CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting bestemmingsplan Rijksstraatweg 63 Sassenheim 20201116t_NL.IMRO.1525.BP2020SAS03009-VA01

Commissie Ruimte 12 januari 2021, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rijksstraatweg 63 Sassenheim17.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Rijksstraatweg 63, Sassenheim Gemeente Teylingen

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1525.BP2020SAS03009-VA01

Datum:

2020-11-16

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR180155

Opdrachtgever:

Beheermaatschappij M. Verschoor B.V.

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 12 3.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 12 3.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 12 3.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 12 3.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 13

4 Beleidskader .......................................................................................................................................... 15 4.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 15 4.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 16 4.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 4.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 21

5 Milieuonderzoek .................................................................................................................................... 23 5.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 5.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 24 5.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 35 5.4 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 38 5.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 39 5.6 Archeologie ....................................................................................................................................................... 41 5.7 Cultuurhistorie ..................................................................................................................................................

43 5.8 Duurzaamheid ................................................................................................................................................... 43

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 45 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 46 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 46 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg en inspraak .................................................................................................... 46 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 47

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens het bedrijfsperceel van Verschoor B.V., een bedrijf in kraanverhuur en speciale transporten, gelegen aan de Rijksstraatweg te Sassenheim, in noordwestelijke richting uit te breiden en hier bedrijfsbebouwing te realiseren. Daarnaast zijn op de planlocatie drie vrijstaande woningen beoogd, waarbij de bestaande (bedrijfs)woning gesloopt wordt. De beoogde bebouwingsmogelijkheden zijn stedenbouwkundig afgestemd op de omgeving. De uitbreiding van het bedrijfsperceel wordt landschappelijk ingepast. De beoogde ontwikkeling is voorzien op het perceel van een voormalig bollenteeltbedrijf. Dit perceel is vanwege de ligging te midden van bedrijventerrein, sportcomplex Roodemolen en woningen niet langer geschikt voor een bollenteeltbedrijf. Het voorgenomen plan past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Sassenheim-West'. Om die reden zal het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied herzien moeten worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Rijksstraatweg 63 te Sassenheim (gemeente Teylingen). De planlocatie is kadastraal bekend onder gemeente Sassenheim, sectie B, percelen 1830, 3930 en 3932 (oppervlakte 19.650 m²). De planlocatie is gelegen in het zuidwesten van de kern Sassenheim, nabij de bedrijventerreinen Rijksstraatweg en Jagtlust. De planlocatie wordt als volgt begrensd:

• • • •

Noordwestzijde: bedrijventerrein Oosthoutlaan (PostNL Pakketten) en sportcomplex Roodemolen. Noordoostzijde: woning aan de Rijksstraatweg 67. Zuidoostzijde: Rijksstraatweg. Zuidwestzijde: Verschoor B.V.

De navolgende afbeeldingen tonen achtereenvolgens de globale ligging van het plangebied ten opzichte van zijn omgeving en de globale begrenzing van het plangebied.

5

Globale ligging van het plangebied (blauwe druppel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Begrenzing van het plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Sassenheim-West' (vastgesteld op 21 juni 2012 en onherroepelijk op 13 september 2012). Deze gronden hebben in dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch' (artikel 3). Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' voor het zuidwestelijke deel van het plangebied. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Sassenheim-West' (plangebied is rood omkaderd)

Het bestemmingsvlak 'Agrarisch' is voorzien van de functieaanduiding 'bollenteelt', waarmee deze gronden zijn bestemd voor een agrarisch bedrijf in bollenteelt, detailhandel als ondergeschikt bestanddeel van de totale bedrijfsuitoefening en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en voet- en fietspaden. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen met een maximum gooten bouwhoogte van respectievelijk 5 m en 10 m worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag een bedrijfswoning met een maximale inhoud van 750 m³ worden gebouwd. Conform de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', waarvoor de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 1' op de verbeelding is opgenomen, is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld en over een groter oppervlak dan 100 m². Het voorgenomen plan om in het bestemmingsvlak 'Agrarisch' drie woningen te bouwen, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt, en een deel van de gronden te gebruiken en te bebouwen voor bedrijven is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Om deze reden zal het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied moeten worden herzien ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

7

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 6 bevat de economische uitvoerbaarheid van het plan en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid, waarbij de uitkomsten van de inspraak- en overlegmomenten zijn opgenomen.

8

2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is in het midden van het plangebied een bedrijfswoning (Rijksstraatweg 63) bij het (voormalige) agrarische bedrijf gesitueerd. De gronden aan de voorzijde van deze bedrijfswoning zijn ingericht als tuin. In het westen van het plangebied is op dit moment circa 1.900 m² agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. De gronden tussen deze bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning, alsmede de gronden aan de achterzijde (noordwestzijde) van de bebouwing, zijn verhard en ingericht voor buitenopslag. De overige gronden zijn onverhard. De navolgende afbeelding toont een situatietekening van het plangebied en zijn omgeving in de huidige situatie. De nummering op situatietekening correspondeert met de navolgende foto's.

Situatietekening huidige situatie (bron: Wissing, 1152-Rijksstraatweg Sassenheim-stedenbouwkundige randvoorwaarden, 6 september 2017)

9

Foto's huidige situatie (bron: Wissing, 1152-Rijksstraatweg Sassenheim-stedenbouwkundige randvoorwaarden, 6 september 2017)

Het plangebied wordt aan de achterzijde begrensd door een watergang. Aan meerdere zijden, afgezien van het woonperceel van Rijksstraatweg 67, de Rijksstraatweg en sportcomplex Roodemolen, is het plangebied ingeklemd tussen bedrijven(terreinen). Ten zuidwesten van de planlocatie zijn Verschoor B.V., een bedrijf in kraanverhuur en speciale transporten, en Flash Casino's gevestigd. De strook die direct grenst aan het plangebied wordt gebruikt voor het stallen van materialen en materieel. Ten noordwesten van het perceel, aan de overzijde van een watergang en groenstrook, bevinden zich sportcomplex Roodemolen en het bedrijfspand van PostNL Pakketten. Het plangebied ligt aan de voorzijde (zuidoostzijde) aan de Rijksstraatweg, de doorgaande route van Sassenheim naar Oegstgeest, waar ter plaatse van het plangebied 60 km/h gereden mag worden.

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om het bedrijfsperceel van het naastgelegen bedrijf (Verschoor B.V.) uit te breiden en drie vrijstaande woningen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Een eerder schetsontwerp voor herontwikkeling van de locatie is beoordeeld door Wissing (1152-Rijksstraatweg Sassenheimstedenbouwkundige randvoorwaarden, 6 september 2017). In de stedenbouwkundige beoordeling zijn randvoorwaarden opgesteld, waarbinnen een passende situering van woningbouw en bedrijfsbebouwing mogelijk is. Vervolgens zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden uitgewerkt in de verbeelding en de planregels van het voorliggende bestemmingsplan. Deze randvoorwaarden zijn de volgende:

• •

er worden maximaal drie nieuwe woningen met een maximum bouwhoogte van 8 m gerealiseerd, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt; de rooilijnen van de beoogde woningen komen overeen met de rooilijn van de woning aan de Rijksstraatweg 67;

•

er wordt een inwaartse milieuzonering toegepast van milieucategorie 3.2 (bestaand bedrijfsperceel), milieucategorie 3.1 (nieuw bedrijfsperceel) en de parkeerstrook, zodat de afstand tussen het bedrijfsperceel en de woningen voldoende is, te weten 30 m (zie ook toelichting paragraaf 5.2.4);

•

de maximum bouwhoogte van de nieuwe bedrijfsbebouwing aan de achterzijde (westzijde) van het perceel bedraagt 12 m, zodat deze aansluit op de huidige (planologische) situatie in de omgeving;

•

de maximum bouwhoogte van de nieuwe bedrijfsbebouwing aan de zijde van de Rijksstraatweg (zuidoostzijde) en de beoogde woningen (noordoostzijde) bedraagt 6 m;

10

•

op de oostelijke hoek van de nieuwe bedrijfsbebouwing wordt een hoogteaccent met een maximum bouwhoogte van 7,5 m mogelijk gemaakt, wat mogelijkheden biedt voor een tweelaags kantoor met een representatieve gevel;

•

de rooilijn van de nieuwe bedrijfsbebouwing wordt landschappelijk ingepast en vormt een geleidelijke overgang van bedrijventerrein naar woongebied: o de rooilijn sluit aan op de reeds aanwezige rooilijn van de bedrijfsgebouwen aan de Rijksstraatweg. De rooilijn ligt 18 m uit de perceelsgrens, wat gelijk is aan de afstand van het bouwvlak tot de perceelgrens. De zone van 18 m is bedoeld voor een haag, parkeervakken, rijbaan en stoep. Deze rooilijn is mede acceptabel, omdat met de nieuwe bebouwing wordt beoogd de opslag van kranen/materialen aan het zicht te onttrekken; o optioneel: op de hoek van het nieuwe bedrijfsgebouw springen de gevels die in de zichtlijn van de Rijksstraatweg liggen (oostelijke hoek nieuwe bedrijfsbebouwing) 6 m naar voren en worden deze uitgevoerd als een representatieve gevel; o voor de landschappelijke inpassing worden drie typen beplanting voorgesteld: ▪ een houtwal tussen het bedrijf en de woningen (achterzijde) van 5 m breed, met daaraan grenzend een onderhoudspad van 3,5 m breed; ▪ ruige haag tussen het bedrijf en de woningen (voorzijde) van 5 m breed, met daaraan grenzend een onderhoudspad van 3,5 m breed; ▪ een geschoren haag aan de straatzijde ter hoogte van het bedrijf.

Er heeft een nadere uitwerking van de landschappelijke inpassing plaats gehad (Buro SRO, d.d. 10 januari 2020).

Landschappelijke inpassing (Buro SRO, d.d. 10 januari 2020)

In dit voorstel is een 5 m brede gevarieerde houtwal opgenomen tussen het bedrijf en de woningen. Deze groenzone is in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen in de bestemming 'Groen'. Daarbij is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat deze groenzone gerealiseerd en in stand gehouden wordt. Dat geldt ook voor de haag aan de straatzijde ter hoogte van het bedrijf.

11

3 Juridische planbeschrijving 3.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

3.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

3.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

12

3.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Bedrijf - 1 Binnen de bedrijfsbestemming zijn bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' zijn toegelaten. Daarnaast gelden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor kantoorgedeelten, als niet-zelfstandig onderdeel van een bedrijf. Op de verbeelding is een bouwvlak weergegeven, met daarbij ook de maximaal toegestane bouwhoogten. De verschillende maximaal toegestane bouwhoogten zijn:

• • •

aan de achterzijde (westzijde): 12 m; aan de zijde van de Rijksstraatweg (zuidoostzijde) en de beoogde woningen (noordoostzijde): 6 m; hoogteaccent op de oostelijke hoek: 7,5 m.

Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan de groenstroken die van belang zijn voor de vereiste landschappelijke inpassing. Binnen deze bestemming zijn groen, water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en onderhoudsstroken toegelaten. Hierbij zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan. Via een voorwaardelijke verplichting in de algemene regels is veiliggesteld dat deze groenvoorzieningen gerealiseerd en in stand gehouden worden, met een verwijzing naar het bijgevoegde landschappelijke inpassingsplan. Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd. In afwijking daarvan zijn erkers e.d. toegelaten. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is toegekend aan de inrit tot de woningen en de parkeerstrook ten noordoosten van de nieuwe bedrijfsbebouwing.

Deze gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, reclameuitingen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, perceelontsluitingen, nutsvoorzieningen, water, speelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van gescheiden inzameling en wegmeubilair. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd verkeer te water en oeververbindingen, water ten behoeve van de waterhuishouding en oevers en bruggen, duikers en steigers. Op deze gronden is de benodigde watercompensatie voorzien. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Wonen - 1 De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen daaronder begrepen aan-huisgebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water. Hoofdgebouwen zijn binnen het bouwvlak toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte is aangegeven op de verbeelding (4 m en 8 m). Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is toegekend aan de beschermingszone van de waterkering aan de noordwestzijde van het plangebied.

Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bouwwerken ter vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande

13

bouwwerken worden gebouwd. Hiervan kan afgeweken worden indien het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Hiervoor is een schriftelijk advies van de beheerder van de waterkering (hoogheemraadschap van Rijnland) nodig.

14

4 Beleidskader 4.1 Nationaal beleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'Ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling is zodanig kleinschalig dat de SVIR hier niet specifiek op van toepassing is.

De ontwikkeling moet echter wel in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking verantwoord worden. Deze verantwoording is opgenomen in toelichting paragraaf 4.1.3. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen op het gebied van een goede ruimtelijke ordening in het geding komen, kunnen krachtens de provinciale verordening of de algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen zoals benoemd in het Barro en is dus ook niet van toepassing op het plangebied.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

15

3.

4.

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het toevoegen van twee vrijstaande woningen ter plaatse van een (voormalig) agrarische bedrijf is daarmee geen stedelijke ontwikkeling. Het uitbreiden van het bedrijfsperceel en de bedrijfsbebouwing van Verschoor B.V. wordt wel als een stedelijke ontwikkeling gezien. Deze uitbreiding voorziet in de specifieke behoefte van het betreffende bedrijf. Uit toelichting paragraaf 4.4.1 en toelichting paragraaf 4.4.3 volgt dat de locatie in het gemeentelijk beleid is aangewezen als bedrijventerrein en de gemeente Teylingen bestaande bedrijvigheid de ruimte biedt uit te breiden op de huidige bedrijventerreinen. Het initiatief benut de beperkt beschikbare ruimte op bedrijventerrein en is derhalve een voorbeeld van duurzaam ruimtegebruik en het voorkomen van onnodig beslag op de ruimte.

Er dient geconcludeerd te worden dat het plan niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 20 april 2019. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

16

2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het Zuid-Hollandse kustlandschap. De

17

kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied maakt onderdeel uit van het bollenlandschap. Kenmerkend voor dit gebied is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden, verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De relevante richtpunten hierbij zijn:

• • •

Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap,

Het betreffende initiatief is gelegen in het stedelijk gebied en wordt omringd door stedelijke functies, waardoor het bollenlandschap ter plaatse niet meer waarneembaar en beleefbaar is. Verdichting behoort in dit gebied dan ook tot de mogelijkheden. Laag van de stedelijke occupatie Op de laag van de stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. De bestaande groen- en waterstructuur rondom het perceel blijft behouden. Aanvullend daarop versterkt de landschappelijke inpassing tussen het bedrijfsperceel en de woonpercelen de groenstructuur in het plangebied. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Uit de toetsing van het voorgenomen plan aan de kwaliteitskaart volgt dat het plan voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en past binnen de provinciale ambities ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Daarmee vormt de Omgevingsvisie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 20 april 2019 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'

18

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 4.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart worden in toelichting paragraaf 4.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Bollenteeltgebied De verdere ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek tot een vitale, economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee streeft de provincie naar herstructurering van het bollencomplex, landschapsverbetering en handhaving van het teeltareaal bollengrond. Het plangebied is op kaart 11 Greenports niet aangeduid als ‘bollenteeltgebied’. Artikel 6.16 van de Omgevingsverordening is daarmee niet van toepassing. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Verordening ruimte 2014.

4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Regio Holland Rijnland is gelegen in de Randstad en bestaat uit de gemeenten Hillegom, Kaag en Braasem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Gezamenlijk geven zij hun ruimtelijke visie op de regio. In deze visie wordt gestreefd naar een regio waar het prettig wonen, werken en recreëren is en die kansen benut en bedreigingen tegengaat. De vijftien aangesloten gemeenten werken samen aan hun ambities en opgaven. Met als doel: een goede balans realiseren tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter.

19

In de structuurvisie zijn zeven kernbeslissingen opgenomen waarin de gemeenten hun belangrijkste keuzes weergeven. De zeven kernbeslissingen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Holland Rijnland is een topwoonregio; Leiden vervult een centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groene-blauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open, twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Het voorgenomen plan draagt bij aan kernbeslissing 1 van de Regionale Structuurvisie door het toevoegen van twee vrijstaande woningen in een aantrekkelijke omgeving waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder heeft het initiatief betrekking op de kernbeslissingen 3, omdat het bestaand stedelijk gebied wordt benut voor verstedelijking. 4.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 2, 4 en 5. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar woningen, de voorkeur voor inbreiding, het bevorderen van doorstroming in de woningmarkt en de kwalitatieve behoefte naar vrijstaande woningen in een suburbane omgeving. In de gemeente Teylingen is in de periode 2017-2022 vraag naar 630 extra woningen. In de periode 20222030 bedraagt de behoefte 440 extra woningen. De totale behoefte van 1.070 extra woningen in de periode 2017-2030 is volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'luxe woonwijk, dorps, landelijk'. Het voorgenomen plan, dat bestaat uit vrijstaande woningen aan de rand van de kern, is vergelijkbaar met dit woonmilieu. Het voorgenomen plan past daarmee binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Teylingen.

20

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Structuurvisie Teylingen 2030 De Structuurvisie 2030 Duurzaam Bloeiend! is 25 juni 2015 door de raad van Teylingen vastgesteld en is in belangrijke mate een vertaling van de Toekomstvisie ‘Vitaal en vernieuwend' uit 2008 en de Strategische visie 2040. De structuurvisie heeft als doel om een samenhangend ontwikkelingskader te bieden voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen tot 2030 vanuit een duidelijke stip op de horizon: Teylingen gaat duurzaam bloeien. De kern van de visie op Teylingen in 2030 is: Teylingen bloeit duurzaam in een krachtige regio, met ruimtelijk hoogwaardige en sociaal-economisch sterke kernen Voorhout, Sassenheim en Warmond, een vitale Greenport en aantrekkelijk plassengebied. De leidende principes voor de structuurvisie zijn:

• • • • •

Teylingen kiest voor een duurzame ontwikkeling van de gemeente; Teylingen versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de drie kernen en het buitengebied; Teylingen verbetert de sociaal-economische vitaliteit in de drie kernen en het buitengebied; Teylingen zet zich in voor een vitale greenport Duin- en Bollenstreek; ambities en keuzes stemt de gemeente steeds zo goed mogelijk af in regionaal verband, zodat het beleid elkaar versterkt.

Planspecifiek Ten aanzien van de ruimtelijke opgave voor wonen is het doel om op lange termijn een duurzame en aantrekkelijke woonomgeving in complete vitale kernen met een eigen identiteit te verkrijgen, met voldoende geschikte woningen om te voorzien in de eigen behoefte en met de ruimtelijke mogelijkheid om een beperkte opvangfunctie te vervullen voor de regio. Voor de eigen behoefte geldt een opgave voor de bouw van ongeveer 2.100 woningen tot 2030. Daarnaast is er plancapaciteit van ongeveer 300 woningen voor het accommoderen van een deel van de bovenregionale woningbouwopgave, die eventueel ook ingezet kan worden voor doorgroei na 2030. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan locaties binnen en direct grenzend aan de dorpsgrenzen. In de structuurvisie wordt uitgegaan van 300 woningen in een dunnere groenblauwe setting, om daarmee een meer concurrerend en onderscheidend woonmilieu te creëren. Het voorgenomen plan komt hieraan tegemoet. De ruimtelijke opgave voor werken en de greenport heeft betrekking op het bieden van voldoende ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor het gevestigde bedrijfsleven, als bijdrage aan een duurzaam sociaal-economische vitale gemeente. Het beoogde plan maakt mogelijk dat een reeds ter plaatse gevestigd bedrijf aansluitend aan zijn bedrijfsperceel uit kan breiden. Het plangebied is op de structuurvisiekaart aangeduid als bedrijventerrein.

Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat het beoogde plan in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie. 4.4.2 Woonvisie Teylingen 2015-2020 Parallel aan de Toekomstvisie ‘Vitaal en vernieuwend' uit 2008 is de 'Woonvisie Teylingen, een kijk op het wonen in Sassenheim, Voorhout en Warmond' voor de periode 2008-2020 opgesteld, als een belangrijke uitwerking om de doelen uit de toekomstvisie te concretiseren en te realiseren. De woonvisie is in 2015 geactualiseerd. In de Woonvisie Teylingen 2015-2020 beschrijft de gemeente Teylingen het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2015-2020. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen. Onderdeel van deze woonvisie is de regionale woonvisie die samen met de gemeenten Hillegom en Lisse is opgesteld in het kader van de Bollen-3-gemeenten. Centraal in de woonvisie staan de thema's: bestaande kernen en bestaande woningvoorraad, duurzaamheid, wonen met zorg, welzijn, beschikbaarheid, doelgroepen en betaalbaarheid. Voor de toekomst wordt onder andere gestreefd naar het in stand houden van het karakter van de kernen Voorhout, Warmond en Sassenheim. Door in te zetten op woningen die nu in aanbod beperkt zijn wordt

21

gestreefd naar meer vitaliteit en een evenwichtige bevolkingsopbouw. Bij nieuwbouw van woningen is het van belang te kijken waar duurzaamheid een rol kan spelen in de bouw- of gebruiksfase van deze woningen. Planspecifiek Voor het beoogde plan is met name het thema beschikbaarheid van geschikte woningen van toepassing. Met het plan wordt voorzien in de vraag naar vrijstaande woningen in een groenblauwe omgeving. Als gevolg van het toevoegen van twee vrijstaande woningen kan doorstroming in de woningmarkt bewerkstelligd worden. 4.4.3 Economisch beleidsplan Teylingen 2012 In het Economisch beleidsplan Teylingen 2012 (vastgesteld op 10 mei 2012) is het economisch en integraal beleid dat in de toekomst als leidraad gaat dienen voor nieuwe ontwikkelingen in de gemeente geformuleerd. De horizon van het beleidsplan is 2020. De gemeentelijke ambities zijn samengevat in vier pijlers, te weten: (1) proactief economisch beleid voor vitaliteit en kwaliteit, (2) benutten strategische locatie en aanjagen werkgelegenheid, (3) regionale samenwerking en afstemming en (4) duurzame ontwikkeling en groene uitstraling. Vervolgens worden in het beleidsplan op basis van deze vier pijlers de vijf economische hoofdsectoren in Teylingen doorgelicht.

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft betrekking op pijler 2 en maakt gebruik van een geschikte locatie voor uitbreiden van het bedrijfsperceel van Verschoor B.V. Gezien de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de gemeente Teylingen is dit een mogelijkheid om het bedrijf en de bijbehorende werkgelegenheid te behouden voor de gemeente. De kern van het beleid voor bedrijventerreinen in de gemeente is behoud en optimale benutting van bestaande bedrijventerreinen door intensief ruimtegebruik. Het initiatief draagt bij aan deze ambitie en is derhalve in overeenstemming met het economisch beleidsplan.

22

5 Milieuonderzoek De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 1 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, et cetera), als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk 1,97 ha, drie vrijstaande woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van circa 4.700 m². Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.(-beoordeling) en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

23

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.16 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.

kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Gezien de ligging van het plangebied tussen bestaande bedrijventerreinen en het woongebied van Sassenheim, op een locatie waar een agrarisch bedrijf is toegestaan, zijn de milieugevolgen van het plan op de omgeving beperkt. De effecten, die ten opzichte van de bestaande situatie beperkt toenemen, hebben met name te maken met verkeer en geluidhinder die daardoor veroorzaakt wordt. De toename aan verkeersgeneratie zal relatief snel opgaan in het heersende verkeersbeeld. Daarmee zijn de milieugevolgen hiervan ook van een beperkte omvang. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 5. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan. Het opstellen van een m.e.r.(-beoordeling) zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

De Omgevingsdienst West-Holland heeft op 5 juni 2020 namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Teylingen een m.e.r.-beoordelingsbesluit (kenmerk D2020-075641, zie bijlagen bij toelichting 1) genomen. Er behoeft geen milieueffectrapportage te worden opgesteld, omdat de activiteit niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij dit besluit. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.

5.2 Milieu 5.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Er is een verkennend bodemonderzoek (Inventerra, nr. 18-2325-R01AvH, d.d. 8 oktober 2018, zie bijlagen bij toelichting 2) uitgevoerd. Tevens is het asfalt onderzocht op teerhoudendheid. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

• •

In de bovengrond op deellocatie DL1 (0 – 0,5 m-mv) zijn in twee mengmonsters (MM1 en MM3) lichte verontreinigingen met kwik vastgesteld. Voor het overige zijn in de boven- en ondergrond van deze deellocatie geen verontreinigingen vastgesteld. De bovengrond op deellocatie DL2 (0 – 0,5 m-mv) is licht verontreinigd met diverse OCB, kwik, PCB en/of minerale olie.

24

• •

• •

De zintuiglijk onverdachte ondergrond op deellocatie DL2 (0,5 – 1,5 m-mv) is ten hoogste licht verontreinigd met PAK en kwik. De bovengrond ter plaatse van de vermoedelijke locatie van de voormalige dieseltank is licht verontreinigd met minerale olie. In het grondwater ter plaatse is geen verontreiniging met minerale olie of vluchtige aromaten aangetoond. Het grondwater op de onderzoekslocatie is licht verontreinigd met barium. Het onderzochte asfalt blijkt niet teerhoudend en is derhalve geschikt voor hergebruik.

De lichte verontreinigingen met OCB zijn toe te schrijven aan het vroegere gebruik van bestrijdingsmiddelen. Ook de lichte verontreinigingen met kwik zijn toe te schrijven aan het vroegere gebruik van bestrijdingsmiddelen. Hierbij werd in het verleden veelal gebruik gemaakt van kwikverbindingen. De lichte verontreiniging met minerale olie in de grond bij boring 224 kan in verband staan met de voormalige dieseltank. De licht verhoogde concentraties aan barium in het grondwater worden beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdachte locatie’ bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. De vrijkomende grond van de nieuw te graven watergang en de vrijkomende bagger wordt in het plangebied zelf toegepast. 5.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.

Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

25

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden twee extra vrijstaande woningen en de uitbreiding van het naastgelegen bedrijf mogelijk gemaakt. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang en zoals pok blijkt uit de NIBM-tool (zie navolgende tabel), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. De navolgende afbeelding geeft de ingevulde NIBM-tool (versie 28 maart 2019) weer. Hierbij is bij wijze van worst-case uitgegaan van 40 % vrachtverkeer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=74c23ba5-834f-4efa-a8eb-81b3eb8100ef