CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting BP IKC Kinderburg-Rank Sassenheim.pdf

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "IKC Kinderburg-Rank, Sassenheim"15.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook ontstaat er hierdoor een overzichtelijke inritsituatie aan de Van Alkemadelaan en uitritsituatie aan de Knorrenburgerlaan. Bij deze verkeerskundige oplossing wordt de verkeersveiligheid van de Van Alkemadelaan gewaarborgd.

25

Omgeving Ten behoeve van de buurt worden 4 extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte aan de Knorrenburgerlaan gerealiseerd. Daarnaast worden de huidige haakse parkeerplaatsen in de parkeerkoffer aan de Knorrenburgerlaan heringericht om 1 extra parkeerplaats voor de buurt te realiseren.

Fietsparkeren Er komen twee fietsenstallingen bij de school. Deze worden zodanig gepositioneerd dat fietsers zo snel en veilig mogelijk vanaf de openbare weg het schoolterrein kunnen betreden. In het noordoosten van het plangebied komt een stalling voor met name de fietsers vanaf de Van Alkemadelaan. In het westen van het plangebied voor met name de fietsers vanaf de Knorrenburgerlaan.

Verkeerkundig onderzoek - update Op basis van de nieuwe inzichten (400 leerlingen in plaats van 350 leerlingen) en uitgangspuntenzijn de mogelijke consequenties voor het verkeer en parkeren (opnieuw) onderzocht. Dit rapport is als Bijlage 11 Onderzoek verkeer en parkeren (update) toegevoegd. Uit het onderzoek volgt ook dat de aangepaste uitgangspunten geen gevolgen hebben voor de parkeervraag van het plan. Op basis van de actuele uitgangspunten en rekenmethodiek blijft de hoogte van de parkeervraag hetzelfde. Daarmee blijven ook de conclusies van het eerder opgestelde verkeerskundig onderzoek ten aanzien van het parkeren hetzelfde. De in het stedenbouwkundig kader opgenomen ruimtereservering voor 12 nieuwe parkeerplaatsen hoeft qua aantal niet worden aangepast.

Conclusie Het plan kan gezien vanuit deze aspecten gerealiseerd worden.

4.5

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm ‘Luchtkwaliteitseisen’ wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. In de wet is, door middel van criteria, een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3 % van de grenswaarde (= 1,2 ug/m3) voor stikstofdioxide en fijn stof. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof PM2.5. Als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, dan zal er ook geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 optreden.

Beoordeling Door het plan wordt het bestaande schoolgebouw gesloopt en vervangen door een groter schoolgebouw. Gezien de grootte van de ontwikkeling is deze 'niet in betekenende mate'' (NIBM). Dit betekent dat de uitbreiding niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er hoeft niet te worden getoetst aan de wettelijke grenswaarden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel bekeken wat de luchtkwaliteit bij de locatie is. Hiervoor is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool van het ministerie van I&W. De dichtst bijgelegen weg die in de NSL-monitoringstool is opgenomen, is de Hoofdstraat. Volgens de NSL-monitoringstool zijn de concentraties stikstofdioxide en fijn stof (PM10) in 2020 langs deze weg ter hoogte van het plangebied maximaal 23,1 ug/m3 en 20,5 ug/m3. De geldende grenswaarde voor beide stoffen is 40 ug/m3. Ter hoogte van het plangebied zijn de

26

concentraties lager. Als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, wordt de grenswaarde voor PM2,5 (25 ug/m3) ook niet overschreden. In de toekomst worden deze waarden lager. Het plan is NIBM en de concentraties op de planlocatie liggen ver beneden de grenswaarden. In het kader van de Wet milieubeheer zijn er geen belemmeringen.

Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteitseisen.

4.6

Flora en fauna

4.6.1

Onderzoek bomen

4.6.1.1

Boomonderzoek

In september 2019 is door Pius Floris een boomonderzoek voor het terrein uitgevoerd Bijlage 4 Boomonderzoek. De conclusie uit het rapport luidt als volgt: Het merendeel van het bomenbestand verkeert in een redelijke of goede conditie. Er zijn een paar bomen aangetroffen met een matige conditie en enkele bomen in een slechte conditie. Bij geen van de bomen is ten tijde van de keuring houtparasitaire schimmels aangetroffen. Er is in een boom kastanjebloedingsziekte aangetroffen en twee bomen met een verkleving. Voor alle bomen geldt dat zij na snoei probleemloos te handhaven zijn. Het herkeuringsinterval wordt voor dit gebied is 1 x per 3 jaar. Voor de grote bomen direct langs het hoofdgebouw wordt een herkeuringsinterval van 1 x per 3 jaar aangehouden. Puntsgewijs geldt het volgende advies. Verwijder de bomen 24, 30 en 31. Snoei alle bomen met een verhoogd risico. Afhankelijk van de toekomstige gebruiksfunctie van het gebied is een afweging hierbij om alle opgenomen te snoeien zodat het onderhoud en beheer op orde is bij de start van het nieuwe schooljaar. Combineer alle werkzaamheden in 1 werkgang waardoor er bespaard kan worden op de kosten. Keur de bomen 1 x per 3 jaar waarbij er moet worden opgemerkt dat veranderingen in het gebied kunnen leiden tot conditionele veranderingen die het risico kunnen verhogen.

Afhankelijk van de verdere ontwikkeling kan het noodzakelijk zijn een boomeffectanalyse uit te voeren om de gevolgen goed in kaart te kunnen brengen. Op de bomenkaart zijn vijf bomen aangemerkt als beschermingswaardig. Deze 5 bomen zijn in het stedenbouwkundig kader aangegeven als te behouden beschermwaardige bomen.

4.6.1.2

Bomen effect analyse

In navolging van het boomonderzoek is door Pius Floris een bomen effect analyse (BEA) voor het plangebied uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 5 Bomen effect analyse toegevoegd.

Resultaten De volgende punten hebben onder andere de grootste effecten op de bomen: Sloop- en bouwwerkzaamheden; Herinrichting buitenruimte. Deze werkzaamheden hebben zowel boven- als ondergronds effect op de bomen. Diverse bomen staan binnen een zone van drie meters afstand van het bestaande complex waardoor kroon, wortel en stamschade is te verwachten. Veel kronen hangen tot over het dak. De kroonprojectie vormt zodoende tevens een behoorlijk knelpunt ten opzichte van het nieuwe complex. Binnen het plan zal ook bij het uitvoeren van de werkzaamheden voldoende werkruimte noodzakelijk zijn. De verwachting is dat de aanleg van een bouwweg, het opslaan van (bouw)materialen en een opstelplaats voor een bouwkraan voor een aantal bomen fataal kunnen worden. Het is echter (nog) niet duidelijk waar deze worden georganiseerd. Uit het groeiplaatsonderzoek blijken dikke wortels zich oppervlakkig te ontwikkelen. Bij

27

werkzaamheden in de ondergrond is daarom al snel veel wortel schade te verwachten. Veel bomen komen in de nieuwe situatie in de verharding te staan of zal er een deel van de groeiplaats worden afgesneden. De boven- en ondergrondse groeiruimte neemt hierdoor af. Een aantal bomen staan bijvoorbeeld binnen de contouren van een nieuwe rijbaan en parkeervakken waardoor behoud niet mogelijk is. Bij de categorisering is rekening gehouden met de huidige conditie, toekomstverwachting en soort specifieke eigenschappen, kwaliteit en boombeeld. Bomenbalans / conclusie 31 bomen zijn d.m.v. basis boom beschermings-, specifieke maatregelen en/of kleinschalige ontwerpwijzigingen te behouden. 41 bomen dienen te worden verwijderd waarvan er 18 bomen met specifieke maatregelen en/of kleinschalige ontwerpwijzigingen of een verplanting zijn te behouden. 4.6.2

Onderzoek Flora & Fauna

4.6.2.1

Quickscan Flora & Fauna

In januari 2021 is door Pius Floris een oriënterend ecologisch onderzoek voor het terrein uitgevoerd, Bijlage 6 Oriënterend ecologisch onderzoek. De conclusie uit het rapport luidt als volgt:

Vleermuizen Er zijn potentieel geschikte rust- en/of verblijfplaatsen in het projectgebied aangetroffen onder het pannendak en de spouwmuren/gevel van het schoolgebouw. Door de aanwezigheid van doorgaand water is het aannemelijk dat het projectgebied gebruikt om te foerageren. Omdat de geplande werkzaamheden potentiële rust en/of verblijfplaatsen in het schoolgebouw aantasten, zijn er nadelige gevolgen te verwachten voor vleermuizen en is nader vleermuis onderzoek naar het voorkomen van zomer-,kraam- ,paar- en/of winterverblijven van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger verplicht. Tot die tijd mogen er geen werkzaamheden plaatsvinden aan het dak.

Overige zoogdieren Tijdens de quickscan zijn er in de groenstrook rondom het projectgebied aanwijzingen gevonden voor het voorkomen van muisachtigen. Als deze strook ongemoeid wordt gelaten of wordt hersteld in de oude staat worden er geen negatieve effecten verwacht.

Broedvogels Er zijn van de ekster twee nesten, in boom 6 en 12, aangetroffen. Eventuele werkzaamheden aan deze bomen mogen dan ook alleen na het broedseizoen worden uitgevoerd. Voor spreeuw en huismus is het pannendak van de school een potentiële broedplaats. Nesten van eksters en spreeuwen vallen onder categorie 5 van de wet natuurbescherming. Deze nesten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden jaarronde bescherming rechtvaardigen. Aangezien er in de nabije omgeving voldoende alternatieve zijn is jaarronde bescherming niet aan de orde. Nader onderzoek naar het voorkomen van huismus is nodig. De nesten van huismus zijn jaarrond beschermd. Als uit nader onderzoek blijkt dat het gebouw dienst doet als broeden/of verblijfplaats van de huismus dient er ontheffing aangevraagd te worden.

Flora De aangetroffen flora binnen het projectgebied omvat geen beschermde soorten. Derhalve is het niet nodig hier rekening mee te houden tijdens de geplande werkzaamheden. Het sparen of herstellen van de groenstrook rondom het projectgebied wordt aanbevolen.

Aanbevelingen 1. De werkzaamheden, ten aanzien van broedvogels, uitvoeren in de maanden september

28

tot maart. 2. Aanvullend vleermuisonderzoek uitvoeren naar de mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen 3. Aanvullend onderzoek uitvoeren naar de mogelijke verblijfplaatsen van huismus in het dak van het gebouw 4. Groenstrook rondom het projectgebied en langs de watergangen sparen of herstellen na eventuele werkzaamheden. 4.6.2.2

Aanvullend onderzoek vleermuis en huismus

Pius Floris heeft een nader onderzoek vleermuizen en huismus uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 7 Soortgericht onderzoek vleermuizen en huismus bijgevoegd.

Vleermuizen Kraam- en (zomer)verblijfplaatsen Binnen het projectgebied is geen zwermgedrag van vleermuizen waargenomen. Er is tijdens het onderzoek 1 zomerverblijf van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Op deze locatie zijn tijdens de bezoeken van 23 april en 19 mei keutels aangetroffen op de prullenbak onder een opening in de dak bekisting. Op basis van de aangetroffen uitwerpselen en waargenomen vleermuizen betreft het een zomerverblijf van 2 a 3 individuen. Tijdens de bezoeken zijn er geen kraamverblijfplaatsen aangetroffen.

Winterverblijf, Paarterritoria en (paar)verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken in augustus en september zijn verschillende baltsende gewone dwergvleermuizen binnen het projectgebied gehoord. Deze waarnemingen zijn vooral ter hoogte van bosschages aan de noordzijde van het gebouw en aan de westzijde boven het gebouw. Van deze paarverblijven waren er telkens twee gelijktijdig actief. Op basis van deze waarnemingen kan geconcludeerd worden dat het een netwerk van twee gewone dwergvleermuizen betreft. De verwachting is dan ook dat het schoolgebouw ten minste twee paarverblijfplaatsen bevat. Door de afwezigheid van zwermende vleermuizen op of rond het schoolgebouw is het voorkomen van een (massa) winterverblijf uitgesloten.

Foerageergebied en vliegroutes Tijdens ieder veldbezoek zijn in het projectgebied foeragerende vleermuizen waargenomen/gehoord. Het betrof in de meeste gevallen gewone dwergvleermuizen. Een aantal keer zijn er ruige dwergvleermuizen waargenomen. Tweemaal is een laatvlieger gehoord (enkel voorbij vliegend). Er is geen (vaste) vliegroute waargenomen binnen het plangebied.

Huismus Tijdens het veldonderzoek zijn er op het terrein en op het dak van het schoolgebouw geen huismussen waargenomen. Tijdens beide bezoeken zijn er in de directe omgeving veelvuldig zingende mannetjes gehoord en gezien. Derhalve wordt geconcludeerd dat het schoolgebouw op dit moment niet wordt gebruikt door de huismus en dat de projectlocatie geen essentieel leefgebied is voor de huismus.

4.6.2.3

Conclusie

In de gehele onderzoeksperiode zijn binnen en nabij het projectgebied drie vleermuissoorten waargenomen. Binnen het projectgebied zijn er een zomerverblijfplaats en twee paarverblijfplaatsen aangetroffen. Gerelateerd aan de geplande werkzaamheden binnen het projectgebied is een overtreding van de Wet natuurbescherming aan de orde en is ontheffing noodzakelijk. Op 5 november 2021 is ontheffing verleend door de door de Omgevingsdienst Haaglanden. De ontheffing is toegevoegd als Bijlage 8 Besluit ontheffing Wet Natuurbescherming. Hierdoor kan het plan gezien vanuit dit aspect gerealiseerd worden. De aanwezigheid van de huismus in het plangebied kan worden uitgesloten.

29

4.7

Stikstofdepositie

Voor de locatie is door Buro DB met behulp van de AERIUS Calculator, de stikstofdepositie berekend. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 9 Onderzoek stikstofdepositie. Op basis van het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie kan worden gesteld dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Uit de voortoets blijkt dat voor het plan geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.

4.8

Bodem

De bebouwing wordt opgericht in het bestaande bestemmingsvlak 'Maatschappelijk'. Er wordt geen functie toegevoegd die vanuit bodem gezien gevoeliger is dan de bestaande functie onderwijs. Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn van de locatie Knorrenburgerlaan 2 in Sassenheim geen bodemonderzoeken bekend. Ook zijn er op de locatie geen (voormalige) bodembedreigende bedrijfsactiviteiten, (voormalige) boomgaarden, bodemverontreinigingen of ondergrondse tanks bekend. In deze fase is een verkennend bodemonderzoek nog niet nodig. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van de nieuwe basisschool is het wel nodig een (recent) verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 bij te voegen. Indien sprake is van asbestverdacht materiaal / puin in de bodem is tevens een asbestonderzoek volgens de NEN5707 nodig. Omdat de locatie onverdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de ontwikkelingen op het perceel.

Beoordeling / Conclusie Vanuit het milieuaspect bodem zijn geen belemmeringen te verwachten. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwbouw moet een (recent) verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 te worden aangeleverd.

4.9

Water

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap heeft zijn beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 5: "Waardevol Water" (WBP5), dat op 9 maart 2016 door het algemeen bestuur is vastgesteld. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. In het document worden vier hoofddoelen onderscheiden: waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren; voldoende water: er is voldoende water aanwezig, passend bij het gebruik; schoon en gezond water, zodat mens, natuur en economie hier optimaal gebruik van kan maken; waterketen: het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Met de keur en bijbehorende uitwerkingsregels kan het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder uitvoeren. De Keur geeft regels voor het gebruik van of het uitvoeren van activiteiten op het gebied van waterkeringen, watergangen en andere waterstaatswerken. Daarnaast zijn aan de keur bepalingen toegevoegd voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren.

Watertoets De watertoets is een instrument dat ervoor zorgt dat een initiatiefnemer water vanaf het begin van het planvormingsproces meeneemt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indien een

30

initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is de compensatie in de vorm van open water vereist. Het planvoornemen voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling van een schoolgebouw en de sloop van bestaande onderwijsbebouwing. In lijn met het beleid van het Hoogheemraadschap wordt het aspect water voor het voorliggende plan nader toegelicht.

Beoordeling Huidige situatie De locatie is nu al grotendeels verhard door de aanwezigheid van de school en het schoolplein. De groenstrook langs het waterschap is onverhard. Waterkwantiteit Aan de noord- en westkant van het plangebied ligt een bestaande watergang. De watergang aan de westkant van het plangebied valt onder de categorie overig en heeft een beschermingszone van 2 meter breed. De watergang aan de noordkant van het plangebied valt onder de categorie primair en heeft een beschermingszone van 5 meter breed.

Afbeelding uitsnede legger oppervlaktewater, Hoogheemraadschap Rijnland Veiligheid en waterkering De watergangen aan de west- en noordzijde van het plangebied zijn aangemerkt als regionale waterkering. Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen ter plaatse van de regionale waterkering met de daarbij horende beschermingszone. De beschermingszone van deze waterkering valt deels samen met het bouwvlak. Voor het kunnen oprichten van de nieuwbouw binnen de beschermingszone van de waterkering is toestemming van de waterbeheerder nodig.

31

Afbeelding uitsnede legger regionale waterkeringen, Hoogheemraadschap Rijnland

Afwatering en riolering Het plangebied is aangesloten op het rioleringsstelsel. Ook het schoolgebouw wordt hierop aangesloten.

Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van bebouwing ten behoeve van de fusieschool IKC Kinderburg-Rank. Waterkwantiteit De bestaande school met een oppervlakte van 1345 m2 wordt gesloopt en vervangen door de nieuwbouw van IKC Kinderburg-Rank. Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van 2238 m2. Het nieuwe bouwvlak heeft een oppervlakte van 2265 m2. Ten opzichte van het vigerende plan is de oppervlakte van het bouwvlak met 27 m2 toegenomen. De toename bedraagt minder dan 500 m2 waarvoor compensatie vereist is. Naast bebouwing is er ook verhard oppervlak aanwezig in de vorm van een schoolplein. Het bestaande schoolplein is grotendeels verhard. Ten opzichte van de bestaande situatie blijft de verharding op het schoolplein gelijk. Gesteld wordt dat er de beperkte toename aan verharding vrijgesteld is van de compensatieplicht.

Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd;

32

ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld: duurzaam bouwen; het toepassen van berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand, slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel.

Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.10 M.e.r. beoordeling Het plan betreft het realiseren van nieuwbouw voor het IKC Kinderburg-Rank. Ten opzichte van de bestaande situatie nemen de bebouwingsmogelijkheden beperkt toe. Voor het bepalen of een plan (vormvrij) m.e.r. beoordelingsplichtig is, moet gekeken worden naar de activiteit. Er is geen sprake van een functiewijziging, enkel sprake van een beperkte toename van de bebouwingsmogelijkheden en uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op de omgeving. Gesteld wordt het plan geen activiteit is zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.

Conclusie Het Besluit m.e.r. is hier niet van toepassing.

33

4.11 Archeologie & cultuurhistorie Beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden voor kunnen komen, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden, wanneer behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Dit zijn 3 mogelijke uitkomsten van de toets: 1. Er is geen erfgoed in het plangebied. Conclusie: erfgoed heeft geen gevolgen voor het plan. 2. Er is erfgoed in het plangebied. Conclusie: erfgoed heeft geen gevolgen voor het plan. 3. Er is erfgoed in het plangebied. Conclusie: erfgoed heeft gevolgen voor het plan. Beoordeling archeologie Voor de beoordeling van het aspect archeologie is de beleidsnota en bijbehorende kaarten van de gemeente Teylingen gehanteerd. Uit de onderstaande afbeelding is op te maken het plangebied (grotendeels) ligt binnen categorie 6 ligt. Dit zijn zones met een middelhoge verwachting 30 cm -Mv / 500 m2. Langs de watergang geldt categorie 8. Dit zijn zones met een lage archeologische verwachting vanaf het Neolithicum en een middelhoge zones met een lage verwachting 30 cm -Mv / 1.000 m2 De ontwikkeling heeft betrekking op sloop en vervangende nieuwbouw van de school. Overeenkomstig de archeologische beleidskaart wordt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' overgenomen in het bestemmingsplan. Voor de twee aanwezige zones categorie 6 en 8 worden aanduidingen opgenomen.

In de regels worden de vrijstellingscriteria voor deze zones overgenomen.

34

Beoordeling cultuurhistorie In, of in de directe omgeving van, het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Erfgoed heeft geen gevolgen voor het plan.

Conclusie Het planvoornemen kan gezien vanuit deze aspecten gerealiseerd worden.

4.12 Duurzaamheid Duurzaamheid en energie Regionaal beleid Ambitie Regionaal Energieakkoord 2017 Binnen de regio Holland Rijnland hebben gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom klimaat/energie uitgesproken. De regionale ambitie is om in 2050 een energie neutrale regio te zijn en daarmee bij te dragen aan de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van klimaat en energie.

35

Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2050. Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw. Gemeentelijk beleid Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling Integrale en duurzame gebiedsontwikkeling gericht op een schone, veilige, groene en duurzame leefomgeving voor iedereen. De gemeente geeft via dit kader uitvoering aan de Structuurvisie Teylingen 2030, de op te stellen Omgevingsvisie Teylingenen de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport. De gemeente Teylingen vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is bouwen met zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk. Teylingen streeft ernaar bij elk bouwplan de schade aan het milieu en de mens op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. De gemeente ambieert een hoge GPR-score voor nieuwbouw ontwikkelingen.

Om duurzaamheid in nieuwbouwplannen te borgen en inzichtelijk te maken heeft de gemeente het instrument De Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Gebouw (GPR-Gebouw) beschikbaar. Dit is een instrument met als doel duurzaam en energiezuinig bouwen meetbaar te maken. Er wordt aan de gemeente geadviseerd om de initiatiefnemer bij ontwikkelingen een GPR gebouw berekening te laten uitvoeren. Hiermee is meteen aan de wettelijke eis van de Milieuprestatie Gebouw (MPG)-berekening voldaan (vanaf 1 januari 2018 ook gekwantificeerd). Aardgasloos Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de gasaansluitplicht voor initiatieven vervalt.

Planspecifieke duurzaamheidsdoelstellingen In het plan dient aandacht gegeven te worden aan duurzaam bouwen en energie. De volgende opmerkingen worden in dit kader gemaakt: realisatie van bouwwerken die zeer energiezuinig zijn. in het kader van de gebruikskwaliteit worden de woningen goed toegankelijk en functioneel en veilig gemaakt. er wordt ingezet op hergebruikte en/of duurzaam geproduceerde materialen om zodoende schadelijke emissies en uitputting van grondstoffen als gevolg van de productie van bouwmaterialen te beperken. er is aandacht voor levensloopbestendig wonen, met maatregelen zoals drempelloos bouwen en eenvoudig aanpasbare (binnen-)constructies. Daarnaast kan gedacht worden aan herbruikbaarheid van producten en grondstoffen, door bewuste en duurzame materiaalkeuzes. het beperken van geluidsoverlast, voldoende frisse lucht, comfortabele ventilatie en voldoende daglicht. er moet aandacht zijn voor de toegankelijkheid van het bouwwerk voor beschermde soorten, zoals vleermuizen, de gierzwaluw en huismus. het plan wordt in harmonie ontworpen met zijn natuurlijke omgeving. Er dient aansluiting te zijn op bestaande schaal, groen, water, structuur, karakter en architectuur. het bouwwerk wordt zover mogelijk qua positie en inrichting zon georiënteerd ontworpen.

Op deze manier kan er actief (zonnepanelen/boilers) en passief gebruik gemaakt worden van zonnewarmte in, op en rond het gebouw. Het hemelwater wordt bij voorkeur lokaal opgevangen door afkoppeling van het vuilwaterriool en lozen op het oppervlaktewater, en water lokaal gebruiken voor bijvoorbeeld het besproeien van de daktuinen (regenwaterbuffer). De waterkwaliteit wordt blijvend verbeterd door het werken met niet uitlogende materialen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers.

36

Ook wordt klimaatbestendig gebouwd tegen hitte- en droogtestress door voldoende groen op te nemen in de ontwikkeling. Er wordt zeer energiezuinig gebouwd. Dit reduceert in het plan per saldo CO2. Daarnaast wordt gekeken worden naar toepassing van CO2-absorberende materialen, zoals CO2-absorberende verhardingen en veel groen, zoals bijvoorbeeld (deels) groene dakbedekking (sedum) en gevels. Beoordeling en conclusie Alle nieuwe ontwikkelingen, groot of klein dienen een bijdrage te leveren aan bovengenoemde duurzaamheidsdoelstellingen.

37

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerp-bestemmingsplan lag van donderdag 17 september 2020 tot en met woensdag 28 oktober 2020 ter inzage. Gedurende de termijn van terinzagelegging was het voor eenieder mogelijk om een inspraakreactie in te dienen. Daarnaast is het voorontwerp bestemmingsplan in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar meerdere instanties toegezonden. In een separate notitie zijn de vooroverleg reacties en inspraakreacties samengevat en voorzien van beantwoording en wordt aangegeven of dit leidt tot wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan. De notitie is als Bijlage 13 Nota Inspraak en vooroverleg.

5.1.1

Inspraak en vooroverleg

Gedurende de ter visie termijn zijn vijf reacties ontvangen, vier vooroverlegreacties en één inspraakreactie. Hiernaast heeft ook de ODWH een vooroverlegreactie ingediend met betrekking tot diverse milieuaspecten. De vooroverlegreacties en inspraakreactie hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De opmerkingen en aanbevelingen van de ODWH zijn in dit bestemmingsplan verwerkt, waarmee ook een geluidsuitstralingsonderzoek is uitgevoerd voor de directe omgeving. In de fase van het voorontwerp bestemmingsplan is vanuit de Sophiascholen de vraag gekomen of het aantal groepen en dus leerlingen kan worden uitgebreid van 14 groepen met 350 leerlingen naar 16 groepen met 400 leerlingen, om de school toekomstbestendiger te maken. Naar aanleiding van deze vraag is door de gemeente een impactanalyse uitgevoerd voor de toename van 50 leerlingen van de nieuwbouw IKC Sterrenwerk Sassenheim. De toename van het aantal leerlingen van 350 naar 400 met daarbij 32 kinderen voor de kinderdagopvang is passend en is verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. Met Sophiascholen is afgesproken dat de wijzigingen naar aanleiding van het verhogen van het aantal leerlingen wordt gecommuniceerd met direct belanghebbenden door middel van een nieuwsbrief.

In de nieuwsbrief worden de volgende items toegelicht: Verkeerskundige effecten op de omgeving: De wegen en kruispunten kunnen het verkeer in de plansituatie met 400 leerlingen blijvend goed en veilig afwikkelen. Het aantal nieuwe parkeerplaatsen van 12 zijn voldoende. Het aanvullende verkeersonderzoek is als Bijlage 11 toegevoegd aan het bestemmingsplan; Milieukundige effecten op de omgeving: In de omgeving van de schoollocatie is en blijft sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat met 400 leerlingen. Vanuit het aspect geluid voldoet het plan aan de voorwaarden van goede ruimtelijke ordening; Ruimtelijke impact op de locatie: het schoolgebouw met 400 leerlingen is ruimtelijk passend de bouwhoogte van 9 meter, het bouwvlak en het bebouwingspercentage van 75% worden niet overschreden; In de regel artikel 4.4.2 Maximum is het aantal leerlingen aangepast van 350 naar 400. In een bijeenkomst met belanghebbenden wordt het bouwplan door Sophiascholen nader toegelicht.

5.1.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 juni 2021 tot en met 14 juli 2021 voor zes weken ter inzage gelegen waarbij eenieder in de gelegenheid was om een zienswijze in te dienen. Er zijn 3 zienswijzen binnengekomen. De ingediende zienswijzen leiden deels tot aanpassing van het bestemmingsplan. Tevens heeft de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH) gereageerd op het ontwerpbestemmingsplan. Dit advies wordt als ambtshalve wijziging doorgevoerd. De nota is als Bijlage 14 bijgesloten. In hoofdstuk 4 conclusie in de nota zijn de door te voeren wijzigingen n.a.v. de zienswijzen toegevoegd.

38

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de openbare ruimte, woningbouw categorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De raad bepaalt vanuit zorgplicht onderwijshuisvesting de daarvoor benodigde budgetten. De economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is in die zin verzekerd. In de begroting 2020-2023 is op basis van een globale kostenraming (met als basis de normvergoeding uit de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Teylingen) rekening gehouden met een investeringskrediet van € 7.128.005,- voor de nieuwbouw van de fusieschool Kinderburg-Rank en de aanpassingen in de openbare ruimte. In december 2020 is echter door de gemeenteraad een definitief totaal investeringskrediet van € 7.219.355,- vastgesteld voor de sloop, tijdelijke huisvesting en vervangende nieuwbouw voor 14 groepen.

Daarnaast is onder voorbehoud van haalbaarheid van een eventuele 15e en 16e groep een aanvullend investeringskrediet beschikbaar gesteld van € 322.605,-. Uit de ruimtelijke impactanalyse is gebleken dat het haalbaar is om deze groepen binnen de bestaande kaders van het bestemmingsplan te realiseren. Door de gemeenteraad is een totale investeringskrediet vastgesteld op € 7.503.635,-. De kosten voor het bestemmingsplan worden hieruit gefinancierd.

Voor dit bestemmingsplan is geen exploitatieplan of een anterieure overeenkomst nodig omdat de gemeente het gebied zelf ontwikkelt.

39

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

De realisatie van het IKC past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan bestaat uit de juridische bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergeven, met daarbij de randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

6.2

Opbouw regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die worden gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn in sommige bestemmingen, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Onder de bestemmingsomschrijving is aangegeven welk gebruik is toegelaten op de gronden met de desbetreffende bestemming. Dit gebruik kan ook mogelijk gemaakt worden door op de verbeelding opgenomen functieaanduidingen. In de bestemmingsomschrijving zijn de functieaanduidingen genoemd. In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden bepaald. Voor wat betreft de bebouwing is sprake van een onderscheid tussen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken (waaronder overkappingen) dienen in principe binnen het bouwvlak gesitueerd te zijn. Bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn ook buiten het bouwvlak toegelaten. Voor alle bestemmingen geldt sinds de invoering van de Wabo dat er vergunningsvrij bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd bij woon- en niet woonbestemmingen. Hierna volgt een toelichting per artikel.

Artikel 3 Groen

40

Binnen het plangebied is de structuurbepalende groenzone van 5 meter breed langs het water opgenomen als Groen. Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 m. Om enige flexibiliteit in het bestemmingsplan te houden is binnen de bestemming de mogelijkheid opgenomen om binnen de bestemming nutsvoorzieningen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden aan te leggen.

Artikel 4 Maatschappelijk Deze bestemming omvat de gebruikelijke maatschappelijke voorzieningen op het gebied van educatie, gezondheidszorg, cultuur, levensbeschouwing en religie, voorzieningen ten behoeve van kinderopvang en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening, evenementen en het verenigingsleven.

Het bouwvlak is ruimer getekend dan de benodigde oppervlakte voor de begane grond. Het bebouwingspercentage zorgt ervoor dat niet het gehele bouwvlak wordt volgebouwd. Voor het bouwvlak geldt een bebouwingspercentage van 75%. Dit bebouwingspercentage is als volgt berekend: Oppervlakte bouwvlak 1.842 m2 benodigde oppervlakte schoolgebouw begane grond is 1.150m2. minimale bebouwingspercentage is 62% Vanwege flexibiliteit bebouwingspercentage afgerond naar 75% Ter plaatste van de aanduiding overbouwing is buiten het bouwvlak alleen een overbouwing toegestaan. Dit geeft het bouwplan voldoende flexibiliteit zonder dat dit ten koste gaat van de benodigde m2 voor het schoolplein en park & ride. Door middel van een aanduiding parkeerterrein en voorwaardelijke verplichting is de zone voor Park & Ride aangegeven en de aanleg geborgd. In deze zone moeten minimaal 12 Park & Ride parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Via specifieke gebruiksregels is tevens het maximaal aantal leerlingen van 400 ten behoeve van een voorziening voor onderwijs vastgelegd. En is het aantal van 32 kinderen ten behoeve van een voorziening voor kinderopvang vastgelegd. Op basis van deze aantallen is de school en/of kinderopvang zowel ruimtelijk als verkeerskundig goed in te passen. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hier is vastgelegd dat voor het gebruik van het gebouw van het kindcentrum, door middel van een akoestisch onderzoek, moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen niet wordt aangetast. Indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er maatregelen getroffen moeten worden, dan moeten deze maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden. Door middel van nadere eisen kunnen B&W de kwaliteit van het plan bewaken.

Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen voor het realiseren van 4 extra openbare parkeerplaatsen voor de omwonenden aan de Knorrenburgerlaan.

Artikel 6 Waarde - Archeologie Bij ruimtelijke inrichting en ontwikkelingen moet gezocht worden naar eventueel voorkomende archeologische waarden. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie is daarom opgenomen om het gebied aan te geven waar in ieder geval onderzoek benodigd is. Hierbij is een onderverdeling gemaakt naar 2 waarden welke zijn aangeduid met de aanduidingen 'specifieke vorm van waarde - 1' en specifieke vorm van waarde - 3. Het verschil tussen de twee aanduidingen betreft de diepte en het oppervlakte die vrijgesteld zijn van onderzoeksen omgevingsvergunningplicht: 1. 'specifieke vorm van waarde - 1', met een oppervlakte groter dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm; 2. 'specifieke vorm van waarde - 3', met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan

41

30 cm. Verder is er een algemene wijzigingsregel voor archeologie opgenomen.

Artikel 7 Waterstaat - Waterkering Het gebied langs de watergang van het plangebied heeft een waterkerende functie. Derhalve is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Door middel van deze bestemming is geregeld dat slechts beperkte bouwmogelijkheden zijn toegestaan op deze gronden. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 3 meter zijn toegestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels In Hoofdstuk 3 Algemene regels zijn een aantal regels opgenomen, die niet op een bepaalde bestemming betrekking hebben, maar voor het gehele bestemmingsplan gelden. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit de volgende artikelen:

Artikel 8 anti-dubbeltelregel Deze regel dient om te voorkomen dat, indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 9 algemene bouwregels In dit artikel is een bepaling opgenomen voor ondergeschikte bouwwerken en voor ondergrondse bebouwing. Voor ondergeschikte bouwwerken geldt dat de bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen mag worden overschreden door ondergeschikte bouwwerken. Voor ondergrondse bebouwing geldt dat deze altijd onder een gebouw moeten worden gesitueerd en mag niet onder het onbebouwde erf worden gesitueerd.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen het gebruiken van gronden en bouwwerken, voor zover die zijn ingericht voor parkeren ter uitvoering van het gemeentelijk parkeerbeleid, voor ander gebruik dan parkeren.

Artikel 11 algemene afwijkingsregels In het plan zijn algemene afwijkingsregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden en specifieke afwijkingsregels die alleen kunnen worden toegepast binnen de bestemmingen waarin ze zijn opgenomen. In de algemene afwijkingsregels is onder meer een mogelijkheid opgenomen om met maximaal 10% af te wijken van de voorgeschreven maatvoering.

Artikel 12 algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen teneinde overschrijdingen van de op de plankaart aangegeven bestemmingsgrenzen toe te staan, mits de overschrijding niet meer dan 10% bedraagt.

Artikel 13 overige regels In het plan zijn overige regels opgenomen bestaande uit werking wettelijke regelingen en de realisatie van voldoende parkeergelegenheid.

42

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels zijn de overgangsbepalingen en de slotregel opgenomen. Dit hoofdstuk bestaat uit de volgende twee artikelen:

Artikel 14 Overgangsrecht Deze overgangsregels zijn overgenomen uit het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan.

Artikel 15 Slotregel Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=3eadcbd2-70ed-4a29-854b-ec799bc7e9b7