CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

17. Bijlage XIII - Activiteitenplan rugstreeppad 7 november 2024.pdf - Bijlage XIII - Activiteitenpl

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Principeverzoek vernieuwen en vergroten overslagstation VAB 's-Gravendamseweg 77 Voorhout7.094 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Activiteitenplan rugstreeppad VAB-terrein in Voorhout

In opdracht van MeerVAB B.V.

Colofon Activiteitenplan rugstreeppad VAB-terrein in Voorhout

Opdrachtgever Contactpersoon

MeerVAB B.V.

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2803

7 november 2024 Rugstreeppad

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 2 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 2

1.2

Doel ...................................................................................................................... 2

Projectomschrijving en activiteit ................................................................................... 3 2.1

NAW-gegevens ..................................................................................................... 3

2.2

Beschrijving projectlocatie .................................................................................... 3

2.3

Beschrijving activiteiten en werkzaamheden ......................................................... 3

2.4

Doel en belang van de activiteiten ........................................................................ 5

2.5

Planning en onderbouwing van de activiteiten ...................................................... 5

2.6

Planning werkzaamheden..................................................................................... 6

2.7

Periode ontheffing ................................................................................................. 7

Achtergrond van de inventarisatie ................................................................................ 8 3.1

Methode van onderzoek ....................................................................................... 8

3.2

Resultaten ............................................................................................................ 9

Effectbeoordeling ....................................................................................................... 11 4.1

Samenvatting...................................................................................................... 11

4.2

Terrestrisch habitat ............................................................................................. 11

4.3

Aquatische habitat .............................................................................................. 12

5

Verbodsbepalingen .................................................................................................... 14

6

Effecten en beoordeling ............................................................................................. 15 6.1

Effecten van de werkzaamheden op de rugstreeppad ........................................ 15

6.2

Deskundige die betrokken is bij de activiteiten en zijn/haar kwalificaties ............. 16

6.3

Wijze waarop de effecten op de soort tijdens de werkzaamheden worden gevolgd 16

6.4 Voorkomen van negatieve effecten door de wijze van uitvoering van de werkzaamheden ............................................................................................................ 16 7

Gunstige staat van instandhouding ............................................................................ 17 7.1

8

Staat van instandhouding ................................................................................... 17

Maatregelen ............................................................................................................... 20 8.1

Voorafgaand aan de werkzaamheden te nemen maatregelen ............................ 20

8.2

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen ................ 23

8.3 Resterende effecten (waarvoor een omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd) ................................................................................................................ 27 9

Alternatieven .............................................................................................................. 29 9.1

Alternatieve locatie ............................................................................................. 29

9.2

Alternatieve inrichting ......................................................................................... 29

9.3

Alternatieve werkwijze ........................................................................................ 29

9.4

Alternatieve planning .......................................................................................... 29

Bijlage 1

Bestaande situatie .......................................................................................... 30

Bijlage 2

Nieuwe situatie ............................................................................................... 31

1 Inleiding en doel 1.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Omgevingswet een plannenmaker oplegt. Uit de resultaten van gericht natuuronderzoek (SA-rapportnummer 2518: Aanvullend natuuronderzoek VAB-terrein in Voorhout, 2022) is gebleken dat bij de herinrichting van het plangebied sprake is van het opzettelijk beschadigen of vernielen van rustplaatsen van de rugstreeppad in de vorm van zomerhabitat en winterverblijfplaatsen. Daarnaast kan het opzettelijk doden, verwonden of verstoren van individuen van de rugstreeppad niet volledig uitgesloten worden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. In 2024 is er op een aangrenzend perceel aan de 's-Gravendamseweg 65 een aanvullende quickscan natuurtoets uitgevoerd (SA-rapportnummer 2737: Quickscan natuurtoets ’s Gravendamseweg 65 in Voorhout). Uit dit rapport is gebleken dat het plangebied op dit moment zelf niet geschikt is als leefgebied (voortplantingswateren en rustplaatsen). Echter door aanwezigheid van de rugstreeppad op het direct aangrenzende VAB-terrein is het niet uit te sluiten dat na perioden van langdurige regenval lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Daarnaast is aanwezigheid van een rondzwervende rugstreeppad ook niet uit te sluiten.

1.2

Doel

Ter behoud van de lokale populatie en bescherming van individuen en hun leefgebied is voor de strikt beschermde rugstreeppad dit activiteitenplan opgesteld. Dit activiteitenplan vormt de onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag. Dit activiteitenplan heeft betrekking op de werkzaamheden welke worden uitgevoerd aan de 's-Gravendamseweg 77 in Voorhout (VAB-terrein) en het direct naastgelegen plangebied aan de 's-Gravendamseweg 65.

Pagina 2

2 Projectomschrijving en activiteit 2.1

NAW-gegevens

Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

2.2

's-Gravendamseweg 65 en 77 (VAB-terrein) Voorhout Teylingen Zuid-Holland

Beschrijving projectlocatie

Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de woonkern Noordwijkerhout en ten noorden van de woonkern Voorhout in de gemeente Teylingen (zie figuur 1 en 2). Plangebied is min of meer te verdelen in drie deelgebieden: het VAB-terrein zelf (blauw), een opslagterrein met woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65 (groen) en landbouwgronden (oranje): zie figuur 3 en bijlage 1. •

• •

2.3

VAB-terrein ('s-Gravendamseweg 77): circa 1,4 ha groot terrein dat grotendeels bestaat uit geasfalteerd terrein met enkele perken en gebouwen. Er is tevens een ongebruikte spoorlijn over de gehele lengte aan de zuidoostzijde van het terrein. Deze spoorbaan ligt grotendeels op een spoorbed (stenen). Aan de meest westelijke punt is een iets verwilderd terrein / ruigte. Opslagterrein met woonhuis ('s-Gravendamseweg 65): terrein aan de 'sGravendamseweg 65 dat grotendeels onbegroeid is. Landbouwgronden: het westelijke perceel betreft een akker, de oostelijke percelen betreft graszoden. Aan alle zijden, met uitzondering van de noordoostelijke rand, bevinden zich sloten.).

Beschrijving activiteiten en werkzaamheden

De gebouwen en installaties op het VAB-terrein in Voorhout zijn verouderd en aan vervanging toe. De gemeentes hebben een projectteam aangesteld dat werkt aan een plan om het VAB-terrein toekomstbestendig en innovatief in te richten. Men is voornemens om op het VAB-terrein in Voorhout onder andere enkele gebouwen en installaties te slopen. In verband met de sloop en nieuwbouw op het VAB-terrein worden tijdelijk activiteiten ontplooid op een opslagterrein aan de 's-Gravendamseweg 65. Deze activiteiten bestaan o.a. uit het tijdelijk opslaan van materiaal voor sloop en bouw van de gebouwen op het aangrenzende VAB-terrein en het tijdelijk plaatsen van een bouwkeet. Het woonhuis maakt wel onderdeel uit van het oorspronkelijke plangebied maar er vinden hier geen werkzaamheden (sloop, renovatie, e.d.) plaats. Er vinden, met uitzondering van graafwerkzaamheden aan de sloot langs het VAB-terrein, geen werkzaamheden plaats in de agrarische percelen.

Pagina 3

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).

Pagina 4

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied met deelgebieden (zie paragraaf 2.2). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024). Blauw: VAB-terrein ('s-Gravendamseweg 77), oranje: agrarische percelen en groen: Opslagterrein met woonhuis ('s-Gravendamseweg 65).

2.4

Doel en belang van de activiteiten

Het afvalstation en gebouwen zijn reeds sinds de jaren 70 in gebruik en de levensduur van de gebouwen komt tot een eind. Daarom is besloten tot sloop en nieuwbouw om een toekomstbestendige faciliteit neer te zetten waarin afvalstoffen inpandig worden overgeslagen met zo min mogelijk hinder voor de omgeving.

2.5

Planning en onderbouwing van de activiteiten

Q2 of Q3 2025:

Start werkzaamheden

Q1 of Q2 2026:

Eind werkzaamheden

Planning is vooralsnog onduidelijk omdat er nog alternatieven worden onderzocht en ook een BOPA vereist is en sprake is van een ‘roerige’ omgeving. De aanpassing aan de sloot en de groenvoorzieningen worden in het laatste kwartaal gerealiseerd (Q1 of Q2 2026).

Pagina 5

De periode van het uitvoeren van de werkzaamheden en de werkwijze worden afgestemd op de ecologie van de rugstreeppad ten aanzien van het beschadigen of vernielen van (winter)rustplaatsen oftewel terrestrisch zomer- en winterhabitat en het doden, verwonden of verstoren van individuen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met broedvogels, overige (vrijgestelde) amfibieënsoorten en grondgebonden zoogdieren. De volgende maatregelen worden toegepast om negatieve effecten te vermijden of zoveel mogelijk te verminderen: Rugstreeppad: • • •

•

Werken buiten de meest kwetsbare perioden van de rugstreeppad; Aanpassen werkwijze inzake (winter)rustplaatsen; Het ruim voorafgaand aan start van de werkzaamheden plaatsen van een amfibieënscherm tussen het VAB-terrein en opslagterrein met woonhuis ('sGravendamseweg 65) en de aangrenzende landbouwgronden; Ecologische begeleiding van de werkzaamheden.

Broedvogels: • •

Werken buiten het broedseizoen of aanvangen voorafgaand aan het broedseizoen; Ecologische begeleiding van de werkzaamheden.

Grondgebonden zoogdieren: • • •

Gefaseerd slopen van de gebouwen en (her)inrichten van het terrein; Werken in vaste richting om grondgebonden zoogdieren als egel, haas en konijn de kans te geven om nabijgelegen alternatieve leefgebieden te koloniseren; Ecologische begeleiding van de werkzaamheden.

Amfibieën: •

•

2.6

Het ruim voorafgaand aan start van de werkzaamheden plaatsen van een amfibieënscherm tussen het VAB-terrein en opslagterrein met woonhuis ('sGravendamseweg 65) en de aangrenzende landbouwgronden; Ecologische begeleiding van de werkzaamheden.

Planning werkzaamheden

De periode van het uitvoeren van de werkzaamheden en de werkwijze worden afgestemd op de ecologie van de rugstreeppad ten aanzien van het beschadigen of vernielen van (winter)rustplaatsen oftewel terrestrisch zomer- en winterhabitat en het doden, verwonden of verstoren van individuen. Om de effecten op de rugstreeppad zoveel mogelijk te beperken worden de werkzaamheden zoveel mogelijk in de minst kwetsbare periode tussen 1 april en 15 oktober (bron: Kennisdocument Rugstreeppad, BIJ12) uitgevoerd.

Pagina 6

2.7 •

Periode ontheffing 1 januari 2025 - 1 januari 2029.

Pagina 7

3 Achtergrond van de inventarisatie 3.1

Methode van onderzoek

In deze paragraaf worden de resultaten van het in 2022 uitgevoerd gericht veldonderzoek naar de rugstreeppad besproken. Ten behoeve van het aantonen van aan-/afwezigheid van de soort, beoordeling van de habitatgeschiktheid en het terreingebruik zijn twee onderzoeken op locatie specifiek voor de rugstreeppad uitgevoerd. Daarnaast is tijdens de hier uitgevoerde vleermuisonderzoeken ook gelet op de eventuele aanwezigheid van rugstreeppadden. Hoewel de planning van de vleermuisonderzoeken niet in alle gevallen optimaal is voor het aantreffen van de rugstreeppad, is de trefkans door de grotendeels overeenkomende onderzoekstijden en perioden van activiteit van de soorten relatief groot. Om deze reden staan in tabel 1 zowel de bezoeken vermeld die specifiek zijn uitgevoerd voor de rugstreeppad, als de bezoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het vleermuisonderzoek. De twee bezoeken gericht op de rugstreeppad zijn op geschikte avonden uitgevoerd, waarbij voorplantingsactiviteit is geïnventariseerd door te luisteren naar kooractiviteit van roepende mannetjes. Tijdens deze twee bezoeken, in combinatie met de bezoekronden voor het vleermuisonderzoek, is een duidelijk beeld ontstaan van het gebiedsgebruik van de rugstreeppad in het plangebied (zie figuur 4).

Een dagbezoek, waarbij gezocht wordt naar eisnoeren en larven van de rugstreeppad, is niet uitgevoerd omdat tijdens de avondbezoeken reeds is vastgesteld dat er in het plangebied ook na regen geen geschikte plassen of andere voortplantingswateren aanwezig waren. Buiten het plangebied is wel voortplantingsactiviteit van de rugstreeppad vastgesteld, namelijk kooractiviteit van roepende mannetjes. Onderzoekers

Ronde

D. Heintz

R1

D. Heintz, T. Bouman, L. van Lith D. Heintz, T. Bouman, C. van der Meer, L. van Lith D. Heintz, T. Bouman, C. van der Meer, L. van Lith

V1 V2 V3

D. Heintz

V4

D. Heintz

R2

D. Heintz, T. Bouman

V5

D. Heintz, T. Bouman

V6

Datum en tijd 19-05-2022 21:35-23:05 26-05-2022, 2:30-5:32 07-06-2022, 21:45-0:15 28-06-2022, 21:50-0:30 14-07-2022, 3:34-5:38 27-07-2022, 21:40-23:10 15-08-2022, 22:06-2:06 06-09-2022, 21:30-23:30

Zon op of onder

Weersomstandigheden

21:36

Half bewolkt, droog, 12°C, wind ZW 1 Bft Half bewolkt, droog, 14°C, wind ZW 3 Bft Onbewolkt, droog, 16°C, wind ZW 2 Bft Half bewolkt, droog, 19°C, wind O 2 Bft Licht bewolkt, droog, 13°C, wind 2 Bft Onbewolkt, droog, 12°C, wind NW 1 Bft Onbewolkt, droog, 18°C, wind Z 1 Bft Bewolkt, droog, 21°C, wind NO 2 Bft

05:32 22:00 22:07 05:38 21:41 21:06 20:18

Tabel 1. Veldonderzoek rugstreeppad. R = rugstreeppad en V = vleermuizen.

Pagina 8

3.2

Resultaten

3.2.1 Eerste avondronde rugstreeppad: 19 mei 2022 De eerste avondronde is uitgevoerd op 19 mei 2022. 19 mei was een zeer warme dag met in het begin van de avond onweersbuien. Door de onweersbuien koelde het vervolgens sterk af, waardoor de temperatuur tijdens het onderzoek slechts 12°C was. Toch bleek er rond het VAB-terrein sprake te zijn van kooractiviteit van rugstreeppadden. In de akker en sloten rond de akker, welke is gelegen ten zuidoosten van het VAB-terrein, zijn meerdere roepende rugstreeppadden gehoord. Het gaat om minimaal 6 exemplaren (zie figuur 4). Op het VAB-terrein zelf is geen voortplantingsactiviteit van rugstreeppadden waargenomen. Er waren ook geen geschikte regenplassen of ander open water aanwezig op dit terrein. Door de grotendeels open bodem (grindbedden, perken) en de hogere ligging van dit terrein zijn er geen plaatsen waar na regenbuien water blijft staan. Tijdens deze avondronde zijn geen verdere waarnemingen van rugstreeppadden gedaan.

3.2.2 Eerste ochtendronde vleermuizen: 26 mei 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op 26 mei 2022 is op het VAB-terrein één adulte rugstreeppad waargenomen (zie figuur 4). Dit betrof waarschijnlijk een foeragerend of zich verplaatsend exemplaar.

3.2.3 Eerste avondronde vleermuizen: 7 juni 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op het VAB-terrein op 7 juni 2022 zijn geen rugstreeppadden waargenomen.

3.2.4 Tweede avondronde vleermuizen: 28 juni 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op 28 juni 2022 zijn op het VAB-terrein twee adulte rugstreeppadden waargenomen (zie figuur 4). Dit betrof waarschijnlijk foeragerende of zich verplaatsende exemplaren.

3.2.5 Tweede ochtendronde vleermuizen: 14 juli 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op het VAB-terrein op 14 juli 2022 zijn geen rugstreeppadden waargenomen.

3.2.6 Tweede avondronde rugstreeppadden: 27 juli 2022 Door het uitblijven van regen is de tweede avondronde voor rugstreeppadden pas uitgevoerd op 27 juli, nadat het de voorgaande avond (26 juli 2022) had geregend. Tijdens dit avondbezoek zijn er 3 rugstreeppadden waargenomen in het plangebied (zie figuur 4). Van één individu is vastgesteld dat het een vrouwtje betrof. De sekse van de andere twee individuen is onbekend. Er is geen voortplantingsactiviteit waargenomen in of rond het plangebied, er zijn dus ook geen roepende mannetjes gehoord.

Pagina 9

3.2.7 Derde avondronde vleermuizen: 15 augustus 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op 15 augustus 2022 zijn op het VAB-terrein vijf adulte rugstreeppadden waargenomen (zie figuur 4). Dit betrof waarschijnlijk foeragerende of zich verplaatsende exemplaren.

3.2.8 Vierde avondronde vleermuizen: 6 september 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op het VAB-terrein op 6 september 2022 zijn geen rugstreeppadden waargenomen.

Figuur 4. Waarnemingen van rugstreeppadden tijdens veldbezoeken: adulte individuen in het plangebied (rood) en locatie roepende mannetjes (blauw). Bron: Provincie Zuid-Holland (2024).

Pagina 10

4 Effectbeoordeling 4.1

Samenvatting

Tijdens vrijwel alle onderzoeksronden zijn rugstreeppadden aangetroffen en bij één ronde zijn roepende mannetjes van de soort gehoord op en langs een naast het VAB-terrein gelegen akker. Op het VAB-terrein zelf zijn, ook na regen, geen geschikte voortplantingswateren aangetroffen. Hiermee kan worden uitgesloten dat de rugstreeppad zich voortplant op het VAB-terrein. Het VAB-terrein voldoet wel aan de eisen van het landhabitat van de rugstreeppad. Door de iets hogere ligging van het terrein ten opzichte van de omgeving en de aanwezigheid van relatief veel verharde bodem (asfalt, grindbedden) is het VAB-terrein relatief droog en warm. Hierdoor is het terrein geschikt als leefgebied. Er zijn verspreid op het terrein grindbedden en muizenholen, waar rugstreeppadden geschikte verblijfplaatsen kunnen vinden. Doordat rugstreeppadden van natura in dynamische milieus voorkomen (zoals rivieruiterwaarden) hebben ze voor de overwinteringsplaatsen een sterke voorkeur voor hoger gelegen terreinen. Het VAB-terrein voldoet grotendeels aan de voorwaarden voor een geschikt leefgebied van de rugstreeppad. Er zijn gedurende de onderzoeken 12 rugstreeppadden op het VAB-terrein aangetroffen. Hieruit moet worden geconcludeerd dat het VAB-terrein, en waarschijnlijk ook aangrenzende delen (spoorlijn), door rugstreeppadden gebruikt wordt als zomerhabitat.

Door de ligging en de geschiktheid van het terrein is het waarschijnlijk dat het terrein tevens een overwinteringshabitat is voor de lokale populatie rugstreeppadden. Grote delen van het VAB-terrein zijn geheel verhard (asfalt of betonplaten) of bebouwd. Deze delen zijn in zijn geheel ongeschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Geschikt terrestrisch habitat is lokaal in de vorm van grindbedden en muizenholen aanwezig. Van het circa 1,4 ha groot VAB-terrein is ongeveer 0,3 hectare niet verhard/bebouwd en daarmee geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Dit wordt door de werkzaamheden verstoord of vernietigd.

4.2

Terrestrisch habitat

Op basis van het aanvullend onderzoek is het volgende terrestrisch habitat voor de rugstreeppad op het VAB-terrein aanwezig: •

Overwinterings- en zomerhabitat (ca. 0,3 ha.).

Op het opslagterrein met woonhuis ('s-Gravendamseweg 65) en op de landbouwgronden is geen terrestrisch habitat in de vorm van overwinteringshabitat aangetroffen en te verwachten. Incidenteel gebruik door een enkele rondzwervende rugstreeppad is op deze locaties/deelgebieden niet uit te sluiten.

Pagina 11

4.3

Aquatische habitat

Op basis van het aanvullend onderzoek is op het VAB-terrein geen aquatisch habitat in de vorm van voortplantingswater aangetroffen. Maar door graafwerkzaamheden e.d. wordt het terrein wel (mogelijk) geschikt. Bij inzet van zwaar materieel en het aanvoeren van bouwmateriaal is de kans dat de rugstreeppad zich kan voortplanten zeer groot. De sloot tussen het VAB-terrein en de agrarische percelen is potentieel geschikt als voortplantingswater. Tijdens onderzoek is hier echter geen voortplanting vastgesteld. Op het opslagterrein met woonhuis ('s-Gravendamseweg 65) is geen aquatische habitat in de vorm van voortplantingswater aangetroffen. Het is echter niet uit te sluiten dat na perioden van langdurige regenval hier lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Er wordt veel gereden met zwaar materieel, wat het terrein bevattelijker maakt voor deze plassenvorming. Deze kunnen dan ook als (tijdelijk) voortplantingswater gebruikt worden.

Figuur 4. Habitatbeoordeling rugstreeppad plangebied. • •

Blauw: overwinterings- en zomerhabitat. Eventueel voortplantingswater te verwachten na perioden van langdurige regenval, gedurende uitvoering van graafwerkzaamheden; Oranje: voortplantingshabitat;

Pagina 12

•

Groen: Eventueel voortplantingswater te verwachten na perioden van langdurige regenval, gedurende uitvoering van graafwerkzaamheden.

Pagina 13

5 Verbodsbepalingen Voor welken soorten wordt de ontheffing aangevraagd? •

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Voor welk verbod wordt de ontheffing aangevraagd? •

•

•

•

•

•

Artikel 11.46, lid 1, sub a van het Bal, het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Artikel 11.46, lid 1, sub b van het Bal, het opzettelijk verstoren van dieren, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Artikel 11.46, lid 1, sub c van het Bal, het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Artikel 11.46, lid 1, sub d van het Bal, het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Artikel 11.47, lid 1 sub b van het Bal, het voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dieren of planten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn a.

Artikel 11.72 lid 2 sub b van het Bal, het vangen of doden van dieren overeenkomstig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

Pagina 14

6 Effecten en beoordeling 6.1

Effecten van de werkzaamheden op de rugstreeppad

6.1.1 Tijdelijke effect op de rugstreeppad Door de geplande werkzaamheden (het slopen van hallen, het bouwen van nieuwe hallen, inrichting terrein) wordt overwinterings- en zomerhabitat en eventueel voortplantingswater van de rugstreeppad in projectlocatie VAB-terrein aangetast. Tevens is het doden of verwonden van dieren niet uit te sluiten. De werkzaamheden kunnen leiden tot het doden van rugstreeppadden, tot het (opzettelijk) verstoren van rugstreeppadden en tot het beschadigen en vernielen van voortplantings- en overwinteringsbiotoop. Dit leidt tot overtreding van: ➢ Artikel 11.46, lid 1, sub a van het Bal (opzettelijk doden of vangen van dieren); ➢ Artikel 11.46, lid 1, sub b van het Bal (opzettelijk verstoren van dieren); ➢ Artikel 11.46, lid 1, sub c van het Bal (ei-snoeren opzettelijk vernielen); ➢ Artikel 11.46, lid 1, sub d van het Bal (het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Door het realiseren van een amfibieënpoel en het realiseren van natuurvriendelijke oevers in de te vergraven watergang wordt alternatief leefgebied (voortplantingsplaatsen) voor de rugstreeppad aangeboden. Landhabitat blijft deels intact aangezien het aangrenzende spoor op een spoorbed (stenen) hoger ligt dan het terrein van Meerlanden en deze situatie blijft gehandhaafd in de toekomstige situatie.

Daarnaast wordt in de zuidoostrand en in de zuidwesthoek alternatief landhabitat ingericht voor de rugstreeppad. Door de ligging, grenzend aan watergangen is herkolonisatie mogelijk.

6.1.2 Permanent effect op de rugstreeppad Accurate verspreidingsgegevens van de rugstreeppad zijn ruim beschikbaar (zie figuur 6). Op het VAB-terrein is de soort verspreid over het plangebied aangetroffen. Het gaat om werkzaamheden in een groter gebied, waarin nog ruimschoots voldoende leefgebied behouden blijft. Hiermee is het aannemelijk dat de rugstreeppad in de omgeving aanwezig blijft en de lokale gunstige staat van instandhouding niet verslechtert. Door het treffen van voldoende mitigerende en compenserende maatregelen wordt voorkomen dat de lokale gunstige staat van instandhouding wordt aangetast als gevolg van de werkzaamheden. De exemplaren van de rugstreeppad die voorheen gebruik maken van het plangebied als leefgebied kunnen op korte termijn (weer) gebruik maken van een nieuw compensatiegebied. Op korte en lange termijn zijn negatieve effecten van de

Pagina 15

werkzaamheden op het VAB-terrein op de lokale stand van instandhouding van rugstreeppad daardoor uit te sluiten.

6.1.3 Cumulatief effect op de rugstreeppad Er is geen sprake van een cumulatief effect op de populatie van de rugstreeppad, aangezien de populatie op het VAB-terrein een onderdeel uitmaakt van een veel groter leefgebied van de rugstreeppad in het poldergebied rond Voorhout. Na afronding van de werkzaamheden zal het plangebied weer grotendeels geschikt kunnen zijn als leefgebied voor de rugstreeppad.

6.2

Deskundige die betrokken is bij de activiteiten en zijn/haar kwalificaties

De ontheffingsaanvraag is door ervaren ecologen (dhr. S.J.J. Wamelink) van Staring Advies opgesteld. Staring Advies is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus.

6.3 Wijze waarop de effecten op de soort tijdens de werkzaamheden worden gevolgd De werkzaamheden met betrekking tot het verwijderen van landhabitat en werkzaamheden aan de sloot tussen het VAB-terrein en de agrarische percelen (voortplantings- en rustplaatsen van de rugstreeppad) vinden onder begeleiding van een ecoloog plaats. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin de exacte werkwijze wordt beschreven.

6.4 Voorkomen van negatieve effecten door de wijze van uitvoering van de werkzaamheden Negatieve effecten zijn bijvoorbeeld het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- en (winter)rustplaatsen, het opzettelijk doden, verwonden of verstoren van individuen en het opzettelijk vernielen van eisnoeren van de rugstreeppad door mechanische activiteiten, zoals graafwerkzaamheden. Door de werkzaamheden buiten de (winter)rustperiode van de rugstreeppad uit te voeren en door voorafgaand, tijdens en na de werkzaamheden maatregelen te nemen wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd. De werkzaamheden worden onder ecologische begeleiding uitgevoerd. Voorafgaand aan de werkzaamheden vindt, indien relevant ten aanzien van het actuele seizoen, een ecologische inspectie plaats gericht op aanwezigheid van bezette vogelnesten en andere kwetsbare soorten. De te nemen maatregelen worden in een ecologisch werkprotocol beschreven. Dit protocol zal op de locatie aanwezig zijn en zal onder alle betrokken partijen bekend zijn. Werkzaamheden worden aantoonbaar conform dit protocol uitgevoerd.

Pagina 16

7 Gunstige staat van instandhouding 7.1

Staat van instandhouding

De rugstreeppad kent in Nederland drie belangrijke verspreidingskernen: de duinen, het rivierengebied en delen van de polders in Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland (zie figuur 5). Op de hogere zandgronden komt de rugstreeppad ook voor, maar in minder dicht verspreidingspatroon dan in genoemde verspreidingskernen. De landelijke staat van instandhouding is als zeer ongunstig beoordeeld, waarbij de populatie, het leefgebied en het toekomstperspectief als zeer ongunstig zijn beoordeeld en het verspreidingsgebied als gunstig (bron: Kennisdocument Rugstreeppad, BIJ12). De rugstreeppad is in de 20e eeuw sterk achteruitgegaan, maar na 1990 nam de soort niet verder af (bron: Amfibieën van de Habitatrichtlijn, 1990-2015, Natuurcompendium).

Figuur 5. Verspreiding rugstreeppad 2000-2024. Het plangebied (VAB-terrein) is zwart omcirkeld. Bron: NDFF verspreidingsatlas.

Op lokaal niveau zijn op basis van de NDFF in de afgelopen tien jaar verschillende waarnemingen van de rugstreeppad rond het plangebied bekend. In figuur 6 zijn de waarnemingen weergegeven.

Pagina 17

Figuur 6. Verspreiding rugstreeppad rond plangebied (rood omkaderd) binnen een straal van 1 kilometer (blauwe stippen) en binnen een straal van 5 kilometer (groene stippen).

Pagina 18

7.2

Beïnvloeding staat van instandhouding door de werkzaamheden

Uit bovenstaande blijkt dat de rugstreeppad in de omgeving van het plangebied wijd verspreid voorkomt. Gezien de geschiktheid van de omgeving van het plangebied en de met het plangebied overeenkomende habitatseisen is het aannemelijk dat de soort (wijd) verspreid in het gehele poldergebied rond het plangebied voorkomt. Door herinrichting van een beperkt deel van het leefgebied van de rugstreeppad in een groter gebied, waarin nog ruimschoots voldoende leefgebied behouden blijft, is de gunstige staat van instandhouding niet in het geding. Dit ook omdat de werkzaamheden onder begeleiding van een ecoloog worden uitgevoerd. Daarnaast wordt binnen het plangebied nieuw leefgebied (compensatie) uitgevoerd. Inrichting plangebied met alternatief leefgebied voor o.a. rugstreeppad Realisatie nieuw leefgebied Het planvoornemen betreft het slopen van hallen, het bouwen van nieuwe hallen en (her)inrichting van het terrein (zie bijlage 1 voor de bestaande situatie van het VAB-terrein en bijlage 2 voor de nieuwe situatie). Globaal worden voor de rugstreeppad de onderstaande maatregelen uitgevoerd: ➢ De in de zuidoostgrens van het plangebied aanwezige sloot (200 m²) wordt met zand aangevuld waardoor er een permanente pionierssituatie voor de rugstreeppad wordt gecreëerd; ➢ In de noordhoek van het plangebied wordt een amfibieënpoel aangelegd.

Tevens wordt de oeverzone ingericht als leefgebied; ➢ In de zuidoostrand wordt nieuw landhabitat gerealiseerd; ➢ In de uiterste zuidwesthoek blijft het plangebied onaangetast: het hier aanwezige spoorbed (stenen), welke mogelijk als landhabitat gebruikt kan worden, blijft gehandhaafd. Dit geldt ook voor het spoorbed (stenen) van de aan de noordwestzijde grenzende spoorlijn: deze blijft ook onaangetast. Zie figuur 8 (Inrichting plangebied met alternatief leefgebied voor o.a. rugstreeppad) op pagina 24 voor de locaties van de compenserende maatregelen op het VAB-terrein.

Pagina 19

8

Maatregelen

Voorafgaand, tijdens en na de werkzaamheden worden maatregelen getroffen om overtreding van de verbodsbepalingen artikel 11.46, lid 1, sub a van het Bal (opzettelijk doden of vangen van dieren), artikel 11.46, lid 1, sub b van het Bal (opzettelijk verstoren van dieren), artikel 11.46, lid 1, sub c van het Bal (ei-snoeren opzettelijk vernielen) en artikel 11.46, lid 1, sub d van het Bal (het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) zo veel mogelijk te voorkomen.

8.1

Voorafgaand aan de werkzaamheden te nemen maatregelen

De ontwikkeling in het plangebied heeft een doorlooptijd van een jaar. In het tweede kwartaal van 2025 zal het achterterrein bouwrijp gemaakt (geasfalteerd) worden. De aanpassing aan de sloot en de groenvoorzieningen worden geschat pas op het allerlaatst, in het laatste kwartaal gerealiseerd te worden (1ste / 2e kwartaal 2026). Werken buiten de meest kwetsbare periode Om de effecten op de rugstreeppad zoveel mogelijk te beperken worden de werkzaamheden zoveel mogelijk in de minst kwetsbare periode tussen 1 april en 15 oktober (bron: Kennisdocument Rugstreeppad, BIJ12) uitgevoerd. Door de activiteiten gefaseerd in de ruimte en tijd uit te voeren, kan ervoor worden gezorgd dat er voor de rugstreeppad op elk moment voldoende geschikt habitat aanwezig is waar overwintering plaats kan vinden. Hiervoor is het van belang dat er voldoende maatregelen getroffen worden, waaronder het wegvangen van individuen. Op het VAB-terrein en op het opslagterrein is geen voortplantingswater vastgesteld en op dit moment ook niet te verwachten. Echter tijdens graafwerkzaamheden, en dan na langdurige neerslag, is tijdelijk voortplantingswater in een laagte of in sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan niet uit te sluiten.

Tijdens de werkzaamheden dient hier rekening mee te worden gehouden en bij aanwezigheid van potentieel voortplantingswater van de rugstreeppad dient direct een ecologisch deskundige ingeschakeld te worden. Deze moet dan ter plaatse beoordelen of aangetroffen wateren geschikt zijn als voortplantingswater en/of controleren op aanwezigheid van voortplanting in de vorm van eisnoeren en/of larven. Wegvangen individuen Voorafgaand aan het slopen en bouwrijp maken van het terrein worden eerst de aanwezige rugstreeppadden afgevangen. Bij aanwezigheid van voortplanting van de rugstreeppad, tijdens de uit te voeren graafwerkzaamheden (zie bovengenoemde situatie onder kopje ‘Werken buiten de meest kwetsbare periode’) worden aangetroffen eisnoeren en/of larven eveneens afgevangen en verplaatst naar geschikt leefgebied. Het eventueel verplaatsen van eisnoeren en/of larven is dan voor het belang van de soort en de lokale populatie van belang.

Pagina 20

De rugstreeppadden worden weggevangen uit het plangebied en verplaatst naar geschikt alternatief leefgebied ten zuidwesten van het plangebied (zie figuur 7). Deze percelen zijn al geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad en bevinden zich op korte afstand van het plangebied. Hierdoor is herkolonisatie van het plangebied, na afronding van de werkzaamheden, vanuit de uitzetlocaties mogelijk. Door het ruim voorafgaand aan start van de werkzaamheden wegvangen van de rugstreeppadden, het verplaatsen naar geschikt (alternatief) leefgebied en het realiseren van voldoende nieuw leefgebied (compensatie) in het plangebied wordt de lokale gunstige staat van instandhouding gewaarborgd. Om de rugstreeppadden te vangen wordt het plangebied waar werkzaamheden plaats gaan vinden (voorafgaand aan de werkzaamheden) in februari/maart of in augustus eerst uitgerasterd door hier een amfibieënscherm te plaatsen. Dit zijn de periodes dat rugstreeppadden zich verplaatsen van winterhabitat naar voortplantingswater en van voortplantingswater naar winterhabitat (seizoensmigratie) en ze het beste afgevangen kunnen worden. Omdat de ontwikkeling in één fase uitgevoerd wordt vindt afrastering voor het gehele plangebied plaats. Het plaatsen van een amfibieënscherm vindt plaats langs de zuidoostgrens van het VAB-terrein en langs de zuidwestrand van het opslagterrein aan de 's-Gravendamseweg 65.

Figuur 7. Uitzetlocatie rugstreeppad (gele cirkel). De oranje stippen zijn waarnemingen van rugstreeppad in de omgeving van het plangebied in de periode 2014-2014.

Pagina 21

Het amfibieënscherm bestaat uit stevig plastic of worteldoek van tenminste 50 cm hoog en wordt minimaal 10 cm ingegraven. Aan de binnenzijde worden om de 25 m emmers ingegraven om de rugstreeppadden te vangen. Voor de periode februari/maart geldt dat zodra de rugstreeppadden ontwaken uit hun winterslaap, zij zich gaan verplaatsen richting voortplantingswateren. In de periode dat zij bezig zijn met de seizoenstrek, kunnen ze worden afgevangen aangezien de rugstreeppadden tijdens de trek op de amfibieënschermen zullen stuiten en in de emmers terecht komen. Hiervoor worden de emmers in periode maart-mei dagelijks gecontroleerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van rugstreeppadden. Op warme dagen worden de emmers twee keer gecontroleerd. Voor de periode augustus geldt dat de rugstreeppadden weer van de voortplantingswateren naar hun winterhabitat verplaatsen. Ook hiervoor geldt dat de dieren kunnen worden afgevangen aangezien zij op de amfibieënschermen zullen stuiten en in de emmers terecht komen. De emmers worden in de periode augustusseptember dagelijks gecontroleerd. Deze controleronden vinden ’s ochtends plaats en op warme dagen worden de emmers twee keer (ochtend en middag) gecontroleerd. Tijdens de controles wordt er voor gezorgd dat de emmers vochtig blijven.

Daarbij wordt de bodem van de emmers geperforeerd zodat er niet (teveel) water in blijft staan en voorzien van minimaal één schuin geplaatste tak/stok (zodat muizen en insecten kunnen ontsnappen). De rugstreeppadden (en eventueel overige amfibieén) in de emmers worden geregistreerd (voor het bijhouden van het logboek voor ecologische begeleiding) en overgebracht naar geschikt alternatief leefgebied en daar vrijgelaten. Voor een pioniersoort als rugstreeppad is deze verplaatsing geen probleem. Deze soort is gewend om makkelijk nieuwe voortplantingswateren te accepteren. Het is niet noodzakelijk om deze gehele bovengenoemde periodes de emmers te controleren. Wanneer er na minimaal 5 aaneengesloten dagen geen rugstreeppadden (of andere amfibieen) in de emmers zijn aangetroffen kan er vanuit worden gegaan dat alle in het plangebied aanwezige rugstreeppadden weggevangen zijn. Het plangebied kan dan worden vrijgegeven voor werkzaamheden. De emmers mogen dan verwijderd worden. Het amfibieënscherm mag nog NIET verwijderd worden en blijft functioneel tot de laatste werkzaamheden (1ste/2e kwartaal 2026) zijn uitgevoerd. Hierdoor wordt voorkomen dat (uitgezette) padden weer terugkeren in het plangebied.

Hiervoor worden controles uitgevoerd en wordt eventueel de vegetatie langs de amfibieënschermen kort gehouden (deze maatregelen worden in een nog op te stellen ecologisch werkprotocol opgenomen). Ecologisch werkprotocol Een deskundige ecoloog zal een ecologisch werkprotocol (ewp) opstellen aan de hand van dit activiteitenplan. Dit ewp moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken aannemers bekend zijn. De activiteiten moeten aantoonbaar volgens dit ewp worden uitgevoerd.

Pagina 22

8.2

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen

Doordat leefgebied in de vorm van winter- en zomerhabitat en mogelijk voortplantingswater verloren gaat moet er ter compensatie nieuw leefgebied worden aangelegd. Dit nieuwe leefgebied moet van vergelijkbare of betere kwaliteit als hetgeen dat verloren gaat door de werkzaamheden. Het nieuw leefgebied van minimaal 0,3 ha wordt gerealiseerd in het plangebied en omvat zowel terrestrisch (overwintering) als aquatisch habitat (voortplanting). In figuur 8 staan deze elementen weergegeven. Verderop in deze paragraaf wordt ingegaan op de invulling van deze compensatie. Eisen leefgebied Voortplantingswater Rugstreeppad is voor de voortplanting sterk afhankelijk van ondiepe wateren die snel opwarmen en welke vaak tijdens de zomer opdrogen. Het voordeel hiervan is dat weinig predatoren als vissen hier een (stabiele) populatie kunnen hebben. Een natuurlijke oever met een helling van 1:2 tot 1:5 is ideaal. Een ondiepe betonnen bak met water kan al voldoende zijn als voortplantingswater. Doordat het een betonnen constructies betreft kan deze niet verlanden en is deze makkelijk als pioniersmilieu/voortplantingswater te handhaven. De poel staat ook niet in contact met grondwater of ander oppervlaktewater zodat deze in de zomer droog kan vallen. De afmetingen van een dergelijke poel liggen in de grootte van 7-10 m breed en 5090 cm diep.

Ondiepe sloten en watergangen zijn geschikt als deze voldoende beheerd worden als pioniersmilieu. Landhabitat Rugstreeppad is vooral een soort van dynamisch milieu met pionierskarakter, vaak door de mens gecreëerd. Braakliggende terreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen vormen een geschikt leefgebied. Een goed vergraafbare bodem en materiaal om onder te schuilen vormen de basis van het landhabitat. Overwinteringslocaties voor rugstreeppad dienen vorstvrij te zijn en moeten boven grondwater liggen in vergraafbare grond. Uitwerking compensatie leefgebied Binnen het plangebied wordt op vier plekken geschikt leefgebied voor de rugstreeppad gemaakt. Dit omvat: ➢ Een sloot met een natuurlijke oever; ➢ Er wordt een amfibieënpoel in de vorm van een ondiepe betonnen bak aangelegd. Tevens wordt de oeverzone ingericht als landhabitat; ➢ Er wordt op twee locaties landhabitat gecreëerd.

Pagina 23

Figuur 8. Inrichting plangebied met alternatief leefgebied voor o.a. rugstreeppad.

Pagina 24

Locatie 1.

Locatie 2.

Locatie 3.

Locatie 4.

Locatie 1 Deze locatie van circa 200 m2 in de zuidoostgrens van het plangebied wordt ingericht als landhabitat voor de rugstreeppad. Over een lengte van 75 meter wordt hier een permanent terrestrisch habitat gecreëerd door gebruik te maken van goed vergraafbare grond, door de aanleg van enkele zandruggen (eventueel een stapel puin met zand er over/door heen) van minimaal 1 m hoog en minimaal 5 m lang. De noordrand, grenzend aan het VAB-terrein, wordt ingepland met een smalle meidoornhaag. Locatie 2 Deze locatie van circa 300 m2 in de noordwesthoek van het plangebied wordt ingericht als voortplantingswater en landhabitat voor de rugstreeppad. Het voortplantingshabitat bestaat uit een ondiepe betonnen bak, welke niet kan verlanden en zodoenen als pioniersmilieu én voortplantingswater voor de rugstreeppad gehandhaafd kan blijven. De poel staat ook niet in contact met grondwater of ander oppervlaktewater zodat deze in de zomer droog kan vallen. De afmetingen van de poel: 10 m breed en 5090 cm diep. Bij voorkeur worden twee betonnen bakken met verschillende dieptes

Pagina 25

aangelegd: zodoende blijft er ten alle tijden, ook tijdens een lange droge periode, geschikt voortplantingswater aanwezig. Langs de noordzijde wordt terrestrisch habitat gecreëerd door de aanleg van een zandruggen (eventueel een stapel puin met zand er over/door heen) van minimaal 1 m hoog en minimaal 5 m lang. Locatie 3 Deze locatie van circa 1950 m2 in de uiterste zuidwesthoek van het plangebied wordt ingericht als landhabitat voor de rugstreeppad. Verspreid wordt permanent terrestrisch habitat gecreëerd door de aanleg van minimaal vijf zandruggen (eventueel een stapel puin met zand er over/door heen) van minimaal 1 m hoog en minimaal 5 m lang. Op dit moment bestaat dit terreindeel deels uit een spoorbed met grind/stenen en een grazig dijklichaam (zie foto 1 en 2) en is hiermee al deels geschikt als landhabitat voor de rugstreeppad. Dit leefgebied wordt dan verder versterkt door de aanleggen van de vijf zandruggen.

Foto 1. Spoorbed met grind/stenen.

Foto 2. Dijklichaam met meest westelijke hal op de achtergrond.

Locatie 4 Deze locatie van circa 200 m2 in de zuidoostgrens van het plangebied wordt ingericht als voortplantingswater met landhabitat voor de rugstreeppad. Over een lengte van 75 meter wordt de oeverzone van een sloot glooiend gemaakt door het realiseren van een natuurlijke oever met een helling van 1:5. Langs de noordwestrand worden verder twee zandruggen (eventueel een stapel puin met zand er over/door heen) van minimaal 1 m hoog en minimaal 5 m lang aangelegd. Locatie 1:

200 m²

Locatie 2:

350 m²

Locatie 3:

2250 m²

Locatie 4:

200 m²

TOTAAL:

3000 m² / 0,30 ha

Pagina 26

8.3

Resterende effecten (waarvoor een omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd)

Ondanks de mitigerende en compenserende maatregelen zijn er resterende effecten waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. In het plangebied gevangen rugstreeppadden worden weggevangen en naar geschikt leefgebied in de omgeving overgeplaatst. Het vangen van rugstreeppadden is verboden op grond van artikel 11.46, lid 1, sub a van het Bal (opzettelijk doden of vangen van dieren). Vanwege het toepassen van niet-selectieve vangmiddelen, namelijk emmers, is er daarbij ook sprake van een overtreding van artikel 11.72 van het Bal. Daarnaast is het mogelijk dat er gedurende werkzaamheden in het voortplantingsseizoen eisnoeren weggevangen en overgeplaatst moeten worden. Dit betreft een overtreding van artikel 11.46, lid 1, sub c van het Bal (eisnoeren opzettelijk vernielen). Ook is het vervoeren en verplaatsen van rugstreeppadden verboden op grond van artikel 11.47 van het Bal. Daarnaast is het niet te voorkomen dat er bij de werkzaamheden verstoring van rugstreeppad plaatsvindt (overtreding artikel 11.46, lid 1, sub b van het Bal). Tot slot zorgt het voornemen ervoor dat rustplaatsen en mogelijk voortplantingswateren van de rugstreeppad vernield worden. Deze worden weliswaar gecompenseerd, maar daarmee wordt het vernielen van leefgebied niet voorkomen. Dit betreft een overtreding van artikel 11.46, lid 1, sub d van het Bal.

Voor de overtredingen wordt een omgevingsvergunning aangevraagd: zie hoofdstuk 5.

8.3.1 Broedvogels • • •

•

8.3

De werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen (het broedseizoen loopt globaal van 1 maart tot 1 september). De werkzaamheden vinden onder ecologische begeleiding plaats. Als tijdens de werkzaamheden toch broedende vogels worden aangetroffen worden de werkzaamheden onmiddellijk stopgezet en wordt direct een deskundige ingeschakeld. De exacte werkwijze wordt in een ecologisch werkprotocol vastgelegd.

Na de werkzaamheden:

In de eindsituatie zal in het plangebied evenveel geschikt leefgebied voor de rugstreeppad aanwezig zijn als in de oorspronkelijke situatie. In de nieuwe situatie wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd, met een flauwe helling van 1 op 5 voor een goede gradatie en voldoende opwarmplekken. Er wordt een amfibieënpoel met landhabitat aangelegd. Daarnaast worden op diverse plekken alternatief landhabitat in de vorm van meerdere zandruggen gecreëerd. Op deze manier blijft de planlocatie geschikt voor de soort zoals in de huidige situatie het geval is. Hierdoor zal de rugstreeppad naar verwachting in het plangebied, vanuit aangrenzend leefgebied, weer terugkeren. Door de voorgenomen maatregelen en de beperkte omvang van het effect is het aannemelijk dat de rugstreeppad in de directe omgeving aanwezig blijft.

Pagina 27

8.4 •

• •

• •

Maatregelen om aan de zorgplicht te voldoen: Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin alle ten behoeve van de rugstreeppad en broedvogels te nemen maatregelen worden vastgelegd. Dit ecologisch werkprotocol is op de locatie aanwezig en is onder alle betrokken partijen bekend. Werkzaamheden worden aantoonbaar conform dit protocol uitgevoerd. De exacte inhoud van het ecologisch werkprotocol is mede afhankelijk van eventuele aanvullende maatregelen vanuit de nog te verlenen Omgevingsvergunning. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige ecoloog. Als tijdens de werkzaamheden toch bezette nesten van vogels of andere strikt beschermde soorten worden aangetroffen worden de werkzaamheden onmiddellijk stopgezet en wordt direct de deskundige ecoloog ingeschakeld. Indien er van het ecologisch werkprotocol afgeweken moet worden zal er vooraf overleg plaatsvinden met de betrokken ecoloog. Er wordt zo veel mogelijk één richting op gewerkt, waarbij eventueel aanwezige dieren zoals vissen de gelegenheid krijgen om te vluchten.

Pagina 28

9 Alternatieven 9.1

Alternatieve locatie

Gezien de langgerektheid van het terrein, kunnen de werkzaamheden niet op een andere locatie plaatsvinden. Het is de bedoeling dat de voorste hal in gebruik blijft tijdens de werkzaamheden. Dus eerst zal de achterste hal worden gesloopt en de nieuwe hal worden gebouwd, daarna komt de rest (sloop voorste hal en bouw nieuw weegkantoor etc.).

9.2

Alternatieve inrichting

De omliggende watergangen waar de rugstreeppad recent is vastgesteld en welke potentieel geschikt zijn als leefgebied blijven gehandhaafd en worden niet aangetast door de werkzaamheden. Na uitvoering van de compensatie ontstaat er een geschikt leefgebied.

9.3

Alternatieve werkwijze

De werkwijze wordt qua planning en activiteiten afgestemd op de aanwezigheid van de rugstreeppad en de ecologie van deze soort. Er is geen alternatieve werkwijze denkbaar die voor de beschermde rugstreeppad gunstiger is.

9.4

Alternatieve planning

De planning van de werkzaamheden met betrekking tot het slopen van de gebouwen en herinrichting van het terrein wordt afgestemd op de aanwezigheid van de rugstreeppad en de ecologie van deze soort. De werkzaamheden worden gestart en uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode van de rugstreeppad. Er is geen alternatieve planning denkbaar die beter is voor deze beschermde soort.

Pagina 29

Bijlage 1 Bestaande situatie

Pagina 30

Bijlage 2 Nieuwe situatie

Pagina 31

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=e88183bf-bbda-4239-b24c-c7fba2ead124