Bijlage 1 Toelichting en regels vast te stellen bestemmingsplan Recreatiepark Watertuin 1e herziening.pdf
Tekst van het document
RECREATIEPARK WATERTUIN, 1E HERZIENING Teylingen bestemmingsplan 12 mei 2021
1/2
Recreatiepark Watertuin, 1e herziening Teylingen
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1525.BP2021TEY01061-VA01
12-05-2021
concept
08-07-2021
vastgesteld
projectnummer:
152500.20210048
opdrachtleider:
drs. M.P. Kegler
Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Locatie waarop deze herziening van toepassing is 1.3 Vormgeving bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
7 7 7 7 8
Hoofdstuk 2 Beschrijving van de herziening 2.1 Inleiding 2.2 Locatie Watertuin 2 2.3 Perceel achter en naast Watertuin 27 2.4 Artikel 4.2.3 sub e
9 9 9 13 14
Hoofdstuk 3 Uitvoerbaarheid 3.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 3.2 Economische uitvoerbaarheid
15 15 15
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Uitspraak ABRvS
Bijlage 2
Omgevingsaspecten Watertuin 2
Bijlage 3
Objectgebonden woonvergunning 3 maart 2003
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
27 27 32
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Bestemmingsregels Groen Recreatie - Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7 Verkeer Waarde - Archeologie Waterstaat - Waterkering Wonen
33 33 35 38 39 41 42
Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Overige regels
45 45 46 47 48
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
49 49 50
3
4
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Dit bestemmingsplan wordt opgesteld om de planologische regeling van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' te herzien. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2814). Deze uitspraak is in Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Met de uitspraak zijn de volgende plandelen vernietigd: de locaties Watertuin 2, het perceel achter en naast Watertuin 27 en sub e van artikel 4.2.3 van de planregels voor zover deze betrekking heeft op de gronden van de betreffende appelanten die worden genoemd in de uitspraak. Het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' is voor het overige onherroepelijk geworden na de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020. De gemeente is gelast om een nieuw besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor deze vernietigde planonderdelen te nemen. Dit nieuwe besluit hoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. De raad is opgedragen voor de vernietigde plandelen binnen 52 weken een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Met deze partiële herziening wordt voldaan aan de uitspraak van de Afdeling en wordt een nieuw besluit genomen voor de locaties Watertuin 2, het perceel achter en naast Watertuin 27 en artikel lid 4.2.3 van de regels.
1.2
Locatie waarop deze herziening van toepassing is
Dit plan vervangt het bestemmingsplan Buitengebied Warmond, zoals vastgesteld op 9 maart 2000 voor de locaties Watertuin 2, het perceel achter en naast Watertuin 27. Daarnaast vervalt met dit plan artikel 4.2.3 sub e van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin'.
1.3
Vormgeving bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de wettelijke digitale standaarden (SVBP2012). Hiertoe is de gemeente verplicht op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Werkwijze Voor de regels geldt dat de regels zijn weergegeven zoals die na vaststelling van deze partiële herziening gelden. De niet gemarkeerde regels hebben betrekking op de regels zoals deze gelden vanuit het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin'. De wijzigingen dan wel aanvullingen/verwijderingen als gevolg van onderhavige partiële herziening zijn in de planregels met een doorhaling in groen ('regel') of een toevoeging in geel ('regel') - opgenomen. Alleen de geel (toevoegingen) of groen (vervallen tekst) gemarkeerde aanpassingen maken dus juridisch-planologisch onderdeel uit van deze partiële herziening. De niet gemarkeerde regels zijn ter informatie opgenomen zodat een goed beeld ontstaat van de nieuwe regels en hoe deze ingepast zijn in de (bestaande) regels van het vigerende plan. Hierop geldt één uitzondering. Tabel 4.1 behorend bij artikel 4.4 van bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' is niet in deze 1e herziening opgenomen, maar deze tabel blijft wel onverkort van toepassing. Er is uit oogpunt van de AVG geen aanleiding om deze tabel op te nemen omdat de doelstelling van de planologische regeling van de 1e herziening geen betrekking heeft op tabel 4.1.
Van belang is dat de niet gemarkeerde regels niet opnieuw ter discussie gesteld kunnen worden omdat deze enkel een informatieve rol in deze herziening vervullen. Ze blijven onverminderd van toepassing en maken formeel geen onderdeel uit van de herziening.
7
Verbeelding De plangrens omvat het gehele gebied waar het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' nog van toepassing is. Op de verbeelding worden enkel de percelen waar naar aanleiding van deze herziening een aanpassing plaatsvindt opgenomen.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bevat de volgende onderdelen:
8
hoofdstuk 2: beschrijving van de inhoud van de herziening; hoofdstuk 3: beschrijving van de uitvoerbaarheid van deze herziening.
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van de herziening
Inleiding
In de volgende paragrafen wordt per locatie toegelicht wat de inhoud van de herziening behelst en om welke reden de planologische regeling voor de betreffende locatie wordt herzien. Ook wordt toegelicht wat de inhoud van de herziening van artikel 4.2.3 sub e behelst en om welke reden de planologische regeling wordt herzien.
2.2
Locatie Watertuin 2
Beschrijving situatie Watertuin 2: Volgens het vorige bestemmingsplan 'Buitengbied' Warmond' is Watertuin 2 een dienstwoning. De gemeente had beoogd Watertuin 2 in het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' overeenkomstig te bestemmen, door middel van het toekennen van de bestemming 'Recreatie Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7' en een functieaanduiding voor de dienstwoning aan de gronden aan de locatie Watertuin 2 toe te kennen. Het planologisch toestaan van één dienstwoning binnen het recreatiepark werd als wenselijk gezien voor de toekomstbestendigheid van Watertuin als recreatiepark. In de 'Nota beantwoording zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan Recreatiepark Watertuin' van 9 januari 2018 (hierna: de zienswijzennota) heeft de raad dit toegelicht. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de vereniging Watertuin het recreatiepark onderhoudt en dat de bewoner van de dienstwoning uitsluitend beheerstaken zal vervullen. De eigenaren / gebruikers van Watertuin 2, die de bestaande planologische dienstwoning bewonen, hebben aangegeven zich te conformeren aan de beheerdersrol. In de zienswijzennota staat dat vanuit het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' gezien, de rol van de eigenaren / gebruikers van de dienstwoning minimaal uit het volgende bestaat:
De eigenaar schouwt als beheerder de gezamenlijke buitenruimte van het recreatiepark en maakt van geconstateerde onvolkomenheden melding bij het bestuur van de vereniging Watertuin; De eigenaar spreekt als beheerder onbevoegden aan op hun aanwezigheid en verzoekt onbevoegden het recreatiepark te verlaten; Eigenaren binnen het recreatiepark kunnen (op vrijwillige basis) een sleutel van hun recreatiewoning aan de beheerder in bewaring geven, waardoor op verzoek (in het kader van beheer) de recreatiewoning kan worden betreden of in geval van een calamiteit (gesprongen waterleiding) een groter nadeel kan worden voorkomen.
De gemeente Teylingen heeft deze rol als beheerdersrol van de dienstwoning erkend. Het gevolg van de rol die de eigenaar vervult is dat de dienstwoning permanent bewoond kan worden. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2020 dit beoogde plandeel vernietigd om de volgende reden: "Hoewel het gelet op de door de raad in de zienswijzennota opgenomen argumenten in het algemeen wenselijk en ruimtelijk relevant kan zijn dat een recreatiepark als Watertuin een beheerder met bijbehorende dienstwoning heeft, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende aangetoond dat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" uitvoerbaar zal zijn." De Afdeling is van oordeel dat het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' in strijd is met artikel 3:46 van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" is toegekend aan de gronden van de locatie Watertuin 2 te Warmond. De uitspraak van de Afdeling heeft tot gevolg dat dat ter plaatse van de gronden van de locatie Watertuin 2 te Warmond met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" het vorige plan 'Buitengebied Warmond' herleeft, totdat een nieuw door de raad vast te stellen plan in werking treedt.
9
Aan de gronden van de locatie Watertuin 2 te Warmond was volgens de plankaart bij het vorige bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond' de bestemming 'Verblijfsrecreatieve doeleinden', de subbestemming vRz 'zomerhuizen Watertuin' en de nadere aanwijzing (d) 'dienstwoning' toegekend. De gronden van de locatie Watertuin 2 hebben door die nadere aanwijzing dienstwoning een andere rechtspositie ten opzichte van de 68 recreatiewoningen van het park de Watertuin. Volgens de plankaart bij het vorige bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond' was aan deze 68 recreatiewoningen de bestemming Verblijfsrecreatieve doeleinden - zomerhuizen Watertuin en de subbestemming vRz 'zomerhuizen Watertuin' toegekend. Voor de dienstwoning gelden specifieke bouwvoorschriften welke zijn opgenomen in artikel 11 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond'. Zo blijkt uit artikel 11 lid 3 onderdeel d dat voor de dienstwoning een specifieke maximale inhoud, maximale goothoogte en maximale bouwhoogte wordt gehanteerd. In het onderstaande figuur 1.2 is een uitsnede van de plankaart bij het vorige bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond'weergegeven.
Inhoud en onderbouwing herziening: De eerder beoogde functieaanduiding voor de dienstwoning kan volgens de gemeente niet voldoende worden gemotiveerd gelet op de al aangevoerde argumenten in de zienswijzennota, welke volgens de Afdeling niet voldoende kunnen aantonen dat de functieaanduiding voor de dienstwoning uitvoerbaar is. Om deze reden is er een nieuwe planologische functie nodig voor de gronden aan de locatie Watertuin 2. Toelichting aanwezigheid van een objectgebonden woonvergunning In de brief van 3 maart 2003, welke is opgenomen in Bijlage 3, wordt naar aanleiding van een mondeling verzoek, de aanwezigheid van een objectgebonden woonvergunning voor de woning Watertuin 2 te Warmond bevestigd. Hierin wordt vermeld dat deze vergunning op 28 augustus 1972 is verleend op basis van de Woningwet. Deze brief is ondertekend door het sectorhoofd Grondzaken namens Burgemeesters en wethouders van Warmond. Deze brief wordt volgens de gemeente, vanuit het oogpunt van het vertrouwensbeginsel, beoordeeld als een toezegging waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja hoe, het bestuursorgaan in het concrete geval zijn bevoegdheid zou uitoefenen.
Om tot deze beoordeling te komen zijn naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) over de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht, drie stappen doorlopen.
10
1. Is er een toezegging gedaan? Dit is het geval indien er sprake is van uitlatingen en/of gedraging van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. De bewuste standpuntbepaling is in dit geval vastgelegd in de betreffende brief. Voor de toezegging is van belang dat de uitlating in de brief is toegesneden op de concrete situatie, namelijk een objectgebonden woonvergunning voor de woning Watertuin 2 te Warmond. Ook is van belang dat de betreffende brief is ondertekend door het sectorhoofd Grondzaken namens Burgemeester en wethouders van Warmond. Verder is van belang dat de uitlating niet in strijd is met de toepasselijke rechtsregels, waaronder de Woningwet waarin de grondslag voor de objectgebonden woonvergunning is opgenomen. 2. Kan de toezegging worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan? In dit geval heeft het sectorhoofd Grondzaken namens Burgemeester en wethouders van Warmond de betreffende brief ondertekend. In dit geval kan worden vastgesteld dat de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze persoon de opvatting van het bevoegde bestuursorgaan vertolkt. Het bevoegde bestuursorgaan dat de vergunning kon verlenen is het college van burgemeester en wethouders. 3.
Dienen de gerechtvaardigde verwachtingen te worden gehonoreerd? In dit geval staan aan het honoreren van de objectgebonden woonvergunning geen zwaarder wegende belangen in de weg. De nadere aanwijzing dienstwoning in het vorige bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond' brengt met zich mee dat de dienstwoning een andere rechtspositie heeft ten opzichte van de 68 recreatiewoningen van het park de Watertuin. De objectgebonden woonvergunning is overdraagbaar waardoor het wonen kan worden voortgezet. Daarnaast kunnen bedrijfswoningen of dienstwoningen volgens het gemeentelijk beleid worden omgezet naar een burgerwoning met de bestemming 'Wonen'. Dit gemeentelijk beleid is vertaald in de wijzigingsbevoegdheden voor bedrijfswoningen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen'. Daarbij blijven de bedrijfsactiviteiten actief en wordt de bedrijfswoning afgesplitst en in gebruik genomen als burgerwoning. Hierbij is van belang dat de omzetting van de dienstwoning naar een woonbestemming beperkte ruimtelijke impact heeft op de omgeving, milieu-planologisch inpasbaar is en niet in strijd is met de Omgevingsverordening Zuid-Holland (zie toets hierna). Burgerwoning De op de plankaart bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond' aangewezen dienstwoning Watertuin 2, verkrijgt in deze herziening de bestemming 'Wonen', de dienstwoning wordt daarmee een burgerwoning.
Nu er een toezegging bestaat voor een objectgebonden woonvergunning waar de betrokkene op mocht vertrouwen, heeft de gemeente er voor gekozen om de dienstwoning in lijn met het gemeentelijk beleid een woonbestemming te geven. De omzetting van de dienstwoning naar een burgerwoning is milieu-planologisch inpasbaar, heeft geen (onevenredige) ruimtelijke impact op het landschap/de omgeving en is niet in strijd met de Omgevingsverordening Zuid-Holland (zie toetsen hierna). Bestemming Wonen Het perceel Watertuin 2 wordt bestemd voor 'Wonen'. De regels voor de bestemming 'Wonen' in dit plan zijn specifiek gericht op het perceel Watertuin 2 en zijn mede gebaseerd op de woonbestemmingen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen'. Voor het gedeelte van het perceel waarop de woning is toegestaan is een bouwvlak opgenomen. De woning is alleen in het bouwvlak toegestaan. Bouwregels De bouwregels voor de woning Watertuin 2 zijn 1 op1 overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond'. De bouwregels voor Watertuin 2 waren in het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' ook 1 op 1 overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied Warmond. Dat wordt nu weer gedaan, omdat de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020 immers geen betrekking had op de bouwregels van de dienstwoning uit het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin', maar op het gebruik.
11
Toets herziening aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland Uit artikel 6.9 lid 1 onderdeel a van de Omgevingsverordening Zuid-Holland blijkt dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling betreffende de omzetting naar burgerwoning, direct is toegestaan indien deze ontwikkeling kan worden geclassificeerd als inpassen. Inpassen houdt in dat: "de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart." Uit de artikelsgewijze toelichting volgt dat inpassen een ontwikkeling betreft die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. "De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel." "Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit." De ruimtelijke ontwikkeling voor het perceel Watertuin 2 vindt plaats op kavelniveau, het gaat hier om een relatief klein, aaneengesloten stuk grond dat één bepaalde vorm van gebruik kent.
De ruimtelijke ontwikkeling op de betreffende kavel strookt met de bestaande situatie en bestaande kwaliteit. In dit geval zijn de consequenties van de ontwikkeling van dienstwoning naar burgerwoning niet van invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de betreffende kavel en omgeving. Op de kwaliteitskaart ligt de locatie Watertuin 2 binnen een beschermingszone uit categorie 1 (Kroonjuweel cultureel erfgoed) en binnen een beschermingszone uit categorie 2 (Groene buffer). Volgens de artikelsgewijze toelichting bij de Omgevingsverordening zijn ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. De gebieden met de kwaliteit cultuurhistorische kroonjuwelen hebben volgens de toelichting, landschappelijk en cultuurhistorisch een dusdanig uniek karakter dat de bescherming en versterking van deze kwaliteiten centraal staat. Deze specifieke waarden worden niet aangetast met de ruimtelijke ontwikkeling van het omzetten van de bestaande dienstwoning naar een burgerwoning, deze ruimtelijke ontwikkeling strookt met de bestaande situatie en bestaande kwaliteit.
Op grond van de artikelsgewijze toelichting bij de Omgevingsverordening zijn ruimtelijke ontwikkelingen in de gebieden met de kwaliteit groene buffers, welke liggen in de beschermingszone categorie 2, mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. De omzetting van de dienstwoning naar een burgerwoning betreft geen stedelijke ontwikkeling. De ruimtelijke ontwikkeling betreffende de omzetting van de bestaande dienstwoning naar burgerwoning kan gelet op het bovenstaande worden geclassificeerd als inpassen, de Omgevingsverordening staat daarom deze ontwikkeling toe. Toets herziening aan omgevingsaspecten Door de Omgevingsdienst West-Holland is een beoordeling uitgevoerd van de milieuaspecten voor het omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning op het perceel Watertuin 2 in Warmond. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 2. De conclusie is dat de burgerwoning milieu-planologisch inpasbaar is
12
2.3
Perceel achter en naast Watertuin 27
Aanleiding herziening Volgens het vorige bestemmingsplan 'Buitengebied Warmond' heeft de grond gelegen achter en naast het perceel Watertuin 27 de bestemming 'Verblijfsrecreatieve doeleinden'. De raad heeft met het bestemmingsplan Recreatiepark Watertuin beoogt deze gronden te bestemmen als 'Groen' in de vorm van bomen en struiken ten behoeve van een robuuste inpassing van het recreatiepark, alsmede de instandhouding daarvan. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2020 bepaald dat, de raad onvoldoende gemotiveerd heeft waarom een planologische regeling is vastgesteld waarbij het bestaande recreatieve gebruik op de strook grond grenzend aan de gronden van Watertuin 27 onder het overgangsrecht is komen te vallen. "Hierbij betrekt de Afdeling dat het hierbij gaat om ondergeschikt recreatief gebruik van deze strook grond. Niet aannemelijk is geworden dat dit gebruik zodanig afbreuk doet aan de gewenste aanwezigheid van de groenstrook, dat dit gebruik niet langer aanvaardbaar is.” De bedoelde gronden waar de uitspraak van de Afdeling betrekking op heeft, zijn in rood aangegeven op het kaartfragment.
Inhoud en onderbouwing herziening Deze herziening voorziet ter plaatse van de gronden achter en naast Watertuin 27 nog steeds in de bestemming Groen, bestemd voor: groen in de vorm van bomen en struiken ten behoeve van een robuuste inpassing van het recreatiepark, alsmede de instandhouding daarvan. Deze bestemming, vastgelegd in artikel 3.1 van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin', wordt in deze herziening overgenomen én aangevuld met sub g. Sub g voorziet in ondergeschikt recreatief gebruik van de gronden achter en naast Watertuin 27, met als doel dat het bestaande ondergeschikte recreatieve gebruik van deze strook grond mag worden voortgezet. Het gaat hierbij om recreatief gebruik dat ondergeschikt is aan de aanwezige bomen en struiken die bedoeld zijn voor de robuuste inpassing van het recreatiepark. Dit recreatieve gebruik is gelet op de oppervlakte van de gronden en de aanwezige bomen en struiken, naar aard en omvang ondergeschikt, omdat ten behoeve van het recreatieve gebruik deze herziening voorziet in maximaal: 1 schommel, 1 rekstok, 1 glijbaan en 1 picknicktafel. Deze maximaal toegestane recreatieve voorzieningen zijn in overeenstemming met de bestaande voorzieningen, zoals is aangegeven in de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, voor het ondergeschikt recreatieve gebruik.
Ondanks dit toegevoegde ondergeschikte recreatieve gebruik, behoudt de grond de primaire bestemming Groen (ten behoeve van een robuuste inpassing van het recreatiepark). Deze primaire bestemming Groen is gezien vanuit ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk voor de belevingswaarde van het recreatiepark in het gebied waarbinnen zich het bevindt. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat het recreatiepark zich in het gebied manifesteert als een versteende massa.
13
2.4
Artikel 4.2.3 sub e
Aanleiding herziening Met artikel 4.2.3 sub e van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' heeft de raad beoogd de belangen van de aangrenzende eigenaren te beschermen en het mogelijk te maken om de achterzijden van vrijstaande bijgebouwen te onderhouden. Op grond van dit artikel 4.2.3 sub e dient de afstand tussen de achterzijde van een vrijstaand bijgebouw en de achterperceelsgrens ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m bedragen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2020 over deze planregel bepaald, dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom een afstand van ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m tussen een vrijstaand bijgebouw en de achterperceelsgrens moet worden aangehouden. In de planregels is namelijk niet zo'n regeling ten aanzien van de zijdelingse perceelgrens opgenomen. De raad heeft niet voldoende onderbouwd waarom de belangen van de aangrenzende eigenaren wat betreft de achterperceelsgrens wel moeten worden beschermd. Ook is niet voldoende onderbouwd waarom een vrij te houden strook wel nodig is om de achterzijden van vrijstaande bijgebouwen te onderhouden bij de achterperceelsgrens en bij de zijdelingse perceelgrens niet. Voor de betreffende appellanten klemt dit te meer omdat het voor hen van groot belang is dat zij een vrijstaand bijgebouw op de achterperceelsgrens kunnen bouwen.
De Afdeling heeft daarom bepaald dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb is vastgesteld, voor zover niet in artikel 4.2.3, aanhef en onder e, van de planregels is geregeld dat deze geen betrekking heeft op de gronden van de betreffende appellanten. De uitspraak van de Afdeling heeft tot gevolg dat artikel 4.2.3 sub e niet voor de betreffende appellanten geldt. Inhoud en onderbouwing herziening Artikel 4.2.3. sub e van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' wordt geschrapt en hier wordt niets voor in de plaats gesteld. Het schrappen van sub e heeft tot gevolg dat sub e, niet alleen niet meer van toepassing is voor de percelen van de appellanten maar ook niet meer van toepassing is voor alle overige percelen binnen het recreatiepark. Het schrappen van sub e -zodat sub e ook niet meer geldt voor de overige percelen- heeft tot gevolg dat de bouwregels voor vrijstaande bijgebouwen uniform blijven binnen het recreatiepark. Het creëren van uniforme bouwregels is het uitgangspunt geweest bij het opstellen van de bouwregels van het oorspronkelijke bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin'. Het gevolg van het vernietigde sub e (voor de appellanten) en het geschrapte sub e (voor de overige percelen) is dat de flexibiliteit van de plaats van het vrijstaande bijgebouw iets is vergroot.
Ondanks dit moet het bijgebouw nog altijd vrijstaand zijn en achter de achtergevel zijn gelegen. De ondergeschiktheid van de vrijstaande bijgebouwen ten opzichte van de recreatiewoningen is ook met het vervallen van sub e geborgd.
14
Hoofdstuk 3 3.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' is een voorbereidingsprocedure doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 12 oktober 2017 tot en met 22 november 2017 overeenkomstig de openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is het voor een ieder mogelijk geweest zienswijzen in te dienen over het ontwerpbestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin'. Tijdens deze periode zijn 38 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota zienswijzen, die in bijlage 5 bij het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' is opgenomen. Hieruit valt op te maken dat de zienswijzen op onderdelen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' bij de vaststelling. Volgens de Afdeling in de uitspraak van 25 november 2020 hoeft dit plan niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
3.2
Economische uitvoerbaarheid
In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het bestemmingsplan worden gemaakt, te verhalen. De kosten bestaan in dit geval uit de organisatorische kosten om het plan op te stellen. Het plan kent geen uitvoerende component voor de gemeente, eventuele ontwikkelingen die op basis van dit plan worden uitgevoerd zijn voor kosten en risico van de betreffende initiatiefnemers. Gezien het bovenstaande, is er geen noodzaak noch verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan bij deze herziening.
15
16
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Uitspraak ABRvS
Uitspraak 201809490/1/R3
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:2814
Datum uitspraak
25 november 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 september 2018 heeft de raad van de gemeente Teylingen het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin" vastgesteld. Het plangebied ligt tussen de kernen Leiderdorp en Oude Ade. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Leidseweg. Het plangebied bevat de gronden van het recreatiepark Watertuin en heeft een totale oppervlakte van ongeveer 6 ha. Volgens paragraaf 1.1 van de plantoelichting dateert het recreatiepark Watertuin van begin jaren '70 uit de vorige eeuw en bestaat het uit 68 recreatiewoningen, een jachthaven en een dienstwoning. Het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin" voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch kader voor recreatiepark Watertuin. [appellanten] betogen dat ten onrechte niet een woonbestemming aan hun recreatiewoningen is toegekend.
Volledige tekst 201809490/1/R3. Datum uitspraak: 25 november 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 3. [appellant sub 3], wonend te woonplaats],
Uitspraak 201809490/1/R3
1
4. [appellant sub 4], wonend te Warmond, gemeente Teylingen, 5. [appellant sub 5], wonend te Warmond, gemeente Teylingen, appellanten, en de raad van de gemeente Teylingen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 27 september 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2020, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen, van wie [appellant sub 2], [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], bijgestaan door mr. V. Stavleu en mr. A.B. van Rijn, beiden advocaat te Leiden, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. K.K.M. Aerts-de Kok, advocaat te Steenbergen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], en de raad, vertegenwoordigd door C.B. van der Geest en mr. P. van der Eijk, zijn gehoord. Voorts is ter zitting de Coöperatieve Vereniging Watertuin Warmond U.A., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Het plangebied ligt tussen de kernen Leiderdorp en Oude Ade.
Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Leidseweg. Het plangebied bevat de gronden van het recreatiepark Watertuin en heeft een totale oppervlakte van ongeveer 6 ha. Volgens paragraaf 1.1 van de plantoelichting dateert het recreatiepark Watertuin van begin jaren '70 uit de vorige eeuw en bestaat het uit 68 recreatiewoningen, een jachthaven en een dienstwoning. Het voorheen geldende plan "Buitengebied Warmond" uit 2000 voorzag hiervoor onder meer in de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" en de subbestemming "zomerhuizen Watertuin". De subbestemming "jachthaven" was aan een strook grond op de westelijke zijde van het plangebied toegekend. De nadere aanwijzing "dienstwoning" was aan het perceel aan de [locatie 1] te Warmond toegekend. Het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin" voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch kader voor recreatiepark Watertuin. Het plan voorziet hiervoor in de bestemmingen "Recreatie - Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7", "Groen" en "Verkeer". Daarnaast is onder meer de functieaanduiding "jachthaven" toegekend aan een strook op de westelijke zijde van het plangebied. De functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch dienstwoning" is aan het perceel aan de [locatie 1] te Warmond toegekend.
Uitspraak 201809490/1/R3
2
Het uitgangspunt van het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin" is dat de toegestane vormen van gebruik en de toegestane mate van bebouwing worden vastgelegd. Uit paragraaf 3.1 van de plantoelichting blijkt dat het gebruik van de recreatiewoningen in sommige gevallen is verschoven naar permanente bewoning. Hiervoor zijn aan 35 personen die in totaal in 27 verschillende recreatiewoningen wonen persoonsgebonden gedoogbeschikkingen of persoonsgebonden omgevingsvergunningen verleend. Het plan kent aan deze recreatiewoningen de functieaanduidingen "specifieke vorm van recreatie persoonsgebonden gedoogbeschikking" en "specifieke vorm van recreatie persoonsgebonden omgevingsvergunning" toe. Daarnaast volgt uit paragraaf 1.1 van de plantoelichting dat de recreatiewoningen in de loop der jaren zijn uitgebreid met verschillende soorten bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen en overkappingen. Omdat er sprake is van een grote mate van diversiteit van bouwwerken, voorziet het plan in uniforme bouwregels. 2. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wonen in recreatiewoningen gelegen op het recreatiepark. [appellant sub 2] en anderen wonen aan de [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] te Warmond.
[appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wonen respectievelijk aan de [locatie 8], [locatie 9] en [locatie 10] te Warmond. Zij betogen onder meer dat ten onrechte niet een woonbestemming aan hun recreatiewoningen is toegekend. 3. [appellant sub 3] is eigenaar van de recreatiewoning aan de [locatie 11] te Warmond, gelegen op het recreatiepark. Hij voert onder meer aan dat een recreatiebestemming in plaats van een groenbestemming had moeten worden toegekend aan de strook grond die grenst aan zijn woning. Bijlage 4. De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Intrekking beroepsgrond 5. Ter zitting heeft [appellant sub 4] haar beroepsgrond over de stalling van boten en boottrailers op het terrein met de functieaanduiding "parkeerterrein" ingetrokken. Toetsingskader 6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht.
De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Bestemmingsplanprocedure 7. [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 1] betogen dat de bestemmingsplanprocedure onzorgvuldig is verlopen. [appellant sub 3] en [appellant sub 5] betogen daartoe dat een voormalige wethouder de raad onvolledig heeft voorgelicht door het advies van La Gro Advocaten van 10 maart 2015 pas één uur voor de raadsvergadering van 4 februari 2016 te overleggen en doordat hij heeft betoogd dat het verschuiven van de
Uitspraak 201809490/1/R3
3
peildatum niet mogelijk is. Daar komt bij dat de raad bij de planvorming ten onrechte de wensen van het college van burgemeester en wethouders van Teylingen (hierna: het college) als uitgangspunt heeft genomen. [appellant sub 1] betoogt verder dat de raad niet is ingegaan op zijn inspraakreactie en volgens [appellant sub 3] heeft zijn inspraakreactie ten onrechte niet geleid tot aanpassingen. 7.1. De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de regels in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is verlopen. Over het betoog dat het advies van La Gro Advocaten van 10 maart 2015 pas één uur voor de raadsvergadering van 4 februari 2016 is overgelegd, overweegt de Afdeling dat in de raadsvergadering van 27 september 2018 het bestemmingsplan is vastgesteld en dat dit besluit ter beoordeling voorligt. Verder acht de Afdeling van belang dat de raadsleden ter voorbereiding van de raadsvergadering van 27 september 2018 kennis hebben kunnen nemen van alle bij het bestemmingsplan behorende stukken en zich zelfstandig een oordeel over dit plan hebben kunnen vormen.
Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zich niet kunnen verenigen met de behandeling van de inspraakreacties over het voorontwerpplan, overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemmingsplanprocedure onzorgvuldig is verlopen. De betogen falen. Vooringenomenheid 8. [appellant sub 3] betoogt dat het besluit tot vaststelling van het plan met vooringenomenheid tot stand is gekomen. Daartoe betoogt hij dat de raad de recreatiebestemming alleen heeft toegekend aan de gronden van het plangebied, omdat de gemeente bij de keuze voor een andere bestemming inkomsten uit belastingen verliest. Daar komt bij dat de raadsleden niet bekend waren met recreatiepark Watertuin en zij daarom tijdens de raadsvergadering van 27 september 2018, waarin het plan is vastgesteld, geen kritische vragen over het plan hebben gesteld. [appellant sub 3] wijst er verder op dat de voormalige wethouder een functie bekleedt bij [bedrijf] en daarom een persoonlijk belang bij dit plan heeft. 8.1.
In wat [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het verbod van vooringenomenheid als opgenomen in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is vastgesteld. Daartoe overweegt de Afdeling dat de strekking van artikel 2:4 van de Awb geenszins is dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken, maar dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden (vergelijk de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156). De raad heeft volgens paragrafen 1.1 en 3.2.3 van de plantoelichting met dit bestemmingsplan onder meer beoogd om op termijn een situatie te creëren waarbij het permanent bewonen van de recreatiewoningen binnen recreatiepark Watertuin komt te vervallen en om uniforme bouwregels vast te stellen. Bij de vaststelling van het plan heeft de
Uitspraak 201809490/1/R3
4
raad een belangenafweging gemaakt, waarbij onder meer de belangen van omwonenden zijn betrokken. In paragrafen 6.2 en 6.4 van de plantoelichting is namelijk vermeld dat de inspraakreacties en de naar voren gebrachte zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen van het voorontwerp en het ontwerpbestemmingsplan. Dat bij de besluitvorming ook financiële belangen een rol spelen, betekent niet dat de afweging per definitie vooringenomen zou zijn. Het betoog van [appellant sub 3] dat de raadsleden niet bekend waren met recreatiepark Watertuin en dat zij tijdens de raadsvergadering van 27 september 2018 geen kritische vragen over het plan hebben gesteld, wat daarvan ook zij, maakt niet dat de raad bij de vaststelling van het plan vooringenomen was. Anders dan [appellant sub 3] kennelijk betoogt, was de voormalige wethouder geen lid van de raad, zijnde het bestuursorgaan dat besloten heeft over de vaststelling van het bestemmingsplan. Het betoog faalt. Milieueffectrapportage 9. [appellant sub 5] betoogt dat voor het plan ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: m.e.r.) is gemaakt. 9.1. Het bestreden plan kent onder meer de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie recreatiewoningen 7" en de functieaanduiding "jachthaven" toe aan de gronden van het plangebied. Hierdoor worden 68 recreatiewoningen en één steigerplaats per recreatiewoning mogelijk gemaakt.
Daarmee wordt voorzien in de aanleg, wijziging of uitbreiding van jachthavens en vakantiedorpen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, als bedoeld in categorie D10, onderdeel b en c, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De drempelwaarden voor deze activiteiten zijn 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 ha of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 ha of meer in een gevoelig gebied. Omdat de gronden van het plangebied in het vorige plan "Buitengebied Warmond" al de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" en de subbestemmingen "zomerhuizen Watertuin" en "jachthaven" hadden, hoeft hiermee bij de beantwoording van de vraag of de drempelwaarde wordt overschreden geen rekening te worden gehouden. De drempel van onderdeel D, categorie D10, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt dus niet overschreden. 9.2. Hoewel de drempelwaarde niet wordt overschreden, dient de raad op grond van de criteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn te bezien of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en dat dientengevolge geen m.e.r.-beoordeling is vereist.
De raad heeft ter zitting toegelicht dat met het plan weliswaar de bouwmogelijkheden van de bestaande recreatiewoningen beperkt mogen worden uitgebreid nu verschillende recreatiewoningen in de loop der jaren zonder omgevingsvergunning zijn uitgebreid, maar dat dit een ondergeschikte uitbreiding betreft. Met het plan blijft het aantal recreatiewoningen en de daarbij behorende steigerplaatsen gelijk in vergelijking met wat op grond van het vorige plan "Buitengebied Warmond" was toegestaan en er is in dit opzicht ook geen hogere bouwhoogte toegestaan. Verder heeft de raad erop gewezen dat uit paragraaf 4 van de plantoelichting volgt dat de diverse milieuaspecten zijn beoordeeld en dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op deze toelichting van de raad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad tot de conclusie had moeten komen dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en dat die het opstellen van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk maken.
Uitspraak 201809490/1/R3
5
Het betoog faalt. Wijze van bestemmen van de recreatiewoningen 10. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] betogen dat de raad een woonbestemming aan hun gronden had moeten toekennen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat zowel de Verordening ruimte 2014, zoals door provinciale staten van Zuid-Holland vastgesteld op 30 mei 2018 (hierna: de Verordening ruimte 2014), als het provinciaal beleid niet in de weg staan aan het toekennen van een woonbestemming aan hun gronden. De raad had volgens hen gebruik moeten maken van de uitzonderingsmogelijkheid vastgelegd in artikel 2.2.1, tweede lid, onder a en b, van deze verordening, nu sprake is van een zwaarwegend algemeen belang bij het wijzigen van de recreatiebestemming. Daar komt bij dat uit het provinciaal beleid volgt dat in concrete situaties er redenen kunnen zijn om permanente bewoning toe te staan. Daarnaast betogen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 4] dat zij hun recreatiewoningen al jarenlang gebruiken als gewone woningen en de gemeente door het ontbreken van handhavingsbeleid daartegen niet of nauwelijks handhavend heeft opgetreden.
De gemeente heeft de permanente bewoning juist gefaciliteerd door de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) en het innen van belastingen. [appellant sub 5] wijst erop dat geen algemeen belang wordt gediend met het toekennen van een recreatieve bestemming aan de recreatiewoningen. Voor zover de raad stelt dat het toekennen van een woonbestemming schadelijk zou zijn voor de biodiversiteit, wijst [appellant sub 5] erop dat wel fietspaden, wandelpaden en kanoroutes in de naastgelegen Boterhuispolder zijn aangelegd. [appellant sub 3] is het verder niet eens met het standpunt van de raad dat het niet mogelijk is om permanente bewoning toe te staan, omdat de raden van de gemeenten Kaag en Braassem en Nieuwkoop dit wel hebben toegestaan. 10.1. De Afdeling stelt bij de beoordeling van deze betogen voorop dat de door appellanten gewenste woonbestemming moet worden beschouwd als een planologisch nieuwe functie. De recreatiewoningen hebben volgens het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Warmond" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden". Dat recreatiewoningen feitelijk in strijd daarmee voor permanente bewoning worden gebruikt, leidt niet tot een andere beoordeling, nu het belang van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van een bestemmingsplan bepalend is.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onwenselijk is om tien in planologisch opzicht nieuwe woningen mogelijk te maken in het recreatiepark Watertuin. Daarbij betrekt de Afdeling dat de gronden van het plangebied in kaart 7 behorend bij de Verordening ruimte 2014 zijn aangeduid als "Kroonjuweel cultureel erfgoed" en "Groene buffer" en daarmee behoren tot respectievelijk beschermingscategorieën 1 en 2. Daargelaten de vraag of het bij het mogelijk maken van tien nieuwe woningen gaat om aanpassen of transformeren als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening ruimte 2014, overweegt de Afdeling dat uit artikel 2.2.1, tweede lid, onder a en b, van deze verordening volgt dat in een gebied met beschermingscategorie 1 of 2 als bedoeld in kaart 7 behorend bij deze verordening niet kan worden voorzien in aanpassen of transformeren. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur, om een in het Programma ruimte uitgezonderde
Uitspraak 201809490/1/R3
6
ruimtelijke ontwikkeling of om een zwaarwegend algemeen belang en wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van deze verordening. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in dit geval van deze uitzonderingsmogelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt, omdat geen sprake is van een zwaarwegend algemeen belang. In het woningbouwprogramma is namelijk aangegeven met welke plannen zal worden voldaan aan de actuele woningbehoefte. Recreatiepark Watertuin is hierin niet opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad er daarom terecht vanuit gegaan dat het in het recreatiepark Watertuin mogelijk maken van tien in planologisch opzicht nieuwe woningen niet in overeenstemming zou zijn met artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening ruimte 2014 en dat hierop geen uitzondering kan worden gemaakt op grond van artikel 2.2.1, tweede lid, onder a en b, van deze verordening. De raad heeft verder naar voren gebracht, dat al zou de Verordening ruimte 2014 de raad ruimte laten een woonbestemming toe te kennen, gemeentelijk beleid zich, in navolging van provinciaal beleid, verzet tegen permanente bewoning. Het gemeentelijk beleid strekt er daarbij juist toe dat het aantal recreatiewoningen op peil wordt gehouden.
Bovendien gaat het hier om een gebied waar volgens provinciaal beleid landschappelijke en ecologische waarden moeten worden beschermd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aldus voldoende gemotiveerd dat het in het recreatiepark Watertuin mogelijk maken van tien in planologisch opzicht nieuwe woningen niet past binnen het gemeentelijk en provinciaal beleid. De door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 4] aangevoerde omstandigheid dat hun recreatiewoningen al jarenlang worden gebruikt als gewone woningen en dat de gemeente door het ontbreken van handhavingsbeleid daartegen niet of nauwelijks handhavend heeft opgetreden, brengt niet met zich dat de bewoners aanspraak kunnen maken op een woonbestemming. Over het betoog van [appellant sub 3] dat de raden van de gemeenten Kaag en Braassem en Nieuwkoop dit gebruik wel hebben toegestaan, overweegt de Afdeling dat de raad zich niet hoeft te laten leiden door de keuze van andere gemeentebesturen. Gelet op het voorgaande heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom hij geen woonbestemming heeft willen toekennen aan de recreatiewoningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3]. Het betoog faalt. Persoonsgebonden overgangsrecht 11.
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] betogen dat de raad aan hun gronden de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden gedoogbeschikking" dan wel "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden omgevingsvergunning" had moeten toekennen. Zij betogen dat de raad bij de keuze voor het niet toekennen van deze functieaanduidingen niet heeft kunnen uitgaan van de peildatum van 31 oktober 2003. Volgens hen had de raad daarbij een peildatum moeten kiezen die gelijk is aan de datum waarop is begonnen met handhavend optreden tegen de permanente bewoning van recreatiewoningen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] zijn het in dat verband niet eens met het standpunt van de raad dat precedentwerking voor camping De Hoflee zou ontstaan als voor het toekennen van een van de bedoelde functieaanduidingen een nieuwe peildatum zou worden vastgesteld, omdat er verschillen tussen deze camping en recreatiepark Watertuin bestaan.
Uitspraak 201809490/1/R3
7
Daarnaast betogen [appellant sub 5], [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de functieaanduidingen "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden gedoogbeschikking" en "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden omgevingsvergunning" ten onrechte alleen zijn toegekend aan percelen binnen het plangebied waar voor 2003 sprake was van permanente bewoning. 11.1. In het "Handhavingsbeleid van permanente bewoning van recreatieverblijven" van de raad van de voormalige gemeente Warmond van 13 juli 1999 wordt uitgegaan van de peildatum van 1 juli 1999. Op basis van deze peildatum zijn op 3 mei 2003 aan de bewoners van een aantal op het recreatiepark Watertuin aanwezige recreatiewoningen persoonsgebonden gedoogbeschikkingen verleend. In het daarop volgende "Handhavingsbeleid over permanente bewoning van recreatieverblijven in Warmond" van de raad van de voormalige gemeente Warmond van 18 oktober 2005 wordt weliswaar uitgegaan van de peildatum van 1 juli 1999, maar in het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat deze peildatum later is verschoven naar 31 oktober 2003.
De raad van de voormalige gemeente Warmond heeft namelijk willen aansluiten bij de uiterste mogelijke peildatum die door de toenmalige minister van VROM in zijn brief van 11 november 2003 (Kamerstukken II 20032004, 29200 XI, nr. 22) wordt genoemd. De raad van de nieuw gevormde gemeente Teylingen heeft de peildatum van 31 oktober 2003 ongewijzigd voortgezet in de "Nota Handhaving 2007-2010". De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van deze peildatum waarvan nadien dus niet is afgeweken, heeft kunnen uitgaan. De raad heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat het - nogmaals - verschuiven van de peildatum in dit geval tot precedentwerking kan leiden. De omstandigheid dat verschillen tussen recreatiepark Watertuin en camping De Hoflee bestaan, wat daarvan ook zij, maakt het voorgaande niet anders, nu de keuze van de raad voor een nieuwe peildatum voor de hele gemeente Teylingen zou moeten gelden. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen uitgaan van de peildatum van 31 oktober 2003 bij het in het plan toekennen van de functieaanduidingen "specifieke vorm van recreatie persoonsgebonden gedoogbeschikking" en "specifieke vorm van recreatie persoonsgebonden omgevingsvergunning". 11.2.
Op grond van artikel 4.4, onder c, onderdeel 1, van de planregels zijn de hiervoor genoemde functieaanduidingen aan de recreatiewoningen op de gronden in het plangebied toegekend die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan permanent werden bewoond en waarvan de bewoners in het bezit van een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden omgevingsvergunning waren. Een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden omgevingsvergunning kan alleen worden genomen of worden verleend indien de bewoners voor of op de peildatum van 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik hadden en deze sindsdien onafgebroken bewoonden. Ter zitting heeft de raad in dit verband onweersproken gesteld dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 4] na 2005 permanent in hun recreatiewoningen zijn gaan wonen en dat [appellant sub 3] tot op dit moment zijn recreatiewoning niet bewoont. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten de functieaanduidingen "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden gedoogbeschikking" en "specifieke vorm van recreatie persoonsgebonden omgevingsvergunning" niet aan de recreatiewoningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] toe te kennen.
Uitspraak 201809490/1/R3
8
Het betoog faalt. 11.3. Over het betoog van [appellant sub 5], [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld nu de hiervoor genoemde functieaanduidingen alleen zijn toegekend aan percelen binnen het plangebied waar voor 2003 sprake was van permanente bewoning, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor onder 11.2 is geoordeeld, kan een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden omgevingsvergunning alleen worden genomen of worden verleend indien de bewoners voor of op de peildatum van 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik hadden en deze sindsdien onafgebroken bewoonden. Deze situatie verschilt dus van de situatie dat een persoon pas na deze peildatum een recreatiewoning als woning in gebruik heeft genomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Het betoog faalt. 12. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] voeren verder aan dat de raad voor de permanente bewoning van hun recreatiewoningen persoonsgebonden overgangsrecht in het plan had moeten opnemen.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wijzen in dit verband op hun persoonlijke omstandigheden en dat zij als gevolg van het plan genoodzaakt zijn om de permanente bewoning te staken en hun woningen waarin zij veel geld hebben geïnvesteerd te verlaten. Daarbij komt dat het onmogelijk is om een woning in de omgeving van het recreatiepark te kopen, nu er sprake is van een woningtekort. 12.1. Uit artikel 3.2.3 van het Bro volgt dat persoonsgebonden overgangsrecht in het plan kan worden opgenomen als het achterwege laten van een regeling voor het illegale gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat hij in de persoonlijke omstandigheden die [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] naar voren hebben gebracht - hoe zwaarwegend die voor hen wellicht ook mogen zijn - geen aanleiding heeft gezien om persoonsgebonden overgangsrecht in het plan op te nemen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op dit standpunt mogen stellen.
Hierbij betrekt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de brief van 5 juli 2005 heeft aangegeven dat niet wordt meegewerkt aan het legaliseren van de permanente bewoning in recreatiepark Watertuin en dat dit bij brief van 14 juli 2005 aan Coöperatieve Vereniging Watertuin Warmond U.A. (hierna: de vereniging) - waarvan de bewoners op grond van artikel 4, derde lid, van de statuten lid zijn - is medegedeeld. Ter zitting heeft de raad in dit verband gesteld dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 4] na 2005 in hun recreatiewoningen zijn gaan wonen en er op dat moment van op de hoogte waren of redelijkerwijs konden zijn dat permanente bewoning van deze recreatiewoningen niet was toegestaan. In artikel 8, derde lid, van de statuten van de vereniging en onder het kopje "B. Koopovereenkomst" van een koopovereenkomst voor een recreatiewoning staat bijvoorbeeld dat permanente bewoning van de recreatiewoning niet is toegestaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de gronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] had moeten voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht. Het betoog faalt.
Uitspraak 201809490/1/R3
9
Vertrouwensbeginsel 13. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] betogen dat het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Zij betogen daartoe dat het voormalige college van burgemeester en wethouders van Warmond in zijn brief van 7 december 2004 heeft toegezegd dat een woonbestemming aan hun gronden zou worden toegekend. Dit wordt volgens hen in de "Quick scan legalisering recreatiecomplex Watertuin te Warmond" van 30 november 2004 (hierna: de quickscan) en in de scriptie met de titel "Vals spelen? Recreëren of Wonen" van juni 2005 (hierna: de scriptie) bevestigd. Daar komt volgens hen bij dat de toenmalige burgemeester van Warmond tijdens zijn bezoek aan recreatiepark Watertuin heeft toegezegd dat de permanente bewoning zal worden gelegaliseerd als de bewoners van deze woningen bij de gemeentelijke herindeling voor de gemeente Teylingen zouden kiezen. Dit bevestigt hij volgens hen in zijn blog van 25 mei 2005 die hij naar aanleiding van het werkbezoek heeft geschreven. Verder wijzen zij erop dat bij de inschrijving in de GBA niet is meegedeeld dat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet is toegestaan. Het gemeentebestuur heeft verder nooit handhavend tegen deze permanente bewoning opgetreden en daarom hadden zij de verwachting dat dit zou worden gelegaliseerd. 13.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. 13.2. In de brief van 7 december 2004 van het voormalige college van burgemeester en wethouders van Warmond staat het volgende: "Ten aanzien van het permanent bewonen van recreatiewoningen heeft de gemeente de keuze tussen enerzijds het omzetten van recreatiewoningen naar burgerwoningen (legalisering) en anderzijds handhavend optreden tegen permanente bewoning. Wij hebben vooralsnog een voorkeur voor het omzetten van recreatiewoningen naar burgerwoningen in de Watertuin. Gezien het feit dat voor eerdergenoemde legalisering de toestemming nodig is van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland hebben wij het college verzocht om een principe uitspraak te doen omtrent de mogelijkheid van legalisering, onder voorbehoud dat wij kunnen aantonen dat ons voornemen tot legalisering daadwerkelijk uitvoerbaar is alsmede de gemeenteraad van Warmond instemt met het omzetten van recreatiewoningen naar burgerwoningen in de Watertuin.
Wij hopen voor het einde van het jaar hieromtrent meer duidelijkheid te verkrijgen van de provincie Zuid-Holland waarna wij u ook meer duidelijkheid kunnen verschaffen omtrent onze aanpak van permanente bewoning van recreatiewoningen. Met klem wijzen wij u erop dat er momenteel geen enkele zekerheid bestaat omtrent het omzetten van recreatiewoningen naar burgerwoningen in de Watertuin wat betekent dat permanente bewoning van deze recreatiewoningen nog altijd niet is toegestaan alsmede de gemeente hiertegen handhavend kan optreden." In de blog van 25 mei 2005 van de toenmalige burgemeester van Warmond staat het volgende: "Ik had een afspraak met de secretaris van de vereniging. […] In de loop der tijd werden de bungalows steeds meer als permanente woning in gebruik genomen en doordat de gemeente hier niet echt tegen wilde optreden is er nu zo langzamerhand een soort woonwijk ontstaan. […] Momenteel ligt er een aanvraag van de gemeente bij de provincie om