5. Ruimtelijke Onderbouwing transformatie Hellegatspolder 1 Sassenheim
Tekst van het document
De plaatselijke brandweer zal in het kader van de ruimtelijke procedure worden geconsulteerd naar aanleiding van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies wordt meegenomen in het ruimtelijke plan. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer worden gezocht. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft met een schrijven met datum 27 september 2020 laten weten geen bezwaren te hebben tegen het plan. De gemaakte opmerkingen leiden niet tot een andere conclusie dan hier beschreven. De personen in het plangebied zijn in principe zelfredzaam en kunnen zelfstandig naar binnen vluchten bij een BLEVE en in geval van een optredende brand in een gebouw vervolgens zelfstandig naar buiten vluchten. Ook in het geval van een incident met bijvoorbeeld een tankwagen met toxische stoffen op de A44, zullen de personen in eerste instantie zelfredzaam zijn door een veilig onderkomen te vinden. Een incident heeft geen invloed op de bereikbaarheid van de locatie. De normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.
Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien neemt als gevolg van de ontwikkeling het aantal personen in het plangebied niet toe (groepsrisico).
4.7
Bodemgeschiktheid
Asbestonderzoek In verband met de voorgenomen bestemmingswijziging, is een verkennend asbestbodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding hiervoor is dat het bevoegd gezag tijdens het vooroverleg d.d. 6 november 2018 hierom heeft gevraagd. Doel van het onderzoek is het vaststellen of op de onderzoekslocatie een verontreiniging met asbest in de bodem aanwezig is. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is recent een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd door IDDS, d.d. 01-05-2019 (kenmerk 1811M051/JHA/rap1). Vervolgens heeft een beoordeling van de Omgevingsdienst West-Holland plaatsgevonden. Naar aanleiding van voornoemde beoordeling van de omgevingsdienst West-Holland, is onderhavig aanvullend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. Conclusies Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Visuele inspectie maaiveld 1. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Aanvullend asbestonderzoek algemene terreindelen 2. In mengmonsters MM401 en MM402 zijn geen verhoogd gewogen asbestgehalten aangetoond. 3. In mengmonster ASBMM3 uit voorgaand verkennend asbestonderzoek, door IDDS, kenmerk 1811M051/JHA/rap1, d.d. 01-05-2019) een gehalte asbest aangetoond van 49 mg/kg ds gewogen.
Nader asbestonderzoek overdekte stalling/overkapping (RE1) 4. In mengmonster MM101 is een gehalte asbest aangetoond van 51 mg/kg ds gewogen. \\ Nader asbestonderzoek schuur (RE2) 5. In mengmonster MM201 is een gehalte asbest aangetoond van 0,33 mg/kg ds gewogen. Middels onderhavig onderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van asbest in de grond ter plaatse van de het onderzoeksgebied in afdoende mate vastgelegd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van asbest geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het verkennend (kenmerk 1811M051/JHA/rap1) én het aanvullend en nader asbestonderzoek (1811M051/JHA/rap1.2), zijn als bijlage toegevoegd. Verkennend bodemonderzoek Ook is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om te achterhalen wat of de grond al dan niet vervuild is. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: - In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, metselpuin, beton, slakken en sintels) waargenomen.
- Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is (gelijktijdig) een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd, voor meer informatie verwijzen wij u naar betreffende rapportage van IDDS met kenmerk 1811M051/JHA/rap1.2. - De bovengrond ter plaatse van boring 09 is sterk verontreinigd met lood en zink. De bovengrond ter plaatse van boring 05 is matig verontreinigd met lood. In de overige onderzochte bovengrondmonsters zijn hooguit licht verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie aangetroffen. - De ondergrond ter plaatse van boring 10 is sterk verontreinigd met lood en minerale olie, matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met diverse zware metalen en PAK. In het overige onderzochte ondergrondmonster is een lichte verontreiniging met PAK aangetroffen. - Het grondwater is niet verontreinigd. Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie te worden gehandhaafd. Formeel dient een nader bodemonderzoek te worden geadviseerd naar de mate en omvang van de aangetroffen verontreiniging. Echter, wordt het uitvoeren van een nader bodemonderzoek slechts beperkt doelmatig geacht omdat: 1. In de bodem zijn geen ingrepen gepland (het gebruik blijft ongewijzigd); 2.
Op de locatie zijn slechts beperkte contactmogelijkheden met de verontreiniging. De verontreiniging is slechts zeer plaatselijk vanaf het maaiveld (boring 09) aangetroffen.
3. Ter plaatse van vrijwel de gehele onderzoekslocatie zijn bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Dergelijke lagen kunnen lichte tot (plaatselijk) sterke verhogingen bevatten, en duiden op een sterk heterogeen voorkomen. Op basis hiervan wordt verondersteld dat er plaatselijk sprake is van zogenoemde verontreinigingsspots. Verwachting is dat, gezien de overige onderzoeksresultaten, geen aaneengesloten bodemvolume á 25 m³ sterk verontreinigd is. Ons inziens is het niet aannemelijk dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het rapport met kenmerk 1811M051/JHA/rap2.1 is als bijlage toegevoegd. Conclusie bodemgeschiktheid Met inachtneming van de bovenstaande conclusies, waarbij blijkt dat de aangetoonde overschrijdingen dermate laag zijn, vormt het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8
Flora en Fauna
Op 27 februari 2019 is een biotooptoets uitgevoerd door een erkend ecoloog. Samen met het bronnen- en literatuuronderzoek zijn de bevindingen hiervan verwerkt in een flora- en faunarapportage, ook wel genoemd een ecologische Quickscan. Uit de bureaustudie en de biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rusten verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Ook gelet op de gebiedsbescherming wordt geconcludeerd dat dit aspect geen planologische belemmering oplevert voor het realiseren van het plan. In paragraaf 4.5 is nader ingegaan op het aspect stikstofdepositie. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden vanuit het Natuurnetwerk Nederland in de nabije omgeving zijn waarvoor de drempelwaarden overschreden worden door deze ontwikkeling. Het planvoornemen betreft enkel het slopen van enkele opstallen. Zoals in paragraaf 2.2 beschreven staat de provincie positief tegenover dit resultaat. Al tijdens het vooroverleg heeft zij in afstemming met de gemeente een positieve reactie gegeven aangaande dit specifieke onderwerp. Zie paragraaf 2.2. voor de verdere onderbouwing. Uit de Quickscan is beschreven dat er achter gebouw 2 (uit de Quickscan) een mogelijkheid bestaat dat de (braam)struiken en kleine bomen een functie hebben als schuilplaats voor huismussen.
Deze functie moet worden behouden. Er zijn geen plannen om deze beplanting te vellen.
Wel is de zorgplicht conform de Wet natuurbescherming (Wnb), artikel 1.11 te allen tijde van toepassing. Specifiek wordt hier ook genoemd de zorgplicht voor vogels ingevolge artikel 3.1 Wnb: de werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden, of men dient te starten voor het broedseizoen en door te werken in het broedseizoen indien continue verstoring plaatsvindt (waarbij geadviseerd wordt het gebied voor het broedseizoen ongeschikt voor broedvogels te maken door, indien noodzakelijk, het groen te verwijderen). Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog op twee verschillende momenten is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, maar globaal wordt uitgegaan van de periode half maart tot half augustus. Het rapport Ecologische Quickscan Sassenheim Hellegatspolder 1 met kenmerk 1750/RSL/rap1.1 is als separate bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Conclusie flora en fauna Met inachtneming van de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht voor vogels overeenkomstig de Wet natuurbescherming, kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder dat vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied van beschermde soorten wordt aangetast.
5.
Watertoets
5.1
Algemeen
Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m 3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
2.
5.2
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling); Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Beleid
Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap. Waterbeheerplan 5: Waardevol Water Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met de omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen.
Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer.
De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.
Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen.
Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
5.3
Beoordeling planvoornemen
In het planvoornemen worden er geen ontwikkelingen gerealiseerd die verharding opleveren. Er wordt juist bebouwing gesloopt. Het plangebied kent een dubbelbestemming waterstaat ‘waterkering’. Uit de legger oppervlaktewater volgen geen strijdigheden, zo blijkt uit onderstaand figuur.
In het vooroverleg is vastgesteld dat er voorafgaande aan dit interne advies geen advies nodig is van het Hoogheemraadschap. Conclusie watertoets Gelet op het voorgaande hoeven er in het kader van de planontwikkeling geen watercompenserende maatregelen getroffen te worden.
6.
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie
Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten:
Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
In het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied geen bestemming archeologie toegekend. Beoordeling Er geldt in het bestemmingsplan voor dit gebied géén dubbelbestemming voor archeologie. Uit het vooroverleg met de gemeente is gebleken dat in de eerste herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Teylingen een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 8 zal worden opgenomen. Archeologisch onderzoek is dan nodig wanneer de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm. Dit bestemmingsplan is in voorbereiding, maar bij medewerking aan het onderhavige verzoek, zullen de genoemde criteria niet worden overschreden. 6.2
Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt is er geen belemmering voor het planvoornemen.
7.
Uitvoerbaarheid
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning, die gezien de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure kent. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging wordt beslist over de vaststelling.
7.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. De kosten voor de hiervoor beschreven gewenste ontwikkeling en eventuele daaruit voortvloeiende planschadeclaims komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Er wordt hiervoor een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In dit geval is er geen sprake van dergelijke kosten. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.
7.3
Eindconclusie
Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. Er zijn geen zwaarwegende bezwaren tegen de realisatie van het plan. IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. Noordwijk (ZH)
8.
Bijlagen
Bijlage 1 AERIUS uitvoerbestand
Bijlage 2 Externe Veiligheid
Bijlage 3 Verkennend asbestonderzoek
Bijlage 4 Aanvullend en nader asbestonderzoek
Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 6 Ecologische Quickscan
Bijlage 7. Afschrift propaantank