebied te verbinden. Provincies zijn verantwoordelijk voor het aanwijzen van de gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Een toetsing van de effecten op het NNN van ontwikkelingen die daarbuiten plaatsvinden (externe werking) is in provincie Zuid-Holland niet van toepassing (Provincie Zuid-Holland, 2021). Effecten op het NNN zijn uitgesloten doordat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt. Overige provinciaal beschermde gebieden In de provincie Zuid-Holland zijn naast het NNN ook gebieden aangeduid en beschermd als Belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen. Het plangebied maakt geen deel uit van bovengenoemde gebieden. Een toetsing van effecten vanwege externe werking is voor deze gebieden ook niet noodzakelijk. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde. Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden.
Toetsing van eventuele effecten op beschermde houtopstanden is niet aan de orde, omdat er geen bomen worden gekapt. Beschermde soorten Onder de Wnb zijn diverse planten- en diersoorten specifiek beschermd en voor alle soorten geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is een toetsing van eventuele effecten op beschermde soorten noodzakelijk.
1.4
TAUW en biodiversiteit
Naast de natuurwet- en regelgeving zijn er in alle projecten kansen waarmee dit project kan bijdragen aan herstel van biodiversiteit. In het hoofdstuk “Conclusies en aanbevelingen” zijn enkele van deze kansen voor dit project beschreven.
1.5
Kwaliteit
TAUW garandeert dat alle relevante beschermde gebieden en houtopstanden bij het ecologisch onderzoek zijn betrokken. Voor soortenbescherming is geen volledige zekerheid te geven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat beschermde soorten soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs afwezig kunnen zijn.
5/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het pand gelegen aan Hortusplein 14 te Sassenheim, in de provincie Zuid-Holland. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied betreft een winkelpand dat in gebruik is als kringloopwinkel. Het pand kan opgedeeld worden in 4 deelgebouwen, waaronder 1 loods. De panden, met uitzondering van de loods, zijn opgetrokken uit bakstenen en hebben twee verdiepingen. Op de begane grond, aan de zuidoostzijde van het plangebied, zijn winkelpuien aanwezig. De winkelpuien bestaan uit houtenkozijnen en glas, met vlak erboven is een zonnewering geïnstalleerd. Boven de winkelpuien zijn kunststofpanelen geplaatst. Ruimtes ontbreken achter de kunststofpanelen. De gevels van de eerste verdieping bestaan uit houtenkozijnen, glas en kunststofpanelen. Vlak boven de ingang zijn een aantal roosters aanwezig. De panden hebben een puntig dak, dat is afgewerkt met een bitumen dakbedekking. Op het dak zijn enkele schoorstenen aanwezig. Het dak is afgewerkt met metalendakranden en blauwe boeiboorden. Achter de boeiboorden zijn geen ruimtes aanwezig. De gevel aan de noordwestzijde (achterkant) van het pand bevat open stootvoegen, maar deze zijn afgedicht met stootvoegroosters. Eén van deze stootvoegroosters is gedeeltelijk afgebroken. De eerste verdieping van deze gevel is ook afgewerkt met kunststofpanelen.
Aan deze zijde van het gebouw ontbreekt op een bepaalde plek specie tussen de bakstenen en is ruimte aanwezig aan de zijkant van een kunststofpaneel. De loods aan de noordoostzijde heeft twee roldeuren en bestaat uit metalen golfplaten. De loods heeft een plat dak met bitumen dakbedekking. Aan de oostzijde van het plangebied is een parkeerplaats aanwezig met diverse lantaarnpalen. De omgeving is bestraat en groen is beperkt aanwezig in de vorm van (sier)struiken, klimop en onvolgroeide bomen. Aan de oostzijde van het plangebied staat een grote conifeer, net buiten het plangebied. De wijde omgeving van Sassenheim wordt gekarakteriseerd door agrarisch gebied en de Kagerplassen.
6/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
7/18
Kenmerk
2.2
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Beoogde ontwikkeling
De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van het gebouw aan Hortusplein 14 te Sassenheim in Zuid-Holland. Door de sloop van het gebouw gaan mogelijk struiken en jonge bomen verloren. Daarnaast moet de conifeer ten oosten van het plangebied mogelijk gesnoeid worden.
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing
De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de toetsing in dit rapport: Het vergraven of dempen van (oevers van) oppervlaktewater is geen onderdeel van de werkzaamheden
Voor de ontwikkeling worden geen bomen gekapt
3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.
3.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes:
Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn Europees beschermd via de Habitatrichtlijn en/of de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden zoals benoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding beschermde soorten.
3.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren landelijk beschermd onder de categorie ‘Nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’ van de ontheffingsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat voor deze soorten geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud.
8/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 3.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen Beschermingsregime
Vogels - VR
Verbodsbepaling
Dieren - HR/
Planten -
Dieren -
Planten -
Bonn/Bern
HR/
nationaal
nationaal
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
Storen/verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.1
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of
3.1.2
wegnemen nesten Beschadigen of vernielen rust-
3.1.2
3.5.4
Vernielen (VR: en beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
3.10.1.b
of voortplantingsplaatsen Eieren:
3.3
Zorgplicht
De zorgplicht (Wnb, artikel 1.11) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. De initiatiefnemer neemt de noodzakelijke maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, binnen en buiten beschermde gebieden. Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing:
Voorafgaand de sloopwerkzaamheden de struiken inspecteren op aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren en broedvogels. Dit kan door een ter zake kundig ecoloog uitgevoerd worden tijdens de broedvogelcontrole
Het advies is om de sloopwerkzaamheden beheerst en vanuit één richting uit te voeren om fauna de mogelijkheid te geven om te vluchten
9/18
Kenmerk
3.4
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) De Ecoviewer van TAUW Een oriënterend veldbezoek op 7 april 2023
De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten). Literatuuronderzoek Tabel 3.22 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens en biotoop mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Op basis van de afwezigheid van open oppervlaktewater, waardplanten en vergraafbaar zand in en nabij het plangebied worden de aanwezigheid van en negatieve effecten op beschermde soorten uit de volgende soort(groep)en op voorhand uitgesloten: Noordse woelmuis, amfibieën, libellen, vlinders en overige ongewervelden. Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven en habitat mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Flora
Muurbloem en glad biggenkruid (artikel 3.10)
Grondgebonden
Boommarter en steenmarter (artikel 3.10)
zoogdieren Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis en meervleermuis (artikel 3.5)
Vogels - jaarrond
Buizerd, wespendief, boomvalk, slechtvalk, sperwer, havik, kerkuil, ransuil, steenuil,
beschermde nesten
ooievaar, roek, grote gele kwikstaart, gierzwaluw, huismus (artikel 3.1)
Vogels - jaarrond
Zeearend, torenvalk, blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever,
beschermd: afhankelijk
boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene
van ecologische
specht, grote bonte specht, huiszwaluw, IJsvogel, kleine vliegenvanger, koolmees,
factoren
oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, spreeuw, tapuit, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart (artikel 3.1)
Vogels – in gebruik
Soorten zoals kauw, merel, Turkse tortel en houtduif (artikel 3.1)
zijnde nesten
10/18
Kenmerk
3.5
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Toetsing beschermde soorten
In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 3.2 genoemde soorten beschreven. 3.5.1 Flora Muurbloem groeit op oude, verweerde en kalkhoudende muren. De muren in het plangebied zijn niet verweerd en vormen daarom een niet geschikt habitat. Bovendien is de plant niet waargenomen gedurende het veldbezoek. Het voorkomen van muurbloem is uitgesloten in het plangebied. Glad biggenkruid groeit voornamelijk op akkers, graslanden en voedselarme bermen (FLORON, 2023). Het plangebied en de omgeving is vrijwel geheel verhard waardoor een geschikte groeilocatie ontbreekt. Het voorkomen van glad biggenkruid is uitgesloten in het plangebied. Nader onderzoek naar beschermde flora en het aanvragen van een ontheffing Wnb is niet nodig. 3.5.2 Grondgebonden zoogdieren Boommarter komt voornamelijk voor in bosrijke gebieden (Zoogdiervereniging, 2023). De verblijfplaatsen van deze soort zijn te vinden in holen van andere grondgebonden zoogdieren, maar ook onder takkenrillen. Nesten worden gecreëerd in verlaten spechten- of eekhoornholen. Dergelijk habitat en geschikte verblijfplaatsen ontbreken in het plangebied. Het voorkomen van boommarter in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten.
Steenmarter kan in een divers landschap voorkomen, waarbij gebouwen, voldoende groenstructuren en rommelhoeken die in dekking en foerageergebied voorzien van belang zijn (Zoogdiervereniging, 2023). Verblijfplaatsen van steenmarter zijn te vinden in spouwmuren, daken, kruipruimtes, zolders, boomholtes, takkenhopen en dicht struweel. Het pand is vrijwel hermetisch afgesloten; geschikte openingen voor steenmarter ontbreken. Het pand is geregeld in gebruik en volgens de huurder van het pand zijn sporen en overlast van steenmarter niet bekend. Rondom het gebouw zijn ook geen prooiresten en ontlasting sporen van steenmarter aangetroffen. De groenstructuren nabij het plangebied zijn in dichtheid zeer beperkt. Het groen kan sporadisch gebruikt worden door een steenmarter, maar enkel om tijdelijk te schuilen. Steenmarter heeft de voorkeur voor dichtstruweel en dit is potentieel aanwezig aan de rand van Sassenheim op een afstand van circa 300 meter. Gelet op het bovenstaande wordt een verblijfplaats van steenmarter in het plangebied uitgesloten. Een nader onderzoek en het aanvragen van een ontheffing van de Wnb voor boommarter en steenmarter is niet nodig. 3.5.3
Vleermuizen
Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes.
11/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en nietessentiële foerageergebieden en vliegroutes. 3.5.3.1
Verblijfplaatsen
Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. Verblijfplaatsen in bomen Rosse vleermuis heeft zijn verblijfplaatsen uitsluitend in bomen. In en nabij het plangebied zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Gelet hierop worden negatieve effecten op rosse vleermuis uitgesloten. Daarnaast zijn effecten op verblijfplaatsen in bomen van ruige dwergvleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis uitgesloten. Verblijfplaatsen in gebouwen In het plangebied zijn ook geen potentiële verblijfplaatsen voor gebouw bewonende vleermuizen aanwezig. De volgende gebouw bewonende soorten kunnen in het plangebied geen verblijfplaats hebben: gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en tweekleurige vleermuis, omdat alle open stootvoegen afgesloten zijn en alle naden en voegen zijn afgedicht.
Daarnaast is er geen ruimte aanwezig achter de boeiborden en overige kunststofpanelen. 3.5.3.2 Foerageergebieden Vanwege het ontbreken van robuuste groenstructuren is de aanwezigheid van essentieel foerageergebied uitgesloten in en nabij het plangebied. Het is waarschijnlijk dat essentieel foerageergebied zich bevindt in de weilanden en nabij het struweel op een afstand van circa 360 meter ten westen van het plangebied. Het is hiermee uitgesloten dat foerageergebieden verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan ook niet nodig. Een ontheffing voor het aantasten van essentieel foerageergebied is ook niet nodig. 3.5.3.3 Vliegroutes Vanwege het ontbreken van lijnvormige groen- en waterstructuren is de aanwezigheid van essentiële vliegroutes uitgesloten in en nabij het plangebied. Het is hiermee uitgesloten dat vliegroutes verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan ook niet nodig. Een ontheffing voor het aantasten van essentiële vliegroutes is ook niet nodig.
12/18
Kenmerk
3.5.3.4
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Conclusie
De voorgenomen werkzaamheden vinden niet plaats aan of nabij geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen. De werkzaamheden leiden niet tot het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Nader onderzoek en een ontheffing Wnb zijn niet noodzakelijk. 3.5.4 3.5.4.1
Vogels Vogels - jaarrond beschermde nesten
De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Huismus komt voor in steden en dorpen. De soort maakt gebruik van ruimtes en nissen in woningen om in te kunnen nestelen. In het plangebied zijn geen geschikte ruimtes en openingen aanwezig waar huismus potentieel zou kunnen broeden. Daarnaast ontbreken dakpannen, de ruimtes eronder worden voornamelijk door huismus benut. Struikgewas is ook van belang als schuilmogelijkheid voor huismus. Het struikgewas nabij het plangebied kan sporadisch gebruikt worden door huismus om in te schuilen en in te foerageren. Echter is dit struikgewas niet essentieel, omdat in de nabije omgeving betere en meer locaties aanwezig zijn waar gefoerageerd kan worden. Daarnaast is gedurende het veldbezoek geen (zang)activiteit van huismus waargenomen, terwijl het veldbezoek wel plaats vond in een daarvoor geschikte periode. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van huismus wordt uitgesloten in het plangebied. Gierzwaluw is in Nederland voornamelijk gebonden aan gebouwen om een broedsel te kunnen leggen. In gebouwen worden de ruimtes achter dakpannen met name gebruikt. Maar ook broedlocaties achter regenpijpen en dakkapellen zijn bekend (Vogelbescherming, 2023). In het plangebied zijn diverse regenpijpen aanwezig, maar de ruimtes rondom de regenpijpen zijn beperkt (figuur 3.1).
Daarnaast zijn de openingen vrij laag gelegen en is de invliegopeningen niet vrij. De ruimte rondom de regenpijpen is niet geschikt voor gierzwaluw, omdat het vrij laag gelegen is en er geen vrije invliegopening is. Bovendien is het materiaal rondom de opening van kunststof gemaakt wat vrij glad is. Dit maakt het lastiger voor een gierzwaluw om hier grip op te hebben. Gelet op de beperkte hoogte van het gebouw en de afwezigheid van geschikte invliegopeningen wordt de aanwezigheid van gierzwaluw uitgesloten in het plangebied. Het foerageren van gierzwaluw gebeurt hoog in de lucht tot op grote afstand van de nestlocatie. Gierzwaluw is gespecialiseerd om al het voedsel gedurende de vlucht te kunnen vangen. Gelet op het feit dat foerageren in de lucht plaatsvindt, worden negatieve effecten op essentieel foerageergebied uitgesloten. Aanwezigheid van gierzwaluw in het plangebied wordt uitgesloten.
13/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Figuur 3.1 Beperkte ruimte rondom regenpijp voor gierzwaluw
De woningen in de omgeving zijn potentieel wel geschikt als verblijfplaats voor huismus en gierzwaluw door de aanwezigheid van dakpannen. Negatieve effecten op potentieel broedende huismussen en gierzwaluw in de woningen is uitgesloten, omdat het urbane soorten zijn en enige mate van verstoring gewend zijn. Daarnaast is de afstand tot de sloop werkzaamheden circa 16 meter en bevinden de huismussen en gierzwaluwen zich achter ruimtes op hogere gedeeltes waardoor effecten door trilling en geluid afnemen. Slechtvalk broedt (in nestkasten of gebruikt nesten van andere soorten) op hogere gebouwen zoals kerktorens en bruggen, en hoogspanningsmasten (Vogelbescherming, 2023). Het gebouw is te laag voor slechtvalk. Negatieve effecten op slechtvalk zijn uitgesloten. Het plangebied en de omgeving van het plangebied is sterk versteend en het ontbreekt aan robuuste groenstructuren, kleinschalig landschap en/of waterrijke gebieden. De bomen in de nabije omgeving van het plangebied hebben geen holtes of spleten of nesten die geschikt zouden kunnen zijn voor jaarrond beschermde soorten. Ook zijn er geen braakballen en prooiresten aangetroffen nabij de bomen. Daarnaast is er sprake van een verhoogde aanwezigheid van mensen en verkeer.
De aanwezigheid van soorten die zelden tot niet in stedelijke omgeving met weinig oppervlaktewater voorkomen en/of uitsluitend in bomen verblijven is uitgesloten. Het gaat om buizerd, sperwer, wespendief, boomvalk, havik, ooievaar, kerkuil, ransuil en grote gele kwikstaart.
14/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Nader onderzoek en een ontheffing Wnb is niet noodzakelijk voor vogels met jaarrond beschermde nesten. 3.5.4.2
Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren
Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding (die voortkomt uit o.a. verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het plangebied aanwezige populatie en alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol. Boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, zeearend, zwarte kraai en zwarte roodstaart hebben allemaal een gunstige staat van instandhouding (Sovon, 2021). Maatregelen ten gunste van deze soorten worden daarom niet nodig geacht. Nesten van deze vogels zijn wel beschermd tijdens het broedseizoen.
Blauwe reiger, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, hop, huiszwaluw, spreeuw, torenvalk en zwarte specht hebben allemaal een matig ongunstige staat van instandhouding (Sovon, 2020). Draaihals, eider, ekster en tapuit hebben een ongunstige staat van instandhouding (Sovon, 2021). Door de afwezigheid van geschikt broedbiotoop is de aanwezigheid van blauwe reiger, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, hop, torenvalk, zwarte specht, eidereend, tapuit en draaihals uitgesloten. Nesten van huiszwaluwen (of sporen daarvan) zijn gedurende het veldbezoek niet geconstateerd. Aangezien de soort jaarlijks terugkeert om op dezelfde plek te broeden en nesten niet zijn gezien, is aanwezigheid van huiszwaluw uitgesloten. Geschikte invliegopeningen ontbreken in het plangebied voor spreeuw. Hierdoor wordt aanwezigheid van broedlocaties van spreeuw uitgesloten. Eksternesten zijn in de nabije omgeving van het plangebied niet aangetroffen. Aanwezigheid van ekster wordt hiermee uitgesloten. Bovendien is er in de wijde omgeving voldoende alternatief leefomgeving aanwezig. 3.5.4.3 Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden.
De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels beschermd. De conifeer ten oosten van het plangebied kan door een houtduif gebruikt worden als broedlocatie. Gelet op de beperkte afstand kunnen de sloopwerkzaamheden verstorend zijn.
15/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Ons advies is om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om een controle op nesten van broedvogels uit te laten voeren. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone.
4 Conclusies en aanbevelingen 4.1
Aanleiding en doel
In opdracht van Stek Wonen heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de sloop van het gebouw gelegen aan Hortusplein 14 te Sassenheim. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend.
4.2
Relevante natuurwet- en regelgeving
Voor de toetsing van het voornemen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing:
Wet natuurbescherming – onderdelen: Gebiedsbescherming - Natura 2000 Soortenbescherming
Houtopstanden Provinciaal beschermde gebieden: Natuurnetwerk Nederland
Belangrijke weidevogelgebieden Recreatiegebieden rond de stad Karakteristieke landschapselementen
4.3
Conclusies toetsing
4.3.1
Natura 2000-gebieden
De omvang van de werkzaamheden en de exacte plannen zijn nog niet duidelijk. Zodra de plannen definitief zijn moet bepaald worden of een AERIUS-berekening nodig is. Het bevoegd gezag kan altijd om een dergelijke berekening vragen. 4.3.2 Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk vleermuizen. Voor vleermuizen is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. In tabel 4.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing van de mogelijke effecten op beschermde soorten.
4.4
Consequenties planvorming en uitvoering
Ruim voor de start van de werkzaamheden contact opgenomen te worden met een ter zake kundig ecoloog voor het uitvoeren van een broedvogelcontrole.
16/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Bij werkzaamheden in het broedseizoen bestaat de kans op vertraging vanwege de kans op verstoring van broedende vogels. Tabel 4.1 Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten Soortgroep
Overtreding
Nader onderzoek
Te nemen maatregelen
Wnb Flora
Nee
Nee
Geen
Grondgebonden
Nee
Nee
Inspectie van struiken door ter zake
zoogdieren
kundig ecoloog, wordt gecombineerd met broedvogelcontrole
Vleermuizen
Nee
Nee
Geen
Vogels –
Nee
Nee
Geen
Nee
Nee
Geen
Mogelijk
Nee
Raadpleeg een ter zake kundig ecoloog
jaarrond beschermde nesten Vogels – functioneel leefgebied nest beschermd Vogels – broedvogels
voor het uitvoeren van een broedvogelcontrole
5 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit TAUW gelooft dat we samen de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland kunnen stoppen. TAUW is aangesloten bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel waarin overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan biodiversiteit als kerndoel voor de openbare ruimte. Vanuit deze ambitie kijken we met onze opdrachtgevers naar concrete en realistische mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel in onze projecten. Kansen in dit project De ecologen van TAUW kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ signaleren we kansen voor dit project om bij te dragen aan het herstel van biodiversiteit. Hieronder geven we op beknopte wijze enkele kansen aan. Wij bespreken deze voorstellen graag met u en werken desgewenst de praktische aspecten verder uit. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door: Het opstellen van een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan, bijvoorbeeld gericht op verhoging van de bloemrijkdom voor bijen. Hierbij sluiten we zo veel mogelijk aan op de (toekomstige) situatie in uw projectgebied, gemeentelijk natuurbeleid en regionale doelsoorten en potenties. Biodiversiteit vraagt om maatwerk en ieder project is anders. In een plan nemen we de best passende maatregelen op.
Voorbeelden van potentiële maatregelen zijn:
17/18
Kenmerk
R001-1290982RNR-V01-lir-NL
Het versterken van populaties door te voorzien in nestkasten en/of verblijfplaatsen (bijv.
vogels en vleermuizen), wanneer blijkt dat nestgelegenheid een beperkende factor is. Het opstellen van een integraal duurzaamheidsadvies. Herstel van biodiversiteit heeft raakvlakken met andere opgaven zoals energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en verstedelijkingsvraagstukken. TAUW is gewend projecten integraal te benaderen. Ecologen werken daarvoor vaak samen met andere experts. Ook voor uw project kunnen kansen voor biodiversiteit worden gekoppeld aan andere duurzaamheidsopgaven.
6 Literatuur Provincie Zuid-Holland, 2021. Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, besluitnummer: PZH 2020758606415 Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.ndff.nl www.sovon.nl www.zoogdiervereniging.nl
18/18