5. Bijlage bij toelichting 6 - orienterend onderzoek naar beschermde flora en fauna_1.pdf - Bijlage
Tekst van het document
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. R. van der Made ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Datum
27 juli 2018 (revisie op 20 april 2020)
Kenmerk
BE/2018/408/r
Uw kenmerk
Email d.d. 3 juli 2018
Auteur(s)
T.W.D. Schrader
Collegiale toets
S. Schuuring
Revisie
T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim Aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim is een oud agrarisch perceel gesitueerd met bedrijfswoning en meerdere bijgebouwen. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfswoning, loods en de kas op de planlocatie te saneren ten behoeve van een uitbreiding van een naastgelegen bedrijf en de realisatie van drie vrijstaande woningen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de plangebieden voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim. Het betreft een oud agrarisch perceel, waar momenteel een woning, een loods, een kas en een klein schuurtje zijn gesitueerd. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en heeft een zadeldak uit dakpannen. De loods is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en heeft een bitumen zadeldak. De tweeledige kas is opgetrokken uit metalen platen met een zadeldak uit glas. Het perceel is deels verhard en het aanwezige gras is recentelijk gemaaid. Verder maakt het perceel bij vlagen een rommelige indruk, met her en der opslag van allerhande objecten en oud ijzer. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Het plangebied ligt midden in een bedrijventerrein (figuur 1). Direct ten noordwesten van het plangebied stroomt een sloot, welke afwatert in de Dinsdagse Wetering. De directe omgeving van het plangebied kent een hoge mate van verstoring, met veel verkeersbewegingen over de Rijksstraatweg en nabijgelegen de A44.
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim (bron: arcgis.com).
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreft het saneren van de bedrijfswoning, loods en kas ten behoeve van een uitbreiding van een nabijgelegen bedrijf en de realisatie van drie vrijstaande woningen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van bedrijfswoning, loods en kas: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding; allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden; Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
2
Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 9 juli 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 2-3 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is.
3
Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Het perceel is deels verhard, en het onverharde deel is grotendeels grasland. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Tussen de verharding door en naast de bebouwing is er sprake van wat onkruid in de vorm van grote brandnetel en harig wilgenroosje. Bij de woning staat een buxushaag en groeit dwergmispel in de tuin. Naast de vijver staat een solitaire treurwilg. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De sloop van de loods en kas leidt niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn.
In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (verspreidingsatlas NDFF, 2010-2018; waarneming.nl, 2008-2018). Voor boommarter en eekhoorn geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Binnen het plangebied zijn ongeveer vijf bomen aanwezig. In deze bomen zijn geen verblijfplaatsen van boommarter of eekhoorn aangetroffen. Het voorkomen van deze soorten wordt niet verwacht ten gevolge van de hoge mate van verstoring op het plangebied. Daarnaast ontbreekt het in de omgeving aan gunstige migratieroutes vanuit potentiële verblijf- en foerageerlocaties richting het plangebied en zijn er enkele drukke wegen in de nabije omgeving van het plangebied gelegen. Verblijven van marterachtigen gaan samen met prooiresten, uitwerpselen en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie van de bebouwing zijn deze sporen niet aangetroffen. Derhalve is de aanwezigheid van marterachtigen en eekhoorn binnen het plangebied uitgesloten.
Gelet op de ligging van de locatie en afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de habitatrichtlijn en niet vrijgestelde overige soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name mol, egel, veldmuis en bruine rat. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ kennisdocument gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (verspreidingsatlas NDFF, 2010-2018; waarneming.nl, 2008-2018). Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats.
4
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het voorkomen in de kas kan uitgesloten worden op basis van het materiaalgebruik, het ontbreken van een spouw of andere krappe verblijfsruimte en het ontbreken van goede invliegopeningen voor vleermuizen. De woning en de loods hebben openingen waar de aanwezigheid van rust- en/of verblijfplaatsen voor vleermuizen niet uitgesloten kan worden (bijlage 1). Deze openingen bestaan in de woning vooral in openingen in de overstekken en de kierende kantpannen, in de loods bestaan de openingen voornamelijk uit kierende daklijsten. Het is niet uit te sluiten dat de woning of de loods op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Om de aan- dan wel afwezigheid van verblijfplaatsen aan te tonen is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageer- of migratieroute. In de luwte van de gebouwen, bomen en hagen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied.
Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het plangebied is deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoring optreedt. Het onverharde deel bestaat voornamelijk uit kort grasland met geen opgaande vegetatie, waardoor weinig structuur aanwezig is. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een beschoeide vijver. Deze beschoeiing maakt het voor amfibieën vrijwel onmogelijk om de migratie van en naar de overwinteringslocaties te voltooien. Ook zijn er geen houtwallen, rommelhoeken, stapels stenen etc. aanwezig die mogelijk overwinteringslocaties kunnen bieden aan reptielen of amfibieën. Daarnaast grenst het plangebied aan de noordwestzijde aan een sloot. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker-complex, kleine watersalamander en rugstreeppad (verspreidingsatlas NDFF 2010-2018, waarneming.nl 2008-2018). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Momenteel wordt het voorkomen van de rugstreeppad op de planlocatie door de afwezigheid van kleine poeltjes en vergraafbaar zand niet verwacht. Echter, als gevolg van de werkzaamheden aan het terrein kan geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaan waardoor vestiging binnen het plangebied kan optreden. Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen getroffen te worden om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen. Dergelijke maatregelen betreffen het tegengaan van het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en het voorkomen van langdurige materiaalopslag binnen het plangebied (BIJ kennisdocument rugstreeppad, 2017. Indien maatregelen getroffen worden om het ontstaan van geschikt leefgebied van deze soorten tegen te gaan zijn negatieve
5
effecten van de beoogde ontwikkeling op beschermde amfibieën uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Bij inachtneming van passende maatregelen zijn negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen uitgesloten. Vissen In het plangebied bevindt zich oppervlaktewater in de vorm van een afgesloten beschoeide vijver (oppervlakte ongeveer 275 m2). Daarnaast grenst het plangebied aan een afwaterende sloot. In de nabije omgeving van het plangebied is het voorkomen van beschermde vissen niet bekend. Aan de sloot zijn geen werkzaamheden gepland. Mogelijke effecten kunnen optreden in de vorm van geluid en/of trillingen. Aanwezige vissen in de sloot kunnen zich (tijdelijk) ophouden buiten de zone van verstoring, waar voldoende habitat aanwezig is van vergelijkbare kwaliteit. In de beoogde ontwikkelingen wordt een deel van de vijver gedempt en komt er aan de zuidoostelijke zijde van het plangebied een retentiesloot ter compensatie.
Er wordt geadviseerd allereerst de retentiesloot te graven en bij de vijver aan te sluiten voor de vijver gedempt wordt, om de aanwezige fauna de ruimte te bieden de te dempen vijver uit eigen beweging te verlaten. Hierdoor worden effecten op vissen (en amfibieën, insecten etc.) geminimaliseerd. Mocht de vijver allereerst gedempt worden dienen de aanwezige vissen, in het kader van de Algemene zorgplicht, overgebracht te worden naar een ander watersysteem. Bij inachtneming van passende maatregelen zijn effecten op vissen uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: aalscholver, kleine mantelmeeuw, scholekster en wilde eend.
De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. Voor overige jaarrond beschermde soorten die in open gebied broeden als grote gele kwikstaart is geen geschikt leefgebied aanwezig. Het plangebied voorziet ruim in het functioneel leefgebied van huismus. Op de locatie zijn jaarrond groene heggen aanwezig, alsmede grind, zand en badwater. Mogelijk kunnen er nestlocaties aanwezig zijn in de woning onder de dakpannen. Er zijn gedurende het veldbezoek geen huismussen gezien of gehoord, daarnaast zijn er geen waarnemingen van huismussen bekend binnen het plangebied (NDFF 2010-2020). Bij inspectie van de dakgoot is vastgesteld dat er vogelschroot is aangebracht (bijlage 1). Er van uitgaande dat het vogelschroot deskundig is aangebracht en dit over de gehele lengte van de openstaande dakpannen is gedaan, kunnen huismussen geen nestlocaties vinden onder de dakpannen.
Het voorkomen van nestlocaties van huismus in de te slopen bebouwing kan uitgesloten worden op basis van het ontbreken van potentiële nestlocaties onder de golfplaten. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De sloop van de bebouwing binnen het plangebied leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake.
6
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ kennisdocument gierzwaluw). De soort is vaak te vinden in woonwijken. Aan de woning zijn scheefstaande kantpannen aangetroffen, welke mogelijk in- en uitvliegopeningen kunnen bieden voor gierzwaluw. Echter, wegens het ontbreken van andere geschikte nestlocaties in directe omgeving wordt het voorkomen van broedgevallen van gierzwaluw binnen de planlocatie niet verwacht. Solitaire nestlocaties zijn zeer zeldzaam en verder van het plangebied (< 500 m) zijn woonwijken aanwezig waar de potentie voor broedende gierzwaluwen veel hoger is. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dienen de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 5,1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Coepelduynen’ (figuur 2). De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3). De planlocatie ligt op een afstand van circa 6,8 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de strategische reservering natuur en 300 m tot het dichtstbijzijnde belangrijk weidevogelgebied (figuur 4).
Figuur 2
De planlocatie ligt op een afstand van 5,1 km tot het Natura 2000-gebied Coepelduynen (bron: http://natura2000.eea.europa.eu).
7
Figuur 3
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 6,8 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de strategische reservering natuur PV en 300 m tot het dichtstbijzijnde belangrijk weidevogelgebied (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app).
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een hoger aantal verkeersbewegingen. De sloop- en bouwwerkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Wegens de uitbreiding van het naastgelegen bedrijf en de nieuwbouw van drie woningen zal de uitstoot op de langere termijn waarschijnlijk iets hoger liggen dan in de huidige situatie. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten niet resulteert in een verhoging van de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
8
Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. De kapwerkzaamheden die zijn beoogd in de ontwikkelingen vallen onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.
Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
9
Conclusies In de plangebieden of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing biedt mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen. Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Van externe werking is geen sprake. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+/-
-
-
-
+/-
-
-
n
n
n
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Tabel 1 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda
+
+/-
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat overige soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
5,1 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1,1 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding / vergunning
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
j*
-
n
n
* Verblijfplaatsen van eventueel aanwezige soorten (m.n. gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en/of laatvlieger kan worden verwacht) zijn goed te compenseren. Het is dan ook de reële verwachting dat bevoegd gezag (provincie Zuid-Holland) bij het treffen van de juiste mitigerende en compenserende maatregelen ontheffing zal verlenen voor het verwijderen van verblijfplaatsen (indien deze aanwezig zijn).
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger of andere vleermuissoorten. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
10
Conclusie De beoogde sloop van de loods en kas en realisatie van drie nieuwe woningen alsmede de uitbreiding van een naastgelegen bedrijf aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim leidt (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen) niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Bij eventuele aanwezigheid van verblijfplaatsen kan met bepaalde maatregelen (c.q. ongeschikt maken verblijfplaatsen) en het plaatsen van zowel tijdelijke als permanente voorzieningen een ontheffing worden verleend, waarbij er een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijk verbod. Een ontheffing wordt tevens alleen verleend indien er een wettelijk belang is aangetoond en de gunstige staat van instandhouding van de soort is onderbouwd. Daarnaast dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim uitvoerbaar zijn zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro) mits de afwezigheid van vleermuizen wordt aangetoond of een ontheffing wordt verleend.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van verblijflocaties binnen het plangebied. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol, met vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 1 oktober.
Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen omlaag gerichte geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
• Er wordt geadviseerd allereerst de retentiesloot te graven en bij de vijver aan te sluiten voor de vijver gedempt wordt, om de aanwezige fauna de ruimte te bieden de te dempen vijver uit eigen beweging te verlaten. Hierdoor worden effecten op vissen (en amfibieën, insecten etc.) geminimaliseerd. Mocht de vijver allereerst gedempt worden dienen de aanwezige vissen, in het kader van de Algemene zorgplicht, overgebracht te worden naar een ander watersysteem. • In het kader van natuurinclusief bouwen kunnen enkele extra maatregelen worden getroffen om de natuurwaarden van de planlocatie te vergroten. Zie hiervoor bijlage 4.
11
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument rugstreeppad, Bufo calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.waarneming.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
12
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Bijlage 3 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 4 Behoud van biodiversiteit
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
13
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim. Op het perceel staan een loods (rechts op foto) en kas (links op foto). De loods bestaat uit gemetselde muren met spouw en heeft een bitumen zadeldak. De kas is gebouwd uit metalen platen en heeft een glazen zadeldak.
Figuur 2
Aan de loods zijn openingen aangetroffen in de vorm van kierende daklijsten. Deze openingen kunnen vleermuizen ruimte verschaffen voor eventuele verblijfplaatsen in de dakruimte of in de spouw. Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aan- of afwezigheid vast te kunnen stellen.
14
Figuur 3
Aan de loods zijn openingen aangetroffen in de vorm van kierende daklijsten. Deze openingen kunnen vleermuizen ruimte verschaffen voor eventuele verblijfplaatsen in de dakruimte of in de spouw. Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aan- of afwezigheid vast te kunnen stellen.
Figuur 4
Aanwezig vogelschroot onder de dakpannen van de woning.
15
Bijlage 2
Ecologie rugstreeppad
Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is middelgrote pad met een lengte van circa 4,5-7 cm en korte poten. De rug heeft een grijsbruine kleur met groenige vlekken, de buik is lichtgrijs met grijszwarte vlekken. Over de gehele rug is karakteristieke lichtgele lengtestreep afgetekend. De ogen zijn geelgroen met een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwen door een paars/blauwe verkleuring van de keel. De rugstreeppad heeft een typische en harde roep die over een afstand van 1-3 km hoorbaar is (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Klimatologische veranderingen vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. Mannen komen hier doorgaans eerder aan dan vrouwen (Creemers & Van Delft, 2009). De voortplanting vindt plaats van april-september met een hoogtepunt van half april-mei. Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamisch milieu met vergraafbaar zand of fijne grond en pionierskarakter. Veelal bestaan deze uit onbeschaduwde laag begroeide terreinen met een macroreliëf. De vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderscheiden in het voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch de overige habitats terrestrisch. De functionele leefomgeving bestaat uit het terrein in en tussen deze habitats. De voorplantingslocatie bestaat uit veelal temporele, ondiepe en vegetatieloze wateren. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten.
De zomer enen winterlocaties bevinden zich in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft zich in of kruipt onder materialen zoals: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze plaatsen vorstvrij moeten zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatie omvangen en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatie specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een populatie minimaal uit 50-200 dieren bestaat en in verbinding staat met andere populaties (RVO, 2011).
16
Bijlage 3
Vervolgstappen Wet natuurbescherming
Indien uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Middels onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van EL&I, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang?
17
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
Overige soort Ten aanzien van Overige soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
18
19
Bijlage 4 Behoud van biodiversiteit De Wet natuurbescherming is gericht op het behouden en ontwikkelen van waardevolle natuur. Voor een bepaald aantal soorten flora en fauna gelden specifieke regels die gericht zijn op bescherming. Het betreft soorten die vanuit Europese wetgeving en verdragen beschermd zijn (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten) en nationaal beschermde soorten (in de Wet Nb ‘overige
soorten’
genoemd).
Vorengenoemde
soorten
worden
beschermd
middels
verbodsbepalingen welke zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet Nb. Voor alle andere niet specifiek beschermde soorten of soorten waarvoor vrijstelling geldt is de algemene Zorgplicht van toepassing. Toetsing aan Wet natuurbescherming Bij ruimtelijke ingrepen wordt getoetst of de beoogde plannen leiden tot aantasting of verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen en/of functioneel leefgebied van beschermde soorten, aantasting van beschermde gebieden en/of beschermde houtopstanden. Of anders geformuleerd: leiden de ingrepen tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Indien daar (mogelijk) sprake van is dient een soortspecifiek onderzoek te worden uitgevoerd en/of een ontheffing van de Wet Nb te worden aangevraagd. Een ontheffing wordt verleend als de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is, er sprake is van een wettelijk belang en de desbetreffende soort voldoende kan worden gefaciliteerd tijdens en na de ingreep. Voor de niet beschermde soorten worden veelal enkele (algemene) mitigerende maatregelen voorgeschreven om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Behoud van biodiversiteit Het doel van de Wet natuurbescherming is het behouden en ontwikkelen van waardevolle natuur. Toetsing aan de Wet Nb vindt vaak plaats binnen het abstracte juridische kader (wel/geen
overtreding
verbodsbepalingen).
Deze
strikte
interpretatie
van
de
Wet
natuurbescherming doet wellicht op sommige vlakken tekort aan het doel van de wet. Biodiversiteit is namelijk meer dan alleen beschermde soorten, dit betreft het gehele ecosysteem met alle niet beschermde en beschermde natuurwaarden bij elkaar. Concreet betekent dit het volgende: 1.
Ruimtelijke ingrepen mogen niet strijdig zijn met de Wet natuurbescherming (overtreding verbodsbepalingen)
2.
Voorafgaand aan de ingreep dient beoordeeld te worden welke werkzaamheden strikt noodzakelijk zijn en welke ecotopen behouden kunnen blijven. Mogelijk kan door fasering in tijd en ruimte voor flora en fauna belangrijke elementen behouden blijven of in mindere mate worden aangetast (ongeacht of deze een relevante functie hebben voor beschermde soorten).
3.
Vaak kunnen in de nieuwe situatie (eenvoudige) maatregelen worden getroffen die meerwaarde hebben voor de biodiversiteit. Het natuur-inclusief ontwerp van nieuwe gebouwen (met bijv. voorzieningen voor vleermuizen, huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil), extensief beheer, de aanplant van bomen, struiken en kruidachtige soorten, het plaatsen van nestkasten en de aanleg van takkenrillen.
Toetsing door Blom Ecologie B.V. In opdracht van de initiatiefnemer toetsen de gecertificeerde en deskundige ecologen van Blom Ecologie B.V. of de voorgenomen ingrepen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Advies met betrekking tot het behoud van zoveel mogelijk ecologische waarden en meerwaarde in de nieuwe situatie maken geen integraal onderdeel uit van de toetsing aan de Wet natuurbescherming. Voor natuur-inclusieve bouw en de versterking van biodiversiteit kunnen onder andere de volgende maatregelen genomen worden:
20
Maatregel
Toelichting
Behoud bomen, struiken en struweel
Is het verwijderen van bomen, struiken, hagen en struweel noodzakelijk om uw plannen tot uitvoer te brengen? Overweeg een alternatieve uitvoering of inpassing om zoveel mogelijk groen te behouden. Veel zoogdieren, insecten en vogels hebben baat bij het behoud van vorengenoemde elementen. Met name oude bomen met holtes zijn in de regel waardevol.
Toegang tot gebouwen behouden of creëren
Een aantal vogelsoorten profiteert van aanwezig veevoer of voer wat door het dagelijks gebruik van de locatie aanwezig is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan moestuinen, voedertafels, kuilvoerplaten en dergelijke. Overweeg of dergelijke voor fauna waardevolle locaties behouden kunnen blijven.
Aanleg of behoud onverharde paden en wegen
Veel dieren nemen een stofbad om zich te ontdoen van parasieten. Een dergelijk stofbad wordt veelal gebruikt in of nabij verharde wegen die bestaan uit zand en puin. Overweeg het behoud of aanleg van onverharde terreindelen.
Plaatsen nestkast steenuil of kerkuil
Het buitengebied is belangrijk leefgebied van de steenuil en kerkuil. Beide soorten maken gebruik van kleinschalig agrarisch landschap bestaande uit (oude) schuren, erven, hagen, tuinen en andere structuurrijke elementen. De nestkast van de steenuil kan worden geplaatst op rustige plaatsen aan de buitenzijde van gebouwen en in bomen. De nestkast van kerkuil kan worden geplaatst in hoge(re) donkere gebouwen.
Aanleg of optimalisatie vijver, poel of natuurvriendelijke oeverzone
Amfibieën, insecten, zoogdieren en vogels zijn gebaat bij oppervlaktewater. Oppervlaktewater wordt gebruikt als drinkwater, ten behoeve van voortplanting, als leefgebied en als foerageergebied. Jaarlijks onderhoud van een vijver en poel is belangrijk om het functioneren te waarborgen. Naast de aanleg van een waterpartij is de optimalisatie van een vijver, poel of oever mogelijk. Veel (kleine) diersoorten zijn gebaat bij flauwe begroeide oevers, dergelijke oevers bieden geschikt leefgebied en bevorderen in- en uittreedmogelijkheden.
Aanleg bloemrijke borders
Om de diversiteit aan vlinders en overige ongewervelde te verhogen kan ervoor gekozen worden om de borders van tuinen te beplanten met inheemse bloemdragende kruiden en struiken. Tevens kan de aanplanting van enkele fruitbomen een dergelijk gewenst resultaat behalen. Het gebruik van exotische en uitheemse soorten wordt afgeraden, omdat inheemse soorten vaak gebonden zijn aan in Nederland voorkomende vaatplanten.
Aanleg takkenrillen/ composthoop
Het snoeiafval en organisch materiaal (GFT) kunnen worden verwerkt in takkenrillen en een composthoop. Takkenrillen of –hopen zijn geschikte verblijfplaatsen voor kleine fauna. Dit geldt eveneens voor composthopen waar met name insecten, muizen en amfibieën van profiteren. Veel van deze kleine fauna vormen (stapel)voedsel voor andere soorten in de voedselketen.
21