5. Bijlagen bij toelichting_15.pdf - Bijlagen bij toelichting_15
Tekst van het document
Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan “Eikenhorstlaan 2, Voorhout” INHOUDSOPGAVE Bijlage 1
Cultuurhistorisch onderzoek
2
Bijlage 2
Verkennend- en nader bodemonderzoek
34
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
198
Bijlage 4
Quickscan Wet natuurbescherming/Ecologie
245
Bijlage 5
Archeologisch onderzoek
283
Bijlage 6
Aanvullend ecologisch onderzoek vleermuizen en huismussen
331
Bijlage 7
Verslag bijeenkomst omwonenden
346
Bijlage 8
Akoestisch onderzoek industrielawaai
350
Bijlage 9
Nota van beantwoording zienswijzen
437
Cultuurhistorisch onderzoek Boerderij Hoogh Teylingen Eikenhorstlaan 2, Voorhout
Opdrachtgever: Datum: 13 oktober 2021
Landschapsarchitectuur Stedenbouw Recreatieontwikkeling
2
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Inhoud
1. Inleiding .............................................................................................4 2.Plangebied .........................................................................................6 3. Cultuurhistorie plangebied..............................................................13 3.1 De ontwikkelingsgeschiedenis .........................................................13 3.2 Conclusie .........................................................................................24 4. Schetsontwerp nieuwe situatie .....................................................27 Bronnen .............................................................................................31 Colofon ..............................................................................................31
Boerderij Hoogh Teylingen
3
1. Inleiding Deze inleiding beschrijft de aanleiding en het doel voor het opstellen van het cultuurhistorisch onderzoek voor het perceel gelegen aan de Eikenhorstlaan 2 in Voorhout.
de locatie her in te richten valt ruimtelijke winst te behalen.
Aanleiding
Deze studie is opgesteld om de huidige situering van het plangebied weer te geven en een cultuurhistorische analyse te maken van het plangebied en zijn omgeving. In de analyse wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsgeschiedenis en de kwaliteiten van het landschap. Vervolgens is er een schetsontwerp landschappelijke inpassing weergegeven.
Op de locatie, ook bekend als Boerderij Hoogh Teylingen (hierna te noemen plangebied) heeft een particulier (hierna te noemen: initiatiefnemer) plannen voor een herontwikkeling van het voormalige agrarische perceel met opstallen naar een toekomstbestendige woonlocatie. In het plangebied bevindt zich een woonhuis met diverse bijbehorende verouderde opstallen. Door de functiewijziging en herstructurering van het erf speelt ook de cultuurhistorische erfanalyse en landschappelijke inpassing van deze ontwikkeling een belangrijke rol. Aan B4o en Adviesbureau Groene Monumenten is gevraagd om een cultuurhistorisch onderzoek te vervaardigen waarin tevens uitgangspunten voor de de toekomstige landschappelijke inpassing van het plangebied inzichtelijk wordt. De initiatiefnemer heeft de wens om de verouderde boerderij te herbouwen in de vorm van een langhuisboerderij met 3 wooneenheden en op het perceel een schuurwoning toe te voegen. Door
4
Doel
In het ontwerp dient de aansluiting op bestaande landschapskarakteristieken naar voren te komen, waarbij rekening is gehouden met de cultuurhistorie van het gebied, relevante (beleids) randvoorwaarden, eisen en wensen van de initiatiefnemer. Het plan vormt daarbij de basis voor verdere uitwerking en overleg met betrokken partijen. Het plan geeft inzicht in de ruimtelijke kwaliteitswinst als gevolg van de sloop van de voormalige opstallen. Door nieuwe ontwikkelingen goed aan te laten sluiten bij de bestaande kwaliteiten van het erf wordt nieuwe kwaliteit bereikt en wordt de identiteit van de plek behouden of versterkt.
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
In de landschappelijke inpassing zijn duidelijke keuzes gemaakt om een hoogwaardige ontwikkeling van het plangebied te waarborgen. De kwaliteit van het plangebied wordt bepaald door enerzijds de landschappelijke en stedenbouwkundige opzet en anderzijds door de architectonische kwaliteit van de bebouwing.
l
y Te an
tla
rs ho
en
Eik
f
ee
rdr
e ing
nr. 2
Ligging plangebied met geel kader de kadastrale situatie binnen luchtfoto, bron pdok Boerderij Hoogh Teylingen
5
2. PLANGEBIED Ruimtelijke context
De planlocatie is gelegen aan de zuid-oostkant van Voorhout aan Eikenhorstlaan 2. De “Boerderij Hoogh Teylingen” is niet meer in bedrijf en is stap voor stap aan het vervallen. Het erf met bebouwing heeft in de huidige situatie een vervallen indruk door de verrommeling van verouderde slecht onderhouden opstallen op het erf. Op deze plek is al sinds de vijftiende eeuw een boerderij gevestigd, alhoewel de bestaande bebouwing uit de vorige eeuw dateert. Het opnieuw vestigen van een boerderij is economisch niet rendabel en daarom wil de initiatiefnemer het erf herontwikkelen, waarbij de uitstraling recht doet aan de traditie van deze plek aan de Eikenhorstlaan. Het heeft de wens om de bestaande agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming (met mogelijkheid tot bedrijf aan huis). De omliggende weilanden, tevens in bezit van de initiatiefnemer, blijven ongewijzigd binnen de huidige bestemming.
Plangebied luchtfoto met begrenzing kadastraal, water en bebouwing
De afbeeldingen op deze en de volgende pagina geven een beeld van de huidige situatie.
6
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Uitsnede huidige bestemmingsplankaart. Onderdeel van bestemmingsplan Buitengebied Teylingen, gemeente Teylingen (vastgesteld 2015-04-30). Het plangebied heeft hierin een bestemming ‘Agrarisch’. De rode lijn rondom het erf vormt de rand van het bestaande bouwvlak. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl
Plangebied binnen uitsnede AHN hoogte kaart, hierop is te zien dat het erf gemiddeld hoger (ca. 60-100 cm) ligt dan de omringende omgeving.
Boerderij Hoogh Teylingen
7
Zicht op plangebied vanuit de lucht in vogelvlucht noordrichting (foto Bing Maps 3D)
8
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Zicht op plangebied vanuit de lucht in vogelvlucht zuidrichting (foto Bing Maps 3D)
Boerderij Hoogh Teylingen
9
Zicht op centrale erf met bestaande gebouwen.
Bestaande schuur.
Zuidkant met zicht richting het woonhuis en beplanting.
Watergang met het erf aan de rechterzijde.
10
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Bestaand bosje met enkele volwassen solitairen.
Zicht op bestaande agrarische dienstwoning.
Bestaande schuur.
Bestaande schuur met in de verte de bebouwing van Teylingen op ca. 350 m. afstand.
Boerderij Hoogh Teylingen
11
Bestaande bomenrij langs de Eikenhorstlaan.
Zicht op bestaande opstal vanaf de oprit.
Verrommeling op het erf met op de achterrgrond Teylingerdreef.
ZIcht op bestaande watergang, tevens grens van het plangebied.
12
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
3. Cultuurhistorie plangebied 2.1 De ontwikkelingsgeschiedenis Hoog Teylingen: De geschiedenis van abdij Leeuwenhorst, kasteel Teylingen en de erven Hoog- en Laag Teylingen zijn nauw met elkaar verbonden. Een korte inkijk op deze geschiedenis zorgt ervoor dat we beter de vroegere functie van het goed Hoog Teylingen begrijpen. Opkomst en ondergang van de goederen Leeuwenhorst en Teylingen. In 1261 werd langs het riviertje de Lee een klooster gesticht voor adellijke cisterciënzerinnen, dat de naam Le(de) of Leeuwenhorst kreeg. Het werd gesticht door leden van een Hollands geslacht, namelijk Walewijn en Arnold van Sassenheim. In 1274 beval graaf Floris V 1256-1296 zijn baljuwen (een ambtenaar die tijdens het ancien régime de vorst vertegenwoordigde) om de Leeuwenhorst te beschermen en bevestigde hij de schenking aan de familie Van Teilingen. Deze bevestiging werd onder meer mede bezegeld door Dirk van Teilingen ook wel als Teijlingen geschreven. De dochter van Dirk, Christine van Teilingen, bekleedde tussen 1322 en 5 oktober 1342 aldaar het Ambt van abdis. Zij is zeer waarschijnlijk zus van Willem van Teijlingen,
de erfgenaam die zijn vader Dirk opvolgt op kasteel Teylingen. Willem overlijdt kort na zijn vader zonder opvolger. Hierdoor verviel het kasteel en de bijbehorende roerende en onroerende goed aan de grafelijkheid. Kasteel Teylingen was een goede uitvalsbasis voor jachtpartijen en pleziertochten in de duinen en uitgestrekte bossen. De toenmalige graaf, Willem IV, beleende in december 1329 Simon van Benthem met slot Teylingen, hij was tevens houtvester en ambachtsheer van Voorhout en Lisse. De houtvester werd geacht toezicht te houden op de jacht in het grafelijk domein en op het onderhoud van bomen en het venen. Hij moest er bovendien voor zorgen dat de graaf en zijn hof beschikten over voldoende brandstof. Daarnaast voorzag hij de grafelijke tafel van wild. De koppeling tussen het bezit van de burcht en het houtvesterambt zou stand houden tot aan het einde van de achttiende eeuw.
Een deel van de gronden gaat naar kasteel Teylingen zo ook de huizen Hoog en Laag Teylingen. Kasteel Teylingen was in de periode 1572-1574 ernstig beschadigd tijdens de opstand tegen Spanje. Vanaf die tijd bleef het er ruïneus bij liggen tot in 1614-1615 het slot deels opnieuw wordt opgebouwd. Rond 1802 wordt het kasteel en de gronden particulier verkocht. Dit is waarschijnlijk het moment dat de overige landerijen, erven en boerderijen particulier worden verkocht. Uit de periode kort nadat Hoog en Laag Teylingen vervielen aan kasteel Teylingen stamt de kaart uit het ‘Caertboek van Rynland” uit 1615. Hoog Teylingen is weergegeven langs het Hooilaantje dat loopt vanaf de Dinsdagse Watering aan de zuidzijde tot even voorbij kasteel Teylingen.
Het klooster Leeuwenhorst werd in 1574 opgeheven en het bezit verviel aan de Staten van Holland, die het aan de Ridderschap overdroegen vanwege de adellijke herkomst. Op het poortgebouw, herenhuis en boerderij na werd Leeuwenhorst gesloopt.
(bron : landgoedenbuitenplaat-zh.nl Leeuwenhorst).
Boerderij Hoogh Teylingen
13
Figuur 1 Caerttboek van Rynland, 1615 (Hoogheemraadschap van Rijnland, 30A, A-4178)
14
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Een kaartboek uit 1635 met daarop de gronden die behoorden tot de abdij Leeuwenhorst laten een aantal kaarten zien ‘Hoogh Teylinge’ vermeld staat. Het kaartenboek is vervaardigd op last van de Ridderschap van Holland door Jan pieterszoon Dou. Dou verklaart dat hij de teellanden (noot: bouwland) geel heeft ingekleurd en wei- en hooilanden groen. Allereerst is er een overzichtsblad (figuur 2) met daarop de ligging van de diverse gronden in de Uithof (Hillegom-Sassenheim). Op andere kaarten staat de naam van het goed vermeld zoals bij figuur 3.
Figuur 2 Kaartenboek gedateerd 1635, overzichtskaart van uithof Hillegom-Sassenheim. (NA, NL-HaNA_4. VTH_P_0016-00013001703)
Figuur 3 Kaartenboek gedateerd 1635, vermelding van Hoog Teylinge. (NA, NL-HaNA_4.VTH_P_0025-00013001712)
Boerderij Hoogh Teylingen
15
Bij de overige opmetingen staan de pachters vermeld maar Hoog Teylingen is apart opgemeten. Blijkbaar werd het goed gebruikt door iemand in dienst van de abdij. In het titelblad staat vermeld; de woning en landen die zijn afgebeeld genaamd Hoog Teylingen gelegen in Voorhout. (noot: afkomstig van) De Abdij van Leeuwenhorst is bij Mr. Johannes Douw in zijn leven ordonaris landmeter in Rijnland gemeten en gekarteerd. In 1689 door Jan de Smet goedgekeurd. In kleur zijn de gronden aangegeven die horen bij Hoog Teylingen. Bijzonder is de vrij nauwkeurige intekening van de gebouwen bestaande uit een l-vormige hoofdgebouw, een bijgebouw en twee hooibergen met aan de zuidoostzijde enkele bomen. Het huisperceel is door groen omgeven zoals specifiek is ingetekend. Opmerkelijk is het driehoekige, door water omgeven, perceel grond aan zuidoostzijde van het huiserf en de watergang.
Figuur 4 Opmeting van Hoog Teylingen in het Kaartenboek uit 1635. (NA, NL-HaNA_4.VTH_P_0029-00013001716 )
16
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Stichting van Roodemolen.
de
polders
Luizenmarkt
en
Op 14 juni 1649 kregen ingelanden in het gebied tussen de Zandsloot, de “Sassemer teelcroften” de Dinsdagse Watering en het “Hoy laentge” (Hooi laantje is een strook binnenduin) van het hoogheemraadschap van Rijnland vergunning om een polder te stichten. De molen werd gebouwd aan de Schouw- of Scheisloot, die de grens vormde tussen de beide ambachten. De bestaande onderlinge afspraken over onderhoud van de werken werden gelijk op schrift gesteld. In de vergunning werd nog geen naam voor de polder genoemd. Op de eerste bij Rijnland voor controle ingeleverde rekening van 1653 werd vermeld: “Rekening van de Roo mole polder staende op de Schouwsloot, 121 morgen”. De naam had dus betrekking op de kleur van de molen. Hoog Teylingen is gelegen in de Roodemolenpolder langs het genoemde Hooilaantje.
Zuidelijk was de Dinsdagse Watering de grens. De Luizenmarktpolder ligt direct ten westen van het goed Hoog Teylingen. Op het Kadastrale Minuut Plan (KMP) uit 1819 is voor het eerst de indeling van het goed Hoog Teylingen zichtbaar. Eigenaar is dan Gualtherus Soetbrood Piccardt (1780-1847) gehuwd met Johanna Agneta Grommé (1770-1852). Hij is burgemeester van Voorhout en makelaar te Leiden en bezit veel grond. Het echtpaar woonde zelf op huis Schoonoord in Voorhout en Hoog Teylingen werd zeer waarschijnlijk verpacht.
Op 26 augustus 1651 werd door Thymannus Sprong, Jan Corneliszoon en Pieter Gerytszoon goedkeuring gevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland voor een stichting van een polder. Het blijkt te gaan om de Luizenmarktpolder even ten noorden van Hoog Teylingen. Er waren nogal wat bezwaren die betrekking hadden op doorgaande vaart over de wateringen en het afdammen van sommige takken ervan. Uiteindelijk werd in maart 1655 door Rijnland goedkeuring gegeven aan de bepoldering en werd het reglement in het register van vergunningen ingeschreven. De noordwestelijke grens van de polder werd gevormd door de Heer- of Voorhouterweg, voorts voorbij het Engelse bos door de Buur- of Schuine weg. Meer noordoostelijk was de kade langs de Zandsloot de grens en oostelijk was dat het Hooilaantje langs (Hoog) Teylingen.
Boerderij Hoogh Teylingen
17
Het erf Hoog Teylingen met de bebouwing is als grijs weergegeven. Ten noorden ervan in geel de tuin, zeer waarschijnlijk ingericht als moestuin. Aan weerszijden van het erf liggen drie bosjes, zeer waarschijnlijk in gebruik als geriefhoutbosjes. Het betreft een hoog belastbare klasse. De omvang van het bezit is sinds 1635 nauwelijks veranderd. Aan de noordzijde ligt bouwland en de overige grond bestaat uit weiland. Aan de zuidwestzijde bezit Piccardt het erf met daarop de molen in bezit van de Luizenmarktpolder. Aan de zuidoostzijde bezit Piccardt het erf met daarop de molen in bezit van de Roodemolenpolder.
Figuur 5 Kadastraal Minuut Plan 1819. hierop in rood de grens van het bezit weergegeven. Het grondgebruik: donker groen is bos, bruin is bouwland en licht groen is weiland.
18
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Het oorspronkelijke niet ingekleurde Kadastraal Minuut Plan laat de situatie van de bebouwing goed in detail zien. Het erf met daarop het grote hoofdgebouw met aan de zuidwestzijde een rechthoekig bijgebouw. Naast twee kleinere bijgebouwen is er nog een hooiberg op het erf zichtbaar. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel (OAT) is het driehoekige perceel grond belast als bos. Een gebruik dat anders is dan op de kaart uit 1635 is aangegeven.
Figuur 6 Detail Kadastraal Minuut Plan 1819.
In 1857 wordt de greppel ten oosten van het lang opgestrekte weiland en erf verbreed en aan de zuidzijde enigszins verlegd. Van de Roodemolenpolder wordt een schetstekening gemaakt met onder andere Hoog Teylingen. We zien ook hier dezelfde bebouwing weergegeven.
Boerderij Hoogh Teylingen
19
Twintigste eeuw en oprukkende bebouwing Van de oorspronkelijke inrichting van het terrein rond de bebouwing van Hoog Teylingen is niet veel bekend en bewaard gebleven. Er is een luchtfoto bekend uit 1938 met daarop zichtbaar enkele bomen tegen het gebouw aan. Langs de Scheisloot staan verspreid enkele lagere bomen.
Sinds de jaren “70 van de vorige eeuw rukt de bebouwing vanuit Sassenheim op vanuit het hart van het dorp en langs de doorgaande weg. In de jaren “80 bouwt Voorhout een woonwijk in de Luizenmarktpolder. De oorspronkelijke toegangsweg, nu Eikenhorstlaan geheten, vormt daarbij de natuurlijke grens waar de bebouwing stopt. Het is vanaf de jaren “60 van de vorige eeuw dat de topografische kaarten een verandering van de bebouwing laten zien. Waar voorheen de grond als tuin in gebruik was wordt dan een langegerekte schuur gebouwd. Ook verder naar het zuiden even onder het oorspronkelijke erf wordt gebouwd. De bebouwing groeit in de loop der tijd uit tot eind jaren “80 er twee erven bij zijn gekomen.
Figuur 7 Luchtfoto plangebied 1938
Van de oorspronkelijke polders Luizenmarkt en Rodemolen is niet meer bewaard gebleven dan een strook weidegrond met de watergangen de Scheysloot direct aan de zuidzijde van Hoog Teylingen en de Molensloot iets verder zuidelijk. Deze ontwikkeling in de tijd is goed te zien binnen de historische kaarten (figuur 8) op de volgende pagina.
20
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Topografische kaart 1900
Topografische kaart 1965
Topografische kaart 1994
Topografische kaart 2020
Bron: Topotijdreis
Boerderij Hoogh Teylingen
21
Erfinrichting Er is zeer weinig bekend over Hoog Teylingen er is één foto uit de jaren “70 bekend, waarschijnlijk genomen vanaf de westzijde van het erf. Op de foto is waarschijnlijk het oorspronkelijke huis te zien met daarachter een latere schuur aangebouwd die hoger is dan het oorspronkelijke woonhuis. Naast het huis staat een restant van een haag en een gekandelaberde boom mogelijk een Linde of Populier met daarnaast een lagere boom. Voor het huis staat een fruitboom. Op de historische luchtfoto uit 1938 zien we ongeveer een zelfde situatie en staan langs het water bomen.
Figuur 9 Hoog Teylingen jaren ‘50. (HKV01305)
22
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Op foto’s van ongeveer 1990 zijn langs het water van de Eikenhorstlaan wilgen zichtbaar.
Op oude foto’s van onder andere Laag Teylingen maar ook andere monumentale boerderijen zien we een eenvoudige haag als afscheiding en lindebomen direct om het huis. Verder van het huis staan vaak populieren en langs het water (knot)wilgen.
Figuur 10 Boezemwater langs de Eikenhorstlaan 1990 (HKV0290)
Figuur 11 Laag Teylingen in de jaren 70 met lindebomen voor het huis. (GAV0341a)
Boerderij Hoogh Teylingen
23
2.2 Conclusie Het plangebied kent een lange cultuurhistorische ontwikkeling, waarbij er reeds sinds de vijftiende eeuw een boerderij gevestigd is binnen het terrein. De kaarten uit 1635 tonen aan dat Hoog Teylingen behoorde tot de abdij Leeuwenburg en de boerderij zou destijds gebruikt worden voor de jacht. Het is bekend dat Leeuwenhorst drie zogenaamde uithoven of ‘grangia’ bezat. Een uithof is een buiten het eigenlijke kloosterterrein gelegen landerij. De Leeuwenhorst bezat uithof HillegomSassenheim (Hoog Teylingen), een uithof in Poeldijk en een uithof in Honterland. Het feit dat Hoog Teylingen apart is beschreven in deze kaartenreeks geeft aan dat het niet werd verpacht maar in beheer was bij de abdij. Een zogenaamde jachtboerderij bezat meestal een aparte kamer voor de jagermeester of houtvester. Dit kan kloppen met de vorm die we afgebeeld zien, de L in de vorm zal waarschijnlijk de aparte ruimte zijn voor prominent bezoek. Deze vorm met een voorhuis in een l-vorm met een schuur aan het voorhuis aangebouwd zien we ook terug in een foto en een schilderij.
Met de stichting van de polders wordt een deel van de watergang vergraven en verdwijnt het driehoekige perceel grond. De vorm daarvan is bijzonder en de functie ervan roept vraagtekens op. Op het Kadastraal Minuut Plan uit 1819 is te zien dat de watergang die het huisperceel scheidt van het langgerekte landbouwperceel of landtong is verdwenen. Zeker vanaf de 1635 is de vorm van het huisperceel, met de boerderij en bijgebouwen en het aanliggende langgerekte landbouwperceel (landtong) onveranderd gebleven. De bebouwing is pas in de 20e eeuw veranderd. Het plangebied heeft altijd in een open landschap gelegen met de bebouwing geconcentreerd op een natuurlijke verhoging zoals te zien is op de AHN. Het plangebied is al zeer oud en bijzonder dat deze zo bewaard is gebleven.
Bij de herontwikkeling dient het achterliggende weiland bereikbaar te blijven vanaf het erf
Ook de toegankelijkheid van de bestaande brug dient behouden te blijven na herontwikkeling van het perceel
24
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Kan
sen
voo
r str
eek
eige
Te slopen stal en locatie voor nieuwe dwarshuisboerderij.
n be
plan
ting
lang
s de
ran
den
van
Bestaande beplanting onderdeel van oud geriefbosje behouden en versterken,.Past bij het cultuurhistorisch boerenerf karakter.
het
erf
Vermoedelijke ligging van voormalige hooiberg Kan Tey sen b e lan lingerd nutte dsc n r hap eef o om z te v p ka icht erb le sc van a ete ren huur i f de . nh et
nr. 2
Bestaande houtsingel behouden Bestaande houtsingel behouden Ėén gezamenlijke oprit om het erf op te komen past bij de cultuurhistorische opzet. Het is voor de herontwikkeling wenselijk dit te behouden. Toekomstig parkeren op het achtererf uit het zicht.
Boerderij Hoogh Teylingen
25
3. Schetsontwerp 3.1 Hoofdindeling Een herontwikkeling op deze plek biedt kansen om een duurzame instandhouding van het bestaande erf te voorzien, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het erf wordt versterkt. De kenmerken van het bestaande erf, de staat van de huidige bebouwing en (cultuurhistorische) omgevingsaspecten zijn leidend voor de herinrichting van het plangebied. In het plan wordt aangesloten op de karakteristieken van een compact boerenerf.
De beeldkwaliteit van het erf wordt bepaald door de samenhang tussen de bebouwing, de erfinrichting en de omgeving. Deze dienen met elkaar in overeenstemming te zijn. Bij de indeling van het plangebied is sprake van een referentie naar een traditioneel boerenerf. De inrichtingsschets geeft de voorgestelde situatie weer. De referentiebeelden dienen hierbij ter inspiratie voor de inrichting van het erf. Dit vormt een basis voor een nader op te stellen uitwerkings- dan wel beeldkwaliteitsplan.
Het plan bestaat uit het slopen van de bestaande gebouwen, het bouwen van een langhuisboerderij voorzien van 3 woningen (op de plek waar nu de stenen stal staat) in de stijl van de boerderij zoals die was tot begin jaren zestig van de vorige eeuw. Midden op het erfperceel, op de plaats waar nu de grote ligboxenstal staat, krijgt een nieuwe kap(hooi) bergwoning een inpassing op het erf. Dit past in de oorspronkelijke cultuurhistorische opzet waarbij en op deze plek een hooiberg was te vinden.
Kernwoorden voor de herinrichting zijn: • Relatie voor- en achtererf • Doorzichten • Hiërarchie, ritme van kappen en volumes • Groene open ruimte naar het erf • Fraaie voorkanten naar de weg • Inpassing bestaande bomen • Hagen
Ook dient er een functionele terreinschuur een plek te krijgen binnen het plangebied. Deze schuur dient voor de stalling van voertuigen van bewoners en van de tuinmachines voor onderhoud van het terrein en de gezamenlijke moestuin, alsmede de naastgelegen weilanden.
26
De voorzijde van het erf, van oudsher het siertuin gedeelte, blijft representatief. De bestaande oprit blijft behouden en vormt een gezamenlijke toegang voor de woningen. Op deze manier is het niet nodig een nieuwe inrit aan te leggen. Parkeren vindt voor plaats uit het zicht op het achtererf, de plek waar van oudsher ook het werkdeel was. In het achterliggende weiland is ruimte voor moestuinen.
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Doorzichten vanuit de omgeving op het erf en naastgelegen percelen blijven behouden doordat de weide naast het erf open blijft. Om een fraai doorzicht te behouden vanaf de omliggende wegen op het erf wordt er geadviseerd de randen niet dicht te zetten met een dichte singel. Bestaande solitaire bomen blijven behouden en langs de randen van het erf krijgen nieuwe bomen een inpassing, waarmee de ruimtelijke eenheid van het geheel wordt versterkt.
Schetsontwerp landschappelijke inpassing Eikenhorstlaan 2, Voorhout Door de herontwikkeling van het erf worden kansen benut. De investering zorgt voor een duurzame instandhouding waarbij verrommeling van het erf wordt tegen gegaan en waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied wordt versterkt. Door de locatie landschappelijk in te passen en her in te richten binnen een compacte opzet, met een langhuisboerderij, hooi(kap)bergwoning en een gezamenlijke schuur als bijgebouw wordt ruimtelijke winst behaald. De kenmerken van het cultuurhistorisch erf in het landschap (klassieke erfopbouw, het voormalige agrarisch karakter, de groene erfranden, streekeigen beplanting en passende hoogwaardige architectuur) zijn leidend voor de herinrichting van het plangebied. De landschappelijke inpassing biedt onder meer ruimtelijke kwaliteit op de volgende punten: + er ontstaat één erfensemble + meer ruimte voor erfbeplanting en moestuinen + afname bebouwd en verhard oppervlak (zichtbaar vanaf de wegen) + plan past in de cultuurhistorische structuur en versterkt deze structuur ook + rust, ruimte en uitzicht staan centraal
N
0
20
40
60
80 meter
schaal: 1:2000 Boerderij Hoogh Teylingen
27
Legenda Langhuisboerderij met 3 wooneenheden Kap(hooi)berg woning schuurtype volume Bijgebouw voor bewoners erf, onderhoudsmateriaal omliggend agrarisch gebied Hoogstam fruitboomgaard op het achtererf vergroot de natuurwaarde en geeft een natuurlijke rand. Parkeren bewoners op het achtererf met rondom een haag met daardoor de auto’s uit het zicht Behoud van bestaande bestaande entree als gezamenlijke ontsluiting van het erf Nieuwe inheemse bomen en hagen als erfafscheiding, toepassen van streekeigen soorten Oorspronkelijk geriefhoutbosje behouden en versterken met aanplant van streekeigen heesters en bomen
N
0
5
10
15
20 meter
schaal: 1:500
Schetsontwerp landschappelijke inpassing Eikenhorstlaan 2, Voorhout
28
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
Landschapsarchitectuur Stedenbouw Recreatieontwikkeling
3.3 Referenties beeldkwaliteit Architectonische uitwerking De sfeer- en referentiebeelden op deze en de volgende pagina’s geven een eerste indicatie van het toekomstig beeld van de architectuur en landschap. De nieuwe schuur en de kap(hooiberg) woning bestaan uit eenvoudige volumes.
Oude foto voormalige boerderij Op basis van oude archief beelden van de voormalige boerderij (zie ook de archief foto van de boerderij Hoogh Teylingen uit 1962 hierboven) en een archief foto van een schilderij door Jan Hoogewoning is door Stol Architecten een eerste volume studie gemaakt voor de langhuisboerderij.
Boerderij Hoogh Teylingen
29
Referenties beeldkwaliteit landschap
30
CULTUURHISTORISCH ONDERZOEK
colofon Document door:
Landschapsarchitectuur Stedenbouw Recreatieontwikkeling
Herculesplein 207 B - unit 7 3584 AA Utrecht E info@b4o.nl I www.b4o.nl Hoogstam fruitbomen binnen kruidenrijk gras
Bronnen Literatuur: Annema, W, & de Moor, G, het klooster Leeuwenhorst (12611574) en het Westland. Archieven: A: Archieven.nl NA: Nationaal Archief Websites: www.ahn.arcgisonline.nl Gedetailleerde en nauwkeurige hoogtegegevens van heel Nederland. www.pdok.nl Viewer met diverse datasets. www.topotijdreis.nl Topografische kaarten en luchtfoto’s
In samenwerking met Westendorpseweg 5 7004 JD Doetinchem info@adviesburo-gmc.nl www.adviesburo-gmc.nl In opdracht van:
13 oktober 2021
Boerderij Hoogh Teylingen
31
Landschapsarchitectuur Stedenbouw Recreatieontwikkeling CULTUurhistorisch onderzoek
PROJECT 34425 VERKENNEND- EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK EN NADER ONDERZOEK ASBEST EIKENHORSTLAAN 2 TE VOORHOUT
Vestiging Kamerik Nijverheidsweg 7 3471 GZ Kamerik t 0348 402103 Vestiging Heerhugowaard Galileistraat 69 1704 SE Heerhugowaard t 072 5729457 Vestiging Steenwijk Oevers 16 8331 VC Steenwijk t 0521 521924 www.grondslag.nl
bodemonderzoek | saneringsbegeleiding | partijkeuringen | waterbodemonderzoek | arbo/veiligheid | wegenbouwadvies
Project 34425
Titel
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek en nader onderzoek asbest Eikenhorstlaan 2 te Voorhout
Projectleider
Mevr. ing. I.B.A. Bongers
Adviseur
Mevr. D. Ucar, MSc
Datum rapport
9 december 2022
Opdrachtgever
Buro SRO ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Contactpersoon
Dhr. R. van der Made
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen die zijn opgesteld in de BRL SIKB 2000. Grondslag is door KIWA gecertificeerd voor het verrichten van “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” conform deze BRL. Grondslag BV is als opdrachtnemer onafhankelijk van de opdrachtgever. Tussen beide bestaat geen relatie als bedoeld in paragraaf 3.2.7 van de BRL SIKB 2000.
Project 34425
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING EN DOEL
1
2
LOCATIEGEGEVENS 2.1 Afbakening onderzoekslocatie 2.2 Historie 2.3 Voorgaand onderzoek 2.4 Regionale bodemopbouw en geohydrologie 2.5 Onderzoeksopzet verkennend onderzoek 2.6 Onderzoeksopzet aanvullend en nader onderzoek
3 3 4 5 5 6 7
3
WERKZAAMHEDEN 3.1 Veldwerk 3.2 Resultaten veldwerk 3.2.1 Grond 3.2.2 Grondwater
8 8 9 9 10
4
ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 Analyses grond 4.2 Analyses grondwater 4.3 Analyses asfalt
11 11 13 13
5
ASBESTANALYSES 5.1 Verkennend onderzoek (1e fase) 5.2 Nader onderzoek (2e fase)
14 14 15
6
CONCLUSIES
17
BIJLAGEN BIJLAGE I : Kaartmateriaal BIJLAGE II : Boorbeschrijvingen BIJLAGE III : Toetsing meetwaarden BIJLAGE IV : Analysecertificaten BIJLAGE V : Toetsingskader & Verklarende woordenlijst
1
1
Project 34425
INLEIDING EN DOEL Door Buro SRO is aan Grondslag opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend en aanvullend bodemonderzoek en verkennend en nader onderzoek asbest op het perceel Eikenhorstlaan 2 te Voorhout. In verband met de voorgenomen bestemmingswijziging (agrarische bestemming naar een woonbestemming) en aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw) in een later stadium is een bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Men is voornemens om het voormalige agrarische perceel met opstallen te ontwikkelen naar een toekomstbestendige woonlocatie. De wens is om de verouderde boerderij te herbouwen in de vorm van een langhuisboerderij met drie wooneenheden. Tevens zal een schuurwoning toegevoegd worden. De omliggende weilanden, tevens in bezit van de initiatiefnemer, blijven ongewijzigd binnen de huidige bestemming. Als eerst is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit betreft de eerste fase van het onderzoek. De doelen van het onderzoek zijn: - het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem; - met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op een verontreiniging met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem en/of puin; - de verwerkingsmogelijkheden van het vrijkomende asfalt.
De aanleiding tot het uitvoeren van het aanvullend bodemonderzoek zijn de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, waarbij een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond is aangetoond en een matige verhoging aan lood en zink. Verder is uit het verkennend asbestonderzoek gebleken dat een deel van het puinpad asbesthoudend is, het gehalte overschrijdt de norm voor een nader onderzoek. Tevens is een asbesthoudend dak aanwezig zonder dakgoot, welke verdacht is op het voorkomen van asbest. Het aanvullend- en nader onderzoek betreft de tweede fase van het onderzoek. De doelen van het onderzoek zijn: - het bepalen van de omvang in horizontale en verticale richting van de aanwezige olieverontreiniging (boring 14) in grond; - het vaststellen of er sprake is van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging' in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) ter plaatse van de olieverontreiniging; - het vaststellen van een eventuele spoedeisendheid van sanering ter plaatse van de olieverontreiniging; - het vaststellen of de olieverontreiniging een belemmering kan vormen voor de beoogde herontwikkeling van de locatie; - het bepalen of er mogelijk sprake is van een sterke verontreiniging met lood en zink nabij boring 16; - Het doel van het nader asbestonderzoek is het bepalen van het gemiddelde gehalte aan asbest in de bodem ter plaatse van de verdachte deellocaties.
Het bodemonderzoek is verricht volgens de richtlijnen uit de vigerende versie van de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek) en de onderliggende norm NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek).
2
Project 34425
Het asbestonderzoek is verricht volgens de richtlijnen uit de NEN5707 (Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond) en de onderliggende norm NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek). De opzet voor het onderzoek van het puinpad is gebaseerd op de NEN 5897, strategie verkennend onderzoek voor een halfverharding. Indien blijkt dat op de locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging met asbest is tevens inzicht gewenst in de omvang van de verontreiniging en de risico’s als gevolg van de verontreiniging. In dat geval wordt een risicobeoordeling uitgevoerd conform het Protocol Asbest. De gegevens van het uitgevoerde verkennend, aanvullend en nader onderzoek zijn gezamenlijk in onderhavige rapportage weergegeven.
3
2
Project 34425
LOCATIEGEGEVENS Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5725 verricht. De resultaten van het vooronderzoek zijn verwerkt in dit hoofdstuk. Het vooronderzoek richt zich tevens op de direct aangrenzende percelen.
2.1
Afbakening onderzoekslocatie De locatie Eikenhorstlaan 2 is kadastraal bekend als perceel B7894 (gemeente Voorhout). Het perceel heeft een oppervlakte van 16.424 m². De onderzoekslocatie bestaat uit een deel van het perceel dat heringericht gaat worden. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 6.400 m². De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening in bijlage I en figuur I. Momenteel is op de onderzoekslocatie een boerderijwoning met drie schuren aanwezig. De schuren beschikken allen over asbestdaken met dakgoot, met uitzondering van de noordelijk gelegen kleine schuur. Daar is namelijk geen dakgoot aanwezig. De bijgebouwen zijn in gebruik geweest als opslag van diverse materialen en ook als stallen voor dieren. De onderzoekslocatie is deel onverhard en in gebruik als tuin en deels verhard met een openverharding (beton en menggranulaat). Op het oostelijk deel van het perceel, ten zuiden van de middenschuur, loopt ook een asfaltverharding. Figuur I. Begrenzing onderzoekslocatie
4
2.2
Project 34425
Historie Voor het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: - eigenaar perceel; - opdrachtgever; - Omgevingsdienst West-Holland; - intern archief Grondslag; - oud kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl); - BAG viewer; - www.bodemloket.nl; - terreininspectie (plaatsgevonden voorafgaand aan het veldwerk op 1 augustus en 26 oktober 2022). Op de locatie is sinds de vijftiende eeuw een boerderij gevestigd geweest. Hierdoor is de locatie lange tijd agrarisch in gebruik genomen. Op historisch kaartmateriaal is te zien dat er vanaf 1816 bebouwing aanwezig is op locatie. De bestaande bebouwing dateert uit de vorige eeuw. Volgens de BAG viewer is de bestaande bebouwing in 1964 gebouwd. Als gevolg van het gebruik als akkerbouw is het aannemelijk dat op de locatie bestrijdingsmiddelen is toegepast. Dit is bevestigd door de eigenaar van de locatie. Tevens is op oud kaartmateriaal te zien dat in de directe omgeving diverse boomgaarden hebben gelegen. De locatie is hierdoor verdacht op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB). Volgens het bodemloket en de omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst West-Holland zijn op de locatie geen ondergrondse en/of bovengrondse brandstoftanks aanwezig (geweest). Tijdens de veldwerkinspectie heeft de eigenaar van het perceel aangegeven dat achter het woonhuis een bovengrondse tank heeft gelegen.
Voor zover bekend zijn er op het perceel geen sloten gedempt, is er niet structureel afval gestort of verbrand en is het maaiveld niet opgehoogd. Verder hebben in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen calamiteiten voorgedaan, waardoor mogelijk bodemverontreiniging zou kunnen zijn ontstaan. Bodemkwaliteitskaart Binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst West-Holland is geen bodemkwaliteitskaart aanwezig. Asbest Op de onderzoekslocatie zijn drie schuren aanwezig die voorzien zijn van asbestverdachte daken. De asbesthoudende daken van de twee langgerekte schuren zijn voorzien van een dakgoot en het lozingspunt is aangesloten op het riool. De bodem ter plaatse is niet verdacht op het voorkomen van een asbestverontreiniging. De noordelijk gelegen kleine schuur is echter niet voorzien van een dakgoot en watert aan één zijde (zuidoostkant) op het maaiveld. De bodem ter plaatse van de afwatering is hierdoor verdacht op het voorkomen van asbest. Aan de noordwestkant is een betonplaat aanwezig, waardoor hier geen afwatering op de bodem plaatsvindt. De asbestverdachte daken zijn weergegeven op de tekening in bijlage I. Verder is op de locatie een open verharding (puin) van circa 250 m² aanwezig. De exacte herkomst van het materiaal alsmede de periode van toepassing is niet bekend, maar is vermoedelijk geweest voor 1993.
Het puin is daarmee verdacht op het voorkomen van asbest.
5
Project 34425
Tijdens de veldwerkinspectie is op de aanwezige betonverhardingen asbesthoudend materiaal aangetroffen, hiermee zijn deze terreindelen verdacht op asbest. 2.3
Voorgaand onderzoek Bij de Omgevingsdienst zijn geen bodemonderzoeken bekend op de locatie. Nabij de onderzoekslocatie zijn wel bodemonderzoeken bekend. Deze zijn hieronder omschreven. Op de naastgelegen percelen B8717, B8718, B8540 is vermoedelijk in 1993 en 1995 een bodemonderzoek uitgevoerd. In de omgevingsrapportage is niet duidelijk weergegeven waar precies de bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. In 1993 zijn lichte verhogingen aan diverse zware metalen, EOX en/of PAK aangetoond (locatiecode: ZH152509458, d.d. 25-061993) . Het grondwater is niet onderzocht. In 1995 is alleen het grondwater geanalyseerd als aanvulling op eerder onderzoek (locatiecode: ZH152509458, d.d. 15-08-1995). In het grondwater is een lichte verhoging aan arseen, koper, zink en/of xylenen gemeten. Op de naastgelegen perceel, op het adres Eikenhorstlaan 4a, is in 2001 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (door: Zeeuws-vlaanderen, locatiecode: AA062500198, d.d. 0102-2001). In de bovengrond is een lichte verhoging aan kwik aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhogingen gemeten boven de achtergrondwaarde. In het grondwater is een lichte verhoging aan arseen en tetrachloormethaan gemeten.
2.4
Regionale bodemopbouw en geohydrologie De regionale geohydrologische opbouw kan als volgt worden omschreven: Deklaag Over het algemeen wordt de slecht tot matig doorlatende deklaag in dit gebied gevormd door matig fijne tot uiterst fijn zand van holocene ouderdom (Westlandformatie). De dikte (D) van de deklaag op de onderzoekslocatie is circa 15 meter. Het zomer- en winterpeil in de omgeving van de locatie wordt gehandhaafd op respectievelijk 0,85 en 1,0 meter minus NAP. De stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerend pakket bedraagt circa 1,5 m-NAP. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat regionaal sprake is van een infiltratiesituatie (neerwaarts gerichte stromingsrichting). De verticale hydraulische weerstand (c) van de holocene deklaag wordt geschat tussen de 2.500 en 5.000 dagen. 1e watervoerende pakket Het eerste watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende pleistocene afzettingen tussen de slecht doorlatende deklaag en de scheidende laag. Het eerste watervoerende pakket bestaat met name uit matig grove tot matig fijne zanden. In de nabijheid van de onderzoekslocatie bevindt dit pakket zich op een diepte van circa 15 meter en bedraagt de dikte van dit pakket circa 35 meter.
Het doorlaatvermogen (kD-waarde), zijnde het product van de doorlaatbaarheidscoëfficiënt (k) en de dikte (D), van het eerste watervoerende pakket wordt geschat op 1100 m2 /d. De grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is oostelijk gericht. 1e scheidende laag Het eerste en tweede watervoerende pakket worden gescheiden door kleiige en zandige afzettingen, met inschakelingen van veen. De top van de scheidende laag ligt op een diepte van circa 55 m-NAP. De dikte van deze laag bedraagt circa 20 meter. Van de verticale hydraulische weerstand van de slecht doorlatende laag zijn geen gegevens bekend.
6
Project 34425
2e watervoerende pakket Het tweede watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende afzettingen (grind- of slibhoudende fijne tot grove zandhoudende afzettingen) onder de scheidende laag. Over het algemeen ligt de top van het tweede watervoerende pakket tussen de 60 en 70 mNAP. Omtrent de kD-waarde voor het tweede watervoerende pakket zijn geen gegevens bekend. 2.5
Onderzoeksopzet verkennend onderzoek Chemisch bodemonderzoek Gezien de aanwezige puinlagen en het langdurig menselijk gebruik van de locatie kunnen verhogingen aan zware metalen, minerale olie, bestrijdingsmiddelen en PAK worden verwacht. De locatie wordt derhalve aangemerkt als verdacht voor het voorkomen van deze parameters. Voor het voorkomen van andere verontreinigingen wordt de onderzoekslocatie aangemerkt als onverdacht. Het onderzoek volgt de "Onderzoeksstrategie voor een nietlijnvormige heterogeen verdachte locatie (VED-HE-NL)" van de NEN 5740. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank wordt een aanvullende boring verricht tot onder de grondwaterspiegel. Deze boring is voorzien van een peilbuis. Aangezien zintuiglijk geen waarnemingen zijn gedaan en in de grond analytisch geen verhogingen aan minerale olie zijn gemeten, is het grondwater niet onderzocht. De analyses van de bovengrond worden aangevuld met bestrijdingsmiddelen (OCB). Dit om eventuele verhogingen aan bestrijdingsmiddelen als gevolg van voormalige bedrijfsactiviteiten (agrarische functie) aan te kunnen tonen. Asbestonderzoek Op basis van het historisch onderzoek en de aanwezigheid van asbesthoudende materialen is de locatie plaatselijk verdacht op het voorkomen van asbest. Op de aanwezige betonverhardingen is asbesthoudend materiaal aangetroffen.
Om er zeker van te zijn dat dit geen verontreiniging in de naastgelegen bodem heeft veroorzaakt, zullen hier twee inspectiegaten gegraven worden. Naast de stal is een asfaltverharding aanwezig, die omstreeks de jaren ’70 is aangebracht. Vermoedelijk is er onder het asfalt een puinfundering aanwezig. Om na te gaan of er puinfundering aanwezig is, worden hier inspectiegaten geboord/gehakt. Om te bepalen of het puinpad verdacht is voor de aanwezigheid van asbest zal ter plaatse een asbestonderzoek worden uitgevoerd. De opzet voor het onderzoek is gebaseerd op de NEN 5897, strategie verkennend onderzoek voor een halfverharding. Ter plaatse van de betonverhardingen wordt een boring verricht om na te gaan of er een (asbestverdachte) puinhoudende laag aanwezig is. Indien deze aanwezig is, zal een asbestonderzoek uitgevoerd worden. Op de overige delen van de onderzoekslocatie wordt voorafgaand aan het bodemonderzoek geen verontreiniging met asbest in de bodem verwacht en wordt geen asbestonderzoek uitgevoerd.
7
Project 34425
Asfaltonderzoek Omdat het asfalt verwijderd en afgevoerd gaat worden, zal tevens een onderzoek plaatsvinden naar de teerhoudendheid van het asfalt. Het asfaltonderzoek wordt uitgevoerd conform de CROW210. Algemeen Opgemerkt dient te worden dat een verkennend bodemonderzoek volgens een steekproefsgewijze opzet wordt uitgevoerd. Tevens dient het bodemonderzoek beschouwd te worden als een tijdelijk vastgestelde status van de bodemkwaliteit ter plaatse. Derhalve kan in bepaalde situaties (bijvoorbeeld bij een toekomstige bestemmingswijziging of aanvraag van een omgevingsvergunning) de geldigheidsduur van het onderzoek beperkt zijn. 2.6
Onderzoeksopzet aanvullend en nader onderzoek In verband met de tussentijdse onderzoeksresultaten is een aanvullend en nader onderzoek uitgevoerd. De onderdelen die aanvullend en/of nader zijn onderzocht, zijn hieronder toegelicht. Minerale olie in grond Ter plaatse van boring 14 was een matige brandstofgeur en olie-waterreactie waargenomen. Volgens de eigenaar van de locatie is dit waargenomen nabij een uitlaat van de voormalige melkmachine. Derhalve worden rondom boring 14 ten behoeve van de horizontale afperking vijf boringen tot 1,5 m-mv verricht, waarvan één inpandig. Voor de verticale afperking wordt een boring tot 2,5 m-mv verricht ter plaatse van boring 14. Tevens wordt ter plaatse van de kern een analyse op PFAS meegenomen, in verband met de mogelijke afvoer van verontreinigde grond. Lood en zink in grond Ter plaatse van boring 16 is een matige verhoging aan lood en zink aangetoond. Deze verhogingen zijn aangetoond in een bodemlaag met bodemvreemde bijmengingen. Om na te gaan of er mogelijk elders sprake is van een sterke verhoging zijn rondom boring 16 drie boringen verricht. Asbestdak zonder dakgoot Ter plaatse van de druppelzone van de kleine schuur zal een nader asbestonderzoek worden uitgevoerd. Aan het zuidoostelijk kant van de schuur worden twee gaten gegraven tot een diepte van 10 cm. Dit is de meest verdachte laag (druppelzone).
Indien er asbest aanwezig is in de kleinste fractie, zal een SEM-onderzoek plaats moeten vinden om na te gaan of er ook respirabele vezels aanwezig zijn. Aan de noordwestelijke kant is een betonplaat aanwezig, waardoor hier geen contact met de bodem mogelijk is. Derhalve wordt er aan die zijde geen asbestonderzoek uitgevoerd. Uit recent onderzoek is gebleken dat het gehalte aan PCB bij asbestdaken ook verhoogd aanwezig kan zijn. Derhalve worden de monsters aanvullend geanalyseerd op PCB. Asbesthoudend puinpad In het puinpad is asbesthoudend materiaal aangetroffen, in de fijne fractie is geen asbest aanwezig. Het gehalte overschrijdt de norm voor nader onderzoek. Het gemiddelde gehalte aan asbest per ruimtelijke eenheid (RE) wordt bepaald. De maximale oppervlakte van een RE bedraagt 290 m2. Voorafgaand aan het onderzoek wordt uitgegaan van één ruimtelijke eenheid. In afwijking op de norm zijn per abuis geen foto’s gemaakt van de sleuven.
8
3
WERKZAAMHEDEN
3.1
Veldwerk
Project 34425
Het verrichten van de boringen, het graven van de inspectiegaten en het plaatsen van de peilbuizen heeft plaatsgevonden op 1 augustus en 26 oktober 2022 onder leiding van de heer R. van Asselen. Het grondwater is op 16 augustus bemonsterd door dhr. P.N.M. Boots. Het nader asbestonderzoek en aanvullend/nader onderzoek naar de olieverontreiniging en verhogingen met lood en zink is uitgevoerd op 26 oktober 2022 eveneens door dhr. R. van Asselen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn 44 boringen verricht (nrs. 01 t/m 23 en 101 t/m 121). Verkennend bodemonderzoek De boringen 01 t/m 23 maken onderdeel uit van het verkennend bodemonderzoek. De boringen 01 t/m 04 zijn ter plaatse van het puinpad verricht. Boring 19 is ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank verricht en is voorzien van een peilbuis. Boring 14 is voorzien van een peilbuis in verband met een zintuiglijke waarneming van olie. De overige boringen zijn verspreid over de onderzoekslocatie verricht. Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-mv. De boringen 01, 02, 04, 06, 07, 13 en 23 zijn uitgevoerd tot een diepte van circa 1,0 m-mv. De boringen 03 en 09 zijn uitgevoerd tot een diepte van circa 1,6 m-mv. De boringen 14 en 19 zijn uitgevoerd tot een diepte van 2,3 à 2,6 m-mv in verband met de plaatsing van een peilbuis.
Asfaltonderzoek De boormeester heeft vooraf de wegen geschouwd en beoordeeld. Er was geen aanleiding om het boorplan aan te passen. In de asfaltverharding zijn vier boringen (105 t/m 108) verricht tot 0,5 meter onder de verharding/verdachte grondlaag. Aanvullend- en nader onderzoek De boringen 112 t/m 114 en 117 t/m 121 maken onderdeel uit van het aanvullend- en nader onderzoek. De boringen 112 t/m 114 zijn rondom boring 16 verricht. De boringen 117 t/m 121 zijn ter plaatse van de olieverontreiniging rondom boring 14 verricht. De boringen 112 t/m 114 zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 1,0 m-mv. De boringen 117 t/m 120 zijn verricht tot een diepte van 1,5 m-mv. Boring 121 is verricht tot een diepte van 2,5 m-mv in verband met de verticale afperking van de olieverontreiniging. Asbestonderzoek Het asbestonderzoek is uitgevoerd in twee fasen. Eerst is het verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Voor het verkennend asbestonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie visueel geïnspecteerd. Vervolgens zijn acht inspectiegaten gegraven (nrs. 01 t/m 04, 107, 108, 110 en 111). De inspectiegaten 01 t/m 04 zijn ter plaatse van het puinpad gegraven. De inspectiegaten 107 en 108 zijn ter plaatse van het asfalt gegraven. De inspectiegaten 110 en 111 zijn aan de rand van de aanwezige betonverhardingen gegraven, in verband met het asbesthoudend materiaal op het beton.
9
Project 34425
De uitkomende grond is visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. De gaten zijn circa 0,3 x 0,3 meter breed en tot 0,5 m-mv gegraven. In drie inspectiegaten (nrs. 03, 107 en 108) is een boring doorgezet tot 0,5 m in de onverdachte ondergrond. De tweede fase betreft het nader asbestonderzoek. Voorafgaand aan het veldwerk is een veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld. Hierin zijn de maatregelen beschreven die genomen moeten worden voor het veilig uitvoeren van het veldwerk. Op basis van de geringe oppervlakte van RE1 (500 m2) is deze RE conform het protocol onderzocht middels 3 sleuven. Ter plaatse van RE1 was het niet mogelijk om sleuven te graven met een kraan. Deze RE is conform protocol onderzocht met behulp van gaten, waarbij per sleuf twee gaten (30 x 30 cm) zijn verricht. De vrijkomende grond is per sleuf, per verdachte laag visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen in de fractie >2 cm. De monsterneming van grond (fijne fractie, < 2 cm) is handmatig uitgevoerd met behulp van een schep. Ten slotte zijn voor het onderzoek naar asbest in de druppelzone in totaal twee inspectiegaten (115 en 116) gegraven. De uitkomende grond is visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. De gaten zijn circa 0,4 bij 0,3 meter breed en tot 0,1 m-mv gegraven.
De ligging van de boringen, de peilbuizen en de inspectiegaten is weergegeven in bijlage I. 3.2
Resultaten veldwerk
3.2.1 Grond Bodemopbouw Op het voorterrein is tijdens de veldwerkinspectie een puinpad van metselpuin en/of menggranulaat waargenomen met een gemiddelde dikte van 20 cm. Aan de oostzijde van het terrein is een verharding van asfalt aangetroffen met een dikte van 8 cm. Daaronder is plaatselijk fundatie aanwezig van metselpuin. Verder is aan de noord- en zuidzijde van het perceel een betonverharding waargenomen. De bodem bestaat vanaf het maaiveld/onder de verhardingen tot een einddiepte van circa 2,6 m-mv voornamelijk uit zand. Plaatselijk is ook een laagje klei en/of veen aangetroffen. NB: Opgemerkt wordt dat voor dit milieuhygiënisch onderzoek de profielbeschrijvingen gebaseerd zijn op zintuiglijke beoordeling en ‘puntwaarnemingen’ betreffen. In een geroerde bodem kan het profiel soms sterk verschillen in het horizontale en verticale vlak. De profielbeschrijving heeft plaatsgevonden conform de NEN-EN-ISO 14688. Dit kan in sommige situaties een andere classificatie opleveren dan volgens de standaard RAW-bepalingen. Er gelden bijvoorbeeld verschillende definities voor o.a. zand en klei. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het opstellen van bestekken en andere voorbereiding van civieltechnische werkzaamheden. Geadviseerd wordt om zo nodig aanvullend onderzoek te doen conform de standaard RAW-bepalingen, bijvoorbeeld door middel van aanvullende zeefproeven.
Project 34425
10
Zintuiglijke waarnemingen Verhardingen Ter plaatse van de boringen 01 t/m 04 en 102 t/m 104 is, zoals hierboven beschreven is, een puinpad waargenomen van menggranulaat en/of metselpuin. De puinverharding heeft een gemiddelde dikte van 20 cm. De exacte herkomst van het puin alsmede de periode van toepassing is niet bekend, maar is vermoedelijk geweest voor 1993. Het puin is daarmee verdacht op het voorkomen van asbest en geeft aanleiding tot een bodemonderzoek naar asbest conform NEN 5707. Ook is in de bodem onder de puinverharding (tot een diepte van circa 1,0 m-mv) bijmenging aan kolen, baksteen, metselpuin en/of glas waargenomen. Dit kan duiden op een verontreiniging met zware metalen en/of PAK. In de boringen 03, 04 en 102 is visueel ook asbestverdacht materiaal waargenomen. Dit maakt ook dat de bodem verdacht is op het voorkomen van asbest en geeft aanleiding tot het uitvoeren van een asbestonderzoek conform NEN 5707. Aan de oostzijde van het terrein is een asfaltverharding waargenomen. Het asfalt heeft een dikte van 8 cm. Daaronder is plaatselijk een puinfundatie van metselpuin of metselpuinhoudende bodem aangetroffen. De exacte herkomst van het puin alsmede de periode van toepassing is niet bekend, maar is vermoedelijk geweest voor 1993. Het puin is daarmee verdacht op het voorkomen van asbest en geeft aanleiding tot een bodemonderzoek naar asbest conform NEN 5707.
Visueel is er geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Op de aanwezige betonverhardingen is asbestverdacht materiaal waargenomen. Onder het beton is geen fundatie aangetroffen. Wel is in de onderliggende grondlaag van boring 101 zwakke bijmenging aan metselpuin waargenomen. Overige terrein In de ondergrond van boring 14 is op een diepte van 0,8 tot 1,1 m-mv een matige olie-water reactie en zwakke carbolineumgeur waargenomen. In de onderliggende laag, van een diepte van 1,1 tot 1,7 m-mv, is een zwakke olie-water reactie en een zwakke carbolineumgeur waargenomen. In de afperkende boringen 117 t/m 121, rondom boring 14, is zintuiglijk geen olie waargenomen. Verder is voor het overige terrein in nagenoeg alle boringen bijmenging aan baksteen, kolen en/of aardewerk aangetroffen. Sporadisch is ook metselpuin en/of glas waargenomen. 3.2.2 Grondwater In onderstaande tabel zijn de gegevens vermeld die zijn verzameld tijdens de monstername van het grondwater. Tabel 3.1: Veldwerkgegevens grondwater peilbuis
filterstelling (m-mv)
grondwaterstand (m-mv)
pH
EC (µS/cm)
troebelheid (NTU)
14
1,60 – 2,60
1,60
6,6
750
19,3
Project 34425
11
4
ONDERZOEKSRESULTATEN De analyses en bewerkingen zijn uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd laboratorium.
4.1
Analyses grond De analyseresultaten van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek zijn weergegeven in tabel 4.1. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing in bijlage III. Tabel 4.1: Overschrijdingstabel grond Code
Boringen met diepte (m-mv)
Waarnemingen
Analyseparameters
Overschrijding >AW
>T
>I
Verkennend bodemonderzoek 1
05 (0,00 - 0,30) 16 (0,00 - 0,30)
Kolen+, Baksteen+, Aardewerk+, Glas+
NEN-g + OCB
Ba, Cd, Cu, Hg, PAK Zn
Pb (1.2*I)
2
07 (0,00 - 0,30) 09 (0,00 - 0,30) 10 (0,00 - 0,30) 13 (0,00 - 0,30)
Baksteen+
NEN g + OCB
Hg, Zn, PCB, OCB (drins, chloordaan, cis+trans heptachloorepoxide)
-
-
3
17 (0,00 - 0,30) 18 (0,00 - 0,30) 22 (0,00 - 0,30) 23 (0,00 - 0,30)
Baksteen+
NEN g + OCB
Hg, Pb, Zn, PAK
-
-
4
06 (0,50 - 1,00) 09 (0,60 - 1,10) 19 (0,50 - 0,80) 23 (0,60 - 1,10)
Baksteen+
NEN g + OCB
PCB, OCB (DDD, drins, chloordaan)
-
-
5
14 (0,60 - 0,80)
Metselpuin+, Olie-water reactie++, Carbolineumgeur+
NEN-g
Hg, Pb, Zn, PAK
-
Olie (6.7*I)
6
03 (1,10 - 1,60) 19 (1,30 - 1,80)
-
NEN-g
-
-
-
7
02 (0,15 - 0,50) 04 (0,15 - 0,65)
Metselpuin+++, Kolen+, Glas+
NEN-g
Ba, Cu, Hg, Pb, Zn, PAK
-
-
Uitsplitsing: mengmonster 1 1-1
05 (0,00 - 0,30)
Kolen+, Baksteen+
Lood en zink
Pb, Zn
-
-
1-2
16 (0,00 - 0,30)
Aardewerk+, Baksteen+, Glas+, Kolen+
Lood en zink
-
Pb, Zn
-
Aanvullend onderzoek Boring 14: minerale olie 11
117 (0,60 - 0,80)
-
Olie
-
-
-
12
118 (0,50 - 1,00)
-
Olie
-
-
-
13
119 (0,50 - 0,80)
-
Olie
-
-
-
14
120 (0,68 - 1,18)
-
Olie
-
-
-
15
121 (1,20-1,50)
-
Olie
-
-
-
Metselpuin+
PCB
PCB
-
-
Asbestdak: PCB PCB01
115 (0,00 - 0,10) 116 (0,00 - 0,10)
Boring 16: lood en zink 8
112 (0,40 - 0,90)
-
Lood en zink
Pb
-
-
9
113 (0,50 - 0,70)
Metselpuin+, Kolen+
Lood en zink
Pb, Zn
-
-
10
114 (0,20 - 0,70)
Metselpuin+, Kolen+
Lood en zink
Pb, Zn
-
-
waarneming : + (sporen/zwak), ++ (matig), +++ (sterk), ++++ (uiterst) Ba@ : de normen voor barium zijn buiten werking gesteld, toetsing vindt plaats aan de vml. normen (AW=190, T=555, I=920) getal# : het gehalte wordt veroorzaakt door humuszuren (natuurlijke herkomst)
12
Project 34425
Verkennend bodemonderzoek Mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Door middel van dit analysepakket wordt een breed beeld verkregen van de kwaliteit van de grond. De bovengrond is aanvullend onderzocht op bestrijdingsmiddelen. In het puinhoudende mengmonster 1 van de bovengrond is een sterke verhoging aan lood en matige verhoging aan zink aangetoond. Tevens zijn lichte verhogingen aan diverse zware metalen en PAK aangetoond. In het monster van boring 14 (5), waar een matige olie-waterreactie en carbolineumgeur is waargenomen, is een sterke verhoging aan minerale olie aangetoond. Verder zijn lichte verhogingen aan diverse zware metalen en PAK aangetoond. De verhoging aan minerale olie in het monster wordt vermoedelijk veroorzaakt door motorolie. Dit valt af te leiden uit het oliechromatogram. In de overige mengmonsters van de boven- en ondergrond worden geen of maximaal lichte verhogingen aan diverse zware metalen, diverse soorten bestrijdingsmiddelen, PCB en/of PAK aangetoond. Uitsplitsing In verband met de gemeten matige en sterke verhoging is het mengmonster 1 uitgesplitst. De deelmonsters zijn afzonderlijk geanalyseerd op lood en zink, ter beoordeling wat de herkomst van de verhogingen is. In het monster van boring 05 (0,0-0,3 m-mv) is een lichte verhoging aan lood en zink aangetoond.
In het monster van boring 16 (0,0-0,3 m-mv) is een matige verhoging aan lood en zink aangetoond. In verband met uitsplitsing hebben de analyses niet plaatsgevonden binnen de voorgeschreven conserveringstermijn. Dit betreft een afwijking op SIKB-protocol 3001. Zie bijlage V voor een toelichting en de consequenties. Aanvullend onderzoek Boring 14: minerale olie Ter plaatse van boring 14 is aanvullend onderzoek uitgevoerd in verband met de gemeten sterke verhoging aan minerale olie in grond. Ter horizontale afperking zijn vier grondmonsters separaat geanalyseerd op minerale olie. In de zintuiglijk schone monsters van de boringen 117 (0,6-0,8 m m-mv), 118 (0,5-1,0 m-mv), 119 (0,5-0,8 m-mv) en 120 (0,68-1,18 m-mv) zijn geen verhogingen aan minerale olie boven de achtergrondwaarde aangetoond. Ter verticale afperking is één grondmonster separaat geanalyseerd op minerale olie. Ook in het zintuiglijk schone monster van boring 121 (1,20-1,50 m-mv) is geen verhoging aan minerale olie aanwezig.
Project 34425
13
In verband met de mogelijke afvoer van de grond is een aanvullende analyse op PFAS ingezet. Hierbij is een lichte verhoging aan PFOA aangetoond. Boring 16: lood en zink Om na te gaan of er rondom boring 16 geen sterke verhoging aan lood en/of zink aanwezig is, zijn de omliggende boringen aanvullend geanalyseerd op lood en zink. In de monsters van de boringen 112 (0,4-0,9 m-mv), 113 (0,5-0,7 m-mv) en 114 (0,20,7 m-mv) worden maximaal lichte verhogingen aan lood en/of zink aangetoond. Asbestdak zonder dakgoot Uit recent onderzoek is gebleken dat het gehalte aan PCB bij asbestdaken door uitspoeling ook verhoogd aanwezig kan zijn. De druppelzone van de kleinschalige schuur is aanvullend geanalyseerd op PCB. In het mengmonster PCB01 is een lichte verhoging aan PCB aangetoond. 4.2
Analyses grondwater De analyseresultaten van het grondwater zijn weergegeven in tabel 4.2. Tabel 4.2: Overschrijdingstabel grondwater Peilbuis
Filtertraject (m-mv)
Analyseparameters
Overschrijding >S
>T
>I
14
1,60 – 2,60
NEN-gw
Mo, fenantreen, fluoranteen
-
-
Het grondwater uit peilbuis 14, met een oliewaarneming, is geanalyseerd op een NENanalysepakket. Hierdoor wordt een breed beeld verkregen van de grondwaterkwaliteit. In het grondwater afkomstig uit peilbuis 14 is een lichte verhoging aan molybdeen, fenantreen en fluoranteen gemeten. 4.3
Analyses asfalt De analyses en bewerkingen zijn uitgevoerd door het RvA-geaccrediteerd laboratorium Eurofins Omegam. Aangezien de kernen van de asfaltboring afgebrokkeld zijn, is geen laagopbouw bepaald. De asfaltverharding is meteen onderzocht op de aanwezigheid op PAK. Van het asfalt is een mengmonster samengesteld en het mengmonster is onderzocht middels een GCMSonderzoek. De resultaten zijn opgenomen in onderstaande tabel. De analysecertificaten zijn opgenomen in de bijlage. Tabel 4.3: Resultaten GCMS-onderzoek Mengmonster