Agendabundel
Tekst van het document
Heeft belanghebbende verzuimd om de medewerkingsverplichting na te komen, maar is het recht op bijstand wel vast te stellen, dan is de enige mogelijkheid waarop de gemeente kan reageren op het verzuim van belanghebbende om de bijstand te verlagen op grond van artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 20. tweede lid, van de lOAW/IOAZ. De gedraging moet dan wel zijn opgenomen in de door de gemeenteraad vastgestelde Afstemmingsverordening. In de verordening wordt de bijstand verlaagd met 50% van de bijstandsnorm wanneer belanghebbende de medewerkingsverplichting niet (tijdig) nakomt.
In het tweede lid is opgenomen dat de medewerkingsverplichting in ieder geval niet wordt nagekomen wanneer belanghebbende geen gehoor geeft aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Dit is overgenomen uit artikel 17, tweede lid, van de PW en artikel 13, tweede lid, van de lOAW/IOAZ. Ook wanneer een belanghebbende geen medewerking verleent aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het maken van een taaltoets, schendt belanghebbende de medewerkingsverplichting. De taaltoets is in de PW ingevoerd via de Wet taaleis die op 1 januari 2016 inwerking is getreden. Op grond van de gewijzigde PW moet een uitkeringsgerechtigde met een PWuitkering een taaltoets afleggen wanneer hij niet (met bijvoorbeeld diploma’s) kan aantonen dat hij de Nederlandse taal beheerst. Blijkt uit de taaltoets dat belanghebbende de Nederlandse taal inderdaad onvoldoende beheerst, dan krijgt hij een inspanningsverplichting opgelegd om zich de Nederlandse taal eigen te maken. Het niet nakomen van deze inspanningsverplichting betekent een in de PW zelf bepaalde verlaging van de uitkering. De gewijzigde PW voorziet echter niet in de situatie dat de uitkeringsgerechtigde niet verschijnt bij de taaltoets.
In het tweede lid sub b van de Afstemmingsverordening is daarom expliciet opgenomen dat het niet verschijnen voor de taaltoets een schending betekent van de medewerkingsverplichting. Deze bepaling in de Afstemmingsverordening vormt de grondslag op basis waarvan het niet verschijnen voor de taaltoets kan worden gesanctioneerd. Uit de bewoordingen ‘in ieder geval’ in het tweede lid, blijkt dat een niet-limitatieve opsomming is gegeven. Ook andere, niet genoemde situaties waarbij sprake is van een schending van de medewerkingsverplichting kunnen leiden tot een verlaging van de uitkering. Artikel 14. Niet nakomen medewerkingsverplichting financiële ontzorging Vanaf 1 januari 2022 is artikel 56a toegevoegd aan de Pw. Dit is een verplichting die gericht is op inburgeringsplichtige uitkeringsgerechtigden en gaat over het financieel ontzorgen. De inburgeringsplichtige moet hieraan medewerking verlenen. Bijvoorbeeld door inzage te geven in (financiële) administratie, op afspraken te komen, een machtiging te ondertekenen, of andere handelingen die nodig zijn om het financieel ontzorgen te kunnen uitvoeren (sub b). De wet inburgering staat lik op stuk beleid voor, dat wil zeggen dat er, indien nodig, zo snel mogelijk gehandhaafd moet worden.
Na voldoende gewaarschuwd te zijn, uitleg gekregen te hebben en de mogelijkheid om de verplichting alsnog na te komen, moet er een consequentie volgen, het afstemmen van de uitkering met toepassing van artikel 18 Pw. Gezien de kwetsbare (financiële) situatie van nieuwe inburgeraars, is het niet wenselijk om de maatregel te hoog vast te stellen. De afstemming (verlaging) voor gedragingen in de eerste categorie is in de verordening vastgesteld op 15% van de bijstandsnorm. Dit is de laagste categorie. Er is daarom voor gekozen om voor wat betreft het niet meewerken met de financiële ontzorging aan te sluiten bij deze categorie. Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de PW ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): - het te snel interen van vermogen; - het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; - het door eigen schuld niet ofte laat aanvragen van een voorliggende voorziening.
Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag dan kan dit volgens de CRvBm niet als schending van de arbeidsverplichtingen worden aangemerkt. Deze gedragingen vallen onder het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zijn opgenomen in artikel 14 lid 2 van de verordening. In het vierde lid wordt wat betreft de duur van de op te leggen verlaging onderscheid gemaakt tussen het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten die arbeid te verkrijgen. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid gedurende de bijstandsverlening moet wel worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de PW en artikel 11 en 18 van deze verordening.
Op grond van artikel 14 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de duur van de verlaging. Dat is in dit geval de periode waarover eerder of langer een beroep wordt gedaan op uitkering. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van de verlaging als sprake is van bijzondere bijstand. In het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage (100%) en wordt de ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de verlaging. Bij de vaststelling van de duur van de verlaging moet beoordeeld worden hoe lang belanghebbende onafhankelijk van uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. In het derde lid worden hiervoor richtlijnen gegeven. Dat laat onverlet de mogelijkheid voor het dagelijks bestuur om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende. Bijzondere bijstand Zoals in de toelichting op artikel 7 al is aangegeven kent de PW geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een verlaging worden toegepast.
Als het gaat om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b, kan de verlaging worden toegepast op die bijzondere bijstand wanneer er een verband bestaat tussen de gedraging (handelen/nalaten) van belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand wordt verlaagd met het volledige bedrag van de kosten die een gevolg zijn van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van belanghebbende (verwezen wordt naar de toelichting op artikel 7).
Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het dagelijks bestuur tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid onderdeel b, van de PW. Als het dagelijks bestuur besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde. 11
Voor toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting, onder de kop; 'De relatie met het Bbz'.
Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld het (dreigen met) schoppen, slaan of gooien van voorwerpen naar een 10 CRvB 06-10-2010, LJN: BN9720 en LJN; 8720) 11 CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABWe.a., ECLI:NL:CRVB:2007;BA2344.
persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben, zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, discriminatie, (seksuele) intimidatie (het uitoefenen van psychische druk), het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.i^ Ook verbaal geweld (waaronder ook wordt verstaan mondelinge of schriftelijke bedreigingen) valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging', i’ Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW, de lOAW en de lOAZ belaste personen en instanties (dagelijks bestuur, SVB en reintegratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.Met de zinsnede in de wet 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de PW, de lOAW of de lOAZ. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.’s
Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de PW en artikel 37, eerste lid sub g van de lOAW/IOAZ. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, lOAW of lOAZ. 16 Artikel 17. Niet nakomen van overige verplichtingen De PW geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de PW biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten: 1. verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (voor zover niet direct herleidbaar tot 8, 9 en 11 van deze verordening); 2. verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
Omdat de verplichtingen die het dagelijks bestuur op grond van artikel 55 van de PW kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het dagelijks bestuur zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de PW. Deze bepaling verplicht het dagelijks bestuur de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.
Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting onder de kop: 'De relatie met het Bbz’. Artikel 18. Samenloop van gedragingen Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.
Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één 12 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, biz. 24. 13 CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB ea. ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919. 1* Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, bIz. 55. 15 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, biz. 25-26. 16 CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.
of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Is er sprake van meerdere gedragingen, waarvoor meerdere verlagingen worden opgelegd, dan kan het zo zijn dat de verlagingen niet gelijktijdig kunnen worden opgelegd. Bedragen de verlagingen tezamen immers meer dan 100% van de bijstandsnorm, dan is gelijktijdige oplegging van de verlagingen niet mogelijk. In beginsel bedraagt de verlaging in dat geval in de eerste maand 100% van de bijstandsnorm en worden de vervolgens nog resterende verlagingen (tot telkens maximaal 100%) opgelegd over de daaropvolgende maand(en) totdat alle verlagingen zijn geëffectueerd. Wanneer dit niet verantwoord is (zie voorgaande alinea), dan kan de verlaging worden uitgesmeerd over meer maanden (maatwerk).
Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is.
Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het dagelijks bestuur in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het dagelijks bestuur bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het dagelijks bestuur in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).
Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de PW benoemde (geüniformeerde arbeidsjverplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing. Artikel 19. Recidive
Verdubbeling duur verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100 %. Daarom kan bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, alleen gekozen worden voor een verdubbeling van de duur van de maatregel (en niet voor verdubbeling van de hoogte). Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen - op grond van artikel 5, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de PW - is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen.
Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 17, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling.
Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt - evenals bij de eerste keer recidive - dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.
Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde venwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de venwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 15) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoerings instituut werknemersverzekeringen (artikel 8, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 8 onderdeel b onder 2) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 8 onderdeel 1). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.
Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging 100 % gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de PW gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige verlaging, bedraagt de verlaging 100 % gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de PW).
Artikel 20. Samenloop bij weigeren uitkering lOAW/IOAZ Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 van de lOAW en artikel 20 van de lOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen venwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het dagelijks bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het dagelijks bestuur concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 19 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. Artikel 21. Blijvend en tijdelijk weigeren lOAW- of lOAZ-uitkering Artikel 20, eerste lid, van de lOAW en artikel 20, tweede lid, van de lOAZ geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de lOAW of de lOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende aringenae reden reaen ten len grondslag gronosiag ligt iigi in de ae zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan b. de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of c. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. d.
Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het dagelijks bestuur de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het dagelijks bestuur de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering. Artikel 22. Uitvoering Artikel 7 van de PW schrijft voor dat de uitvoering van de PW berust bij burgemeester en wethouders. Ingevolge de Gemeenschappelijke Regeling ISD Bollenstreek is de uitvoering van de PW, de lOAW en de lOAZ gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek.
1 3. Advies cliëntenraad.pdf
CliëntenRaad ISD Bollenstreek
ADVIES Aan:
Aan het bestuur van de ISD Bollenstreek
Van:
Cliëntenraad ISD Bollenstreek
Betreft:
Advies met betrekking tot de Afstemmingsverordening PW, lOAW, lOAZ ISD Bollenstreek 2022
Datum:
22 maart 2022
Geacht bestuur.
Hierbij delen wij u mede dat de Cliëntenraad van de ISD Bollenstreek uw bovenvermelde adviesaanvraag d.d. 16 maart 2022 per telefoon, WhatsApp en e-mail heeft besproken. De Cliëntenraad heeft geen opmerkingen en kan instemmen met de Afstemmingsverordening PW, lOAW, lOAZ ISD Bollenstreek 2022.
Namens de Cliëntenraad van de ISD Bollenstreek,
B. Muller, secretaris.
* 1 4. Notitie afstemmingsverordening Pw IOAW IOAZ 2022..pdf
RD Aan Van Onderwerp Datum Ter
NOTITIE
: Dagelijks bestuur ; Afdeling beleid : Evaluatie en vaststelling afstemmingsverordening : 7 april 2022 ; besluitvorming en doorgeleiding naar de gemeenteraden
Samenvatting Een wetswijziging en jurisprudentie leiden ertoe dat de afstemmingsverordening op enkele punten moet worden aangepast. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt de afstemmingsverordening te evalueren.
Voorstel 1.
2.
3.
Instemmen met de Afstemmingsverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISD Bollenstreek 2022 (bijlage 1) De Afstemmingsverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISD Bollenstreek 2022 volgens de gebruikelijke procedure ter vaststelling voorleggen aan de gemeenteraden onder gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISD Bollenstreek 2017. Kennis nemen van het positieve advies van de cliëntenraad (bijlage 3)
Inleiding In de afstemmingsverordening wordt benoemd wat de concrete uitwerking is van de consequenties die volgen op het niet nakomen van verplichtingen door mensen die een uitkering ontvangen ingevolge de Participatiewet (Pw), lOAW of lOAZ. Na de ‘Handhavingsverordening Pw, lOAW, lOAZ, Wmo en Wgs ISD Bollenstreek 2019’ en het ‘Handhavingsbeleidsplan sociaal domein ISD Bollenstreek 2020-2023’, waarin het uitgangspunt van onze dienstverlening, een preventieve handhaving is beschreven, is de afstemmingsverordening het sluitstuk van de handhaving.
Sinds 1 januari 2022 is er een nieuw artikel aan de Participatiewet toegevoegd, artikel 56a, dat ziet op financiële ontzorging van inburgeringsplichtigen. De financiële ontzorging betreft het doorbetalen van de belangrijkste vaste lasten van de uitkering, gedurende 6 maanden. De inburgeringsplichtige moet hieraan zijn medewerking verlenen. Deze verplichting moet kunnen worden gehandhaafd op grond van artikel 18 Pw. De oude verordening voorzag onvoldoende in deze situatie, en handhaving vanuit de Wet inburgering 2021 zelf blijkt voor dit onderwerp niet mogelijk. Dit leidt ertoe dat de afstemmingsverordening moet worden aangevuld (punt 1). Daarna wordt een aantal artikelen van de verordening aangepast om de differentiatie in de geüniformeerde arbeidsverplichtingen op te heffen (punt 2). Tot slot is de afstemmingsverordening op uitvoeringsgebied geëvalueerd en worden de uitkomsten toegelicht in deze notitie (punt 3).
1. Financiële ontzorging inburgeringsplichtigen
E
1.1 Voorkomen is beter dan genezen De basis van handhaving van de ISD Bollenstreek is gelegen in het ‘concept hoogwaardig handhaven’ zoals geïntroduceerd in de genoemde handhavingsverordening en het handhavingsbeleidsplan. Daarin is het uitgangspunt beschreven dat wij door middel van een preventieve werkwijze in onze dienstverlening, een heldere communicatie en het leveren van maatwerk de naleving van afspraken en verplichtingen stimuleren. Dit doen wij onder andere op basis van inzichten uit de gedragswetenschap, waarbij rekening gehouden wordt met het feit dat stress of langdurige stress het nakomen van verplichtingen kan belemmeren. De ISD Bollenstreek past organisatie breed stress sensitieve
NOTITIE dienstverlening toe, waarbij tegemoet gekomen wordt aan basisbehoeften die de nakoming van afspraken en verplichtingen bevorderen.
Mocht dit ondanks deze aanpak, niet gebeuren, dan geeft de afstemmingsverordening richtlijnen hoe het gedrag middels het afstemmen (verlagen) van de uitkering veranderd kan worden. Dit noemen we een maatregel. Een maatregel wegens het schenden van de arbeids- of andere aan de bijstand verbonden verplichtingen is een reparatoire sanctie, dat wil zeggen dat de sanctie niet als doel heeft om leed toe te voegen, maar om gedrag te veranderen. Alleen in gevallen waarbij een belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen, is een maatregel een punitieve sanctie. Voor de doelgroep inburgeringsplichtigen is een nieuwe verplichting opgenomen in de wet, het financieel ontzorgen en het medewerking daaraan verlenen. Ontzorgen houdt in dat de eerste 6 maanden de belangrijkste vaste lasten worden doorbetaald van de uitkering. Ook houdt dit in het gedurende deze periode financieel zelfredzaam maken van de inburgeringsplichtige die een uitkering ontvangt. Medewerking verlenen kan bijvoorbeeld gaan om het ondertekenen van een machtiging, het nakomen van afspraken of het doorgeven van gegevens teneinde de doorbetaling te effectueren. We gaan ervan uit dat, voor het meewerken aan financiële ontzorging, afstemming niet (vaak) nodig zal zijn vanwege duidelijke communicatie vooraf, afgestemd op deze doelgroep.
Gedurende het traject is er persoonlijk contact en begeleiding van een consulent (budgetcoach). Op grond van artikel 56a Pw en artikel 18 Pw moet handhaving van deze verplichting mogelijk zijn, neergelegd in een verordening. Zaak is daarbij om de handhaving af te stemmen op de doelgroep, omdat de huidige bepalingen in de afstemmingsverordeningen niet afgestemd zijn op deze doelgroep.
De doelgroep is kwetsbaar. De financiële situatie moet nog stabiliseren. Toeslagen zijn er soms nog niet, een overbruggingsuitkering wordt toegekend, het Nederlandse financiële systeem is nog niet duidelijk. Daarom is het ons uitgangspunt dat een verlaging wel merkbaar moet zijn, maar zo min mogelijk negatieve gevolgen moet hebben voor financiële stabiliteit. 1.2 Grondslagen beleid De wet inburgering staat lik op stuk beleid voor. Dat wil zeggen dat er, indien nodig, zo snel mogelijk gehandhaafd moet worden. Na voldoende gewaarschuwd te zijn, uitleg gekregen te hebben en de mogelijkheid om de verplichting alsnog na te komen, moet er een consequentie volgen. Deze consequentie, de daadwerkelijke handhaving van de verplichtingen, is dus het sluitstuk van handhaving. Dat geldt ook voor de verplichtingen in het kader van de Participatiewet, waar het financieel ontzorgen onder valt. Als het tot afstemming leidt, is er blijkbaar geen moment geweest waarop de belanghebbende op een andere manier tot ander gedrag te bewegen was. Afstemming is in dit geval de laatst openstaande optie en dient tot het veranderen van gedrag. In zulke situaties moet gehandhaafd worden op grond van artikel 18 Pw, waarin staat beschreven dat het college (het dagelijks bestuur van de ISO Bollenstreek) de bijstand afstemt in geval een verplichting, voortvloeiende uit de wet, niet wordt nagekomen.
Bijvoorbeeld, de arbeidsverplichtingen, financiële ontzorging of overige verplichtingen die zijn opgelegd op grond van artikel 55 Pw. De vaststelling van de afstemming moet beschreven zijn in een verordening. Afstemming op zichzelf is een verplichting, maar voor vaststelling van de hoogte van de afstemming is beleidsvrijheid. Het afstemmen van de uitkering is in lijn met de bedoeling van de wetgever’. Maatwerk is ook bij afstemming mogelijk, zo wordt op grond van artikel 2 van de verordening de verlaging afgestemd naar de ernst van het feit, mate van verwijtbaarheid, en individuele omstandigheden. Consulenten maken hier gebruik van indien dit nodig is in de situatie van een klant.
1.3 Vaststelling hoogte en duur
1 TK 2019-2020, 35 483 (Memorie van toelichting Wet inburgering 2021) punt 2.5.2
nS
NOTITIE Gezien de kwetsbare (financiële) situatie van nieuwe inburgeraars, is het niet wenselijk om de maatregel te hoog vast te stellen. De afstemming (verlaging) voor gedragingen in de eerste categorie is in de verordening vastgesteld op 15% van het recht op uitkering. Dit is de laagste categorie. Het ligt daarom voor de hand om voor wat betreft het niet meewerken met de financiële ontzorging aan te sluiten bij deze categorie. Hiertoe is artikel 14 toegevoegd aan de verordening. In situaties waarbij een verlaging in één maand een te hoog risico voor de financiële stabiliteit oplevert (bijvoorbeeld vergroting van schuldenproblematiek, een dreigende huisuitzetting, of afsluiting van gas, water of licht), is een afwijkende duur van de maatregel denkbaar. Mogelijk is om met toepassing van artikel 2 de maatregel in gevallen waarbij sprake is van bijzondere omstandigheden te spreiden over 3 maanden, waardoor de maatregel zelf 5% per maand wordt, wat aansluit bij de hoogte van de ruimte voor beslaglegging’.
2. Aanpassing differentiatie geüniformeerde arbeidsverplichtingen In 2015 heeft de wetgever de geüniformeerde arbeidsverplichtingen geïntroduceerd in artikel 18 lid 4 Pw. De wetgever wilde daarmee onderlinge verschillen in de hoogte van maatregelen tussen gemeenten wegnemen. Er is in dit artikel een aantal gedragingen vastgesteld die in elk geval leiden tot afstemming van de uitkering met 100% van de bijstandsnorm. Gemeenten kregen beleidsruimte om de duur van deze maatregel in een verordening vast te leggen, maar in elk geval tussen 1 en 3 maanden. In onze verordening (versie 2017) was ervoor gekozen om de ‘lichte’ gedragingen te bestraffen met 1 maand verlaging van 100%, en de ‘zware’ gedragingen te bestraffen met 2 maanden verlaging van 100%. Er zijn meer gemeenten die deze differentiatie in de verordening hebben toegepast. Nu blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat deze differentiatie niet geoorloofd is, voor differentiatie bestaat geen verordenende bevoegdheid’. Juist door uniformering van de arbeidsverplichtingen en het vaststellen van de hoogte van de sanctie, heeft de wetgever beoogd dat voor alle geüniformeerde arbeidsverplichtingen eenzelfde sanctie wordt opgelegd.
De gemeente (het dagelijks bestuur) heeft vervolgens wel de bevoegdheid om voor de eerste overtreding en de tweede overtreding (recidive) de duur van de maatregel bij verordening vast te stellen. De duur van de maatregel bij recidive moet langer zijn dan de duur van de maatregel bij de eerste overtreding. 2.1 Vaststelling duur van de sanctionering In bijgaand concept verordening zijn daarom de artikelen 11, 12 en 19 van de verordening aangepast op grond van hieronder benoemde afwegingen.
100% van de uitkering is een zware sanctie, als er geen ander inkomen dan de uitkering is. Vaste lasten lopen door, evenals kosten voor levensonderhoud. De wetgever heeft het noodzakelijk geacht om de hoogte van deze sanctie maximaal vast te stellen, naar het uitgangspunt van de Participatiewet dat iedereen tracht (naar vermogen) arbeid te verkrijgen.
i
i
Een langere periode dan 1 maand kan ertoe leiden dat er betalingsachterstanden ontstaan die niet eenvoudig zijn in te lopen, waarbij iemand nog een lange periode na de schending van de verplichtingen minder geld te besteden heeft, of zelfs in een schuldenpositie geraakt doordat rentes of invorderingskosten worden berekend. Bij een eerste gedraging is dit effect in onze optiek te zwaar, een maatregel strekt immers tot gedragsverandering.
Daarom is het voorstel om een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting te sanctioneren met 100% van de uitkering gedurende 1 maand.
2 Beslagvrije voet 95% van de bijstandsuitkering volgens artikel 475 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering. 3 Zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2021:2148 en ECLI:NL;CRVB:2020:3258.
NOTITIE Bij recidive (schending van één of meerdere van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen binnen 12 maanden na oplegging van de laatste maatregel) wordt deze periode langer, namelijk 2 maanden. De eerste maatregel heeft dan blijkbaar onvoldoende gedragsverandering tot gevolg gehad. De Participatiewet regelt vervolgens zelf dat bij nog één of meerdere malen recidive, de periode van de afstemming 3 maanden wordt. Deze periode wordt verlengd zolang de schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen voortduurt.
3. Evaluatie afstemmingsverordening 3.1 Evaluatie kwantitatief
Periode: 2018-2021 Som van unieke maatregel soort maatregel 100% Niet nakomen arbeidsplicht 15% Niet nakomen arbeidsplicht 30% Niet nakomen arbeidsplicht 50% Niet nakomen arbeidsplicht Maatregel 100% overig Maatregel 50% overig Eindtotaal
in jaar 2018 23 1 1 2 6 1 34
2019 10
2020 13 1
2021 11 1
3 4
1 7
3 7
17
22
22
Recidives: Er waren 6 klanten die recidives hadden in de weergegeven jaren. 3 klanten hadden 2x een maatregel, 3 klanten 3x een maatregel.
./sM Si
3.1.1 Analyse kwantitatieve resultaten Te zien is, dat het aantal maatregelen in zijn algemeenheid, maar met name in de zwaarste categorie, wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichting, is afgenomen vanaf de vaststelling door de gemeenteraden van de handhavingsverordening en het handhavingsbeleidsplan. Een verklaring zou kunnen zijn dat een waarschuwing of motiverend gesprek in veel gevallen al voldoende is om gedrag bij te sturen. In de afgelopen jaren zijn daadwerkelijke afstemmingen in beperkte mate voorgekomen. Dat heeft verschillende oorzaken. Ten eerste communiceert de ISD Bollenstreek bij het begin van een uitkering of voorziening duidelijk en persoonsgebonden de verplichtingen waaraan een klant zich moet houden gedurende de periode dat de klant recht heeft op de uitkering. Dit is een belangrijke voorwaarde om nakoming van afspraken en verplichtingen te bevorderen. Ten tweede is de ISD Bollenstreek in ruime mate afhankelijk van de aanbieder van een reintegratietraject voor terugkoppeling van de nakoming van de verplichtingen gedurende dit traject. In veel gevallen gaat dit om Provalu, die verantwoordelijk is voor veel re-integratietrajecten. Provalu stelt in de praktijk gedragingen vast, aan de hand waarvan al dan niet de uitkering wordt afgestemd met een maatregel. Als er veel signalen zijn, zullen er ook veel maatregelen zijn.
Als er weinig signalen zijn, zijn er automatisch ook minder maatregelen.
Ten derde was er vanwege de corona maatregelen slechts beperkt de inzet van re-integratietrajecten mogelijk.
3.2 Evaluatie kwalitatief
3.2.1 Onderzoeksvragen
.HOSImB
■ j
NOTITIE De volgende onderzoeksvragen zijn gehanteerd: Wat was de grondslag voor het opleggen van de maatregel? Waren de maatregelen effectief met het oog op gedragsverandering? Is de verordening inhoudelijk nog correct en in lijn met wetgeving en jurisprudentie? Geeft de verordening voldoende mogelijkheden om, indien nodig, te sanctioneren? Geeft de verordening voldoende mogelijkheid om maatwerk toe te passen?
3.2.2 Grondslag maatregelen De afgelopen jaren laten een stabiel beeld zien van de meest voorkomende redenen voor het opleggen van een maatregel. Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen is daarin de vaakst voorkomende reden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om, na een waarschuwing, het niet nakomen van afspraken, maar ook aan het niet verschijnen bij een traject, niet meewerken aan het traject of het niet (voldoende) solliciteren naar werk. Hierin zijn geen opvallende trends te zien, het beeld is stabiel in de afgelopen jaren. Een voorbeeld van de mogelijkheid tot maatwerk (het matigen van de maatregel) is bijvoorbeeld het afwijkende percentage 30%. Dat is geen standaard, maar in individuele gevallen wel mogelijk. Maatregelen wegens overige redenen zijn redelijk stabiel gebleven, dit betreffen over het algemeen maatregelen op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in het bestaan. Dat kan bijvoorbeeld zijn het door eigen toedoen of nalaten langer aanspraak moeten maken op bijstand dan nodig. Ook kan het gaan om een maatregel vanwege het niet meewerken aan een taaltoets (max 50%).
3.2.3 Effectiviteit opgelegde maatregelen Van het aantal klanten dat een maatregel opgelegd heeft gekregen heeft 94% geen maatregel meer gehad, waaruit is af te leiden dat er gedragsverandering is geweest. 6% heeft wel opnieuw een maatregel opgelegd gekregen. Hoewel er altijd uitzonderingen kunnen bestaan, kan over het algemeen gezegd worden dat de maatregelen die worden opgelegd, effectief blijken te zijn. 3.2.4 Verordening inhoudelijk correct De grondslag van de verordening is ongewijzigd. De verordening dient ervoor om invulling te geven aan artikel 18, het sanctioneren van het niet nakomen van de arbeids- en andere aan de bijstand verbonden verplichtingen. Behoudens het financieel ontzorgen, en de onder punt 2 behandelde differentiatie van geüniformeerde arbeidsverplichtingen, behoeft de verordening inhoudelijk geen wijzigingen. 3.2.5 Mogelijkheid sanctioneren Voor beantwoording van deze en de volgende vraag is intern onderzoek gedaan, omdat de consulenten die met de verordening werken en de mensen spreken, dit het beste kunnen beoordelen. Ook de kwaliteitscontrole heeft inspraak gehad. Er zijn voldoende mogelijkheden om de gedragingen die gecategoriseerd worden als arbeidsverplichtingen, in verschillende gradaties, als uiteindelijk pressiemiddel te sanctioneren.
SÉ
3.2.6 Mogelijkheid tot maatwerk Vooropgesteld wordt, dat een afstemming (maatregel) wordt ingezet teneinde gedragsverandering teweeg te brengen. Bij het beoordelen van een maatregel worden de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden meegewogen. Indien blijkt dat, na het niet houden van bijvoorbeeld een arbeidsverplichting en vóór oplegging van de maatregel, het gedrag reeds is veranderd, hoeft er geen afstemming van de uitkering plaats te vinden. Ook bij het ontbreken van verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd. Voor geüniformeerde arbeidsverplichtingen geldt de zogenoemde inkeerregeling; indien binnen de periode van de maatregel gedragsverandering plaatsvindt, wordt de maatregel heroverwogen. Verder wordt ervaren dat er voldoende mogelijkheid tot maatwerk is, dit uit zich bijvoorbeeld in een aangepast percentage van de maatregel of het spreiden van de maatregel over een langere periode dan 1 maand.
i
NOTITIE 3.3 Conclusie en advies evaluatie Op basis van de kwantitatieve en kwalitatieve evaluatiegegevens is geen aanleiding om de afstemmingsverordening aan te passen (behoudens de onderdelen onder punt 1 en 2 van deze notitie). De afstemmingsverordening biedt voldoende richtlijnen om de afstemming van de uitkering, wanneer nodig, op te leggen. Daarnaast is er voldoende ruimte voor maatwerk, dat in de praktijk zichtbaar wordt toegepast. Ook uit het aantal opgelegde sancties volgt geen aanleiding om de verordening verder inhoudelijk aan te passen.
4. Financiën N.v.t.
5. Evaluatie N.v.t.
6. Communicatie Interne communicatie Medium___________ Medewerkers kwaliteit (o.a. werkinstructie aanpassen)_________ Medewerkers KCC Medewerkers PC
Ja
Externe communicatie Medium____________ Persbericht_________ Tekst website________ Folder (indien van toepassing) Publicatie gemeentepagina_____ Externe relaties (bv adviesraden) _____ Brief klanten_________ Officiële bekendmaking via WEP
Ja
Nee
Toelichting
Nee
Toelichting
X X X
X X
X X
X X X (T-
7. Privacy N.v.t.
Bijlagen
O
I
Kï Hb'.
1. Concept 'Afstemmingsverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISO Bollenstreek 2022’ met wijzigingen zichtbaar 2. Concept ‘Afstemmingsverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISO Bollenstreek 2022’ met wijzigingen verwerkt 3. Advies cliëntenraad
8 Monitor sociaal domein: Sturen op jeugdhulp 1 Monitor Sociaal Domein - Sturen op jeugdhulp
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp Teylingen
Mede mogelijk gemaakt door: Periode: 2019 - 2022 Datum: april 2022
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
2.
Toegang tot hulp 2.1. (Praktijkondersteuner) Huisarts 2.2. Voor ieder 1
3.
Jongeren met hulp 3.1. Jeugdhulp 3.2. Jeugdbescherming en -reclassering 3.3. First time right 3.4. Wachtlijsten 3.5. Cliënttevredenheid
4.
Kosten en gebruik hulp 4.1. Gefactureerde kosten per maand 4.2. Gefactureerde kosten per zorgvorm Bijlage: Overzicht indicatoren
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
1. Inleiding Dit is de rapportage van de Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp Teylingen Hierin zijn de indicatoren opgenomen die voor de raad een beeld geven van de voortgang op de doelen uit het jeugdhulpbeleid. De doelen uit het nieuwe inkoopplan jeugd en de integrale toegang zijn hierin meegenomen. Dit zijn de doelen voor jeugdhulp op hoofdlijnen: • preventie en vroegsignalering om problemen van jeugdigen en ouders te voorkomen
en/of tijdig aan te pakken; • normaliseren/demedicaliseren/ambulantiseren/hulp in eigen omgeving, zo mogelijk afschalen van zorg naar welzijn; • passende onderwijsplek/aansluiting onderwijs-jeugdhulp; • direct passende hulp/first-time right/verkorten van de wachttijden voor jeugdhulp; • beschikbaar en betaalbaar houden van de jeugdhulp.
Maar het zorglandschap staat niet stil. Zo wordt momenteel bijvoorbeeld gewerkt aan betere effectindicatoren vanuit het inkooptraject jeugd. Dat kan leiden tot aanpassingen van deze indicatoren. In deze monitor laten we de trends in de afgelopen jaren zien. Daarvoor gebruiken we de beschikbare, meest recente gegevens en die van de perioden ervoor. Wat beschikbaar is kan per gegeven, en dus per grafiek/tabel, verschillen. Ook tonen we alleen die periodes waarvan de gegevens volledig zijn. Dit om te borgen dat er een goede vergelijking mogelijk is met dezelfde periode in een voorgaand jaar. Waar mogelijk benchmarken we de gegevens door ze te vergelijken met de HLT-gemeenten, de regio Holland Rijnland en/of heel Nederland.
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
2. Toegang tot hulp 2.1. (Praktijkondersteuner) Huisarts Deze indicatoren zijn gericht op de doelen normaliseren/ambulantiseren en beschikbaar en betaalbaar houden van de jeugdhulp. Het streven is dat de huisarts minder doorverwijst naar jeugdhulp. Hier wordt aan gewerkt via de inzet van de praktijkondersteuner jeugd. Het idee is dat de praktijkondersteuner in toenemende mate zelf afdoende hulp biedt of terugverwijst naar het voorliggende veld.
Aantal verwijzingen door huisarts naar jeugdhulp 430 400
406 333
425
* Dit is het aantal unieke cliënten dat in de betreffende periode zorg heeft ontvangen 386
330
na verwijzingen van een verwijzer. Daarbij wordt gekeken naar de periode waarin de zorg is geleverd en niet naar het moment van doorverwijzen.
200
h1 = 1e halfjaar h2 = 2e halfjaar 0 2019 -h1 2019 -h2 2020 -h1 2020 -h2 2021 -h1 2021 -h2
bron: berichtenverkeer
Percentage verwijzingen jeugdhulp Verwijzer
100% 5,9% 6,8% 80%
8,1%
7,2% 7,9% 8,2%
7,8%
7,0%
6,9%
7,1%
9,2%
10,0%
8,4%
8,9%
Gemeentelijke toegang Huisarts
7,8%
7,3%
7,6%
9,4%
Jeugdarts Medisch specialist Gecertificeerde instelling Justitie Geen verwijzer
60% 49,2%
48,1%
45,3%
46,7%
47,4%
45,0%
29,1%
27,0%
26,6%
26,8%
2020 -h1
2020 -h2
2021 -h1
2021 -h2
40%
20%
0%
26,1%
25,1%
2019 -h1
2019 -h2
• Dit gaat om het percentage unieke cliënten dat in de betreffende periode zorg heeft ontvangen na verwijzingen van een verwijzer. Daarbij wordt gekeken naar de periode waarin de zorg is geleverd en niet naar het moment van doorverwijzen.
• Justitie is de term voor rechter, Officier van Justitie en functionaris Justitiële jeugdinrichting. • Geen verwijzer zijn de velden die in de aangeleverde data niet zijn ingevuld. bron: berichtenverkeer Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
2. Toegang tot hulp Jeugdigen bij praktijkondersteuners - aantallen Interventie categorie hulp door POH-J overbrugging,spec. hulp POH-J, alsnog verwijzing
14
2022 februari
2
2
2
1
verwijzing spec. hulp verwijzing Voor ieder 1
4
2022 januari
1
2
0
10
20
Jeugdigen bij praktijkondersteuners - percentages 100%
4,8% 9,5% 28,6%
hulp door POH-J overbrugging,spec. hulp POH-J, alsnog verwijzing
9,5%
80%
Interventie categorie
9,5%
verwijzing spec. hulp verwijzing Voor ieder 1
14,3% 60%
40%
66,7% 57,1% 20%
0%
2022 januari
2022 februari
• De cijfers van de POH-J worden getoond vanaf 2022. Sinds die tijd werken de POH-J’s volgens een nieuwe registratie. Deze wijkt iets af van de voorgaande registratie tijdens de pilot. Daardoor zijn de gegevens niet vergelijkbaar. Bovendien zijn die gegevens door het aflopen van de pilot in 2021 ook niet volledig. bron: registratie praktijkondersteuners Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
2. Toegang tot hulp
2.2. Voor ieder 1 Deze indicatoren zijn gericht op de doelen normaliseren/ambulantiseren en beschikbaar en betaalbaar houden van de jeugdhulp. Het streven is dat de integrale teams minder doorverwijzen naar specialistische hulp. Het idee is dat zij in toenemende mate zelf afdoende hulp bieden of terugverwijzen naar het voorliggende veld. Vanwege de overgang van de Jeugd- en Gezinsteams naar Voor ieder 1 zijn deze gegevens nog niet beschikbaar voor deze rapportage. We werken er samen met Voor ieder 1 aan om deze zo snel mogelijk beschikbaar te krijgen.
Duiding toegang tot jeugdhulp • In de eerste helft van 2021 was een lichte toename te zien van kinderen die via justitie (rechter of officier van justitie) zijn doorverwezen naar specialistische jeugdhulp. Deze toename zet zich verder door in de tweede helft van 2021. Het relatieve aandeel van de gemeentelijke toegang is ongeveer gelijk gebleven sinds de eerste helft van 2021. Het aandeel doorverwijzingen naar specialistische jeugdhulp van de huisartsen is iets afgenomen. Opvallend is de stijging die te zien is bij de medisch specialisten. • We zien een afname van het aantal doorverwijzingen naar jeugdhulp door de huisartsen. Van 425 in de eerste helft van 2021 naar 386 in de tweede helft van 2021. Deze afname is te zien in alle HLTgemeenten. Zo’n daling is de gewenste richting die we beogen met de inzet van de praktijkondersteuner bij de huisartsen. • Sinds januari 2022 werken de prakijkondersteuners jeugd volgens een nieuwe registratie. Deze wijkt iets af van de voorgaande registratie tijdens de pilot. Daardoor zijn de gegevens niet vergelijkbaar. Bovendien zijn die gegevens door het aflopen van de pilot in 2021 ook niet volledig. Het lijkt erop alsof de nieuwe registratie nog op gang moet komen. In februari zijn er al meer jeugdigen geregistreerd/geholpen dan in januari. Van degene die in februari geholpen zijn, is tweederde door de praktijkondersteuner zelf begeleid.
• Voor ieder 1 is bezig met de aanbesteding van een nieuw registratiesysteem. Als dat systeem er is, wordt uniform geregistreerd door alle partijen. Nu werken de medewerkers nog in de registratiesystemen van hun moederorganisatie. Daardoor zijn de gegevens niet vergelijkbaar. Dat is ook de reden dat ze nog niet zijn opgenomen in deze rapportage.
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
3. Jongeren met hulp 3.1. Jeugdhulp Deze indicatoren zijn gericht op de doelen normaliseren/ambulantiseren en beschikbaar en betaalbaar houden van de jeugdhulp. Het streven is dat de instroom in de gespecialiseerde jeugdhulp afneemt. Ook werken we aan een verschuiving van jeugdhulp met verblijf naar ambulante jeugdhulp. Voor de jeugdigen die hulp nodig hebben, moet deze snel beschikbaar en direct de juiste hulp zijn. Aantal jeugdigen met jeugdhulp: vergelijking in de tijd 1200
45
45
40 1000
55
45
40
40
40
50
800
600 1080 1025
990
1070
965
985
975
955
2020-h1
2020-h2
2021-h1
890 400
200
0
2017-h1
2017-h2
2018-h1
2018-h2
2019-h1
zonder verblijf
• Dit is inclusief jeugdhulp door het wijk/buurtteam. bron: waarstaatjegemeente.nl Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
2019-h2
met verblijf
96% 95% 97% 96% 96% 95% 96%
2020 h1
2020 h2
2021 h1
2019 h1
2019 h2
2020 h1
2020 h2
bron: waarstaatjegemeente.nl
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
• Dit is inclusief jeugdhulp door het wijk/buurtteam. • Deze gegevens zijn via deze bron niet bekend voor de Duin- en Bollenstreek. 90,5%
95%
2021 h1
2021 h1
96%
2020 h2
90,5%
95%
2020 h1
2020 h2
95%
2019 h2
90,4%
95%
2019 h1
2020 h1
96%
2021 h1
90,6%
96%
2020 h2
9,5%
9,5%
HR 9,6%
9,4%
9,7%
5%
4%
5%
5%
5%
4%
4%
4%
Teylingen
2019 h2
96%
2020 h1
4%
Lisse
90,3%
96%
2019 h2
4%
7%
4%
5%
4%
4%
3%
5%
4%
4%
Aantal jeugdigen met jeugdhulp
2019 h1
96%
2019 h1
93%
96%
2019 h2
4%
Hillegom
2021 h1
96%
2019 h1
3. Jongeren met hulp zonder verblijf
met verblijf
NL
3. Jongeren met hulp
10,5 %
10,3 %
10,1 %
10,6 %
10,4 %
12,0 %
12,9 %
12,1 %
12,5 %
12,5 %
12,3 %
12,5 %
12,2 %
13,5 %
12,9 %
12,3 %
12,5 %
11,6 %
12,3 %
11,6 %
13,9 %
13,6 %
12,4 %
15 %
13,0 %
20 %
13,6 %
Percentage jeugdigen (0-17jr) met jeugdhulp: vergelijking gemeenten/regio in de tijd
10 % 5% 0%
Hillegom
Lisse
Teylingen
2019-h1
2019-h2
2020-h1
Holland Rijnland 2020-h2
Nederland
2021-h1
• Deze gegevens zijn via deze bron niet bekend voor de Duin- en Bollenstreek. bron: waarstaatjegemeente.nl
De gegevens over unieke cliënten per zorgvorm staan in hoofdstuk 4.2. Dit zodat ze eenvoudig naast de gegevens over facturatie per zorgvorm gelegd kunnen worden. Doelrealisatie in de jeugdhulp (in hoeverre worden de doelen gerealiseerd) wordt nu nog niet geregistreerd. Dat komt mede omdat het erg lastig is om goed en betrouwbaar te meten. Het streven is om dit op termijn wel inzichtelijk te maken.
3.2. Jeugdbescherming en -reclassering Jeugdbescherming wordt ingezet als de veiligheid en ontwikkeling van jeugdigen ernstig bedreigd wordt. Deze maatregelen worden opgelegd door de kinderrechter. Het gaat onder meer om ondertoezichtstelling waarbij ouders verplichte hulp krijgen bij het opvoeden, soms samen met uithuisplaatsing of om voogdijmaatregelen waarbij ouders (tijdelijk) het gezag verliezen. Percentage jeugdigen (0-17 jaar) met een jeugdbeschermingsmaatregel
0,5 %
0,0 %
Hillegom
Lisse
2019-h1
2019-h2
Teylingen
2020-h1
Holland Rijnland
2020-h2
• Deze gegevens zijn via deze bron niet bekend voor de Duin- en Bollenstreek. bron: waarstaatjegemeente.nl Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
2021-h1
Nederland
1,1 %
1,1 %
1,1 %
1,1 %
1,1 %
0,9 %
0,9 %
0,9 %
0,9 %
0,9 %
0,8 %
0,7 %
0,7 %
0,7 %
0,7 %
0,9 %
0,9 %
0,8 %
0,7 %
0,8 %
0,6 %
0,5 %
0,7 %
1,0 %
0,8 %
1,5 %
1,0 %
2,0 %
3. Jongeren met hulp
Jeugdreclassering is een vorm van jeugdzorg waarbij de jongere wordt geholpen, begeleid en gecontroleerd. Dit is voor jongeren van 12 jaar en ouder die een strafbaar feit hebben gepleegd.
Percentage jeugdigen (12-23jr) met jeugdreclassering 2,0 %
0,0 %
Lisse
Teylingen
2019-h2
2020-h1
Holland Rijnland
2020-h2
0,3 %
0,3 %
0,3 %
0,3 %
0,2 %
0,2 %
0,2 %
0,2 %
0,4 %
0,5 %
0,3 %
0,4 %
0,5 %
0,4 %
1,0 %
0,4 %
1,5 %
Nederland
2021-h1
• In Hillegom en Lisse is van een aantal perioden geen percentage bekend. Dat komt omdat de aantallen te klein (< 10) zijn om weer te geven. Ze kunnen dan herleidbaar zijn naar individuele jeugdigen.
• Deze gegevens zijn via deze bron niet bekend voor de Duin- en Bollenstreek. bron: waarstaatjegemeente.nl
3.3. First time right Het doel hiervan is jeugdigen direct passende hulp bieden. In Holland Rijnland wordt gewerkt aan de inrichting van een overkoepelend proces voor de verwijzingen van verschillende vormen van zorg, zodat snel duidelijk is of de vraag voor zorg ook geëigend is. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan meerdere beleidsdoelstellingen, waaronder: first time right en normaliseren (uitsluitend zware zorg/specialistische-GGZ inzetten als dit echt nodig is). Dit leidt ook tot een verbetering van de door- en uitstroom van cliënten wat ten goede komt aan de wachttijdenproblematiek.
3.4. Wachtlijsten Het doel is het verkorten van de wachtlijsten. Het is nu nog niet mogelijk om structureel een betrouwbaar beeld van de wachtlijsten te geven. Denk bijvoorbeeld aan jeugdigen die op meer wachtlijsten staan of nog op een wachtlijst staan en ondertussen al hulp hebben. De wachtlijsten worden in regionaal verband aangepakt. De aanpak wachtlijsten Jeugdhulp – versterken en versnellen bestaat uit een aantal onderdelen. Een van die onderdelen is de Interventie wachtlijsten. Er hebben gesprekken plaatsgevonden met jeugdigen/gezinnen op de wachtlijst. Dit geeft inzicht in de hulp waar jeugdigen op wachten, of die hulp nog nodig is en helpt met het opschonen van de wachtlijsten. De eerste resultaten worden eind april gedeeld met de raad. Daarna wordt gekeken of en hoe de aanpak geborgd wordt. Meer informatie staat in de raadsbrief Aanpak wachtlijsten jeugdhulp. Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
3. Jongeren met hulp 3.5. Cliënttevredenheid Er wordt jaarlijks een cliënttevredenheidonderzoek uitgevoerd in de regio Holland Rijnland. Deze geeft inzicht in ervaringsverhalen en cijfers. De meest recente versie is die over 2020. Naar verwachting is het cliënttevredenheidsonderzoek over 2021 in het najaar van 2022 gereed. In 2020 zijn jeugdigen en ouders, die hun ervaring hebben gedeeld, vaker tevreden over de hulp. Dat is vooral in Lisse en Teylingen het geval.
Aantallen cliëntervaring jeugdhulp Holland Rijnland HR ouders 2020
236
26
HR ouders 2019
234
36
HR jeugd 2020
61 133
38
HR jeugd 2019
55
Teylingen 2020
30
Teylingen 2019
24
Lisse 2020
14
Lisse 2019
13 8
Hillegom 2020
12
Hillegom 2019
17
17
0
100
200
positief
neutraal
300
400
negatief
Percentage cliëntervaring jeugdhulp Holland Rijnland HR ouders 2020
73%
HR ouders 2019
8%
58%
19%
9%
HR jeugd 2020
33%
79%
13%
8%
HR jeugd 2019
72%
13%
14%
Teylingen 2020
75%
10%
15%
Teylingen 2019
55%
7%
Lisse 2020
39%
74%
Lisse 2019
5%
62%
Hillegom 2020
67%
Hillegom 2019
65% 0%
20%
38% 11%
neutraal
60% negatief
bron: Cliëntervaringsonderzoek Jeugd Holland Rijnland 2019, 2020
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
22%
8% 40%
positief
21%
27% 80%
100%
3. Jongeren met hulp
Duiding jeugdhulp • Het totaal aantal cliënten is in de eerste helft van 2021 afgenomen ten opzichte van de eerste helft van 2020. Dit is in lijn met de regionale trend. • Het percentage jeugdigen die een vorm van jeugdhulp met verblijf ontvangt is stabiel gebleven, dit past binnen het regionale beeld. Landelijk is het percentage hoger. Het tekort aan verblijfsplekken in de regio is een belangrijke oorzaak van het lagere regionale percentage. • Het percentage jongeren met een reclasseringsmaatregel is gemiddeld hoger dan in de rest van Holland Rijnland. Teylingereind heeft hier geen invloed op omdat de gemeente waar de ouder met gezag woont financieel verantwoordelijk is. Er is geen eenduidige verklaring voor het hogere percentage in Teylingen. • De cliënttevredenheid over jeugdhulp is in Teylingen toegenomen. Naar verwachting is het cliënttevredenheidsonderzoek over 2021 in het najaar van 2022 gereed.
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
4. Kosten en gebruik hulp Deze indicator is gericht op beschikbaar en betaalbaar houden van de jeugdhulp. Dat zodat jeugdigen die echt hulp nodig hebben deze ook kunnen krijgen.
4.1. Gefactureerde kosten per maand Gefactureerde kosten per maand € 600.000
€ 400.000
€ 200.000
€0
ri ri a a ru nu b ja fe
rt a a m
ril p a
Jaar
Maand
2019
ni u j
ei m
2019
2020
2020
li ju
er er er er us t b b b b m to us em e em k g t c v o u p a de no se
2021
2021
januari
€ 602.582
€ 613.592
€ 625.017
februari
€ 557.945
€ 566.858
€ 539.515
maart
€ 596.093
€ 555.444
€ 648.790
april
€ 573.193
€ 460.639
€ 560.673
mei
€ 565.812
€ 495.722
€ 487.537
juni
€ 525.867
€ 604.799
€ 607.178
juli
€ 526.715
€ 562.313
€ 530.574
augustus
€ 389.675
€ 395.462
€ 409.466
september
€ 575.181
€ 566.152
€ 519.811
oktober
€ 558.170
€ 553.432
€ 508.222
november
€ 554.083
€ 595.744
€ 580.091
december
€ 509.636
€ 517.338
€ 499.637
€ 6.534.952
€ 6.487.493
€ 6.516.511
Totaal
• Dit zijn alleen de kosten voor zorg in natura, exclusief de pgb's. Een factuurbedrag hoort bij de maand waarin de zorg is verleend, niet bij de maand waarin de factuur is verstuurd. bron: berichtenverkeer
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
4. Kosten en gebruik hulp 4.2. Gefactureerde kosten per zorgvorm
nt a l bu Am
ijf l rb e V
ng ng i i l rm de e n ch ha s e be gb d a D ug e J
Jaar
A LT
2019
rg ng i o r gz se e s e Pl cla e dr g u Je
2020
D EE
€ 9.089
€ 7.748
€ 71.706
€ 73.758
€ 105.578
€ 119.718
€ 155.705
€ 62.022
€ 199.241
€ 103.376
€ 249.669
€ 29.300
€ 516.509
€ 403.007
€ 903.117
€ 654.316
€ 1.194.465
€ 3.263.286
€ 1.000.000
€ 1.412.726
€ 2.936.796
€ 2.000.000
€0
€ 3.111.433
€ 3.000.000
€ 2.144.911
Facturatie naar zorgvorm
er o rv Ve
s isi r C
2021
800
763
860
Aantal unieke cliënten per zorgvorm
600
0
t an l bu Am
g in rm e ch s be d ug e J
ng i l de n ha e gb a D
D EE
Jaar
s isi r C
ijf l rb e V
2019
2020
g in r e ss a l ec r gd u Je A LT
rg o gz e e Pl
5
4
18
16
26
13
27
11
37
47
36
28
54
54
60
63
70
200
75
400
er o rv e V
2021
• EED = Ernstige Enkelvoudige Dyslexie ; LTA = (specialistische jeugdhulp via het) Landelijke Transitie Arrangement. • Dit zijn alleen de kosten voor zorg in natura, exclusief de pgb. bron: berichtenverkeer Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
4. Kosten en gebruik hulp Facturatie naar zorgvorm Zorgvorm Ambulant Crisis Dagbehandeling EED Jeugdbescherming Jeugdreclassering LTA Pleegzorg Verblijf Vervoer Totaal
2019
2020
2021
€ 2.936.796 € 73.758 € 654.316 € 119.718 € 403.007 € 62.022 € 29.300 € 103.376 € 2.144.911 € 7.748 € 6.534.952
€ 3.263.286 € 69.491 € 634.165 € 113.916 € 488.148 € 132.335 € 201.994 € 162.153 € 1.412.726 € 9.278 € 6.487.493
€ 3.111.433 € 71.706 € 903.117 € 105.578 € 516.509 € 155.705 € 249.669 € 199.241 € 1.194.465 € 9.089 € 6.516.511
Aantal unieke cliënten per zorgvorm Zorgvorm
2019
2020
2021
Ambulant Crisis Dagbehandeling EED Jeugdbescherming Jeugdreclassering LTA Pleegzorg Verblijf Vervoer Totaal
860 28 54 63 70 13 11 16 47 4 984
826 23 53 53 76 18 12 17 39 6 933
763 36 54 60 75 26 27 18 37 5 897
• EED= Ernstige Enkelvoudige Dyslexie ; LTA = (specialistische jeugdhulp via het) Landelijke Transitie Arrangement. • Dit zijn alleen de kosten voor zorg in natura, exclusief de pgb. bron: berichtenverkeer
Monitor Sociaal Domein: Sturen op jeugdhulp
4. Kosten en gebruik hulp
Duiding kosten jeugdhulp • Het aantal unieke cliënten dat gebruikt maakt van een vorm van een jeugdhulp daalt ieder jaar sinds 2019. Dat komt vooral door een daling van cliënten met ambulante hulp en in mindere mate door een daling van cliënten met verblijf. Het gebruik van crisishulp, jeugdreclassering en LTA is in 2021 juist toegenomen. • De daling van unieke cliënten leidt niet tot lagere kosten van jeugdhulp. Die kosten (alleen zorg in natura) zijn in 2021 juist toegenomen, maar zijn wel lager dan in 2019. Dat komt onder meer door: - Hoge kosten ambulante hulp, die niet in lijn zijn met de daling van het aantal cliënten. De kosten zijn in 2021 gedaald, maar liggen nog boven het bedrag van 2019. - De toename van kosten voor dagbehandeling in 2021, terwijl het aantal cliënten gelijk bleef. • De toename van kosten past in het regionale beeld. Voor deze stijging zijn verschillende oorzaken, waaronder indexatie, langere trajecten, complexere casuïstiek, stagnatie van doorstroom door cliëntenstops, toename van casussen bij het expertteam (overwegend duurdere zorg). De langere trajecten zijn deels een neveneffect van corona en de coronamaatregelen. • De kosten van verblijf zijn afgenomen, in lijn met de daling van het aantal cliënten. Dat is ook de gewenste beweging. Dit gaat niet, zoals wellicht te verwachten, samen met een toename van ambulante hulp.