CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

15.Bijlage XI - Aanvullend natuuronderzoek VAB-terrein.pdf - Bijlage XI - Aanvullend natuuronderzoe

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Principeverzoek vernieuwen en vergroten overslagstation VAB 's-Gravendamseweg 77 Voorhout7.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend natuuronderzoek VAB-terrein in Voorhout In opdracht van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek

Colofon Aanvullend natuuronderzoek VAB-terrein in Voorhout

Opdrachtgever Contactpersoon

Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum:

2518

Foto voorblad

Rugstreeppad in het plangebied (foto:

18 november 2022 )

Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

5

6

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Onderzoeksmethode.................................................................................................... 7 3.1

Onderzoeksmethode rugstreeppad ....................................................................... 7

3.2

Onderzoeksmethode gebouwbewonende vleermuizen ......................................... 8

Resultaten ................................................................................................................... 9 4.1

Resultaten rugstreeppad....................................................................................... 9

4.2

Resultaten gebouwbewonende vleermuizen ....................................................... 13

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 17 5.1

Rugstreeppad ..................................................................................................... 17

5.2

Gewone dwergvleermuis .................................................................................... 18

5.3

Overige vleermuissoorten ................................................................................... 19

Conclusie ................................................................................................................... 20

Bijlage 1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 21

Samenvatting Uit gericht onderzoek blijkt dat bij de herinrichting van het VAB-terrein aan de 'sGravendamseweg 77 in Voorhout zomerhabitat en winterverblijfplaatsen verloren gaan. Daarnaast kan het verstoren, verwonden en doden van rugstreeppadden niet volledig uitgesloten worden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Derhalve is het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een activiteitenplan ten aanzien van de rugstreeppad noodzakelijk. Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aangetroffen en er is geen sprake van essentiële foerageergebieden of vliegroutes. Wel bevindt zich op korte afstand ten noorden of oosten van het plangebied een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Indien bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van deze verblijfplaats is het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een activiteitenplan niet noodzakelijk. Aanbevolen wordt om bij de herinrichting van het terrein rekening te houden met foerageergebieden van de gewone dwergvleermuis. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.

Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Dit zijn de uitkomsten van het aanvullend onderzoek naar rugstreeppad en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen dat is gehouden naar aanleiding van de plannen voor de herinrichting van het VAB-terrein aan de 's-Gravendamseweg 77 in Voorhout. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor vaste rust- en verblijfplaatsen van rugstreeppadden en gebouwbewonende vleermuizen. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de heer Van Niel van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer oplegt. Op het VAB-terrein in Voorhout is men voornemens de bestaande bedrijfsgebouwen te slopen en nieuwe gebouwen te plaatsen. Op basis van een eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets door Staring Advies (SA rapport 2378) is gebleken dat gericht onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en de rugstreeppad noodzakelijk is. De heer Van Niel van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van dit natuuronderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, als er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en essentieel leefgebied van de rugstreeppad. Voor overige beschermde soorten zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, of zijn te voorkomen door rekening te houden met gevoelige perioden, zoals het broedseizoen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

's-Gravendamseweg 77 (VAB-terrein) Voorhout Teylingen Zuid-Holland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de woonkern Noordwijkerhout en ten noorden van de woonkern Voorhout in de gemeente Teylingen (zie figuur 1 en 2). Het betreft een langgerekt bedrijfsterrein langs het spoor, ten behoeve van het afvoeren van afval. Het plangebied bestaat grotendeels uit geasfalteerd terrein met enkele perken en gebouwen. Er is tevens een ongebruikte spoorlijn over de gehele lengte aan de zuidoostzijde van het terrein. Deze spoorbaan ligt grotendeels op een spoorbed (stenen). Aan de meest westelijke punt is een iets verwilderd deel met enig hoogteverschil en ruigte. Het plangebied ligt op een verhoogd terrein, op gelijke hoogte met de doorgaande spoorlijn, en wordt begrenst door een spoorlijn, agrarische percelen, infrastructuur en bebouwing.

2.3 Geplande werkzaamheden De gebouwen en installaties op het VAB-terrein in Voorhout zijn verouderd en worden vervangen. De gemeentes hebben een projectteam aangesteld dat werkt aan een plan om het VAB-terrein toekomstbestendig en innovatief in te richten. Men is voornemens om op het VAB-terrein in Voorhout onder andere enkele gebouwen en installaties te slopen. Naar verwachting wordt medio 2023 gestart met de sloop- en bouwwerkzaamheden.

Pagina 5

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Zuid-Holland (2022).

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood). Bron: Provincie Zuid-Holland (2022).

Pagina 6

3 Onderzoeksmethode 3.1 Onderzoeksmethode rugstreeppad Het plangebied is plaatselijk geschikt als landhabitat voor de rugstreeppad en er zijn enkele sloten in de directe omgeving die mogelijk geschikt zijn als voortplantingswater voor deze soort. Geschikt voortplantingswater kan zich ook binnen het plangebied bevinden in de vorm van waterplassen als gevolg van regen. Geschikt landhabitat bestaat uit de aanwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems en een spoorbed (stenen) van een ongebruikte spoorlijn. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de geplande werkzaamheden in het plangebied leiden tot aantasting van de voortplantingswateren en het landhabitat van de rugstreeppad. Om de aan- of afwezigheid van rugstreeppadden aan te tonen is een inventarisatie uitgevoerd conform de richtlijnen zoals opgesteld in het document “Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming” (Netwerk Groene Bureaus, juli 2017), welke bestaat uit een uitgebreid veldonderzoek. Om de aanwezigheid van voortplantingsbiotoop vast te stellen dienen meerdere rondes te worden uitgevoerd, waarbij geluisterd wordt naar kooractiviteit van rugstreeppadden. Indien nodig wordt gebruikt gemaakt van het afspelen van geluid om activiteit uit te lokken.

Deze rondes worden uitgevoerd vanaf een uur na zonsondergang bij geschikte weersomstandigheden (relatief warme, broeierige avonden en nachten, bij voorkeur na regen). Ter aanvulling kunnen geschikte wateren worden onderzocht op aanwezigheid van eisnoeren en larven van de rugstreeppad tijdens een bezoek bij daglicht. Landhabitat (zomer- en winterbiotoop) wordt vastgesteld op basis van potenties (geschiktheid en bereikbaarheid) in combinatie met de ligging van het voortplantingsbiotoop.

Pagina 7

3.2 Onderzoeksmethode gebouwbewonende vleermuizen Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk aangezien er bij de sloop van de bebouwing mogelijk sprake is van aantasting van verblijfplaatsen van de gebouwbewonende vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Overige soorten gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone grootoorvleermuis, worden niet verwacht vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen voor deze soorten. Voor het vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol 2021, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend. Voor het onderzoek is, conform dit protocol, de volgende onderzoeksinspanning noodzakelijk: 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 april – 15 juli, en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober. Van de 3 bezoeken in het voorjaar moet 1 ronde uitgevoerd worden in juni en één van de veldbezoeken is een ochtendbezoek. Er dient minimaal 20 dagen tussen de verschillende bezoekronden te zitten. Eén van de bezoeken in het najaar moet, specifiek voor de ruige dwergvleermuis, rond middennacht uitgevoerd worden. Er worden geen massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen verwacht. Onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen is dan ook niet meegenomen in dit onderzoek.

Tijdens elk vleermuisbezoek is het plangebied door minimaal twee en maximaal vier vleermuisonderzoekers op vleermuizen onderzocht. De bezoeken zijn allen te voet uitgevoerd. Het plangebied is door de aanwezigheid van verharding en spaarzame, voornamelijk lage begroeiing rond het gebouw overzichtelijk. Door de onderzoeksintensiteit en overzichtelijkheid van het plangebied, is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen.

Pagina 8

4 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar de rugstreeppad en naar gebouwbewonende vleermuizen besproken.

4.1 Resultaten rugstreeppad 4.1.1 Onderzoeksronden Ten behoeve van het aantonen van aan-/afwezigheid van de soort, beoordeling van de habitatgeschiktheid en het terreingebruik zijn twee onderzoeken op locatie specifiek voor de rugstreeppad uitgevoerd. Daarnaast is tijdens de vleermuisonderzoeken ook gelet op de eventuele aanwezigheid van rugstreeppadden. Hoewel de planning van de vleermuisonderzoeken niet in alle gevallen optimaal is voor het aantreffen van de rugstreeppad, is de trefkans door de grotendeels overeenkomende onderzoekstijden en activiteitsperioden van de soorten relatief groot. Om deze reden staan in tabel 1 zowel de bezoeken vermeld die specifiek zijn uitgevoerd voor de rugstreeppad, als de bezoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het vleermuisonderzoek. De twee bezoeken gericht op de rugstreeppad zijn op geschikte avonden uitgevoerd, waarbij voorplantingsactiviteit is geïnventariseerd door te luisteren naar kooractiviteit van roepende mannetjes. Tijdens deze twee bezoeken, in combinatie met de bezoekronden voor het vleermuisonderzoek, is een duidelijk beeld ontstaan van het gebiedsgebruik van de rugstreeppad in het plangebied (zie figuur 3).

Een dagbezoek, waarbij gezocht wordt naar eisnoeren en larven van de rugstreeppad, is niet uitgevoerd omdat tijdens de avondbezoeken reeds is vastgesteld dat er in het plangebied ook na regen geen geschikte plassen of andere voortplantingswateren aanwezig waren. Buiten het plangebied is wel voortplantingsactiviteit van de rugstreeppad vastgesteld, namelijk koortactiviteit van roepende mannetjes. Onderzoekers

Ronde

D. Heintz

Rsp 1

D. Heintz, T. Bouman, L. van Lith D. Heintz, T. Bouman, C. van der Meer, L. van Lith D. Heintz, T. Bouman, C. van der Meer, L. van Lith

Vlrm 1 Vlrm 2 Vlrm 3

D. Heintz

Vlrm 4

D. Heintz

Rsp 2

D. Heintz, T. Bouman

Vlrm 5

D. Heintz, T. Bouman

Vlrm 6

Datum en tijd 19-05-2022 21:35-23:05 26-05-2022, 2:30-5:32 07-06-2022, 21:45-0:15 28-06-2022, 21:50-0:30 14-07-2022, 3:34-5:38 27-07-2022, 21:40-23:10 15-08-2022, 22:06-2:06 06-09-2022, 21:30-23:30

Zon op of onder

Weersomstandigheden

21:36

Half bewolkt, droog, 12°C, wind ZW 1 Bft Half bewolkt, droog, 14°C, wind ZW 3 Bft Onbewolkt, droog, 16°C, wind ZW 2 Bft Half bewolkt, droog, 19°C, wind O 2 Bft Licht bewolkt, droog, 13°C, wind 2 Bft Onbewolkt, droog, 12°C, wind NW 1 Bft Onbewolkt, droog, 18°C, wind Z 1 Bft Bewolkt, droog, 21°C, wind NO 2 Bft

5:32 22:00 22:07 5:38 21:41 21:06 20:18

Tabel 1. Veldonderzoek rugstreeppad.

Pagina 9

4.1.2 Eerste avondronde rugstreeppad: 19 mei 2022 De eerste avondronde is uitgevoerd op 19 mei 2022. 19 mei was een zeer warme dag met in het begin van de avond onweersbuien. Door de onweersbuien koelde het vervolgens sterk af, waardoor de temperatuur tijdens het onderzoek slechts 12°C was. Toch bleek er rond het VAB-terrein sprake te zijn van kooractiviteit van rugstreeppadden. In de akker en sloten rond de akker, welke is gelegen ten zuidoosten van het VAB-terrein, zijn meerdere roepende rugstreeppadden gehoord. Het gaat om minimaal 6 exemplaren (zie figuur 3). Op het VAB-terrein zelf is geen voortplantingsactiviteit van rugstreeppadden waargenomen. Er waren ook geen geschikte regenplassen of ander open water aanwezig op dit terrein. Door de grotendeels open bodem (grindbedden, perken) en de hogere ligging van dit terrein zijn er geen plaatsen waar na regenbuien water blijft staan. Tijdens deze avondronde zijn geen verdere waarnemingen van rugstreeppadden gedaan.

4.1.3 Eerste ochtendronde vleermuizen: 26 mei 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op 26 mei 2022 is op het VAB-terrein één adulte rugstreeppad waargenomen (zie figuur 3). Dit betrof waarschijnlijk een foeragerend of zich verplaatsend exemplaar.

4.1.4 Eerste avondronde vleermuizen: 7 juni 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op het VAB-terrein op 7 juni 2022 zijn geen rugstreeppadden waargenomen.

4.1.5 Tweede avondronde vleermuizen: 28 juni 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op 28 juni 2022 zijn op het VAB-terrein twee adulte rugstreeppadden waargenomen (zie figuur 3). Dit betrof waarschijnlijk foeragerende of zich verplaatsende exemplaren.

4.1.6 Tweede ochtendronde vleermuizen: 14 juli 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op het VAB-terrein op 14 juli 2022 zijn geen rugstreeppadden waargenomen.

4.1.7 Tweede avondronde rugstreeppadden: 27 juli 2022 Door het uitblijven van regen is de tweede avondronde voor rugstreeppadden pas uitgevoerd op 27 juli, nadat het de voorgaande avond (26 juli 2022) had geregend. Tijdens dit avondbezoek zijn er 3 rugstreeppadden waargenomen in het plangebied (zie figuur 3). Van één individu is vastgesteld dat het een vrouwtje betrof. De sekse van de andere twee individuen is onbekend. Er is geen voortplantingsactiviteit waargenomen in of rond het plangebied, er zijn dus ook geen roepende mannetjes gehoord.

Pagina 10

4.1.8 Derde avondronde vleermuizen: 15 augustus 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op 15 augustus 2022 zijn op het VAB-terrein vijf adulte rugstreeppadden waargenomen (zie figuur 3). Dit betrof waarschijnlijk foeragerende of zich verplaatsende exemplaren.

4.1.9 Vierde avondronde vleermuizen: 6 september 2022 Tijdens het vleermuisonderzoek op het VAB-terrein op 6 september 2022 zijn geen rugstreeppadden waargenomen.

Figuur 3. Waarnemingen van rugstreeppadden tijdens veldbezoeken: adulte individuen in het plangebied (geel) en locatie roepende mannetjes (blauw). Bron: Provincie Zuid-Holland (2022).

Pagina 11

4.1.10 Samenvatting en conclusie rugstreeppadden Tijdens vrijwel alle onderzoeksronden zijn rugstreeppadden aangetroffen op het VABterrein en bij één ronde zijn roepende mannetjes van de soort gehoord op en langs een naast het VAB-terrein gelegen akker. Op het VAB-terrein zelf zijn, ook na regen, geen geschikte voortplantingswateren aangetroffen. Hiermee kan worden uitgesloten dat de rugstreeppad zich voortplant op het VAB-terrein. Het VAB-terrein voldoet wel aan de eisen van het landhabtitat van de rugstreeppad. Door de iets hogere ligging van het terrein ten opzichte van de omgeving en de aanwezigheid van relatief veel verharde bodem (asfalt, grindbedden) is het VAB-terrein relatief droog en warm. Hierdoor is het terrein geschikt als leefgebied. Er zijn grindbedden, muizenholen en opgeslagen materialen, waar rugstreeppadden geschikte verblijfplaatsen kunnen vinden. Mogelijk kunnen rugstreeppadden ook de aanwezige gebouwen in via kieren of holen. Doordat rugstreeppadden van natura in dynamische milieus voorkomen (zoals rivieruiterwaarden) hebben ze voor de overwinteringsplaatsen een sterke voorkeur voor hoger gelegen terreinen. Het VAB-terrein voldoet aan alle voorwaarden voor een geschikt leefgebied van de rugstreeppad. Er zijn gedurende de onderzoeken 12 rugstreeppadden op het VABterrein aangetroffen (zie foto 1 en 2).

Hieruit moet worden geconcludeerd dat het VABterrein door rugstreeppadden gebruikt wordt als zomerhabitat. Door de ligging en de geschiktheid van het terrein is het zeer waarschijnlijk dat het terrein tevens een belangrijk overwinteringshabitat is voor de lokale populatie rugstreeppadden.

Foto’s 1 en 2: Enkele voorbeelden van aangetroffen adulte rugstreeppadden binnen het plangebied tijdens het onderzoek. Foto’s: D. Heintz.

Pagina 12

4.2 Resultaten gebouwbewonende vleermuizen 4.2.1 Onderzoeksronden Het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021. Daarnaast is op 14 juli 2022 een extra onderzoeksronde door één persoon uitgevoerd, omdat bij de eerdere onderzoeksronden onvoldoende duidelijk was geworden of er sprake was van verblijfplaatsen. In tabel 2 staan alle onderzoeksronden ten behoeve van gebouwbewonende vleermuizen weergegeven. Ronde

Functie

Datum

Begintijd

Eindtijd

Weersomstandigheden

Zomer- en kraamverblijfplaatsen gebouwbewonende soorten Soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis Kraam- en zomerverblijfplaatsen Avond – nacht (conform vleermuisprotocol 2021) 1

Zomer- en kraamverblijfplaats

2

Zomer- en kraamverblijfplaats

07-062022 28-062022

21:45 uur

0:15 uur

21:50 uur

0:30 uur

02:30 uur

05:32 uur

03:34 uur

05:38 uur

22:06 uur

02:06 uur

21:30 uur

23:30 uur

Onbewolkt, droog, 16°C, wind 2 Bft Half bewolkt, droog, 19°C, wind 2 Bft

Nacht – ochtend (conform vleermuisprotocol 2021) 3

Zomerverblijfplaats

4

Zomerverblijfplaats

26-052022 14-072022

Half bewolkt, droog, 14°C, wind 3 Bft Onbewolkt, droog, 12°C, Wind 1 bft

Paarverblijfplaatsen Avond – nacht (conform vleermuisprotocol 2021) 5

Paarverblijfplaats

6

Paarverblijfplaats

15/1608-2022 06-092022

Onewolkt, droog, 17°C, wind 1 Bft Bewolkt, droog, 21°C, wind 2 Bft

Tabel 2. Veldonderzoek vleermuizen.

4.2.2 Ronde 1 (ochtend, zomerverblijfplaatsen): 26 mei 2022 Tijdens deze ochtendronde zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen in het gebouw vastgesteld. Rondom het gebouw zijn vleermuizen waargenomen. Het betreft passerende/foeragerende gewone dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en een ruige dwergvleermuis. De eerste gewone dwergvleermuizen zijn hier rond 03:05 uur waargenomen en het laatste exemplaar vloog hier rond 04:39 uur. De waarneming van rosse vleermuizen betreft naar schatting 5 dieren welke passeerden om 04:35 uur. Tussen 04:20 en 04:39 uur is er zwermgedrag waargenomen van één gewone dwergvleermuis. Deze vloog uiteindelijk weg richting noord. De overige waargenomen vleermuizen vertoonden geen binding met het object.

Pagina 13

4.2.3 Ronde 2 (avond, kraam- en zomerverblijfplaatsen): 7 juni 2022 Tijdens deze avondronde zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen in het gebouw vastgesteld. Wel is er een keutel van een vleermuis aangetroffen tegen de oostelijke gevel van het zuidelijke gebouw binnen het plangebied. Rondom het gebouw zijn circa acht vliegende vleermuizen waargenomen. Het betreft passerende/foeragerende gewone dwergvleermuizen en één rosse vleermuis. De waargenomen vleermuizen vertoonden geen binding met het object.

4.2.4 Ronde 3 (avond, kraam- en zomerverblijfplaatsen): 28 juni 2022 Tijdens deze avondronde zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen in de gebouwen vastgesteld. In het plangebied zijn gedurende de avond minimaal 6 gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Het betreft hier voornamelijk passerende en foeragerende individuen. Het merendeel van de waarnemingen deze avond is gedaan in en rondom de sluis rond 22:30 uur. Verder zijn er nog 2 passerende rosse vleermuizen waargenomen rond 00:38 uur. De waargenomen rosse vleermuizen vertoonden geen binding met het object.

4.2.5 Ronde 4 (ochtend, kraam- en zomerverblijfplaatsen): 14 juli 2022 Omdat er tijdens de voorgaande onderzoeksronden meermaals gewone dwergvleermuizen werden aangetroffen in de sluis van het meest zuidwestelijk gelegen gebouw, maar niet duidelijk bleek wat de binding van deze dieren met het gebouw is, is een extra onderzoeksronde uitgevoerd. Bij deze ronde is specifiek gelet op gewone dwergvleermuizen in deze sluis. Gekozen is om deze extra ronde in de ochtend uit te voeren, omdat invliegende vleermuizen door het zwermgedrag in de ochtend makkelijker zijn waar te nemen dan uitvliegende vleermuizen in de avond. Tijdens deze ronde zijn opnieuw meerdere vleermuizen waargenomen die in de sluis foerageerden. Deze vier vleermuizen zijn uiteindelijk weggevlogen en hebben het terrein verlaten in westelijke richting. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen in de gebouwen vastgesteld.

4.2.6 Ronde 5 (avond, paarverblijfplaatsen): 15/16 augustus 2022 Tijdens deze avondronde zijn geen paarverblijfplaatsen van vleermuizen rondom de gebouwen vastgesteld. Gedurende de avond/nacht zijn er wel verschillende gewone dwergvleermuizen (minimaal 3) foeragerend in het plangebied waargenomen. Deze vleermuizen foerageerden voornamelijk rondom de wilgen aan de oostkant van het terrein en vertoonden verder geen binding met de aanwezige gebouwen. Gedurende de avond is er ook een overvliegende laatvlieger gehoord en minimaal 2 overvliegende rosse vleermuizen.

Pagina 14

4.2.7 Ronde 6 (avond, paarverblijfplaatsen): 6 september 2022 Tijdens deze avondronde zijn geen paarverblijfplaatsen van vleermuizen rondom de gebouwen vastgesteld. Gedurende de avond/nacht zijn er wel verschillende gewone dwergvleermuizen (minimaal 2) foeragerend in het plangebied waargenomen. Deze vleermuizen foerageerden voornamelijk rondom de wilgen aan de oostkant van het terrein en vertoonden verder geen binding met de aanwezige gebouwen. Gedurende het bezoek is er tevens een roepende gewone dwergvleermuis waargenomen. Mogelijk betrof dit een baltsend mannetje maar deze vertoonde geen binding met de gebouwen in het plangebied. Mogelijk heeft dit mannetje een paarverblijfplaats in de buurt van het plangebied. Aan het einde van de ronde begon het te regenen waarna de aanwezige gewone dwergvleermuizen het plangebied verlieten en in noordelijke richting wegvlogen.

4.2.8 Samenvatting en conclusie gebouwbewonende vleermuizen Tijdens alle onderzoeksronden zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen (zie figuur 4). Deze foeragerende dieren zijn meermaals in de sluis van één van de gebouwen waargenomen, maar een verblijfplaats is op het VAB-terrein niet aangetroffen. Mogelijk wordt de sluis door gewone dwergvleermuizen als foerageergebied gebruikt in verband met het prooiaanbod of vanwege de luwte in de sluis. Naast de gewone dwergvleermuis zijn er tijdens het onderzoek individuen van de laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis waargenomen. Deze vleermuizen toonden geen binding met het plangebied.

Pagina 15

Figuur 4. Waarnemingen van gewone dwergvleermuis: vliegroutes (geel), foerageergebied (rood) en foerageergebied in de sluis (groen). Bron: Provincie Zuid-Holland (2022).

Pagina 16

5 Wet natuurbescherming De effecten op aangetroffen beschermde fauna en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden. In het plangebied zijn de beschermde soorten rugstreeppad, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis waargenomen.

5.1 Rugstreeppad 5.1.1 Beschermde status De rugstreeppad is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de Europese Habitatrichtlijn, in tabel IV. Dit wil zeggen dat de soort op Europees niveau beschermd is. Voor deze soort geldt dat het niet is toegestaan om: • • • •

Individuen opzettelijk te doden of te vangen. Individuen opzettelijk te verstoren Eieren opzettelijk te vernielen of te rapen Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Wanneer voortplantingsplaatsen of rustplaatsen worden beschadigd of vernield, dan wel eieren of individuen worden gevangen, beschadigd, verwond, verstoord of gedood, is er sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5: Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, lid 1, 2, 3 en/of 4. Wanneer negatieve effecten door werkzaamheden niet voorkomen kunnen worden, dient voor deze activiteiten ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

5.1.2 Gebruik van het plangebied Op het VAB-terrein zijn geen voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad aanwezig. Op basis van de waarnemingen in combinatie met een habitatbeoordeling kan wel geconcludeerd worden dat het terrein in gebruik is als zomerhabitat en overwinteringsplaats. Waarnemingen van de soort zijn gedaan op het gehele terrein en op basis van geschiktheid is vastgesteld dat het gehele terrein van belang is als landhabitat voor de rugstreeppad. De geplande werkzaamheden betreffende het opnieuw inrichting van het terrein, waaronder de sloop en realisatie van gebouwen. Deze werkzaamheden kunnen leiden tot het doden of verwonden van individuen en het verstoren, beschadigen of vernietigen van verblijfplaatsen en landhabitat. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 uit de Wet natuurbescherming.

Pagina 17

Effectbeoordeling Wanneer de werkzaamheden kunnen leiden tot het overtreden van bovenstaande verbodsbepalingen, dan kan in eerste instantie gekeken worden of effecten voorkomen of geminimaliseerd kunnen worden, door tijdens de werkzaamheden een aantal mitigerende maatregelen in acht te nemen. Hiermee kan echter niet worden voorkomen dat de bestaande verblijfplaatsen ongeschikt worden en dat individuen mogelijk worden verwond of gedood door de werkzaamheden. Derhalve is een ontheffingsaanvraag bij de provincie Zuid-Holland noodzakelijk. Er dient een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden, als onderdeel van de ontheffingsaanvraag. Bij het mitigatie- en compensatieplan moeten maatregelen als werken buiten de kwetsbare periode, wegvangen en weren van individuen en aangepaste werkwijze bij de (sloop-) werkzaamheden nader uitgewerkt worden.

5.2

Gewone dwergvleermuis

5.2.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

5.2.2 Gebruik van het plangebied Tijdens het gericht veldonderzoek, dat is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol (versie 2021), opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen binnen het plangebied. Wel is er sprake van foerageergebied en van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis op een onbekende locatie op korte afstand ten noorden of oosten van het plangebied. Effectbeoordeling Het plangebied wordt door gewone dwergvleermuizen gebruikt als foerageergebied. Door de herinrichting van het terrein kan het terrein minder geschikt worden als foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied aangezien het gebied relatief klein is en er in de directe omgeving van het plangebied voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is voor deze soort. Derhalve is een ontheffingsaanvraag ten aanzien van foerageergebieden van de gewone dwergvleermuis niet noodzakelijk. Het verdient aanbeveling om in het ontwerp en bij de werkzaamheden rekening te houden met vleermuizen, om verstoring te voorkomen en de geschiktheid van het terrein als foerageergebied voor vleermuizen te behouden. Dit kan bijvoorbeeld door

Pagina 18

opgaand groen zo veel mogelijk te behouden, uit te breiden of terug te planten en door bij het verlichten van het terrein rekening te houden met vleermuizen. Aangezien het soortgericht onderzoek naar vleermuizen heeft aangetoond dat er zich binnen het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen bevinden, zal er bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden geen sprake zijn van het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Op korte afstand buiten het plangebied bevindt zich wel een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens de balts- en/of paaractiviteiten van deze vleermuis, is mogelijk sprake van verstoring door licht. Verstoring van deze vaste verblijfplaats kan worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve baltsperiode van deze vleermuis (van 15 augustus tot 15 oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst). Indien de werkzaamheden buiten deze periode plaatsvinden of verstoring door licht kan worden voorkomen is een ontheffingsaanvraag ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen niet noodzakelijk voor deze soort.

5.3 Overige vleermuissoorten 5.3.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

5.3.2 Gebruik van het plangebied Tijdens het gericht veldonderzoek, dat is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol (versie 2021), opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, zijn enkele rosse vleermuizen, ruige vleermuizen en een laatvlieger waargenomen. Dit betreft in alle gevallen overvliegende of passerende dieren die geen binding toonden met het plangebied. Ook is er een keutel van een onbekende vleermuissoort aangetroffen tegen de gevel van het te slopen gebouw. Aangezien er geen andere keutels zijn aangetroffen, is hier zeer waarschijnlijk sprake van een keutel van een passerende vleermuis. Effectbeoordeling Van verblijfplaatsen of essentiële gebiedsfuncties van overige vleermuissoorten is in het onderzoeksgebied geen sprake. Derhalve worden geen negatieve effecten verwacht op de laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en overige vleermuissoorten als gevolg van de onderhavige werkzaamheden. Het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een activiteitenplan is niet noodzakelijk voor overige vleermuissoorten.

Pagina 19

6 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Door de geplande activiteiten worden zomerhabitat en overwinteringsplaatsen van de rugstreeppad verstoord, beschadigd en vernietigd. Daarnaast kan het doden of verwonden van individuen tijdens de werkzaamheden niet uitgesloten worden. Derhalve is een ontheffingsaanvraag ten aanzien van de rugstreeppad noodzakelijk. Door de geplande activiteiten verdwijnen geen vaste rust- en verblijfplaatsen of essentiële foerageergebieden en vliegroutes van gebouwbewonende vleermuizen. Er is wel sprake van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis buiten het plangebied, maar indien met de planning van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de actieve periode van deze functie, is er geen sprake van verstoring en is het nemen van compenserende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Aanbevolen wordt om bij de herinrichting van het terrein wel rekening te houden met de geschiktheid van het terrein als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis.

Pagina 20

Bijlage 1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 21

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 22

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 23

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 24

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 25

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 26

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 27

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •

•

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 28

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=8012ef60-a53d-4cce-93b1-de9c1ed8c307