CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bestemmingsplan 'Uitbreiding Spoorlaan 125-127, Voorhout' – toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan 'Uitbreiding Spoorlaan 125-127, Voorhout'13.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.8

Ecologie

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de natuurbeschermingswetgeving en beleid. Voor de toetsing aan de natuurbeschermingswetgeving is er een Quickscan ecologie (bijlage 10) en een stikstofberekening (bijlage 12) uitgevoerd. 5.8.1

Onderzoek

Beoordeling Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ca. 3,1 km afstand van het dichtsbijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Als gevolg van de afstand tussen het plangebied en de omliggende Natura 2000-gebieden, wordt het optreden van fysieke effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan uitgesloten. Een Voortoets om fysieke effecten op Natura 2000-gebieden te toetsen is niet nodig. Voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase van de ontwikkeling. Hieruit blijkt dat er geen toename van de stikstofdepositie plaatsvindt ten gevolge van de aanlegfase en de gecombineerde aanleg- en gebruiksfase. Zie paragraaf 5.8.2.

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNN heeft geen 'externe werking' die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Soortenbescherming Voor het onderdeel soortenbescherming is een ecologische quickscan voor het gehele plangebied uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 10 bijgesloten. In onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.

29

Op basis van de resultaten van deze quickscan en de te verwachten effecten van de ingreep is duidelijk geworden dat negatieve effecten op flora, grondgebonden zoogdieren, reptielen, vissen en insecten & zoetwatermollusken kunnen worden uitgesloten. Voor de soortgroepen vleermuizen en amfibieën is er risico op overtreden van de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor vleermuizen is er nader onderzoek nodig voor wanneer er sloop en grondwerkzaamheden uitgevoerd gaan worden in het plangebied. Dit onderzoek wordt nu nog niet uitgevoerd omdat het nog niet duidelijk is wanneer een deel van de schuur gesloopt gaat worden. Door het onderzoek nu al uit te voeren zijn de resultaten tegen de tijd van het uitvoeren van de werkzaamheden mogelijk al verouderd en moet het onderzoek opnieuw uitgevoerd worden. Wel is het uitvoeren van het nadere onderzoek vastgelegd in de regels in 7.5 Voorwaardelijke verplichting sloop en grondwerkzaamheden & nader onderzoek vleermuizen,. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden tot de realisatie van mitigerende maatregelen. Bijvoorbeeld door het plaatsen van vleermuiskasten bij de nieuwe woningen. Derhalve wordt het doorschuiven van dit nadere onderzoek haalbaar en uitvoerbaar geacht.

Voor de amfibieën (rugstreeppad) is een omgevingsvergunning flora en fauna activiteiten bij de omgevingsdienst Haaglanden op 22 april 2024 aangevraagd voor de verwonding/doding van individuen en vernietiging van de overwinteringshabitat. Voor de omgevingsvergunningaanvraag is een activiteitenplan opgesteld, zie hiervoor Bijlage 11. Het ligt in de lijn der verwachting dat ook voor deze locatie een ontheffing flora en fauna wordt verleend aangezien het plangebied naast de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst ligt. Voor de ontwikkeling Nieuw Boekhorst ook een ontheffing verleend. En voorliggende planontwikkeling heeft betrekking op hetzelfde leefgebied (en daarmee uiteindelijk ook op de compensatie van het dit leefgebied). Hierdoor ligt het in de lijn der verwachting dat ook voor deze locatie een omgevingsvergunning flora en fauna activiteiten wordt verleend. Derhalve is

30

een voorwaardelijke verplichting met het oog op het regelen van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk. En volstaat het verlenen van de ontheffing. Verder is in paragraaf 4.2.2 reeds onderbouwd waarom het plan voldoet aan de provinciale regels voor beschermde natuurgebieden. Conclusie Het planvoornemen kan gezien vanuit ecologie nog niet gerealiseerd worden. Er dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen voor vleermuizen, vogels en de amfibieën er moet nader onderzoek worden verricht naar vleermuizen. Ten behoeve hiervan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit nadere onderzoek moet worden uitgevoerd alvorens de sloop van de bebouwing plaats vindt.

5.8.2

Stikstof

Door Witteveen en Bos heeft een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 12 bijgevoegd aan de toelichting. Uit de AERIUS-berekening voor de aanlegfase en de beoogde situatie tijdens de permanente gebruiksfase blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in bijlage II en III van Bijlage 12. Op basis van deze resultaten kan op voorhand uitgesloten worden dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden ten gevolge van stikstofdepositie. Het planvoornemen is inpasbaar binnen de voorschriften van de Wet natuurbescherming. Conclusie Op basis van het onderzoek kan op voorhand uitgesloten worden dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden ten gevolge van stikstofdepositie. Het planvoornemen is inpasbaar binnen de voorschriften van de Wet natuurbescherming.

5.9

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakteen grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer.

31

Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van: klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering, die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten.

Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Keur Rijnland 2020 Op 1 juni 2020 is de Keur Rijnland 2020 in werking getreden. In de keur is aangegeven welke voorwaarden en verboden er gelden ten aanzien van het watersysteem. Waterschapsverordening van Rijnland 2024 Rijnland werkt aan het omzetten van de Keur in de Waterschapsverordening, waar nieuwe klimaatregels aan worden toegevoegd. Deze nieuwe regels zijn op basis van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen nader uitgewerkt voor het beheergebied van Rijnland. Er wordt verwacht dat deze per 1 januari 2024 worden vastgesteld. Waterbeheeprogramma 6 (WBP6) Het algemeen bestuur van Rijnland heeft in 2022 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP6) "Water wijst de weg" vastgesteld. In het 'Waterbeheerplan 6 2022-2028' staat samen werken aan water centraal, zodat nu en in de toekomst in dit unieke deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden.

Water is een maatschappelijke opgave en Rijnland wil, samen met zijn omgeving, werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon en voldoende water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit; Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied. Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater. Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. De Blauwe Lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het Rapport Blauwe Lens.

De Blauwe Lens geeft aan dat het gebied en het watersysteem veerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat de problemen niet afwentelen op de omgeving, maar water juist moeten inzetten als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water sturend te maken. Beoordeling

32

Watergangen Navolgend is een uitsnede van de legger van het Hoogheemraadschap opgenomen. Het plangebied grenst aan een primaire watergang in het oosten. In het noorden en zuidwesten grenst het plangebied aan overig oppervlaktewater. Langs de watergang aan de noordzijde is geen begroeiing toegestaan. En langs de watergang in het zuidwesten is langs elke oever 20% begroeiing toegestaan. Deze watergang wordt in het kader van de ontwikkeling Nieuw Boekhorst deels gedempt.

Afbeelding Legger watersysteem (Hoogheemraadschap Rijnland, 2023)

Waterkering Er zijn in de huidige situatie waterkeringen gelegen in of nabij het plangebied. Echter na de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst veranderd deze situatie. En wordt een waterkering om het plangebied heen gelegd. Deze kering wordt aangelegd in verband de scheiding van boezemen polderpeil. Dit levert geen belemmering op voor de planontwikkeling. De sloten rondom de kavel blijven op polderpeil. Hoewel de omliggende omgeving op (plan Nieuw Boekhorst) op boezempeil wordt gebracht, blijft het plangebied op polderpeil. Dit is vanwege het feit dat de kavels relatief laag liggen, en daardoor het risico ontstaat dat de ontwateringsdiepte te klein wordt bij boezempeil.

33

Afbeelding Legger waterkeringen (Hoogheemraadschap Rijnland, 2023) Waterkwantiteit Er is een verhardingsberekening uitgevoerd om de noodzaak tot watercompensatie te kunnen bepalen, deze is opgenomen in Bijlage 13. Er wordt geen open water gedempt en dit hoeft dan ook niet gecompenseerd te worden. Verder blijkt uit de berekening dat er sprake is van een afname van het verhard oppervlak van 230 m2. Daarom is voor de realisatie van verhard oppervlak geen compensatie nodig. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.

De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Aangaande het vuilwater heeft de bestaande woning een septic tank. De nieuwe en bestaande woningen worden op een mini-gemaal met persleiding langs de Spoorlaan op het vuilwaterstelsel van Nieuw Boekhorst aangesloten of worden op het huidig stelsel van Voorhout (t.h.v.

Spoorlaan en Meidoornrode) aangesloten. Dit wordt nader bepaald op basis van de planning van de diverse projecten en ontwerp van de riolering van Nieuw Boekhorst.

34

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld: duurzaam bouwen; het toepassen van berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand, slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.10 Trillingshinder Gezien de afstand van de beoogde woningen tot het nabijgelegen spoor kan er trillingshinder optreden vanwege het treinverkeer. In de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen is aangegeven dat voor planlocaties nabij spoorwegen het raadzaam is om het aspect hinder door spoortrillingen, in het kader van de goede ruimtelijke ordening (zie onder andere art. 3.1.6 Bro) en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten (art. 3:2 Awb), te onderzoeken en af te wegen. Voor de onderbouwing van het plan Nieuw Boekhorst is trillingsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 14). Dit onderzoek kan ook worden gebruikt voor voorliggend plan. Daarbij heeft de onderbouwing van dit aspect alleen betrekking op de 3 nog niet planologisch toegestane woningen. Er wordt geconcludeerd dat als de woningen op meer dan 62 meter van het spoor worden gebouwd, nader onderzoek niet nodig is. Als er gebouwd wordt tussen 62 en 30 meter van het spoor is nader onderzoek nodig. Op minder dan 30 meter van het spoor is het in principe niet mogelijk om te bouwen. Conclusie Trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Binnen een afstand van 30 meter worden planologisch gezien geen nieuwe woningen gerealiseerd. Echter dient er wel nader onderzoek uitgevoerd te worden indien er grondgebonden woningen tussen 30 meter en 62 meter worden geplaatst.

Dit is opgenomen in een voorwaardelijke verplichting "specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting trillingshinder - 2". De locatie waar het nadere onderzoek moet plaatsvinden is aangegeven op de verbeelding.

5.11 Ontplofbare oorlogsresten Voor de onderbouwing van het plan is gebruik gemaakt van het voor het plan Nieuw Boekhorst uitgevoerde onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten (zie bijlage 15 en 16). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied in een verdachte zone ligt waarin de aanwezigheid

35

van explosieven / ontplofbare oorlogsresten verwacht worden. Op basis hiervan worden aanvullende veiligheidsmaatregelen aanbevolen bij grondroerende werkzaamheden, zoals opsporingsonderzoek. Conclusie De locatie is nog niet ingemeten maar wel verdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Omdat er grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden, zal er een nader onderzoek moeten worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Advies Indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden binnen niet vrijgegeven gebied, wordt geadviseerd nader onderzoek uit te laten voeren. Eveneens is nader onderzoek nodig bij gebieden die niet ingemeten zijn, verstoorde gebieden en de plekken waar verdachte objecten aanwezig zijn. Werkzaamheden binnen het vrijgegeven gebied kunnen regulier worden uitgevoerd.

5.12 MER Het plan betreft het planologisch mogelijk maken van drie woningen. Voor het bepalen of een plan (vormvrij) m.e.r. beoordelingsplichtig is, moet gekeken worden naar de activiteit. Hoewel het Besluit m.e.r. de activiteit stedelijke ontwikkeling kent (D11.2.) is het realiseren van drie woningen te kleinschalig om te spreken van een wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling. Het Besluit m.e.r. is hier niet van toepassing.

5.13 Duurzaamheid Duurzaamheid en energie Regionaal beleid Ambitie Regionaal Energieakkoord 2017 Binnen de regio Holland Rijnland hebben gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom klimaat/energie uitgesproken. De regionale ambitie is om in 2050 een energie neutrale regio te zijn en daarmee bij te dragen aan de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van klimaat en energie. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen moeten daaraan bijdragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2050. Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw.

Gemeentelijk beleid Raadsprogramma In het Raadsprogramma 2022-2026 Samen maken we Teylingen, wordt aangegeven dan Teylingen voor de opgaven staat om in 2050 klimaatbestendig en klimaatneutraal te zijn en dat de opgave tot verduurzaming een opgave van ons allemaal is. Lokale energiestrategie Teylingen heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. Alle energie die nodig is wordt dan op eigen grondgebied geproduceerd en in de totale vraag naar warmte, elektriciteit en mobiliteit wordt voorzien met alleen duurzame bronnen. Dit is een grote opgave. Als eerste willen zij daarbij, in lijn met de RES Holland Rijnland, de doelen voor 2030 halen: 15% energiebesparing in de gebouwde omgeving en 11% energiebesparing bij mobiliteit, dit ten opzichte van 2014. Forse stijging van de duurzame elektriciteitsproductie tot 268 TJ, aandeel stijgt van 7,3% in 2019 naar circa 42% in het jaar 2030.

36

Omgevingsvisie Teylingen 'een florerende toekomst voor Teylingen' In de Omgevingsvisie Teylingen wordt een aantal accenten benoemd ten aanzien van duurzaamheid: De gemeente wil energieneutraal in 2050 waarbij in 2030 42% van de energie duurzaam opgewekt wordt; Bij elk bouwplan wordt gestreefd naar minimale milieuschade gedurende de hele levensduur van het bouwwerk; In zetten op energiezuinige nieuwbouw; Bestaande woningen aardgasvrij maken; Het vergroenen van bestaande straten en wijken met als doel de biodiversiteit te bevorderen en klimaatadapatie te ondersteunen; Lokale energieopwekking bevorderen; en Afval als grondstof en bijdragen aan een de biobased economie. DGO In de gemeente Teylingen wordt met het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling (DGO) duurzaamheid verankert in de volgende categorieën: Nieuwbouwwoningen (gebouweisen en eisen voor de inrichting openbare ruimte); Herinrichting van de bestaande openbare ruimte; Onderhoud van de bestaande openbare ruimte; Ontwikkeling van nieuw maatschappelijk vastgoed (scholen, (sport) verenigingsgebouwen, buurthuizen, sociaal-culturele accommodaties). Duurzaamheid heeft hierbij de volgende 6 pijlers: 1. Energie (Energieprestatie, Energiebesparing, Duurzame energie, Opslag van energie); 2. Circulair (grondstoffenbesparing en het bevorderen van de circulaire keten, duurzaam slopen); 3. Natuur en milieu (o.a. Biodiversiteit); 4.

Klimaatadaptatie; 5. Duurzame mobiliteit; 6. Sociale duurzaamheid (sociale cohesie, mentaal en fysiek welbevinden). Per thema worden drie ambitieniveaus uitgewerkt: 1. Wettelijk; 2. Plus; 3. Ambitieus. De te behalen ambitieniveaus in het DGO zijn niet vastgesteld door de gemeente Teylingen maar worden in nauw overleg en samenspraak met alle partijen in een zo vroeg mogelijk stadium bepaald. Hierbij wordt per project het hoogst mogelijk haalbare niveau beoogd. De onder Planspecifieke duurzaamheidsdoelstellingen genoemde punten kunnen hierbij worden meegenomen. De gemeente Teylingen vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is bouwen met zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk. Teylingen streeft ernaar bij elk bouwplan de schade aan het milieu en de mens op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen moeten daar aan bijdragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. De gemeente ambieert een hoge GPR-score voor nieuwbouw ontwikkelingen.

Om duurzaamheid in nieuwbouwplannen te borgen en inzichtelijk te maken heeft de gemeente het instrument De Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Gebouw (GPR-Gebouw) beschikbaar. Dit is een instrument met als doel duurzaam en energiezuinig bouwen meetbaar te maken. Er wordt aan de gemeente geadviseerd om de initiatiefnemer bij ontwikkelingen een GPR-Gebouw berekening te laten uitvoeren. Hiermee is meteen aan de wettelijke eis van de Milieuprestatie Gebouw (MPG)-berekening voldaan (vanaf 1 januari 2018 ook gekwantificeerd). Aardgasloos Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de gasaansluitplicht voor initiatieven vervalt. Planspecifieke duurzaamheidsdoelstellingen

37

In het plan dient aandacht gegeven te worden aan duurzaam bouwen en energie. De volgende opmerkingen worden in dit kader gemaakt: realisatie van bouwwerken die zeer energiezuinig zijn. in het kader van de gebruikskwaliteit worden de woningen goed toegankelijk en functioneel en veilig gemaakt. er wordt ingezet op hergebruikte en/of duurzaam geproduceerde materialen om zodoende schadelijke emissies en uitputting van grondstoffen als gevolg van de productie van bouwmaterialen te beperken. er is aandacht voor levensloopbestendig wonen, met maatregelen zoals drempelloos bouwen en eenvoudig aanpasbare (binnen-)constructies. Daarnaast kan gedacht worden aan herbruikbaarheid van producten en grondstoffen, door bewuste en duurzame materiaalkeuzes. het beperken van geluidsoverlast, voldoende frisse lucht, comfortabele ventilatie en voldoende daglicht. er moet aandacht zijn voor de toegankelijkheid van het bouwwerk voor beschermde soorten, zoals vleermuizen, de gierzwaluw en huismus. het plan wordt in harmonie ontworpen met zijn natuurlijke omgeving. Er dient aansluiting te zijn op bestaande schaal, groen, water, structuur, karakter en architectuur. het bouwwerk wordt zover mogelijk qua positie en inrichting zon georiënteerd ontworpen. Op deze manier kan er actief (zonnepanelen/boilers) en passief gebruik gemaakt worden van zonnewarmte in, op en rond het gebouw.

Het hemelwater wordt bij voorkeur lokaal opgevangen door afkoppeling van het vuilwaterriool en lozen op het oppervlaktewater, en water lokaal gebruiken voor bijvoorbeeld het besproeien van de daktuinen (regenwaterbuffer). De waterkwaliteit wordt blijvend verbeterd door het werken met niet uitlogende materialen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Ook wordt klimaatbestendig gebouwd tegen hitte- en droogtestress door voldoende groen op te nemen in de ontwikkeling. Er wordt zeer energiezuinig gebouwd. Dit reduceert in het plan per saldo CO2. Daarnaast wordt gekeken worden naar toepassing van CO2-absorberende materialen, zoals CO2-absorberende verhardingen en veel groen, zoals bijvoorbeeld (deels) groene dakbedekking (sedum) en gevels. Beoordeling en conclusie Alle nieuwe ontwikkelingen, groot of klein dienen een bijdrage te leveren aan bovengenoemde duurzaamheidsdoelstellingen. Op stedenbouwkundig niveau en op woningniveau is extra aandacht nodig ten aanzien van duurzaamheid, energie en milieu. Bij de verdere uitwerking van het plan is het advies verdere maximale aandacht te geven aan de uitgangspunten die bijdragen tot een duurzaam plan op stedenbouwkundig- en gebouwniveau. Hiervoor wordt verwezen naar de doelstellingen in het gemeentelijk en regionaal beleid.

De nieuwe woningen worden gebouwd volgens de geldende BENG regelgeving, dat wil zeggen bijna energieneutraal gebouwd maar bij de verdere uitwerking van het ontwerp wordt er gekeken naar de andere ambities om bijvoorbeeld Nul-op-de-meter dan wel energieleverend te bouwen. Daarnaast worden de woningen conform de wet VET gasloos gebouwd. De duurzaamheidsmaatregelen worden verder uitgewerkt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.

38

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om bij onder meer bij de ruimtelijke ontwikkeling van één of meer woningen kosten te verhalen op particuliere grondexploitanten. De gemeente heeft vier agrarische percelen, gelegen achter Spoorlaan 125-127 en achter Spoorlaan 131 in Voorhout aangekocht. De aankoop is gedaan om uitvoering te geven aan de gemeentelijke voorkeurspositie op de gronden, gebaseerd op het eerder gevestigde Wet Voorkeursrecht gemeente. De percelen zijn gelegen binnen het plangebied Nieuw Boekhorst. Onderdeel van de koopovereenkomst is een principemedewerking van de gemeente om drie vrijstaande woningen mogelijk te maken op de gronden die in eigendom zijn gebleven bij Spoorlaan 125-127. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Vooroverleg

Het concept ontwerp bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. Uit het gevoerde vooroverleg zijn 2 reacties ontvangen van het Hoogheemraadschap van Rijnland en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Hoogheemraadschap van Rijnland Naar aanleiding van de reactie van het Hoogheemraadschap zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd in de waterparagraaf, zie hiervoor ook paragraaf 5.9 Water: Beleidsstuk Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) Beleidsstuk De Blauwe Lens Beleidsstuk Waterschapsverordening van Rijnland 2024 Mogelijkheid tot alternatieve waterberging De verwerking van het afvalwater Onderhoud natuurvriendelijke oevers Aspecten uit de vooroverlegreactie die niet meegenomen worden in het bestemmingsplan zijn: De opmerkingen met betrekking tot de maximale verharding van tuinen, de klimaatadaptatie en de waterbewust zijn, worden daar waar mogelijk betrokken bij de verdere uitwerking van het plan. Het voorstel om het oppervlaktewater vast te leggen op de verbeelding wordt niet verwerkt op de verbeelding. Het is wenselijk om ook nog ruimte te bieden aan functies die samenhang met de bestemming Tuin. Daarnaast is in deze fase van planvorming nog niet bekend waar precies het oppervlaktewater aangelegd wordt (en in welke vorm) en met welke oppervlakte.

Dit is onderdeel van de verdere uitwerking. De bestemming Tuin biedt planologisch ruimte voor zowel oppervlaktewater als andere waterhuishoudkundige voorzieningen. * *De reactie voor dit onderdeel is niet meer relevant omdat de sloot binnen het plangebied niet wordt gedempt en er daarom geen watercompensatie nodig is en er dus hoeft de watercompensatie in de vorm van de bestemming 'Water' niet meer vastgelegd te worden op de verbeelding. Wel is de bestaande sloot met de bestemming 'Water' aangeduid.

Veiligheidsregio Hollands Midden De reactie van de Veiligheidsregio betreft de onderwerpen bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Over deze onderwerpen wordt nog nader in overleg getreden met de Veiligheidsregio hoe dit bij de verdere planvorming verder uitgewerkt wordt. Het handmatig uitschakelen van mechanische ventilatie wordt per 1 januari 2024 in het Besluit bouwwerken leefomgeving gergel, dit aspect behoeft geen nadere waarborging in het bestemmingsplan. Aanvullend op het punt bereikbaarheid. In het zuidwesten van het plangebied is het mogelijk om de voertuigen hulpdiensten op te opstellen. Dit is binnen 40 meter van de woningen en daarmee is gewaarborgd dat de woningen bereikbaar zijn voor de hulpdiensten.

39

6.2.2

Zienswijze

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024 ter inzage gelegen, waarbij een ieder in de gelegenheid was om een zienswijze in te dienen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ontvangen. Er zijn wel enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

Toelichting Bijlage 1 Kavelpaspoorten en beeldkwaliteitsregels is vervangen voor een nieuwe versie van het kavelpaspoort naar aanleiding om de bestaande watergang te behouden. Hoofdstuk 2 is aangepast waarin is aangegeven dat de watergang blijft liggen. En welke doorwerking dit heeft op de schetsverkaveling. paragraaf 3.2 is aangepast naar aanleiding van het aanpassen en vervallen van de voorwaardelijke verplichtingen en het toevoegen van de bestemming Water. in paragraaf 5.1 is een motivering opgenomen waarin is onderbouwd dat de overgangssituatie van de omliggende agrarische percelen geen negatief effect heeft op het planvoornemen tot dat de omliggende percelen zijn getransformeerd naar Wonen. hoofdstuk 4, paragraven 4.2.2 en 4.3.1, zijn geactualiseerd op basis van het meest recente gemeentelijke beleid. Dit heeft geen gevolgen voor de conclusies. paragraaf 5.3 is aangevuld met het definitieve hogere waarden besluit. paragraaf 5.4 is aangepast met een parkeerberekening op basis van de meest recente nota parkeernormen. Dit heeft geen gevolgen voor de conclusies. het hogere waardenbesluit in Bijlage 4 is vervangen voor het definitieve besluit. aan paragraaf 5.7 is het nieuwe verkennende bodemonderzoek toegevoegd net als aan Bijlage 9. in paragraaf 5.7 i is het advies van de ODWH op het verkennende bodemonderzoek toegevoegd.

Dit advies geeft aanleiding tot de uitvoering van een nader asbest in de bodemonderzoek bij de omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan kan wel worden vastgesteld. Vanuit de wetgeving is er voldoende waarborging voor de uitvoering van het onderzoek en het eventueel treffen van maatregelen. paragraaf 5.8 is aangevuld met de aangepaste quickscan (Bijlage 10), een onderbouwing waarom nader onderzoek vleermuizen nu niet uitgevoerd wordt (en het bestemmingsplan wel uitvoerbaar is), een onderbouwing dat het planvoornemen uitvoerbaar is zonder verleende omgevingsvergunning flora en fauna activiteiten voor de rugstreeppad en is het activiteitenplan voor de rugstreeppad toegevoegd (Bijlage 11). in paragraaf 5.8.2 is een geactualiseerde stikstofberekening (Bijlage 12) toegevoegd. in paragraaf 6.2.1 zijn een aantal beperkte aanpassingen toegevoegd. De informatie omtrent het dempen van de watergang en de afstand die aangehouden moet worden tot de nieuwe woningen vanuit de veiligheidsregio zijn opgenomen. naar aanleiding van het behouden van de watergang is er een nieuwe waterberekening uitgevoerd. Deze berekening is verwerkt in paragraaf 5.9 en in Bijlage 13. Regels toevoegen van de bestemming Water. naar aanleiding van het behouden van de watergang is er geen watercompensatie nodig en is de voorwaardelijke verplichting voor het aanleggen van watercompensatie komen te vervallen.

de voorwaardelijke verplichtingen zijn overeenkomstig jurisprudentie gekoppeld aan het gebruik en niet langer aan de omgevingsvergunning voor bouwen en waar nodig aangepast naar aanleiding van de geactualiseerde/aangepaste onderzoeken. Verbeelding toevoegen van de bestemming Water ter plaatse van de bestaande watergang. aanpassing van het bouwvlak van kavel 1 n.a.v. aanpassing kavelpaspoort en; 1. Verschuiven van de functieaanduiding: 'specifieke vorm van tuin - ontsluiting'. 2. Verschuiven van 'overige zone - haag 1'. verkleinen bestemming Wonen - 1 t.p.v. Spoorlaan 127.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=dfe1f36b-ef57-49b2-abe8-e52ec19e0b83