CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9. Rapportage IVO-P Sassenheim Prins Clausstraat 30 versie 1.1 (geanonimiseerd).pdf - Bi

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Prins Clausstraat 30, Sassenheim [HAMERSTUK]6.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transect-rapport 4944 Sassenheim, Prins Clausstraat 30 Gemeente Teylingen (ZH)

Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase (IVO-P)

1

2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer

Sassenheim, Prins Clausstraat 30, Gemeente Teylingen (ZH) Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase (IVO-P) Transect-rapport 4944

Auteur Versie

1.1

Datum

27-09-2023

Projectnummer Onderzoeksmelding

23040085 5442328100

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Veldonderzoek

Bevoegde overheid

Gemeente Teylingen (ZH)

Archeologisch adviseur

Erfgoed Leiden

Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding

Transect b.v., Nieuwegein (tijdens uitwerking) Foto van het plangebied

Autorisatie Naam

Datum

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

3

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van dhr. T. Oostrom heeft Transect b.v. op 1 september 2023 een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd in het plangebied aan de Prins Clausstraat in Sassenheim (gemeente Teylingen, ZH). De aanleiding voor het onderzoek is om een gedeelte van de huidige bebouwing, een loods van ca. 300 m2, te slopen en drie nieuwe woningen te realiseren in het plangebied, dat ca. 1350 m2 in oppervlakte is. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Het plangebied heeft dubbelbestemming Waarde – Archeologie, met specifieke waarde -2 Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 100 cm -Mv en groter dan 500 m2. Hoewel er nog geen technische bouwtekeningen beschikbaar zijn, is de verwachting is dat de voorgenomen bouwwerkzaamheden eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten zullen verstoren. Daarom is er in april 2023 een vooronderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat er vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) nodig is. Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten.

Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Als zodanig dient te worden achterhaald of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, en zo ja, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 100 m2, ca. 7,5% van het plangebied. Door omstandigheden zijn de proefsleuven iets versmald ten opzichte van het in het Programma van Eisen opgenomen puttenplan; dit om genoeg marge te houden tussen de perceelsgrens en de huidige bebouwing en om genoeg werkruimte te houden voor de graafmachine. In het plangebied zijn grootschalige verstoringen aangetroffen; ca. 46% van het plangebied is verstoord. Hierbij is ook vervuilde grond aangetroffen, waarschijnlijk door de aanwezigheid van een ondergrondse dieseltank. Er is tijdens het proefsleuvenonderzoek geen archeologische vindplaats aangetroffen, enkel recente verstoringen en sporen van landverbetering ten behoeve van de bollenteelt in de Nieuwe tijd. De middelhoge verwachting uit het vooronderzoek op resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen is niet uitgekomen; de verwachting voor resten uit deze periode kan voor het plangebied worden bijgesteld naar ‘laag’.

Selectieadvies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (archeologische opgraving). Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Op basis van het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen behoudenswaardige archeologische vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. Als zodanig wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de toekomstige ontwikkelingen. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid, de gemeente Teylingen, om een selectiebesluit uit te brengen. Het proefsleuvenonderzoek betreft een steekproef. Ongeacht het besluit dat de bevoegde overheid neemt, attenderen wij op de wettelijke verplichting om wanneer bij grondroerende werkzaamheden

4

archeologische waarden worden aangetroffen, deze te melden (conform Erfgoedwet artikel 5.10). Dit kan via de gemeente Teylingen of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

5

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 7

2.

Resultaten vooronderzoek .................................................................................................... 9

3.

Aard, doel en onderzoeksvragen......................................................................................... 12

4.

Onderzoeksmethodiek ........................................................................................................ 13

6.

Conclusie en selectieadvies ................................................................................................ 19

7.

Beantwoording van de onderzoeksvragen ......................................................................... 21

8.

Geraadpleegde bronnen .................................................................................................... 23

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 24

Bijlage 2.

Gemeentelijke beleidskaart ................................................................................................ 25

Bijlage 3.

Allesporenkaart ................................................................................................................... 27

Bijlage 4.

Vlaktekeningen .................................................................................................................... 28

Bijlage 5.

Sporen- en lagenlijst ............................................................................................................ 30

Bijlage 6.

Vondstenlijst........................................................................................................................ 31

Bijlage 7.

Monsterlijst ......................................................................................................................... 32

6

1.

Aanleiding

Provincie

Zuid-Holland

Gemeente

Teylingen

Plaats

Sassenheim

Toponiem

Prins Clausstraat 30

Kaartblad

30F

Perceelnummer(s)

SSH00 – A – 7502, 8127

Centrumcoördinaat

95.412 / 470.957

Oppervlakte plangebied

Ca. 1350 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied

Ca. 1350 m2

Huidig grondgebruik

Bebouwing en tuin

In opdracht van dhr. T. Oostrom heeft Transect b.v.1 op 1 septemer 2023 een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd in het plangebied aan de Prins Clausstraat 30 te Sassenheim (gemeente Teylingen). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 1350 m2. De aanleiding van het onderzoek is het voornemen om in het plangebied drie nieuwe woningen te realiseren. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Momenteel is het plangebied bebouwd met een woning, een loods en een moestuin. De loods (ca. 300 m2) zal worden gesloopt. De bestaande woning zal behouden blijven. Er zijn nog geen technische bouwtekeningen beschikbaar; daarom zijn de precieze omvang en diepte van de nieuwbouwwerkzaamheden nog niet bekend. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Teylingen heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden). In het bestemmingsplan SassenheimZuid (2013) heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie (www.ruimtelijkeplannen.nl). Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 100 cm -Mv en groter dan 500 m2 (bijlage 2). In april 2023 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied (Melman & Jansen of Lorkeers, 2023; Transect-rapport 4631, onderzoeksmelding 5379749100).

Hieruit blijkt dat het plangebied een middelhoge verwachting heeft op het aantreffen van archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Het plangebied is gelegen op een strandwal, die vanaf het Neolithicum een gunstige locatie heeft gevormd voor bewoning. De top van de strandwal, bestaande uit strandzand en duinzand, is archeologisch gezien intact bevonden. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen uit protocol 4003 (‘Inventariserend Veldonderzoek – Proefsleuven’) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Programma van Eisen (Magdelijns 2023; Transect-PvE 20230609). Dit rapport bevat de resultaten van het proefsleuvenonderzoek.

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

7

Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: pdok.nl

8

2.

Resultaten vooronderzoek2

Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek Uitvoerder Uitvoeringsperiode Rapportage

Onderzoeksmeldingsnummer Vondsten/monsters/documentatie

Transect b.v. 2023 Melman, J.G.E & L.M.C. Jansen of Lorkeers, 2023. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Sassenheim, Prins Clausstraat 30, Gemeente Teylingen (ZH), Nieuwegein (Transect-rapport 4631) 5379749100 Digitaal: E-depot, Archis3 Vondstdocumentatie: geen vondsten

Veldonderzoek (IVO-O, IVO-P, IVO-Opwater, IVO-Onderwater, AB et cetera) Uitvoerder Transect b.v. Uitvoeringsperiode 2023 Rapportage Melman, J.G.E & L.M.C. Jansen of Lorkeers, 2023. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Sassenheim, Prins Clausstraat 30, Gemeente Teylingen (ZH), Nieuwegein (Transect-rapport 4631) Vondsten/monsters/documentatie

Digitaal: E-depot, Archis3 Vondstdocumentatie: geen vondsten

2.1 Landschap Het plangebied ligt in archeoregio Hollands Duingebied in het Zuid-Hollands kustgebied, dat het huidige strand, alle strandwallen, strandvlakten en duinen die aan de oostzijde van het strand voorkomen omvat (Berendsen, 2005). Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied. De strandwal waarop de vindplaats ligt is ten noordoosten en zuidwesten van de bebouwde kom gekarteerd. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (ahn.nl) is de ligging op een strandwal niet direct terug te zien, doordat de hoogteverschillen hier voornamelijk samenhangen met ophoging ten behoeve van de bebouwing. Het natuurlijke reliëf is hierdoor niet meer zichtbaar. Ten westen van de strandwal bevindt zich een ingesloten strandvlakte. Het systeem van strandwallen en strandvlaktes in de omgeving van het plangebied zijn ontstaan tussen ca. 3850 en 2750 v.Chr.; tot die tijd lag de kustlijn verder richting het oosten, door de zeespiegelstijging die van ca. 4500 v.Chr. tot 4000 v.Chr. plaatsvond. Het maaiveld in het plangebied is vlak en ligt op een hoogte van ca. 0,5 m +NAP. Van het plangebied zelf is geen grondwatertrap bekend. In de omgeving is grondwatertrap II gekarteerd; dit houdt in dat de grond relatief nat is, met een gemiddeld hoogste grondwaterstand boven de 40 cm -Mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 50 en 80 cm -Mv.

Bij het booronderzoek is duinzand en strandzand aangetroffen, wat overeenkomt met de ligging op een strandwal.

2

Dit hoofdstuk is gebaseerd op het vooronderzoek (Melman & Jansen of Lorkeers, 2023) en het Programma van Eisen (Magdelijns 2023).

9

2.2 Archeologische waarden Op basis van bureau- en booronderzoeken in de omgeving van het plangebied kan worden geconcludeerd dat het archeologisch niveau (de top van de strandwal en eventuele niveaus in de duinafzettingen) vaak is aangetast door (sub)recente bodembewerking, zoals bollenteelt. In de directe omgeving (een straal van 500 meter rond het plangebied) zijn nog geen archeologische vindplaatsen bekend; er zijn hier nog geen proefsleuvenonderzoeken of opgravingen uitgevoerd. 2.3 Historische achtergronden en huidig gebruik Het plangebied ligt net ten westen van de Hoofdweg, een weg die lange tijd een belangrijke rol speelde in handel tussen Haarlem en Leiden. Het dorp Sassenheim is langs deze weg ontstaan, mogelijk al in de 9e eeuw. Op de oudst geraadpleegde kaart van het plangebied, een kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland uit 1615, is deze weg al gekarteerd. Langs de weg zijn enkele erven te zien, maar niet nabij het onderhavige plangebied. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is het plangebied eveneens onbebouwd en is er ook in de directe omgeving geen bebouwing aanwezig. Het plangebied is dan in gebruik als weiland en bos; in 1880 wordt het plangebied in gebruik genomen als bollengrond. Vanaf 1955 is het plangebied onderdeel van een achtertuin, en vanaf 1980 is de huidige situatie zichtbaar op topografische kaarten.

Momenteel is het plangebied grotendeels bebouwd met een woning en een loods (een totale oppervlakte van ca. 390 m2). Het is niet bekend tot welke diepte de funderingen van de huidige bebouwing reiken. Er zijn mogelijk vervuilingen aanwezig vanwege het gebruik van het terrein als een bloembolprepareer- en ontsmettingsbedrijf en vanwege de aanwezigheid van een ondergrondse dieseltank. De precieze locatie van deze dieseltank is niet bekend (www.bodemloket.nl). Het kweken van bloembollen, wat in het plangebied heeft plaatsgevonden, gaat over het algemeen gepaard met het diep omwerken van de grond. De verwachting is dat deze activiteiten voor bodemverstoring hebben gezorgd; het booronderzoek laat zien dat het archeologische niveau in enkele boringen intact is; enkele boringen toonden mogelijke verstoringen en bodemvervuiling (Melman & Jansen of Lorkeers, 2023, Transect-rapport 4631). 2.4 Gespecificeerde archeologische verwachting Uit bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied is gelegen op een strandwal, die zover bekend nooit afgedekt is met veen, en daarom een gunstige locatie voor bewoning heeft gevormd vanaf het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Uit de omgeving zijn vooral vindplaatsen bekend op de flanken en in depressies van de strandwallen, omdat deze beter beschermd zijn geweest tegen (recente) bodemverstoringen.

Aangezien het plangebied ligt op een voormalige bollenakker en zanderijgrond, is de kans aanwezig dat er bodemverstoringen hebben plaatsgevonden. De diepte van eventuele verstoringen is onbekend. Als de bodemverstoringen oppervlakkig zijn kunnen er nog archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen aanwezig zijn. Daarom geldt er voor deze periode een middelhoge verwachting. Voor de Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Het plangebied is op basis van topografische kaarten tussen de 17 e en 19e eeuw onbebouwd en in gebruik als weiland en/of bollengrond. Er worden geen archeologisch relevante complexen uit de Nieuwe tijd verwacht in het plangebied. Het archeologische niveau in het plangebied betreft de top van de strandwal en de duinafzettingen (40 – 140 cm -Mv/ 0,1 – 0,9 m -NAP), waarop resten vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd te verwachten zijn. De resten zouden vanaf het maaiveld kunnen worden aangetroffen, maar de verwachting is dat er een verstoringspakket aanwezig is in het plangebied als gevolg van het gebruik

10

als bollengrond. Ook kunnen er ophogingspakketten aanwezig zijn die zijn opgebracht bij de realisatie van de huidige bebouwing. Voor het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen kunnen in het plangebied nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik voorkomen, die voor een belangrijk deel uit grondsporen bestaan. Voor de Late Bronstijd tot en met de Middeleeuwen kunnen deze vindplaatsen vondstarm zijn. Nederzettingsterreinen worden gekenmerkt door onder andere erfstructuren, bestaande uit huisplattegronden, bijgebouwen (zoals spiekers), erfgreppels, omheiningen, waterputten en kuilen. Uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen kunnen grafvelden in de vorm van urnenvelden en inhumatiegraven worden verwacht. Uit de Nieuwe tijd worden sporen van landgebruik verwacht, zoals greppels en verkavelingsstructuren. Er moet rekening worden gehouden met alle mogelijke categorieën anorganisch vondstmateriaal die relevant zijn voor de genoemde perioden, zoals bouwmateriaal, vuursteen, natuursteen, keramiek, glas, pijpaarde en metaal. Er worden door de wisselende grondwaterstand geen onverbrande organische resten verwacht. 2.5 Resultaten booronderzoek (Melman & Jansen of Lorkeers, 2023) Tijdens het booronderzoek is bevestigd dat het plangebied op een strandwal ligt. Archeologisch gezien is de top van de strandwal als intact te beschouwen.

Het archeologisch relevante niveau bestaat uit de top van het duin- en strandzand op een diepte tussen 40 – 140 cm -Mv (0,1 – 0,9 m -NAP). In boring 1 aan de noordkant van het plangebied is de top van de strandwal verstoord geraakt vanwege een sloot; de top van het strandzand is hier aangetroffen op 210 cm -Mv (1,6 m -NAP). Het betreft een lokale verstoring; gezien de aanwezigheid van intact duin- en strandzand kan de middelhoge archeologische verwachting op resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen gehandhaafd blijven.

11

3.

Aard, doel en onderzoeksvragen

Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. De hoofdvraag is: is er in het plangebied sprake van (een) archeologische vindplaats(en), is/zijn deze behoudenswaardig, en onder welke voorwaarden is behoud mogelijk? Deze vraag wordt aan de hand van de volgende onderzoekvragen beantwoord in hoofdstuk 8 van dit rapport: 1.

Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 10.

Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 11. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?

12

4.

Onderzoeksmethodiek

Het veldwerk van het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd op 1 september 2023 door Jurgen Rap (sr. KNA Archeoloog MA)en Rex Brandsma (Archeoloog MA). Het proefsleuvenonderzoek is conform het in het Programma van Eisen opgenomen puttenplan uitgevoerd. Het onderzoek betreft een proefsleuvenonderzoek. Deze onderzoeksmethode valt in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1) onder Protocol 4003, Inventariserend Veldonderzoek (landbodems) – Proefsleuven (IVO-P). De werkputten hebben een totale oppervlakte van 100 m2 (werkput 1 is 27 m2; werkput 2 is 73 m2). Dit is ca. 7,5% van het 1350 m2 grote plangebied, wat betekent dat de werkputten wat kleiner zijn uitgevallen dan in het puttenplan omschreven (140 m 2, ca. 10% van het plangebied), zodat er genoeg marge was vanaf de perceelgrens en genoeg ruimte voor de kraan en de stort. Vlak 1 is aangelegd in de top van de strandwal en het duinzand, op ca. 60 – 90 cm -Mv (0,10 – 0,60 m NAP). In werkput 2 zijn hier grote verstoringen aangetroffen, ca. 44 m2 in oppervlakte, ongeveer 60% van het oppervlakte van deze werkput. Er is nog verdiept naar vlak 2 in deze verstoring, maar er kwam een sterke olie- of diesellucht uit, en in het kader van de veiligheid is hier niet verdiept tot in het strandzand.

De proefsleuven zijn machinaal laagsgewijs verdiept in lagen van telkens 5 tot 10 cm dik, waarbij gebruik is gemaakt van een mobiele kraan. Het vlak is vervolgens met de schep opgeschaafd om de spoorcontouren zo scherp mogelijk op foto’s vast te leggen. Na het nemen van de vlakfoto’s zijn sporen met een dGPS digitaal ingemeten. Indien aanwezig zijn ook vondstconcentraties en belangrijke vondsten (puntvondsten) met dGPS ingemeten in het vlak. De resultaten hiervan zijn vastgelegd op de allesporenkaart en vlaktekeningen (zie bijlagen 3 en 4). Conform het PvE is de bodemopbouw is gedocumenteerd aan de hand van twee profielkolommen per werkput, van minimaal 1 m breed. De profielkolommen zijn gezet aan het begin en het eind van de meest representatieve wand van de put. Op de vlaktekening zijn ook de putcontouren, vlakhoogten, maaiveldhoogten, locaties van profielkolommen en eventuele coupelijnen en contouren van bodemverstoringen gedocumenteerd. De profielkolommen en profielen van gecoupeerde sporen zijn analoog op schaal 1:20 getekend. Tijdens het veldonderzoek zijn geen grondmonsters genomen uit bodemlagen of (spoor-)vullingen. Vondsten die niet aan sporen of spoorvullingen kunnen worden gekoppeld (aanlegvondsten), worden per laag en per vak van 4 bij 5 m verzameld en geregistreerd.

Vondsten die wel aan sporen kunnen worden gekoppeld, zijn per spoor(vulling) geregistreerd en verzameld. Om metaalvondsten doeltreffend te kunnen opsporen is tijdens het veldonderzoek gebruik gemaakt van een metaaldetector.

13

Figuur 2. Foto van werkput 1, na de aanleg van vlak 1.

14

5.

Resultaten veldonderzoek

5.1 Bodemopbouw De bodemopbouw wordt hier beschreven aan de hand van profiel 1.1 (fig. 3). De bodemopbouw bestaat hier in de basis uit de strandwal, vertegenwoordigd door grover strandzand (S.4000) met hierop fijner duinzand (S.3000). Het is bekend dat het plangebied in het verleden is gebruikt voor de bollenteelt. Dit is terug te zien in laag S.2000, die wordt geïnterpreteerd als bollengrond op basis van een sterke afwisseling van lagen veen detritus en zandlagen. Het geheel wordt afgedekt door de bouwvoor. In profiel 1.2 in vlak 103 van werkput 1 (fig. 4), en in profiel 2.1 in vlak 104 in werkput 2 zijn aanwijzingen voor verspoeling aangetroffen; een laag verspoeld strandzand op het niet-verspoelde strandzand (S.4001) en een laag verspoelde bollengrond (S.2100). Voor de lithologische laagbeschrijvingen zie de sporen- en lagenlijst, bijlage 7. De sterk gelaagde bodemopbouw, bestaande uit laagjes verspoeld strandzand, klei en veen detritus (gyttja), te zien in lagen S.2000 en S.2100, suggereert een sterke afwisseling van snelstromend en stilstaand water (ook te zien in spoor S.1, hieronder beschreven). Dit komt overeen met het gebruik van het plangebied als bollengrond. De teelt van bloembollen kwam in Nederland op in de tweede helft van de 16e eeuw; in het plangebied is bekend dat dit hier heeft plaats gevonden vanaf omstreeks 1880.

Bloembollen hebben baat bij homogene kalkrijke zandgrond met een grondwaterstand van ca. 0,55 m -Mv. Weinig plekken voldeden van nature aan deze condities. Tussen ca. 1875 en 1925 zijn veel duinen en strandwallen afgegraven om tot een zandniveau te komen dat geschikt was voor bollenteelt. De afgegraven delen worden ‘zanderijgronden’ genoemd. Nadat nagenoeg alle locaties die hiervoor geschikt werden bevonden, waren afgegraven, was er nog steeds behoefte aan goede bollengrond. De geschikte grond werd gevonden in het kalkrijke zand van de strandvlaktes, die onder lagen klei en veen werd aangetroffen op ca. 1 m -Mv. Door middel van diepdelven met bronbemaling en omspuiten van de bodem kon het kalkrijke strandzand naar de oppervlakte worden gebracht (Bodemkaart van Nederland, 1982, kaartblad 30). Een groot gedeelte van het opgegraven oppervlak is verstoord: ca. 46 m2, waarvan het merendeel in werkput 2. Dit is ca. 46% van het opgegraven oppervlak. Volgens de initiatiefnemer heeft er in het plangebied een laadkuil gezeten. In het vooronderzoek wordt omschreven dat er in het plangebied een ondergrondse dieseltank heeft gezeten (www.bodemloket.nl); de precieze locatie hiervan is onbekend, maar bij het onderzoek is ter hoogte van de verstoring zowel bij het booronderzoek als bij het proefsleuvenonderzoek een sterke olie- of dieselachtige geur waargenomen.

Door deze vervuilde grond is het vlak hier niet tot in het strandzand aangelegd, en is de boring tijdens het booronderzoek gestaakt.

15

S.1000 S.2000 S.3000 S.4001 S.4000

Figuur 3. Profiel 1.1 in vlak 101 van werkput 1.

S.1000

S.2100

S.4001 S.4000

Figuur 4. Profiel 1.2 in vlak 103 van werkput 1; hier is de sterke gelaagdheid goed zichtbaar.

16

5.2 Sporen en structuren Tijdens het proefsleuvenonderzoek is één spoor aangetroffen; dit spoor is tijdens het veldonderzoek geïnterpreteerd als sloot, omdat er volgens enkele historische kaarten (zoals de Kadastrale Minuut uit 1811-1832) een sloot in de buurt heeft gelegen (al komt deze niet één op één overeen met de ligging van dit spoor). Waarschijnlijk betreft het een spoor van bodemverbetering voor de bollenteelt, zoals hierboven beschreven. In het vlak lijkt de vulling onder dynamische omstandigheden te zijn gevormd (alsof er een sterke stroming heeft gestaan, fig. 5), wat overeenkomt met sporen van diepdelven en omspuiten. De vulling is venig aan de randen met zandige banen in het midden. Het spoor is niet gecoupeerd, waardoor de datering en samenstelling niet bepaald kunnen worden. Ook de insteek is niet gedocumenteerd. Bij de aanleg van het vlak zijn in S.1 brokjes bouwkeramiek en stukjes plastic aangetroffen, wat onderbouwt dat het een relatief recent spoor betreft uit de 20e eeuw, en niet een 19e-eeuwse sloot. Er zijn ook sporen aangetroffen die in het veld gedocumenteerd zijn als natuurlijke sporen.

Het is echter onwaarschijnlijk dat deze sporen door natuurlijke processen gevormd zijn; qua uiterlijk lijken ze erg op de bodemverbeteringssporen voor de bollenteelt, met de gelaagdheid van zand, veen detritus en klei, en het dynamische uiterlijk van het spoor in het vlak. Op plekken in werkput 2 waar verdiept is naar vlak 2 zijn humeuze banen te zien die parallel aan elkaar lopen (fig. 6). Ook deze sporen zijn geïnterpreteerd als sporen van bodemverbetering ten behoeve van de bollenteelt.

Figuur 5. S.1, in het veld geïnterpreteerd als sloot, in het vlak van werkput 2.

17

Figuur 6. Humeuze banen in de top van het strandzand, vlak 2 in werkput 2; waarschijnlijk sporen van landbewerking voor de bollenteelt.

5.3 Vondstmateriaal Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee vondsten gedaan. Het betreft een plastic wasknijper (VNR.1) en een porseleinen koffiekan uit de 20e eeuw (VNR.2). Beide vondsten zijn afkomstig uit de recente verstoring in werkput 2. Er zijn verder geen vondsten gedaan. Ook zijn er tijdens het onderzoek geen monsters genomen.

18

6.

Conclusie en selectieadvies

Conclusie In opdracht van dhr. T. Oostrom heeft Transect b.v. op 1 september 2023 een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd in het plangebied aan de Prins Clausstraat in Sassenheim (gemeente Teylingen, ZH). De aanleiding voor het onderzoek is om een gedeelte van de huidige bebouwing, een loods van ca. 300 m2, te slopen en drie nieuwe woningen te realiseren in het plangebied, dat ca. 1350 m2 in oppervlakte is. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Het plangebied heeft dubbelbestemming Waarde – Archeologie, met specifieke waarde -2 Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 100 cm -Mv en groter dan 500 m2. De verwachting is dat de voorgenomen bouwwerkzaamheden eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten zullen verstoren. Daarom is er in april 2023 een vooronderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat er vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) nodig is. Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten.

Als zodanig dient te worden achterhaald of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, en zo ja, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 100 m2, ca. 7,5% van het plangebied. Door omstandigheden zijn de proefsleuven iets versmald ten opzichte van het in het Programma van Eisen opgenomen puttenplan; dit om genoeg marge te houden tussen de perceelsgrens en de huidige bebouwing en om genoeg werkruimte te houden voor de graafmachine. In het plangebied zijn grootschalige verstoringen aangetroffen; ca. 46% van het plangebied is verstoord. Hierbij is ook vervuilde grond aangetroffen, waarschijnlijk door de aanwezigheid van een ondergrondse dieseltank. Er is tijdens het proefsleuvenonderzoek geen archeologische vindplaats aangetroffen, enkel recente verstoringen en sporen van landverbetering ten behoeve van de bollenteelt in de Nieuwe tijd. De middelhoge verwachting uit het vooronderzoek op resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen is niet uitgekomen; de verwachting voor resten uit deze periode kan voor het plangebied worden bijgesteld naar ‘laag’.

Selectieadvies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (archeologische opgraving). Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Op basis van het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen behoudenswaardige archeologische vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. Als zodanig wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de toekomstige ontwikkelingen. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid, de gemeente Teylingen, om een selectiebesluit uit te brengen. Het proefsleuvenonderzoek betreft een steekproef. Ongeacht het besluit dat de bevoegde overheid neemt, attenderen wij op de wettelijke verplichting om wanneer bij grondroerende werkzaamheden

19

archeologische waarden worden aangetroffen, deze te melden (conform Erfgoedwet artikel 5.10). Dit kan via de gemeente Teylingen of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

20

7.

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De hoofdvraag is: is er in het plangebied sprake van (een) archeologische vindplaats(en), is/zijn deze behoudenswaardig, en onder welke voorwaarden is behoud mogelijk? In het plangebied is geen sprake van een behoudenswaardige archeologische vindplaats. 1. Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, structuren en/of vondsten? In het plangebied zijn geen archeologische resten aanwezig. Wel zijn er grondsporen aangetroffen die relateren aan de bloembollenteelt in de Nieuwe tijd, als gevolg van zandafgravingen en/of diepdelven. Ook zijn er grootschalige recente verstoringen aangetroffen 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? Op plekken waar de bodemopbouw niet was aangetast door recente verstoringen, is deze als volgt: - S.1000, bouwvoor - S.2000, bollengrond, bestaand uit laagjes zand, klei, veen detritus. - S.3000, duinzand (restant) - S.4000, strandzand Op enkele plekken is het diepdelven en/of omspuiten van de bodem meer evident, met duidelijke verspoelde lagen. - S.1000, bouwvoor - S.2100, verspoelde bollengrond - S.4001, verspoeld strandzand - S.4000, strandzand 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? Er zijn geen archeologische sporen aanwezig.

Wel zijn er sporen van diepdelven en/of omspuiten van de bodem; deze reiken tot in de top van de strandzandafzettingen. 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? N.v.t. 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Er zijn twee vondsten uit twee categorieën gevonden; een moderne koffiekan van porselein en een plastic wasknijper. Deze zijn afkomstig uit een recente verstoring en verschaffen geen informatie over het gebruik van het plangebied in het verleden. 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? De vorming van de strandwallen en strandvlaktes tussen ca. 3850 en 2750 v. Chr. heeft ervoor gezorgd dat het gebied waarin het plangebied ligt voor het eerst bewoonbaar werd. Op de locatie van het plangebied zijn geen sporen van bewoning gevonden. Het plangebied is in het verleden gebruikt voor bollenteelt. Hierbij is er mogelijk gebruikt geweest van zandafgraving, diepdelven en/of omspuiten.

Deze activiteiten kunnen eventueel in het plangebied aanwezige vindplaatsen verstoord hebben. Er zijn echter geen

21

vondsten aangetroffen die suggereren dat er voor de bodemverbeteringen een vindplaats aanwezig was. 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit onderzoeken in de omgeving? Bij onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied (in een straal van 500 meter) zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen (overzicht te raadplegen in het vooronderzoek). Wel zijn er in de omgeving vaker sporen van landbewerking voor de bollenteelt gevonden. 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? N.v.t. 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). N.v.t. 10. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? De top van het strandzand is gedeeltelijk afgegraven en verstoord door de bodembewerking voor de bollenteelt. Mogelijk zijn ondiepe grondsporen in de strandwal hierdoor weggegraven. Er zijn echter geen vondsten gedaan in de opgebrachte grond, zoals vuursteen of aardewerk, die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het verleden.

22

8.

Geraadpleegde bronnen

Archeologische kaarten en databestanden • • • • • •

Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. www.pdok.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.topotijdreis.nl www.rug.nl/research/groningen-institute-of-archaeology/education/bellarminefolkertwestra.pdf

Literatuur SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Borsboom, A.J. & J.W.H.P., Verhagen, 2009: KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), versie 1.02, Gouda (CCvD). Berendsen, H.J.A., 2005: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s, Assen. Carmiggelt, A. & P.J.W.M. Schulten, 2002: Veldhandleiding Archeologie, Archeologie Leidraad 1, Zoetermeer (College voor de Archeologische Kwaliteit). Magdelijns, N. & A. Kerkhoven, 2023: Programma van Eisen Sassenheim, Prins Clausstraat 30, Gemeente Teylingen (ZH). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Nieuwegein (Transect-PvE 20230609). Markus, W.C. & C. van Wallenburg (Stichting voor Bodemkartering), 1982: Bodemkaart van Nederland. Toelichting bij de kaartbladen 30 West ’s Gravenhage en 30 Oost ’s Gravenhage. Melman, J.G.M. & L..M.C. Jansen of Lorkeers, 2023: Sassenheim, Prins Clausstraat 30, Gemeente Teylingen (ZH). Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Nieuwegein (Transect-rapport 4631). Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018, Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus). Wink, K./J. Sprangers, 2015.

Toelichting op de archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidskaart gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom, Weesp (RAAP-rapport 2852). Illustratieverantwoording Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: pdok.nl ........................................ 8 Figuur 2. Foto van werkput 1, na de aanleg van vlak 1. .................................................................................. 14 Figuur 3. Profiel 1.1 in vlak 101 van werkput 1. .............................................................................................. 16 Figuur 4. Profiel 1.2 in vlak 103 van werkput 1; hier is de sterke gelaagdheid goed zichtbaar. ...................... 16 Figuur 5. S.1, in het veld geïnterpreteerd als sloot, in het vlak van werkput 2. .............................................. 17 Figuur 6. Humeuze banen in de top van het strandzand, vlak 2 in werkput 2; waarschijnlijk sporen van landbewerking voor de bollenteelt. ................................................................................................................ 18

23

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland

Periode

Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.0 301.0

24

Bijlage 2.

Gemeentelijke beleidskaart

25

26

Bijlage 3.

Allesporenkaart

27

Bijlage 4.

Vlaktekeningen

28

29

Bijlage 5.

Sporen- en lagenlijst

PUT VLAK SPOOR AARD SPOORCONT

SPOOR DIEPTE Vulling VORM

02

01

0001

SL

ONR

01

01

0999

LG

1

Sterk gelaagd, matig slap, zeer/matig fijn, kbw1, plastic, mogelijk olievervuiling Recente verstoring, vervuild met diesel/olie

01 01

101

1000

LG

1

Moderne bouwvoor

101

2000

LG

1

103

2100

01

101

3000

LG

1

01

101

4000

LG

1

LBLGR

103

4001

LG

1

LBLGR

01

01

VAGEND

-

Kleur

1

1

Kleurstruc Org_stof heterogeen

GRBR/GR heterogeen LGR/GRBR /DGRBR LGR

H2

Textuur Zs1/ks3/vk1

H1/2

Zs2

H1

Zs2/ks3 Zs1 Zs1

H0/1

Zs1

Opmerking

Bollengrond, matig fijn Verspoelde bollengrond, matig fijn/grof, matig slap, ca2 Duinzand, matig fijn, goed gesorteerd, kalkloos Strandzand, matig fijn/matig grof, ca3 sch1 Verspoeld strandzand, matig fijn/matig grof fe1, ca2

30

Bijlage 6. Vondstnummer

Vondstenlijst Veldvondst

Put

Vlak

Spoor

Spooraard

Vulling

Vak

Categorie

Aantal

Gewicht

Opmerking

0001PLA

0001

02

001

0999

LG

1

3

PLA

1

8,9 g

Plastic wasknijper

0002KER

0002

02

001

0999

LG

1

3

KER

1

385,5 g

Porseleinen koffiekan, 20e eeuw

31

Bijlage 7.

Monsterlijst

Vondstnummer -

Veldvondst -

Put -

Vlak -

Spoor -

Spooraard -

Vulling -

Categorie -

Aantal -

Gewicht -

Opmerking -

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=74147a75-2cb6-4c95-b53f-a603069aa9cb