CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Bestemmingsplan ‘Uitbreiding Spoorlaan 125-127, Voorhout – bijlagen bij de toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan 'Uitbreiding Spoorlaan 125-127, Voorhout'23.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Afbeelding 3.1 Situatie Spoorlaan 117-119 (bron: Wissing)

Op basis van het akoestisch onderzoek en aanvullende motivering om af te wijken van het gemeentelijk geluidbeleid uit 2019 zijn er hogere waarden verleend en gelden er aanvullende eisen met betrekking tot de realisatie van de woning (kavel 4). De vastgestelde hogere waarden en aanvullende eisen zijn beschreven in het document ‘Besluit hogere waarden’ Van de Omgevingsdienst West-Holland met kenmerk D2021-109891 d.d. 18 mei 2021. Hieruit volgt dat voor noordoost en zuidoost gevel voor kavel 4 sprake is van een dove gevel (onder voorwaarden) en er een hogere waarde geldt van 62 dB voor de zuidwestgevel.

4|8

Witteveen+Bos | 138455/23-017.980 | Concept 01

4

GELUIDSBELASTING

4.1

Aangevraagde hogere waarde

In onderstaande afbeelding zijn de resultaten van de berekende geluidsbelasting opgenomen1. In de labels is de geluidsbelasting in dB opgenomen ten gevolge van het spoor voor de verschillende waarneemhoogten. De waarneemhoogten betreffen 1,5; 4,5 en 7,5 meter. Voor kavel 4 zijn de waarneemhoogten 1,5 en 5,5 meter (indien 5,5 meter aanwezig).

Afbeelding 4.1 Resultaten

K3

K2

K4

K1

Op basis van bovenstaande resultaten volgt voor kavels 1,2 en 3:: <=55: geluidsbelasting lager of gelijk aan voorkeursgrenswaarde, geldt voor kavel 1, 2 en 3 voor minimaal twee gevels op de begane grond; <=58: hogere waarde nodig, maar geen compensatiemaatregelen cf. geluidbeleid <=63; hogere waarde nodig en compensatiemaatregelen cf. geluidbeleid, geldt voor kavels 1, 2 en 3 <=68; hogere waarde nodig en compensatiemaatregelen en verzwaarde motivatie, geldt voor kavel 3; >68; hogere waarde is niet mogelijk, gevel dient doof te worden uitgevoerd. Deze situatie is voor kavels 1, 2 en 3 niet aan de orde.

Voor kavel 1 t/m 3 wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximale ontheffingswaarde (Wgh) wordt voor geen van deze kavels overschreden. Dove gevels zijn niet nodig voor deze woningen (kavel 1, 2 en 3). Voor deze drie woningen kan een hogere waarde worden aangevraagd. Akoestisch compensatie is een vereiste zoals opgenomen in het geluidbeleid. Voor kavel 3 wordt de 63 dB overschreden. 1

Akoestisch onderzoek Spoorlaan 125-127, Witteveen+Bos, referentie 138455/23-015.167, d.d. 22 september.

5|8

Witteveen+Bos | 138455/23-017.980 | Concept 01

Voor deze woning zal een uitgebreide motivering1 noodzakelijk waaruit blijkt dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking van het geluidbeleid van de gemeente rechtvaardigen.

4.2

Toetsing hogere waarde beleid ODHW

De voorkeursgrenswaarde (55 dB voor railverkeer) wordt op meerdere posities overschreden (zie afbeelding 4.1). Voor deze posities dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Een hogere waarde kan volgens het hogere waarden beleid van ODWH worden verleend voor woningen die een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen. Deze woningen worden aan drie zijden omsloten door de nieuwe woonwijk Nieuw Boekhorst (initiatief gemeente Teylingen). Hogere waarden kunnen op grond van het hogere waarden beleid van Omgevingsdienst West-Holland slechts worden vastgesteld indien aan de ontheffingsvoorwaarden, zoals omschreven in paragraaf 3, wordt voldaan. Onderstaand wordt per voorwaarde aangegeven of wordt voldaan aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid.

4.2.1

Akoestische compensatie

Omdat de geluidbelasting in de voorliggende situatie hoger is dan 58 dB ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen is akoestische compensatie benodigd. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van een hogere geluidwering dan wettelijk wordt vereist. Verder geldt dat voor de drie kavels een geluidluwe zijde aanwezig is op minimaal twee gevels op de begane grond.

4.2.2

Ligging verblijfsruimten

Een hogere waarde hoger dan 58 dB kan in eerste aanleg alleen worden vastgesteld indien voldoende verzekerd wordt dat de verblijfsruimten, alsmede ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten, niet aan de gevel worden gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt. Aan deze voorwaarde zal worden voldaan. Bij de situering van de verblijfsruimten en buitenruimte zal hier rekening mee gehouden worden. Het is aan te raden geluidgevoelige functies, zoals een slaapkamer, aan deze zijde te realiseren.

4.2.3

Geluidluwe gevel

Bij een waarde vanaf 58 dB dient volgens het beleid van de ODWH bovendien gestreefd te worden naar ten minste een stille gevel (< 55 dB). In voorliggende situatie is voor kavel 1 en 2 sprake van een tweetal stille gevels. Voor kavel 3 geldt dat ook, met uitzondering van de zolderverdieping (7,5 m) op de zuidwestgevel.

4.3

Maximale geluidbelasting 63 dB

Tot slot geeft het beleid van ODHW aan dat de hogere waarde maximaal 63 dB mag bedragen. In voorliggende situatie zal dat alleen gelden voor kavel 3, waarbij de noordoostgevel van de beoogde woning deze waarde van 63 dB overschrijdt. Voor de noordelijke helft van de zuidoostgevel wordt deze waarde alleen overschreden op de tweede (4,5 m) en derde bouwlaag (7,5 m). Bij uitzondering kan echter een waarde van 68 dB worden verleend, indien dit nader wordt gemotiveerd. 1

In het geluidbeleid is niet het (volledige) kader opgenomen waaruit de uitgebreide motivering moet bestaan. Er zijn geen vastomlijnde omstandigheden die een afwijking van het geluidbeleid rechtvaardigen. Ervaring op basis van eerder doorlopen procedures kan daarbij een handvat bieden.

6|8

Witteveen+Bos | 138455/23-017.980 | Concept 01

5

MOTIVERING AFWIJKEN VAN HOGERE WAARDE BELEID

Resumerend kan gesteld worden dat alleen voor kavel 3 niet volledig voldaan kan worden aan de voorwaarde van een maximale hogere waarde van 63 dB. Afwijken van het beleid is mogelijk wanneer uit een uitgebreide motivering blijkt waarom de omstandigheden deze uitzonderlijke afwijking van het geluidbeleid rechtvaardigen. Onderstaand wordt nader gemotiveerd waarom het afwijken van het geluidbeleid in voorliggende situatie acceptabel wordt geacht. Bovendien zal de beoogde ontwikkeling in de toekomst te midden van een nieuwe woonwijk zijn gelegen. Conform de Structuurvisie van gemeente Teylingen is het ruimtelijk beleid onder andere gericht op de verdere groei van de woningvoorraad. Deze nieuwe wijk zal hierop aansluiten en is reeds in de Structuurvisie aangegeven. In figuur 5.1 wordt het plangebied binnen de structuurvisie aangegeven van gemeente Teylingen.

Afbeelding 5.1 Structuurvisie

5.1

Maximale hogere waarde 63 dB

Er dient gemotiveerd te worden dat het in de voorliggende situatie gerechtvaardigd is om af te wijken van het gemeentelijk geluidbeleid waarin de voorwaarde is opgenomen dat de te verlenen hogere waarde maximaal 63 dB mag bedragen. De nodige inspanning zal verricht worden om te waarborgen dat sprake is van een akoestisch aangenaam woon- en leefklimaat. De beoogde woning zal voorzien in één volledige gevel die kan worden aangemerkt als stille zijde en een stille zijde waar enkel de geluidsbelasting op de zolderverdieping sprake is van een maximale geluidsbelasting van 56 dB. Alsmede betreft het slechts één gevelzijde alwaar de waarde van 63 dB wordt overschreden. Verder zullen geluidgevoelige ruimten zoveel mogelijk aan de minder geluidbelaste zijden gesitueerd worden, en niet-geluidgevoelige ruimten (zoals een badkamer, keuken, technische ruimte of trappenhuis) zullen juist gesitueerd worden aan de meest geluidbelaste zijde. Wat betreft het akoestisch binnenniveau zal bovendien worden voldaan aan de nieuwbouweisen conform het Bouwbesluit 2012. Hiermee wordt een goed woon- en leefklimaat gecreëerd.

7|8

Witteveen+Bos | 138455/23-017.980 | Concept 01

5.2

Aanvullende motivering structuurvisie Teylingen en plangebied

Direct ten oosten van de beoogde ontwikkeling zijn reeds woningbouwgronden aangekocht voor de ontwikkeling deze nieuwe wijk, te weten Nieuw Boekhorst. In het gebied tussen de nieuwe wijk Hooghkamer en de gemeentegrens met Noordwijk zal deze nieuwbouwwijk worden gerealiseerd. Door de opdrachtgever is aangegeven dat in ruil voor een deel van de betreffende woningbouwgronden met de gemeente is overeengekomen dat de beoogde ontwikkeling een woonbestemming mag verkrijgen. Dit omdat de beoogde ontwikkeling in de toekomst toch te midden van een woongebied zal zijn gelegen. De gemeente is aldus reeds akkoord met woningbouw ter plaatse van het plangebied. Naar verwachting zullen de beoogde woningen die worden gesitueerd in deze nieuwe wijk tevens te maken krijgen met hoge geluidbelastingen ten gevolge van railverkeer. Het is dan ook te verwachten indien hier een geheel nieuwe wijk wordt gerealiseerd, maatregelen in de vorm van geluidschermen zullen worden getroffen. Voor een enkele woning is een dergelijke maatregel te omvangrijk. Ingeval meerdere woningen geconfronteerd worden met hoge geluidbelastingen is dit echter een realistische maatregel.

De situatie waarin sprake zal zijn van een hogere geluidbelasting dan 63 dB zal hiermee wellicht slechts van tijdelijke aard zijn, aangezien naar verwachting en volgens opgave van opdrachtgever, net zoals voor de woningen in de wijk Hooghkamer, een geluidscherm gerealiseerd gaat worden. Gezien voorgaande en onder andere het feit dat de beoogde woning voorziet in een stille zijde, zal sprake zijn van een prettig woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. De overschrijding van de waarde van 63 dB ter plaatse van één gevelzijde wordt hiermee als acceptabel geacht.

6

CONCLUSIE

Het voornemen bestaan om een drietal woningen naast de bestaande woning en reeds planologisch vastgestelde nieuwe woning aan de Spoorlaan 127 te realiseren. Ter plaatse van de gevels van deze woning is echter sprake van geluidbelastingen ten gevolge van railverkeer waardoor het niet mogelijk is om aan de voorwaarden uit het hogere waardenbeleid van ODWH te voldoen. Een hogere waarde van meer dan 63 dB wordt conform het hogere waardenbeleid van ODWH niet toegestaan. In de voorliggende notitie is hiertoe nader gemotiveerd waarom het in deze situatie acceptabel wordt geacht om af te wijken van het hogere waardenbeleid van ODWH. In de voorliggende situatie wordt inspanning verricht om een akoestisch prettig woon- en leefklimaat te waarborgen. Zo zal kavel 1 en 2 minimaal twee stille zijden verkrijgen en kavel 3 één zijde (NW) aangevuld met een extra stille zijde (ZW) op de begane grond. Verder zal het binnenniveau moeten voldoen aan de nieuwbouweisen conform het Bouwbesluit 2012. Ook zullen juist niet-geluidgevoelige ruimten zoveel mogelijk aan de hoogst geluidsbelaste zijden worden gerealiseerd.

Gezien voorgaande en het feit dat de gemeente reeds akkoord is met woningbouw (kavel 4) op de beoogde locatie en de beoogde ontwikkeling (met geluidsscherm) in de toekomst te midden van een woonwijk zal zijn gesitueerd, wordt het afwijken van het hogere waarden beleid van ODWH acceptabel geacht.

8|8

Witteveen+Bos | 138455/23-017.980 | Concept 01

Bijlage 5 Archeologische onderzoek plan Nieuw Boekhorst

83

Archeologisch bureauonderzoek van plangebied Nieuw Boekhorst te Voorhout, gemeente Teylingen

550

Archeologisch bureauonderzoek van plangebied Nieuw Boekhorst te Voorhout, gemeente Teylingen

Colofon Archol Rapport 550 Archeologisch bureauonderzoek van plangebied Nieuw Boekhorst te Voorhout, gemeente Teylingen

Projectleiding: Auteur: Tekstredactie Beeldmateriaal: Autorisatie Sr archeoloog:

Handtekening

ISSN 1569‐2396 © Archol,

2

Inhoud Colofon .............................................................................................................................................................................. 2 Samenvatting .................................................................................................................................................................... 4 1 Inleiding ................................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doelstelling .................................................................................................................................... 5 1.2 Plangebied, huidig en toekomstig gebruik ....................................................................................................... 6 1.3 Onderzoeksopzet en organisatie .......................................................................................................................... 6 2 Bureauonderzoek ..................................................................................................................................................... 8 2.1 Inleiding en methodiek ....................................................................................................................................

8 2.2 Landschappelijk kader ..................................................................................................................................... 9 2.2.1 Ontstaan landschap .................................................................................................................................... 9 2.2.2 Geologie en bodemopbouw in het plangebied........................................................................................... 10 2.3 Archeologisch en historisch kader .................................................................................................................. 16 2.3.1 Gemeentelijke verwachtingskaart ............................................................................................................. 16 2.3.2 Archis‐gegevens ....................................................................................................................................... 18 2.3.3 Vooronderzoek ......................................................................................................................................... 19 2.3.4 Historisch kaartmateriaal ..........................................................................................................................

20 2.3.5 Verstoringen ............................................................................................................................................. 23 2.4 Gespecificeerde archeologische verwachting ................................................................................................. 24 3 Conclusie en aanbevelingen .................................................................................................................................... 25 3.1 Conclusie ........................................................................................................................................................... 25 3.2 Aanbevelingen .............................................................................................................................................. 25 Literatuur ........................................................................................................................................................................ 28 Figurenlijst ....................................................................................................................................................................... 29 Tabellenlijst ..................................................................................................................................................................... 29

3

Samenvatting Archol heeft in opdracht van Witteveen+Bos een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het 40 ha grote plangebied Nieuw Boekhorst te Voorhout in de gemeente Teylingen. Aanleiding voor het onderzoek is de hier geplande nieuwbouw van een woonwijk. Het plangebied ligt in bestemmingsplan Buitengebied, 1e herziening, dat is vastgesteld op 19 december 2019 (onherroepelijk). Het blijkt volgens dit bestemmingsplan grotendeels samen te vallen met gronden waaraan de bestemming ’Waarde ‐Archeologie categorie 6’ is toegekend. Op deze gronden geldt voor geplande grond‐ en hei/schroefwerkzaamheden vanaf diepte groter dan 30 cm en een omvang groter dan 500 m2, dat de aanvrager van de omgevingsvergunning vóór het bouwen een archeologisch rapport moet overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord zijn vastgesteld. Aangezien de bodemingepen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen deze ondergrenzen zullen overschrijden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Doel van het onderzoek was vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is erop gericht een specifiek verwachtingsmodel voor het terrein op te stellen met de bekende en verwachte archeologische waarden.

Het plangebied blijkt gelegen op een vlakte van een ingesloten strandvlakte met of zonder vervlakte duinen. Deze vlakte wordt aan de zuidoostzijde en noordwestzijde begrensd door strandwallen. Waarschijnlijk heeft de strandvlakte bestaan tot in de bronstijd. Daarna stroomde de strandvlakte niet langer over, maar was deze nog wel zo nat dat de vlakte begroeid raakte met riet. Het proces van veenvorming die hierbij plaatsvond, duurde voort tot in de late ijzertijd of de Romeinse tijd. Aan het einde van de Romeinse tijd en in de vroege middeleeuwen kwamen in het mondingsgebied van de Oude Rijn wederom overstromingen voor. Daarbij is uiteindelijk ook het veengebied overstroomd. Het plangebied is dus lang een nat landschap geweest: eerst een strandvlakte, daarna een uitgestrekt moeras dat regelmatig overstroomde. Waarschijnlijk is het gebied pas sinds de laatmiddeleeuwse veenontginningen bewoonbaar geworden. Op grond van het archeologisch bureauonderzoek is het volgende te verwachten en te adviseren. Binnen het plangebied zijn twee bekende historische objecten aanwezig, te weten een kasteelterrein/boerenerf en een molen. Voor deze locaties geldt een hoge verwachting. Aangezien op de twee historische locaties met name funderingen zijn te verwachten, is regulier verkennend booronderzoek niet aan te bevelen als eerste stap van het vervolgonderzoek.

Archol adviseert in dit geval dan ook om in te zetten op geofysisch bodemonderzoek, gericht op het lokaliseren van muurfunderingen en grachten (uit de verschillende fasen van) het kasteelterrein en de molen. Verder geldt voor enkele verstoorde zones een zeer lage verwachting. De verstoorde gebieden met een zeer lage verwachting kunnen zondermeer worden vrijgegeven. In de overige (ongestoorde) delen van het plangebied lijkt de bestaande middelhoge verwachting zoals aangegeven op de gemeentelijke verwachtingskaart bij te stellen tot laag: op basis van globale landschappelijke kenmerken en resultaten uit omringende en overlappende onderzoeksgebieden. Zolang er echter geen nader booronderzoek is uitgevoerd binnen het plangebied, is deze bijgestelde verwachting niet te staven en dient de middelhoge verwachting nog gehandhaafd te blijven. Het verdient dan ook aanbeveling om in navolging van de beleidskaart in deze middelhoge verwachtingszones binnen het plangebied, in geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, vroegtijdig archeologisch inventariserend veldonderzoek uit te voeren. Doel is om voor deze omvangrijke gebieden de bodemopbouw en het landschap meer gedetailleerd in kaart te brengen, zodat het verwachtingsmodel getoetst en waar nodig bijgesteld kan worden.

Ondanks dat het bureauonderzoek met alle zorgvuldigheid is opgesteld, is niet uit te sluiten dat in adviesgebieden zonder vervolgonderzoek, toch archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Zo is eerder immers al gewezen op mogelijke toevalsvondsten in gebieden met natte landschapen uit de prehistorie en Romeinse tijd. Indien er bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan dient hiervan conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet melding gedaan te worden bij het bevoegd gezag. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de gemeente Teylingen een formeel besluit. Met betrekking tot deze aanbevelingen dient dan ook contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag.

4

1 Inleiding

1.1

Aanleiding en doelstelling

Archol heeft in opdracht van Witteveen+Bos een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het 40 ha grote plangebied Nieuw Boekhorst te Voorhout in de gemeente Teylingen (Figuur 1.1). Aanleiding voor het onderzoek is de hier geplande nieuwbouw van een woonwijk. Het plangebied ligt in bestemmingsplan Buitengebied, 1e herziening, dat is vastgesteld op 19 december 2019 (onherroepelijk). Het blijkt volgens dit bestemmingsplan grotendeels samen te vallen met gronden waaraan de bestemming ’Waarde ‐Archeologie categorie 6’ is toegekend. Op deze gronden geldt voor geplande grond‐ en hei/schroefwerkzaamheden vanaf diepte groter dan 30 cm en een omvang groter dan 500 m2, dat de aanvrager van de omgevingsvergunning vóór het bouwen een archeologisch rapport moet overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord zijn vastgesteld. Aangezien de bodemingepen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen deze ondergrenzen zullen overschrijden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Doel van het onderzoek is vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is erop gericht een specifiek verwachtingsmodel voor het terrein op te stellen met de bekende en verwachte archeologische waarden.

Figuur 1.1 Ligging plangebied (rood omlijnd, bron: Top25 Kadaster).

5

1.2

Plangebied, huidig en toekomstig gebruik

Het plangebied bevindt zich direct ten noordwesten van de bebouwde dorpskern van Voorhout. Het ca. 40 ha grote gebied ligt tussen de Noordelijke Randweg, het spoor, de Beukenrode en de Boekenburglaan (Figuur 1.2). De plannen zijn momenteel nog in ontwikkeling. Volgens de Structuurvisie 2030 van de gemeente Teylingen zullen ca. 900 woningen worden gerealiseerd, inclusief de bijbehorende infrastructuur (o.a. wegen, kabels en leidingen). De exacte aard en omvang van de bodemingrepen zijn momenteel nog niet bekend. Om deze reden wordt in dit rapport de gehele omvang van het plangebied als onderzoeksgebied aangehouden. Voor de fundering van de woningen zal de grond naar verwachting dieper dan 30 cm worden afgegraven. Voor de aanleg van de riolering wordt tot ca. 3 m diep graven.

Figuur 1.2 Situering plangebied in rood, bron: luchtfoto PDOK.

1.3

Onderzoeksopzet en organisatie

Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en een deels is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het plangebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is

6

opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende standaardrapportages. Dit rapport betreft een bureauonderzoek. Het bureauonderzoek geeft een samenvatting van wat er in archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht bekend is over het plangebied. Het doel is om door middel van bestaande bronnen te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van de resultaten kan het bevoegd gezag een beslissing nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek zoals het toetsen van deze verwachting in de vorm van een inventariserend veldonderzoek.

Soort onderzoek: Projectnaam: Archolprojectcode: Archis‐zaaknummer:

Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Nieuw Boekhorst NBH2021 4888727100

Opdrachtgever: Bevoegd gezag: Archeologisch adviseur bevoegd gezag:

Witteveen+Bos, (PMC Bodemgebruik, ondergrond en omgeving) Gemeente Teylingen, Omgevingsdienst West‐Holland

Uitvoerder: Periode van uitvoering bureauonderzoek: Rapport gereed: Versie Status: Goedkeuring bevoegd gezag Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Coördinaten gebied: Oppervlakte plan‐ of onderzoeksgebied: Huidig grondgebruik:

Archeologisch Onderzoek Leiden bv 31 augustus. ‐ 10 september 2020 2 februari 2021 3.0 Definitief Ja Zuid‐Holland Teylingen Voorhout Nieuw Boekhorst Centrumcoördinaat 92.780/471.690 Ca. 40 ha Gras‐ en (tuin)bouwland met enkele kassen

Beheer en plaats van documentatie en vondsten:

N.v.t.

Tabel 1.1 Administratieve gegevens.

7

2 Bureauonderzoek 2.1

Inleiding en methodiek

Het bureauonderzoek is erop gericht aan de hand van bekende en verwachte archeologische waarden een verwachtingsmodel voor het plangebied van nieuwbouwwijk Nieuw Boekhorst op te stellen en eventuele verstoringen in kaart te brengen. Dit verwachtingsmodel resulteert in een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied, waarin voor zover mogelijk uitspraken worden gedaan over de datering, het complextype, de locatie, de omvang en diepteligging, de gaafheid en conservering en uiterlijke kenmerken van mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden. Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van verschillende bronnen informatie verzameld om inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de (lokale) opbouw van de bodem en de sporen die de mens in het landschap heeft achtergelaten (Tabel 2.1). Zo zijn aardwetenschappelijke gegevens en historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Het archeologisch informatiesysteem (Archis) is geraadpleegd om de bekende archeologische waarnemingen binnen en direct rondom het plangebied in kaart te brengen. Verder zijn uitgevoerde archeologische onderzoeken uit de directe omgeving geraadpleegd. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) 4.1, protocol 4002.

Bron Verplichte bronnen Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Archis Historische kaarten Gemeentelijke beleids/verwachtingskaarten Niet‐Verplichte bronnen (beredeneerde keuze) Centraal Monumenten Archief (CMA) Centraal of archeologisch archief (CAA) Cultuur Historische waardenkaart (CHW) IKME Indicatieve Kaart Militair Erfgoed Bodemkaart van Nederland, schaal minimaal 1:50.000 Gedetailleerde geologische‐ of bodemkaarten Oude kadasterkaarten Topografische kaart van Nederland Beeldmateriaal voor bouwhistorie

Geraadpleegd

Motivatie (wanneer niet gebruikt)

Ja Ja Ja Ja

Nee Nee Ja

Archis is geraadpleegd Archis is geraadpleegd Maar geen aanvullende informatie

relevante

Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Milieukundig bodemonderzoek Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten binnen het onderzoeksgebied Lucht‐ en satellietfoto’s Archieven Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Amateurarcheologen

Ja Ja

Gebiedsgerichte specialisten Eigenaar en gebruiker Provinciale depots Tabel 2.1 Geraadpleegde bronnen.

Nee Nee Nee

voormalig kasteel‐ en molenterrein aanwezig Via Bodemloket Via Archis. Relevante gegevens zijn in het rapport opgenomen

Ja Nee Ja Nee

Niet relevant Er zijn genoeg gegevens in Archis voor analyse N.v.t. in fase bureauonderzoek N.v.t. (geen veldwerk) N.v.t.

8

2.2 2.2.1

Landschappelijk kader Ontstaan landschap

De bewoningsgeschiedenis van het plangebied werd grotendeels bepaald door het omringende landschap en de veranderingen daarin door de tijd heen. Voor een goed beeld van de bewoningsmogelijkheden in het verleden volgt nu een beknopt overzicht van de geologische ontwikkeling van de overkoepelende regio van het plangebied, waarna in een volgende paragraaf specifiek wordt ingegaan op de situatie in het plangebied zelf (voor de geologische en archeologische perioden, zie Figuur 2.2).1 Het plangebied is gelegen in het Hollandse duingebied, op de rand van het mondingsgebied van de Oude Rijn. Het duingebied omvat het huidige strand, alle strandwallen, ‐vlakten en de duinen die aan de oostzijde van het strand voorkomen in Noord‐ en Zuid‐Holland.2 Aan de zeezijde komen de buitenduinen voor, die ook wel de jonge duinen worden genoemd. Verder landinwaarts liggen de lagere en minder reliëfrijke oude duinen. De Oude Rijn heeft zich ontwikkeld vanaf het midden van het 5e millennium v. Chr. De ontwikkeling van het mondingsgebied van de Oude Rijn is dynamisch en complex. Het ontstaan van het duingebied is sterk gerelateerd aan de zeespiegelstijging gedurende het Holoceen (vanaf ca. 9500 v. Chr.). Tijdens een periode van relatief snelle zeespiegelstijging die tot ca. 4500‐4000 v. Chr.

duurde, bestond de kust van Nederland uit een uitgebreid waddengebied met zandbanken en ‐platen die gescheiden werden door grote getijdegeulen (Figuur 2.1a). Dit waddengebied werd gedeeltelijk afgeschermd van de open zee door een reeks eilanden. Deze kustlijn werd als gevolg van de alsmaar stijgende zeespiegel geleidelijk omgewerkt en steeds verder naar het oosten verplaatst. Vanaf 4500‐4000 v. Chr. nam de stijging van de zeespiegelstand sterk af en kwam de oostwaartse verplaatsing van de kustlijn tot stilstand. Vanuit de Noordzee en de grote rivieren werden grote hoeveelheden zand aangevoerd, waardoor de getijdengeulen geleidelijk verzandden en de reeks eilanden aan elkaar groeide tot een strandwal. In de periode 3850 ‐2750 v. Chr. bevond het plangebied zich nog in zee, direct ten westen van de strandwal (Figuur 2.1b). Achter de strandwallen vond grootschalige veenvorming plaats, waarbij het Hollandveen Laagpakket werd gevormd. Tot ongeveer 0‐100 n. Chr. bleef de grote aanvoer van zand in stand, waardoor de kustlijn steeds verder westwaarts uitbreidde. Bij deze uitbreiding werden afwisselend strandvlaktes en strandwallen gevormd. Figuur 2.1c toont de ligging van het plangebied te midden van de strandvlakte, aan weerszijden ingesloten door hoge duinen, rond 100 n. Chr. Vanaf ca. 200‐300 n. Chr.

nam de snelheid van de zeespiegelstijging nog verder af, waardoor er minder zand werd aangevoerd vanuit de Noordzee en verschillende riviermondingen inactief werden. Door golfwerking en in mindere mate het getij werd een deel van de strandwallen en buiten de kustlijn uitstekende delta’s van de Maas, Rijn en Oude Rijn geërodeerd. Het vrijkomende zand werd door de wind opgeblazen in een brede zone met jonge duinen die voor een groot deel de oudere strandwallen en strandvlaktes bedekken. Ook in de strandvlaktes achter de duinen werd zand afgezet door de wind. Figuur 2.1d toont de ligging van het plangebied te midden van de strandvlakte (en wederom hoge duinen aan weerszijden) met de grotendeels dichtgeslibde riviermonding van de Rijn ten zuiden daarvan. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw ontdekte men dat het Hollandse duingebied vanwege de kalkrijke zandgronden een gunstige locatie was voor de bloembollenteelt. Om de gronden geschikt te maken werden strandwallen afgegraven en werd het kalkrijke zand uit de ondergrond omhoog gehaald. Op verschillende plaatsen werden ook de strandvlaktes tussen de strandwallen verbeterd om bollenvelden te creëren. Deze gronden, waar het kalkrijke zand onder een laag veen of klei voorkwam, zijn vaak ernstig vergraven. Grondverbetering heeft hier plaatsgevonden door middel van diepdelven of omspuiten.

Bij diepdelven werd de grond lokaal afgegraven tot het kalkrijke zand, dat vervolgens werd opgegraven en op het maaiveld werd neergelegd. Bij omspuiten werd eerst een gat gegraven, waarna met een zuiger zand omhoog werd gespoten om het op het land achter de zuiger neer te leggen. Zo ontstond land dat voor de bollenteelt geschikt was.3

1

De ontstaansgeschiedenis is grotendeels overgenomen uit Moerman 2014. Berendsen 2005. 3 Horn, Moerman & Koekkelkoren 2012, 10. 2

9

2.2.2

Geologie en bodemopbouw in het plangebied

Het plangebied is volgens de geomorfologische kaart (Figuur 2.3) gelegen op een vlakte van een ingesloten strandvlakte met of zonder vervlakte duinen (kaartcode 2M40). Deze vlakte wordt aan de zuidoostzijde en noordwestzijde begrensd door strandwallen. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een strandwal die is ontstaan tussen ongeveer 2875 en 2525 v. Chr. De noordwestelijke strandwal ligt op 300 m van het plangebied en dateert uit ongeveer 2525 tot 2250 v. Chr. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied gaat de bodem over in een vlakte van getij‐ en riviermondafzettingen van de Oude Rijn (kaartcode 2M34). Volgens de bodemkaart (Figuur 2.4) bestaat de bodemopbouw op de strandvlakte uit beekeerdgronden van leemarm en zwak lemig fijn zand (kaartcode pZg21). Deze gronden hebben een humushoudende bovengrond die soms nauwelijks dikker is dan 15 cm. In de ondergrond komt veen voor. In het zuidwesten van het plangebied komen Liedeerdgronden (kaartcode pMv51), bestaande uit zavel. Liedeerdgronden zijn klei‐op‐veengronden met een donkere humusrijke bovengrond. Bij Voorhout wordt bovenop het veen een 5 à 15 cm dik laagje humusrijke klei aangetroffen die is afgezet vanuit de Oude Rijn. Het zand in de kleilaag is hoofdzakelijk hier terecht gekomen door bemesting maar kan ook zijn ingeblazen vanaf duinen of strandwallen.

Ook op de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied is gelegen in een laaggelegen zone (rood) tussen twee strandwallen waarop Voorhout en Noordwijk zijn gesitueerd (oranje). In het plangebied zijn kleurnuances te zien, de lichte delen zijn hoger gelegen. Op deze percelen is de bodem bewerkt voor grondverbetering en hier is de oorspronkelijke bodem niet meer (geheel) intact (Figuur 2.5).

10

a.

b.

c.

d.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (rood) op de paleogeografische kaarten van het duingebied in verschillende perioden: a. 5500 v. Chr.; b. 2750 v. Chr.; c. 100 n. Chr.; d.1500 n. Chr. (bron kaarten: Vos 2015).

11

Figuur 2.2 Tijdstabel met geologische en archeologische perioden

12

Figuur 2.3 Geomorfologische kaart van het plangebied (rood omlijnd) en omgeving, bron: PDOK.

13

Figuur 2.4 Bodemkaart van het plangebied, bron: PDOK.

14

Figuur 2.5 Uitsnede uit het AHN met hoogtematen in m t.o.v. NAP en het plangebied rood omlijnd; bron: AHN.

15

2.3 2.3.1

Archeologisch en historisch kader Gemeentelijke verwachtingskaart

De Gemeente Teylingen heeft samen met de gemeenten Katwijk, Noordwijkerhout, Lisse en Hillegom een archeologische verwachtingskaart laten opstellen die is verschenen in 2015.4 In 2020 is er een update uitgevoerd.5 De wijzigingen zijn doorgevoerd in de bestemmingsplannen. De kaart is een belangrijke bron voor het bureauonderzoek, omdat hiervoor reeds veel gedetailleerde informatie bij elkaar gebracht en gecombineerd is. Op de kaart is te zien dat het plangebied is gelegen in een gebied met verschillende archeologische verwachtingswaarden (Figuur 2.6). Het grootste deel betreft zones met een middelhoge verwachting (geel: archeologische waarde categorie 6). De middelhoge verwachting is gebaseerd op onderzoek in de gemeente Katwijk, waar ondanks de ongunstige ligging voor bewoning op de strandvlakte enkele vondsten uit de ijzertijd en Romeinse tijd waren aangetroffen. In theorie kan men ook in de gemeente Teylingen op de strandvlakte bewoningssporen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd verwachten.6 Grote delen bestaan echter uit zones met een diepe bodemverstoring die daarom als een zeer lage verwachtingszone zijn aangemerkt (grijs: archeologische waarde categorie 12).

In het zuiden ten slotte, zijn twee afzonderlijke zones gelegen die twee bekende archeologische vindplaatsen betreffen, namelijk een kasteelterrein uit de late middeleeuwen en een windmolen uit de Nieuwe tijd (paars: archeologische waarde categorie 1b). Voor de verschillende zones zijn vrijstellingsgrenzen aangegeven. Waarde categorie 12, waar een zeer lage verwachting geldt, is volledig vrijgegeven voor bodemingrepen. Voor het overige deel van het plangebied is een vrijstellingsgrens vastgesteld tot 30 cm – mv. In categorie 6 geldt daarbij een vrijgave voor bodemingrepen kleiner dan 500 m2. Voor de beide vindplaatsen van waarde categorie 1b geldt deze vrijgave voor bodemingrepen niet (ondergrens is namelijk 0 m2). Omdat het plangebied ca 40 ha beslaat en de bodemingrepen naar verwachting dieper zullen reiken dan 30 cm – mv, worden de vrijstellingsgrenzen overschreden en bestaat er een kans dat daarbij archeologische resten worden verstoord.

4

Wink 2015. Uitgevoerd door Archol, in concept. 6 Toelichting, 106; zie ook: Janssen 2011, 31. 5

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=d4133062-0a28-4a4f-9626-05d944644d10