4. Bijlagen bij de toelichting bp Boekeenburglaan 61 Voorhout
Tekst van het document
Het plangebied blijkt gelegen op een vlakte van een ingesloten strandvlakte met of zonder vervlakte duinen. Deze vlakte wordt aan de zuidoostzijde en noordwestzijde begrensd door strandwallen. Waarschijnlijk heeft de strandvlakte bestaan tot in de bronstijd. Daarna stroomde de strandvlakte niet langer over, maar was deze nog wel zo nat dat de vlakte begroeid raakte met riet. Het proces van veenvorming die hierbij plaatsvond, duurde voort tot in de late ijzertijd of de Romeinse tijd. Aan het einde van de Romeinse tijd en in de vroege middeleeuwen kwamen in het mondingsgebied van de Oude Rijn wederom overstromingen voor. Daarbij is uiteindelijk ook het veengebied overstroomd. Het plangebied is dus lang een nat landschap geweest: eerst een strandvlakte, daarna een uitgestrekt moeras dat regelmatig overstroomde. Waarschijnlijk is het gebied pas sinds de laatmiddeleeuwse veenontginningen bewoonbaar geworden. Op grond van het archeologisch bureauonderzoek is het volgende te verwachten en te adviseren. Binnen het plangebied zijn twee bekende historische objecten aanwezig, te weten een kasteelterrein/boerenerf en een molen. Voor deze locaties geldt een hoge verwachting. Aangezien op de twee historische locaties met name funderingen zijn te verwachten, is regulier verkennend booronderzoek niet aan te bevelen als eerste stap van het vervolgonderzoek.
Archol adviseert in dit geval dan ook om in te zetten op geofysisch bodemonderzoek, gericht op het lokaliseren van muurfunderingen en grachten (uit de verschillende fasen van) het kasteelterrein en de molen. Verder geldt voor enkele verstoorde zones een zeer lage verwachting. De verstoorde gebieden met een zeer lage verwachting kunnen zondermeer worden vrijgegeven. In de overige (ongestoorde) delen van het plangebied lijkt de bestaande middelhoge verwachting zoals aangegeven op de gemeentelijke verwachtingskaart bij te stellen tot laag: op basis van globale landschappelijke kenmerken en resultaten uit omringende en overlappende onderzoeksgebieden. Zolang er echter geen nader booronderzoek is uitgevoerd binnen het plangebied, is deze bijgestelde verwachting niet te staven en dient de middelhoge verwachting nog gehandhaafd te blijven. Het verdient dan ook aanbeveling om in navolging van de beleidskaart in deze middelhoge verwachtingszones binnen het plangebied, in geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, vroegtijdig archeologisch inventariserend veldonderzoek uit te voeren. Doel is om voor deze omvangrijke gebieden de bodemopbouw en het landschap meer gedetailleerd in kaart te brengen, zodat het verwachtingsmodel getoetst en waar nodig bijgesteld kan worden.
Ondanks dat het bureauonderzoek met alle zorgvuldigheid is opgesteld, is niet uit te sluiten dat in adviesgebieden zonder vervolgonderzoek, toch archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Zo is eerder immers al gewezen op mogelijke toevalsvondsten in gebieden met natte landschapen uit de prehistorie en Romeinse tijd. Indien er bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan dient hiervan conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet melding gedaan te worden bij het bevoegd gezag. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de gemeente Teylingen een formeel besluit. Met betrekking tot deze aanbevelingen dient dan ook contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag.
4
1 Inleiding
1.1
Aanleiding en doelstelling
Archol heeft in opdracht van Witteveen+Bos een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het 40 ha grote plangebied Nieuw Boekhorst te Voorhout in de gemeente Teylingen (Figuur 1.1). Aanleiding voor het onderzoek is de hier geplande nieuwbouw van een woonwijk. Het plangebied ligt in bestemmingsplan Buitengebied, 1e herziening, dat is vastgesteld op 19 december 2019 (onherroepelijk). Het blijkt volgens dit bestemmingsplan grotendeels samen te vallen met gronden waaraan de bestemming ’Waarde ‐Archeologie categorie 6’ is toegekend. Op deze gronden geldt voor geplande grond‐ en hei/schroefwerkzaamheden vanaf diepte groter dan 30 cm en een omvang groter dan 500 m2, dat de aanvrager van de omgevingsvergunning vóór het bouwen een archeologisch rapport moet overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord zijn vastgesteld. Aangezien de bodemingepen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen deze ondergrenzen zullen overschrijden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Doel van het onderzoek is vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is erop gericht een specifiek verwachtingsmodel voor het terrein op te stellen met de bekende en verwachte archeologische waarden.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (rood omlijnd, bron: Top25 Kadaster).
5
1.2
Plangebied, huidig en toekomstig gebruik
Het plangebied bevindt zich direct ten noordwesten van de bebouwde dorpskern van Voorhout. Het ca. 40 ha grote gebied ligt tussen de Noordelijke Randweg, het spoor, de Beukenrode en de Boekenburglaan (Figuur 1.2). De plannen zijn momenteel nog in ontwikkeling. Volgens de Structuurvisie 2030 van de gemeente Teylingen zullen ca. 900 woningen worden gerealiseerd, inclusief de bijbehorende infrastructuur (o.a. wegen, kabels en leidingen). De exacte aard en omvang van de bodemingrepen zijn momenteel nog niet bekend. Om deze reden wordt in dit rapport de gehele omvang van het plangebied als onderzoeksgebied aangehouden. Voor de fundering van de woningen zal de grond naar verwachting dieper dan 30 cm worden afgegraven. Voor de aanleg van de riolering wordt tot ca. 3 m diep graven.
Figuur 1.2 Situering plangebied in rood, bron: luchtfoto PDOK.
1.3
Onderzoeksopzet en organisatie
Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en een deels is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het plangebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is
6
opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende standaardrapportages. Dit rapport betreft een bureauonderzoek. Het bureauonderzoek geeft een samenvatting van wat er in archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht bekend is over het plangebied. Het doel is om door middel van bestaande bronnen te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van de resultaten kan het bevoegd gezag een beslissing nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek zoals het toetsen van deze verwachting in de vorm van een inventariserend veldonderzoek.
Soort onderzoek: Projectnaam: Archolprojectcode: Archis‐zaaknummer:
Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Nieuw Boekhorst NBH2021 4888727100
Opdrachtgever: Bevoegd gezag: Archeologisch adviseur bevoegd gezag:
Witteveen+Bos, (PMC Bodemgebruik, ondergrond en omgeving) Gemeente Teylingen, afdeling Ruimte Omgevingsdienst West‐Holland
Uitvoerder: Periode van uitvoering bureauonderzoek: Rapport gereed: Versie Status: Goedkeuring bevoegd gezag Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Coördinaten gebied: Oppervlakte plan‐ of onderzoeksgebied: Huidig grondgebruik:
Archeologisch Onderzoek Leiden bv 31 augustus. ‐ 10 september 2020 2 februari 2021 3.0 Definitief Ja Zuid‐Holland Teylingen Voorhout Nieuw Boekhorst Centrumcoördinaat 92.780/471.690 Ca. 40 ha Gras‐ en (tuin)bouwland met enkele kassen
Beheer en plaats van documentatie en vondsten:
N.v.t.
Tabel 1.1 Administratieve gegevens.
7
2 Bureauonderzoek 2.1
Inleiding en methodiek
Het bureauonderzoek is erop gericht aan de hand van bekende en verwachte archeologische waarden een verwachtingsmodel voor het plangebied van nieuwbouwwijk Nieuw Boekhorst op te stellen en eventuele verstoringen in kaart te brengen. Dit verwachtingsmodel resulteert in een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied, waarin voor zover mogelijk uitspraken worden gedaan over de datering, het complextype, de locatie, de omvang en diepteligging, de gaafheid en conservering en uiterlijke kenmerken van mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden. Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van verschillende bronnen informatie verzameld om inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de (lokale) opbouw van de bodem en de sporen die de mens in het landschap heeft achtergelaten (Tabel 2.1). Zo zijn aardwetenschappelijke gegevens en historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Het archeologisch informatiesysteem (Archis) is geraadpleegd om de bekende archeologische waarnemingen binnen en direct rondom het plangebied in kaart te brengen. Verder zijn uitgevoerde archeologische onderzoeken uit de directe omgeving geraadpleegd. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) 4.1, protocol 4002.
Bron Verplichte bronnen Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Archis Historische kaarten Gemeentelijke beleids/verwachtingskaarten Niet‐Verplichte bronnen (beredeneerde keuze) Centraal Monumenten Archief (CMA) Centraal of archeologisch archief (CAA) Cultuur Historische waardenkaart (CHW) IKME Indicatieve Kaart Militair Erfgoed Bodemkaart van Nederland, schaal minimaal 1:50.000 Gedetailleerde geologische‐ of bodemkaarten Oude kadasterkaarten Topografische kaart van Nederland Beeldmateriaal voor bouwhistorie Milieukundig bodemonderzoek Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten binnen het onderzoeksgebied Lucht‐ en satellietfoto’s Archieven Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Amateurarcheologen Gebiedsgerichte specialisten Eigenaar en gebruiker Provinciale depots Tabel 2.1 Geraadpleegde bronnen.
Geraadpleegd
Motivatie (wanneer niet gebruikt)
Ja Ja Ja Ja
Nee Nee Ja
Archis is geraadpleegd Archis is geraadpleegd Maar geen aanvullende informatie
relevante
Ja Ja Ja Ja Ja Ja
voormalig kasteel‐ en molenterrein aanwezig Via Bodemloket Via Archis. Relevante gegevens zijn in het rapport opgenomen
Ja Ja Ja Nee Ja Nee
Niet relevant Er zijn genoeg gegevens in Archis voor analyse N.v.t. in fase bureauonderzoek N.v.t. (geen veldwerk) N.v.t.
Nee Nee Nee
8
2.2 2.2.1
Landschappelijk kader Ontstaan landschap
De bewoningsgeschiedenis van het plangebied werd grotendeels bepaald door het omringende landschap en de veranderingen daarin door de tijd heen. Voor een goed beeld van de bewoningsmogelijkheden in het verleden volgt nu een beknopt overzicht van de geologische ontwikkeling van de overkoepelende regio van het plangebied, waarna in een volgende paragraaf specifiek wordt ingegaan op de situatie in het plangebied zelf (voor de geologische en archeologische perioden, zie Figuur 2.2).1 Het plangebied is gelegen in het Hollandse duingebied, op de rand van het mondingsgebied van de Oude Rijn. Het duingebied omvat het huidige strand, alle strandwallen, ‐vlakten en de duinen die aan de oostzijde van het strand voorkomen in Noord‐ en Zuid‐Holland.2 Aan de zeezijde komen de buitenduinen voor, die ook wel de jonge duinen worden genoemd. Verder landinwaarts liggen de lagere en minder reliëfrijke oude duinen. De Oude Rijn heeft zich ontwikkeld vanaf het midden van het 5e millennium v. Chr. De ontwikkeling van het mondingsgebied van de Oude Rijn is dynamisch en complex. Het ontstaan van het duingebied is sterk gerelateerd aan de zeespiegelstijging gedurende het Holoceen (vanaf ca. 9500 v. Chr.). Tijdens een periode van relatief snelle zeespiegelstijging die tot ca. 4500‐4000 v. Chr.
duurde, bestond de kust van Nederland uit een uitgebreid waddengebied met zandbanken en ‐platen die gescheiden werden door grote getijdegeulen (Figuur 2.1a). Dit waddengebied werd gedeeltelijk afgeschermd van de open zee door een reeks eilanden. Deze kustlijn werd als gevolg van de alsmaar stijgende zeespiegel geleidelijk omgewerkt en steeds verder naar het oosten verplaatst. Vanaf 4500‐4000 v. Chr. nam de stijging van de zeespiegelstand sterk af en kwam de oostwaartse verplaatsing van de kustlijn tot stilstand. Vanuit de Noordzee en de grote rivieren werden grote hoeveelheden zand aangevoerd, waardoor de getijdengeulen geleidelijk verzandden en de reeks eilanden aan elkaar groeide tot een strandwal. In de periode 3850 ‐2750 v. Chr. bevond het plangebied zich nog in zee, direct ten westen van de strandwal (Figuur 2.1b). Achter de strandwallen vond grootschalige veenvorming plaats, waarbij het Hollandveen Laagpakket werd gevormd. Tot ongeveer 0‐100 n. Chr. bleef de grote aanvoer van zand in stand, waardoor de kustlijn steeds verder westwaarts uitbreidde. Bij deze uitbreiding werden afwisselend strandvlaktes en strandwallen gevormd. Figuur 2.1c toont de ligging van het plangebied te midden van de strandvlakte, aan weerszijden ingesloten door hoge duinen, rond 100 n. Chr. Vanaf ca. 200‐300 n. Chr.
nam de snelheid van de zeespiegelstijging nog verder af, waardoor er minder zand werd aangevoerd vanuit de Noordzee en verschillende riviermondingen inactief werden. Door golfwerking en in mindere mate het getij werd een deel van de strandwallen en buiten de kustlijn uitstekende delta’s van de Maas, Rijn en Oude Rijn geërodeerd. Het vrijkomende zand werd door de wind opgeblazen in een brede zone met jonge duinen die voor een groot deel de oudere strandwallen en strandvlaktes bedekken. Ook in de strandvlaktes achter de duinen werd zand afgezet door de wind. Figuur 2.1d toont de ligging van het plangebied te midden van de strandvlakte (en wederom hoge duinen aan weerszijden) met de grotendeels dichtgeslibde riviermonding van de Rijn ten zuiden daarvan. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw ontdekte men dat het Hollandse duingebied vanwege de kalkrijke zandgronden een gunstige locatie was voor de bloembollenteelt. Om de gronden geschikt te maken werden strandwallen afgegraven en werd het kalkrijke zand uit de ondergrond omhoog gehaald. Op verschillende plaatsen werden ook de strandvlaktes tussen de strandwallen verbeterd om bollenvelden te creëren. Deze gronden, waar het kalkrijke zand onder een laag veen of klei voorkwam, zijn vaak ernstig vergraven. Grondverbetering heeft hier plaatsgevonden door middel van diepdelven of omspuiten.
Bij diepdelven werd de grond lokaal afgegraven tot het kalkrijke zand, dat vervolgens werd opgegraven en op het maaiveld werd neergelegd. Bij omspuiten werd eerst een gat gegraven, waarna met een zuiger zand omhoog werd gespoten om het op het land achter de zuiger neer te leggen. Zo ontstond land dat voor de bollenteelt geschikt was.3
1
De ontstaansgeschiedenis is grotendeels overgenomen uit Moerman 2014. Berendsen 2005. 3 Horn, Moerman & Koekkelkoren 2012, 10. 2
9
2.2.2
Geologie en bodemopbouw in het plangebied
Het plangebied is volgens de geomorfologische kaart (Figuur 2.3) gelegen op een vlakte van een ingesloten strandvlakte met of zonder vervlakte duinen (kaartcode 2M40). Deze vlakte wordt aan de zuidoostzijde en noordwestzijde begrensd door strandwallen. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een strandwal die is ontstaan tussen ongeveer 2875 en 2525 v. Chr. De noordwestelijke strandwal ligt op 300 m van het plangebied en dateert uit ongeveer 2525 tot 2250 v. Chr. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied gaat de bodem over in een vlakte van getij‐ en riviermondafzettingen van de Oude Rijn (kaartcode 2M34). Volgens de bodemkaart (Figuur 2.4) bestaat de bodemopbouw op de strandvlakte uit beekeerdgronden van leemarm en zwak lemig fijn zand (kaartcode pZg21). Deze gronden hebben een humushoudende bovengrond die soms nauwelijks dikker is dan 15 cm. In de ondergrond komt veen voor. In het zuidwesten van het plangebied komen Liedeerdgronden (kaartcode pMv51), bestaande uit zavel. Liedeerdgronden zijn klei‐op‐veengronden met een donkere humusrijke bovengrond. Bij Voorhout wordt bovenop het veen een 5 à 15 cm dik laagje humusrijke klei aangetroffen die is afgezet vanuit de Oude Rijn. Het zand in de kleilaag is hoofdzakelijk hier terecht gekomen door bemesting maar kan ook zijn ingeblazen vanaf duinen of strandwallen.
Ook op de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied is gelegen in een laaggelegen zone (rood) tussen twee strandwallen waarop Voorhout en Noordwijk zijn gesitueerd (oranje). In het plangebied zijn kleurnuances te zien, de lichte delen zijn hoger gelegen. Op deze percelen is de bodem bewerkt voor grondverbetering en hier is de oorspronkelijke bodem niet meer (geheel) intact (Figuur 2.5).
10
a.
b.
c.
d.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (rood) op de paleogeografische kaarten van het duingebied in verschillende perioden: a. 5500 v. Chr.; b. 2750 v. Chr.; c. 100 n. Chr.; d.1500 n. Chr. (bron kaarten: Vos 2015).
11
Figuur 2.2 Tijdstabel met geologische en archeologische perioden
12
Figuur 2.3 Geomorfologische kaart van het plangebied (rood omlijnd) en omgeving, bron: PDOK.
13
Figuur 2.4 Bodemkaart van het plangebied, bron: PDOK.
14
Figuur 2.5 Uitsnede uit het AHN met hoogtematen in m t.o.v. NAP en het plangebied rood omlijnd; bron: AHN.
15
2.3 2.3.1
Archeologisch en historisch kader Gemeentelijke verwachtingskaart
De Gemeente Teylingen heeft samen met de gemeenten Katwijk, Noordwijkerhout, Lisse en Hillegom een archeologische verwachtingskaart laten opstellen die is verschenen in 2015.4 In 2020 is er een update uitgevoerd.5 De wijzigingen zijn doorgevoerd in de bestemmingsplannen. De kaart is een belangrijke bron voor het bureauonderzoek, omdat hiervoor reeds veel gedetailleerde informatie bij elkaar gebracht en gecombineerd is. Op de kaart is te zien dat het plangebied is gelegen in een gebied met verschillende archeologische verwachtingswaarden (Figuur 2.6). Het grootste deel betreft zones met een middelhoge verwachting (geel: archeologische waarde categorie 6). De middelhoge verwachting is gebaseerd op onderzoek in de gemeente Katwijk, waar ondanks de ongunstige ligging voor bewoning op de strandvlakte enkele vondsten uit de ijzertijd en Romeinse tijd waren aangetroffen. In theorie kan men ook in de gemeente Teylingen op de strandvlakte bewoningssporen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd verwachten.6 Grote delen bestaan echter uit zones met een diepe bodemverstoring die daarom als een zeer lage verwachtingszone zijn aangemerkt (grijs: archeologische waarde categorie 12).
In het zuiden ten slotte, zijn twee afzonderlijke zones gelegen die twee bekende archeologische vindplaatsen betreffen, namelijk een kasteelterrein uit de late middeleeuwen en een windmolen uit de Nieuwe tijd (paars: archeologische waarde categorie 1b). Voor de verschillende zones zijn vrijstellingsgrenzen aangegeven. Waarde categorie 12, waar een zeer lage verwachting geldt, is volledig vrijgegeven voor bodemingrepen. Voor het overige deel van het plangebied is een vrijstellingsgrens vastgesteld tot 30 cm – mv. In categorie 6 geldt daarbij een vrijgave voor bodemingrepen kleiner dan 500 m2. Voor de beide vindplaatsen van waarde categorie 1b geldt deze vrijgave voor bodemingrepen niet (ondergrens is namelijk 0 m2). Omdat het plangebied ca 40 ha beslaat en de bodemingrepen naar verwachting dieper zullen reiken dan 30 cm – mv, worden de vrijstellingsgrenzen overschreden en bestaat er een kans dat daarbij archeologische resten worden verstoord.
4
Wink 2015. Uitgevoerd door Archol, in concept. 6 Toelichting, 106; zie ook: Janssen 2011, 31. 5
16
Figuur 2.6 Uitsnede archeologische waarden‐ en beleidskaart Gemeente Teylingen (2020).
17
2.3.2
Archis-gegevens
Op basis van gegevens uit Archis is een overzicht gemaakt van de bekende archeologische waarden rondom het plangebied (Figuur 2.6). In en rondom het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK‐ terreinen) bekend. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd (Tabel 2.2). Afgezien van de drie vindplaatsen uit de ijzertijd, middeleeuwen en Nieuwe tijd ten zuiden van het plangebied, hebben de onderzoeken geen aanwijzingen opgeleverd voor archeologische resten. Deze vindplaatsen zijn gelegen op de strandwal. In overeenstemming met de resultaten van verschillende onderzoeken zijn er weinig archeologische waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied (Tabel 2.3). De waarnemingen zijn voornamelijk gedaan in het bebouwde gebied van Voorhout en Noordwijk, op geruime afstand van het plangebied en zijn te relateren aan de strandwallen, die het plangebied aan de noordwest en zuidoostkant flankeren. Enkele waarnemingen in de omgeving van het plangebied betreffen sporen van een ijzertijdvindplaats (Archis‐nummer 2222180100), een middeleeuwse vindplaats (Archis‐nummer 2446949100) en de restanten van een huisplaats uit de Nieuwe tijd (Archis‐nummer 2287962100). Deze vindplaatsen zijn alle op een strandwal gelegen.
Overige waarnemingen in de omgeving betreffen losse vondsten op de strandwal of vondsten waarvan de context niet meer bekend is.
Onderzoeksnummer 2011694100 2101499100 2128294100 2154513100 2160337100 2161893100 2165027100 2222180100 2285515100 2287962100 2291882100 2343981100 2350914100 2370824100 2380196100 2401547100 2417067100 2424470100 2432643100 2446949100 2456700100 3974828100 3986646100 4565293100 4598139100
Oriëntatie t.o.v. plangebied Ca. 100 m oost Ca. 410 m zuidoost Ca. 420 m zuidoost Ca. 280 m zuidoost Ca. 450 m noordoost Ca. 510 m zuidoost Ca. 200 zuidoost Ca. 250 m zuid Ca. 90 m noordwest Ca. 250 m zuid Omvat plangebied Ca. 300 m zuidoost Ca. 300 m zuid Ca. 500 m oost Ca. 300 m zuidoost Ca. 200 m zuidoost Omvat plangebied Ca. 300 zuidwest Ca. 160 m zuidoost Ca. 500 m zuid Noordwest‐deel plangebied Ca. 300 m zuid Ca. 300 m zuid Direct ten noorden Ca. 420 m zuidoost
Onderzoek Booronderzoek 2000 Booronderzoek 2005 Booronderzoek 2006 Booronderzoek 2007 Booronderzoek 2007 Booronderzoek 2007 Booronderzoek 2007 Booronderzoek 2008 Bureauonderzoek 2010 Proefsleuven 2010 Bureauonderzoek 2010 Booronderzoek 2011 Bureauonderzoek 2011 Bureauonderzoek 2014 Bureauonderzoek 2012 Booronderzoek 2013 Proefsleuven 2013 Bureauonderzoek 2013 Booronderzoek 2014 Booronderzoek 2014 Booronderzoek 2014 Proefsleuven 2015 Booronderzoek 2016 Booronderzoek 2018 Booronderzoek 2018
Conclusie Geen aanwijzingen archeologie Geen aanwijzingen archeologie Verstoord ‐ ‐ Geen aanwijzingen archeologie ‐ IJzertijdsporen op strandwal Niet relevant voor plangebied Vindplaats Nieuwe Tijd ‐ Verstoord Strandwal: hoge verwachting Strandwal: hoge verwachting Geen vervolg Strandwal: hoge verwachting Niet relevant voor plangebied Niet relevant voor plangebied Geen aanwijzingen archeologie Sporen ME op strandwal Geen aanwijzingen archeologie Recente verkavelingssloot Strandwal: hoge verwachting Geen aanwijzingen archeologie Verstoord/ geen archeologie
Tabel 2.2 Onderzoeksmeldingen in de directe omgeving van het plangebied (ca. 500 m).
Waarnemingsnummer 2222180100 2287962100
Oriëntatie t.o.v. plangebied Ca. 250 m zuid Ca. 250 m zuid
Onderzoek Booronderzoek 2008 Proefsleuven 2010
2446949100 2821816100 2830564100 2960115100
Ca. 500 m zuid Ca. 425 m zuidoost Ca. 220 m zuidoost (?) Ca. 220 m zuidoost (?)
Booronderzoek 2014 Niet archeologisch 1968 Niet archeologisch 1939 Niet archeologisch 1908
Waarneming/ vondst ijzertijd aardewerk/ vindplaats restanten van een huisplaats uit de Nieuwe Tijd Middeleeuws aardewerk Romeins aardewerk Romeins aardewerk Vuurstenen dolk
Tabel 2.3 Archeologische waarnemingen in de directe omgeving van het plangebied (ca. 500 m).
18
2.3.3
Vooronderzoek
De meest relevante onderzoeken voor een gedetailleerd beeld van het plangebied zijn de booronderzoeken van RAAP (2005)7 en IDDS (2014)8 ter plaatsen van het tracé van de Noordelijke randweg en de N444 direct ten noordwesten van het plangebied (Archis‐nummer 2456700100), en het booronderzoek dat Transect in 2018 uitvoerde direct ten noorden van het plangebied (Archis‐nummer 4565293100).9 Op basis van de uitkomst van deze onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gesitueerd in een gebied met een bodem bestaande uit een strandvlakte op een diepte van ca. 1,25 – mv, waarop een veenlaag van riet is gelegen (tot ca. 50 cm – mv). In het veen zijn lagen rivierklei waargenomen. De veenlaag is afgedekt door een kleilaag tot ca. 30 cm – mv. De bouwvoor van ca. 30 cm bestaat uit een verstoorde laag, over het algemeen uitgereden strandwalzand voor de bollenteelt. Op basis van de resultaten van de genoemde onderzoeken kan het volgende geconcludeerd worden. Waarschijnlijk heeft de strandvlakte bestaan tot in de bronstijd. Daarna stroomde de strandvlakte niet langer over, maar was deze nog wel zo nat dat de vlakte begroeid raakte met riet. Het proces van veenvorming die hierbij plaatsvond, duurde voort tot in de late ijzertijd of de Romeinse tijd.
Aan het einde van de Romeinse tijd en in de vroege middeleeuwen kwamen in het mondingsgebied van de Oude Rijn wederom overstromingen voor. Daarbij is uiteindelijk ook het veengebied overstroomd. Het plangebied is dus lang een nat landschap geweest: eerst een strandvlakte, daarna een uitgestrekt moeras dat regelmatig overstroomde. Waarschijnlijk is het gebied pas sinds de laatmiddeleeuwse veenontginningen bewoonbaar geworden.
Figuur 2.7 Archis‐waarnemingen en onderzoeken (blauwe lijnen) in een straal van 500 m rond het plangebied (rood omlijnd).
7
Jordanov 2005. Moerman 2014. 9 Puijenbroek en Verboom‐Jansen, 2018. 8
19
2.3.4
Historisch kaartmateriaal
De geschreven geschiedenis van Voorhout gaat vermoedelijk terug tot in de 11e of 10e eeuw. De in de topografie van Teylingen goed herkenbare zuidwestelijke‐noordoostelijke oriëntatie van de doorgaande (provinciale) wegen, grijpt zeer waarschijnlijk terug op een oeroud patroon, waarin handel en transport over de strandwallen plaatsvond.10 Een van de oudste gedetailleerde kaarten van het plangebied is de kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland die Floris Balthasar in 1615 voltooide (Figuur 2.10). Op deze kaart is de ligging van het dorp Voorhout langs de doorgaande wegen over de strandwal duidelijk herkenbaar. Ten noorden van het dorp is een duingebied ingetekend, een restant van een strandwal.11 Het plangebied is gesitueerd ten noordwesten van het dorp, in een vlakte ten westen van de strandwal, langs de Voorhouter watering en de Dinsdagse watering: waterwegen die tegenwoordig nog steeds bestaan in de vorm van de Leidse vaart of de Haarlemmertrekvaart. Op de kaart zijn geen perceelsgrenzen aangegeven, maar de verschillende boerderijen staan wel afgebeeld als vierkante erven met toegangswegen die georiënteerd zijn op de oostelijk gelegen strandwal. Deze boerderijen zijn nog altijd aanwezig op het minuutplan uit 1811 (Figuur 2.11). In het plangebied zijn geen (boeren) nederzettingen aanwezig, waarschijnlijk bleef de bewoning gesitueerd op de strandwal.
In de middeleeuwen werden kastelen om defensieve redenen in laaggelegen, natte gebieden gesitueerd. In het zuiden van het plangebied is een omgracht terrein zichtbaar dat is aangemerkt als Bouckenburch (Figuur 2.10). Dit betreft het terrein van middeleeuws kasteel Boekenburg: voor 1385 als leen gegeven aan Jan van der Bouchorst. Het kasteel kent twee bouwfasen: fase 1 (1385‐1483) met een ronde of ovale burcht en fase 2 (1483 tot in 1785) met een rechthoekige bouw (Figuur 2.8).12 In 1785 werd de ruïne van het kasteel verkocht en afgebroken, waarna op deze locatie een boerderij werd gebouwd.13 Restanten van de gracht zijn nog steeds (deels) herkenbaar in de percelering langs de Boekenburglaan (Figuur 1.2 en Figuur 2.11; zie ook Figuur 3.2). Op de gemeentelijke verwachtingskaart staat deze locatie aangemerkt als archeologische waarde categorie 1b (Figuur 2.6). De boerderij die tegenwoordig op deze locatie staat, betreft geen historische bebouwing. Het kasteelterrein is gelegen langs een waterloop die op de kaart uit 1615 staat aangegeven als de Maandagse watering, maar die tegenwoordig nog herkenbaar is als de Molentocht. Deze molentocht kronkelt langs de zuidoostrand van het plangebied en komt in het zuiden uit in de Leidse vaart. Zoals al blijkt uit de naam van het water, heeft hier een molen gestaan (Figuur 2.11 en Figuur 2.12).
Het betreft de molen van de Broekhorsterpolder, gebouwd in 1737 en in 1938 afgebroken (Figuur 2.9).14 Ook deze locatie staat op de gemeentelijke verwachtingskaart aangemerkt als archeologische waarde categorie 1b (Figuur 2.6). Naast deze historische locaties lijkt het plangebied sinds de vroege 17e eeuw onbebouwd te zijn gebleven. Op het minuutplan uit de 19e eeuw zijn geen gebouwen aangegeven (Figuur 2.11) en een vergelijking met de topografische kaart uit 1931 en de moderne luchtfoto wijst uit dat de percelen vrijwel hetzelfde zijn gebleven (Figuur 1.2 en Figuur 2.12). Op de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) van de provincie Zuid‐Holland is voor het plangebied geen relevante informatie beschikbaar. Op grond van de Indicatieve kaart Militair Erfgoed (IKME) zijn ten slotte geen concrete resten uit de Tweede Wereldoorlog te verwachten.15
10
Wink 2015, 57 Ibidem, 60 12 Www.kasteleninnederland.nl. 13 Ibidem, 48. 14 https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&nummer=575 15 Www.ikme.nl 11
20
Figuur 2.8 Kasteel Boekenburg. Tekening van Roelant Roghman, 1646‐1647. Uit: De kasteeltekeningen van Roelant Roghman, Canaletto, 1989).
Figuur 2.9 Molen van de Boekhorsterpolder in de jaren ‘30, bron: www.allemolens.nl.
21
Figuur 2.10 Kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland uit 1615 (detail), bron: www.erfgoedleiden.nl.
Figuur 2.11 Minuutplan uit 1811‐1832 (noorden is rechtsboven), bron: www.beeldbank.cultureel erfgoed.nl.
22
Figuur 2.12 Topografische kaart 1931, bron: www.topotijdreis.nl.
2.3.5
Verstoringen
Het land is tot op heden in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. In de 20e eeuw nam de bollenteelt een hoge vlucht. Vooral de kalkrijke oude strandwallen waren schikt voor deze teelt, maar op verschillende plaatsen werd ook de bodem tussen de strandwallen verbeterd om bloembollenvelden te creëren. Deze gronden, waar het kalkrijke zand onder een laag veen of klei voorkwam, zijn vaak ernstig vergraven. Grondverbetering heeft in deze gevallen plaatsgevonden door middel van diepdelven en/of omspuiten. Bij diepdelven werd de grond afgegraven tot op het kalkrijke zand, dat vervolgens werd opgegraven en op het maaiveld werd neergelegd. Bij omspuiten werd eerst een gat gegraven, waarna met een zuiger zand omhoog werd gespoten en op het land achter de zuiger werd neergelegd. Zo kon voor de bollenteelt geschikt land ontstaan.16 Op de website van het bodemloket is voor enkele percelen bekend dat deze geschikt zijn gemaakt voor de bollenteelt en dat er ophooglagen of dempingen met afval bekend zijn.17 Deze bekende locaties komen overeen met de verstoorde zones die staan aangegeven op de gemeentelijke verwachtingskaart als categorie 12 (grijs) (Figuur 2.6).
16 17
Moerman 2014. https://www.bodemloket.nl/kaart#92267,471048,93317,471972.
23
2.4
Gespecificeerde archeologische verwachting
Voor het gehele plangebied geldt volgens de verwachtingskaart een middelhoge verwachting, met uitzondering van delen die door de bollenteelt zijn verstoord; daar geldt een zeer lage verwachting. Op basis van het bureauonderzoek lijkt deze verwachting bij te stellen en nader te specificeren. Late prehistorie en Romeinse tijd: lage tot middelhoge verwachting De strandvlakte ten noordwesten van Voorhout was waarschijnlijk tot in de bronstijd te nat voor bewoning. Na die tijd overstroomde het gebied niet langer, maar bleef het nog zo nat dat zich moerassen vormden. Het proces van veenvorming dat hierbij plaatsvond, duurde voort tot in de late ijzertijd of de Romeinse tijd. Toen aan het einde van de Romeinse tijd en in de vroege middeleeuwen in het mondingsgebied van de Oude Rijn weer overstromingen plaatsvonden, is ook het veengebied overstroomd. Het plangebied is dus lange tijd een nat landschap geweest: eerst een strandvlakte, daarna een uitgestrekt moeraslandschap dat uiteindelijk regelmatig overstroomde. Waarschijnlijk is het gebied pas sinds de middeleeuwse ontginningen (vanaf de 10e of 11e eeuw) bewoonbaar geworden. Bij archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied zijn dan ook geen aanwijzingen gevonden voor bewoning van het laaggelegen veengebied.
Daar waar wel archeologische vondsten in de omgeving van het plangebied zijn gedaan, blijkt het om locaties op de hoge strandwal ten zuidoosten van het plangebied te gaan. Binnen het lage, natte landschap van het plangebied zijn uit deze periode waarschijnlijk slechts off‐site structuren te verwachten: (ontwaterings)sloten ‐en greppels of toevalsvondsten zoals een veenpad of een geïsoleerde rituele depositie. Eventueel aanwezige sporen zijn te verwachten onder het veen (ca. 125 cm – mv), maar ook op de hoger gelegen delen op het veen, onder de kleilaag die daarop is afgezet (ca. 55 cm – mv). Op grond van het bureauonderzoek lijkt de middelhoge verwachting voor deze periode naar beneden bij te stellen tot laag. Tot op heden is er echter binnen het plangebied nog geen grootschalig booronderzoek uitgevoerd dat deze bijgestelde verwachting kan bevestigen. Tot die tijd dient de middelhoge verwachting nog gehandhaafd te blijven. Middeleeuwen en Nieuwe tijd: lage verwachting De oorsprong van het dorp Voorhout gaat terug tot de 10e of 11e eeuw, maar de bewoning lijkt zich sindsdien altijd op de strandwal te hebben geconcentreerd. Afgezien van twee uitzonderlijke historische locaties zie hieronder) lijkt er geen bebouwing aanwezig te zijn geweest binnen het plangebied.
Sporen uit deze periode beperken zich daarom met name tot ontginningsstructuren zoals sloten, greppels en bruggetjes en eventueel vondsten die gerelateerd kunnen worden aan agrarische activiteiten. Voor het grootste deel van het plangebied geldt daarom een lage verwachting. Sporen uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn te verwachten (onder)in of direct onder de bouwvoor, op de kleilaag die in de laat‐ Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen is afgezet (35 cm – mv). Op grond van het bureauonderzoek lijkt de bestaande middelhoge verwachting naar beneden bij te stellen tot laag. Kasteel en molen: hoge verwachting In het zuidoostelijk deel van het plangebied bevindt zich een kasteelterrein uit de late middeleeuwen. In de Nieuwe tijd verscheen op deze locatie een boerderij. Daarnaast is de locatie van een molen uit de 18e eeuw noemenswaardig, waarvan de vindplaats zich in de zuidhoek van het plangebied bevindt. Voor deze locaties geldt (nog steeds, conform de verwachtingskaart) een hoge verwachting.
24