CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

15.5 5. Getekend Bijlagen bij toelichting_5.pdf

Gemeenteraad 19 mei 2022, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Rijnsburgerweg 6c en 6d, Voorhout"23.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

250

300 320

Zand, matig grof, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk, matig schelpresten, ook hele kleppen, grofzandige lagen met veel schelpresten, strandzand

350

380

400

14055555 TEY.ROM.ARC

Zand, matig fijn, zw ak siltig, beigegrijs, kalkarm, Cr

Zand, matig fijn, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk, Cr

200

Klei, uiterst siltig, veel plantenresten Zand, matig fijn, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk

Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, geelgrijs, vlekkerig, A/C Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak gleyhoudend, beigegeel, Cg

100

115

Zand, matig fijn, kleiïg, matig humeus, zw ak houtskoolhoudend, bruingrijs, top kleiig basis niet, kalkloos, Ahb

Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, matig baksteenhoudend, matig puinhoudend, grijsbruin, schelpen, Ap

400

5 X: Y: 0

6 92556 470450

0,03

m +NAP

X: Y: 0

0

92534 470444

0,18

m +NAP

0

Zand, matig fijn, zw ak siltig, sterk humeus, grijsbruin, Ap

15

45

60

Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, matig gleyhoudend, bruingrijs, vlekkerig, A/C

90 92 100

Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtgeel, goed gesorteerd, kalkloos

20 35

50

100

50

50

100

Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig gleyhoudend, oranjegeel, Cg 150

150 165 180 185

200

Zand, matig fijn, zw ak siltig, grijsbeige, kalkloos tot kalkarm Zand, matig fijn, zw ak siltig, sterk humeus, donkerbruin, vegetatiehorizont, veel plantenresten Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, grijsbruin, Ahb

250

300

250 255

300

Zand, matig fijn, zw ak siltig, beigegrijs, kalkarm (zeer kicht hoorbaar), w einig plantenresten, Cr Veen, sterk kleiïg, grijsbruin, zandkorrels, matig houtresten Zand, matig fijn, kleiïg, neutraalgrijs, kalkrijk, kleiige laagjes Klei, sterk siltig, sterk humeus, licht grijsbruin, kalkrijk, venig, veel plantenresten, zandige laagjes (dunner dan 1 cm) Zand, matig fijn, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk Zand, matig fijn, kleiïg, beigegrijs, kalkrijk Zand, matig fijn, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk

14055555 TEY.ROM.ARC

110

135

Zand, matig fijn, matig siltig, licht beigebruin, sterk silthoudend, kalkloos, rommelig, nar beneden toe geleidelijk lichter tot beigegeel, mogelijk licht geroerde en zeer zw ak ontw ikkelde B of geroerd?

170 173

Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak gleyhoudend, beigegrijs, kalkloos tot zeer kalkarm, Cg

185 190

Veen, sterk kleiïg, neutraalbruin

150

200

Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, zw ak puinhoudend, zw ak baksteenhoudend, grijsbruin, kalkrijk, Ap

200

Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, licht bruingrijs, kalkrijk, Cr Klei, uiterst siltig, beigegrijs, kalkrijk, venig, veel plantenresten, houtresten Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, licht bruingrijs, kalkrijk, w einig plantenresten Klei, uiterst siltig, kalkrijk, venig, veel plantenresten Zand, matig fijn, zw ak siltig

14055555 TEY.ROM.ARC

Over Econsultancy.. Econsultancy is een onafhankelijk adviesbureau. Wij bieden realistisch advies en concrete oplossingen voor milieuvraagstukken en willen daarmee een bijdrage leveren aan een duurzaam en verantwoord gebruik van onze leefomgeving. Diensten Wij kunnen u van dienst zijn met een uitgebreid scala aan onderzoeken op het gebied van bodem, waterbodem, water, archeologie, ecologie en milieu. Op www.econsultancy.nl vindt u uitgebreide informatie over de verschillende onderzoeken. Werkwijze Inzet en professionele betrokkenheid kenmerkt onze diensten. De verantwoordelijke projectleider is het eenduidige aanspreekpunt voor de klant en draagt zorg voor alle aspecten van het project: kwaliteit, tijd, geld, communicatie en organisatie. De kernwaarden deskundig, vertrouwd, betrokken, flexibel, zorgvuldig en vernieuwend zijn een belangrijke leidraad in ons handelen. Kennis Het deskundig begeleiden van onze opdrachtgevers vraagt om betrokkenheid bij en kennis van de bedoelingen van de opdrachtgever. Het vereist ook gedegen en actuele vakinhoudelijke kennis. Alle beschikbare kennis wordt snel en effectief ingezet. De medewerkers vormen ons belangrijkste kapitaal. Persoonlijke en inhoudelijke ontwikkeling staat centraal want het werk vraagt steeds om nieuwe kennis en nieuwe verantwoordelijkheden.

Creativiteit Onze medewerkers zijn in staat om buiten de geijkte kaders een oplossing te zoeken met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. Oplossingen die bedoeld zijn om snel en efficiënt het doel van de opdrachtgever te bereiken. Kwaliteit Er wordt continue gestreefd naar het verhogen van de professionaliteit van de dienstverlening. Het leveren van diensten wordt intern op een dusdanige wijze georganiseerd dat het gevraagde resultaat daadwerkelijk op een zo effectief en efficiënt mogelijke wijze wordt voortgebracht. Hierbij staat de klanttevredenheid centraal. Het kwaliteitssysteem van Econsultancy voldoet aan de NEN-EN-ISO 9001: 2008. Tevens is Econsultancy gecertificeerd voor diverse protocollen en beoordelingsrichtlijnen. Opdrachtgevers Econsultancy heeft sinds haar oprichting in 1996 al meer dan tienduizend projecten uitgevoerd. Projecten in opdracht van particulier tot de Rijksoverheid, van het bedrijfsleven tot non-profit organisaties. De projecten kennen een grote diversiteit en hebben in sommige gevallen uitsluitend een onderzoekend karakter en zijn in andere gevallen meer adviserend. Steeds vaker wordt onderzoek binnen meerdere disciplines door onze opdrachtgevers verlangt. Onze medewerkers zijn in staat dit voor de opdrachtgever te coördineren en zelf (deel)onderzoeken uit te voeren.

Ter illustratie van de veelvoud en veelzijdigheid van de projecten in de werkvelden bodem, waterbodem, ecologie, archeologie, water en milieu kunnen uitgebreide referentielijsten worden verschaft.

Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen Tel. 0475 - 504961 Swalmen@econsultancy.nl

Vestiging Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem Tel. 0314 - 365150 Doetinchem@econsultancy.nl

Vestiging Brabant Rapenstraat 2 5831 GJ Boxmeer Tel. 0485 - 581818 Boxmeer@econsultancy.nl

Bijlage 3 Ecologisch onderzoek

114

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA RIJNSBURGERWEG 6 TE VOORHOUT GEMEENTE TEYLINGEN

Quickscan flora en fauna Rijnsburgerweg 6 te Voorhout in de gemeente Teylingen Opdrachtgever

Rombou Postbus 240 8000 AE Zwolle

Project Rapportnummer Versienummer

TEY.ROM.ECO1 14055556 D2

Status

Eindrapportage

Datum

8 oktober 2014

Vestiging

Doetinchem

Opsteller

Ing. L. Hunink-Verwoerd

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Ing. E.R. Witter

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Econsultancy accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Flora- en faunawet dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd.

Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2 2.3

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden .............................................................. 4 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6

4

TOEPASSING VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING .................................................. 7 4.1 4.2 4.3

5

ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................. 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Inleiding ............................................................................................................................ 7 Flora- en faunawet ............................................................................................................ 7 Gebiedsbescherming ...................................................................................................... 10

Inleiding .......................................................................................................................... 11 Vogels ............................................................................................................................. 11 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14 Gebiedsbescherming ...................................................................................................... 14

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 15

14055556 TEY.ROM.ECO1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Rombou opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Rijnsburgerweg 6 te Voorhout in de gemeente Teylingen. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op gebieden die volgens de Natuurbeschermingswet 1998 zijn beschermd, of deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek. Voor zover bij de opdrachtgever en de omgevingsdienst West-Holland (contactpersoon mevr. N. Buiter) bekend, is er niet eerder ecologisch onderzoek op de onderzoekslocatie zelf uitgevoerd.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 1 van 19

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2,9 ha) ligt aan de Rijnsburgerweg 6, circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van de kern van Voorhout, in de gemeente Teylingen. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 30 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 497.955, Y = 683.975.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie bestaat uit drie aaneengesloten percelen. De percelen zijn bestemd voor agrarische doeleinden. De locatie was ten tijde van het veldbezoek in gebruik als weide. Er is een afscheiding rondom alle drie de percelen aanwezig in de vorm van hagen bestaande uit haagbeuk en een hekwerk. Op de onderzoekslocatie staan, parallel aan de Rijnsburgerweg, vier grote wilgen. In het midden van de locatie bevindt zich een linde. Ten noordwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met bijbehorende tuin van de Rijnsburgerweg 6. Ten noordoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich de wijk Leidsevaart. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een wateroppervlak en een kleine bosschage. De onderzoekslocatie wordt aan de zuidwestzijde omgeven door weilanden waarop bollen worden geteeld. Er is een kassencomplex aanwezig op circa 200 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 2 van 19

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

1 2 3 4

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. De pijlen en nummers geven de locaties van wilgen weer.

Figuur 3. Weiland en Wilg (1).

14055556 TEY.ROM.ECO1

Figuur 4. Weiland met wilg (2 t/m 4 te behouden).

Figuur 5. Linde in weiland (te behouden).

Pagina 3 van 19

Figuur 6. Wateroppervlak met bosschage ten oosten van de locatie (te behouden).

2.2

Figuur 7. Bollenteelt ten zuidwesten van onderzoekslocatie met een kassencomplex.

Figuur 8. Woonhuis en privé tuin (Rijnsburgerweg 6) ten noordwesten van de locatie.

Ligging ten opzichte van beschermde gebieden

Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Coepelduynen, bevindt zich op circa 4,2 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie. Ecologische Hoofdstructuur De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van de EHS. De onderzoekslocatie ligt niet in de strategische reservering natuur van de EHS. Het meest nabijgelegen EHS-onderdeel bevindt zich circa 350 meter ten westen en 350 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Het betreft natuur. In figuur 9 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de EHS weergegeven.

Figuur 9. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van de EHS.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 4 van 19

Weidevogelgebieden De onderzoekslocatie maakt geen deel uit een belangrijk weidevogelgebied. Het meest nabijgelegen belangrijke weidevogelgebied bevindt zich op circa 450 meter ten zuidwesten en circa 350 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 10 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van belangrijke weidevogelgebieden weergegeven.

Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van belangrijke weidevogelgebieden.

2.3

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens drie “greenport woningen” te realiseren. De vier aanwezige wilgen ten zuiden in de onderzoekslocatie, net als de linde in het midden van de onderzoekslocatie zullen gehandhaafd blijven. De beplanting langs de randen van het perceel en de aangelegen bosschage blijven eveneens gehandhaafd. Dit betekent dat er geen demp- en kapwerkzaamheden plaatsvinden. De woningen worden landschappelijk ingepast. Het inpassingplan voorziet in de aanleg van bomen en landschappelijke beplanting. Tevens zijn aanbevelingen gedaan voor natuurvriendelijke oevers.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 5 van 19

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 21 mei 2014. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving onderzocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd. Verspreidingsgegevens van soorten zijn veelal weergegeven op kilometerhokniveau (1 x 1 kilometer) of op uurhokniveau (5 x 5 kilometer). Aangezien met de schaal van kilometerhokken of uurhokken een groter gebied wordt beschouwd dan alleen de onderzoekslocatie, betekent dit niet dat de kritische soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie. Verder zijn sommige verspreidingsgegevens niet erg actueel. Dit betekent dat de meest recente verspreidingsgegevens reeds verouderd kunnen zijn.

De meeste te gebruiken gegevens vormen daarom geen uitsluitsel over het aantal soorten en type waarneming van een soort in het betreffende gebied, maar enkel een indicatie over het voorkomen. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 6 van 19

4

TOEPASSING VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

4.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Flora- en faunawet bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. 4.2

Flora- en faunawet

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van de soortbescherming, uitgewerkt in de Flora- en faunawet. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen en in stand te houden. Om dit doel te bereiken, bevat de wet een aantal verbodsbepalingen (zie tabel I). Hierbij wordt het zogenaamde “nee, tenzij…” principe gehanteerd. Dit wil zeggen dat activiteiten met een (potentieel) schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn (“nee”). Van dit verbod kan echter onder voorwaarden (“tenzij”) afgeweken worden door ontheffingen of vrijstellingen. Tabel I.

Verbodsbepalingen Flora- en faunawet

Artikel 8

Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

Artikel 9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11

Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Voor de Flora- en faunawet geldt dat vaste rust- en verblijfplaatsen van bepaalde soorten zijn beschermd. De Flora- en faunawet maakt onderscheid in drie beschermingscategorieën. Iedere categorie heeft zijn eigen ontheffingsmogelijkheden en toetsingscriteria. Hierbij vallen vogels onder een aparte categorie. Tabel II. Tabel 1

Soortbeschermingscategorieën Flora- en faunawet algemeen beschermde soorten

Voor de soorten in Tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt, bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Voor deze activiteiten hoeft geen ontheffing in het kader van artikel 75 aangevraagd te worden. Voorbeelden zijn: ree, haas konijn, egel, bruine kikker, gewone pad, wijngaardslak, brede wespenorchis, grote kaardenbol Tabel 2

overige beschermde soorten

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 7 van 19

Voor de soorten in Tabel 2 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing aangevraagd te worden. Echter indien er volgens een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt, geldt er bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrijstelling van de verbodsbepalingen en hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan het criterium ‘doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort’ (‘lichte toets’). Voorbeelden zijn: eekhoorn, steenmarter, kleine modderkruiper, gele helmbloem, steenbreekvaren, tongvaren, maretak Tabel 3

strikt beschermde soorten

Voor de soorten van Tabel 3 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen bij alle activiteiten (waaronder ruimtelijke ontwikkeling en inrichting) een ontheffing aangevraagd te worden. In een zeer beperkt aantal gevallen kan er op basis van een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode een vrijstelling verleend worden voor de ontheffingsverplichting bij een zeer beperkt aantal activiteiten. De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan een drietal criteria (uitgebreide toets). Bij de uitgebreide toets dient aan alle afzonderlijke criteria te worden voldaan. De criteria zijn als volgt: de activiteiten of werkzaamheden doen geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort, er is geen andere bevredigende oplossing (alternatief) voor de geplande activiteiten of werkzaamheden, die minder schade oplevert voor de betreffende soort en er moet sprake zijn van een bij de wet genoemd belang. Voorbeelden zijn: das, waterspitsmuis, alle vleermuissoorten, rugstreeppad, boomkikker, kamsalamander

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingscategorieën. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Broedvogels en vleermuizen zijn soortgroepen uit de strengste beschermingscategorie. Voor de overige soortgroepen is de beschermingsstatus afhankelijk van de soort. Broedvogels Alle broedende inheemse vogels en hun nesten zijn wettelijk strikt beschermd en qua beschermingregime te vergelijken met Tabel 3 van de Flora- en faunawet. Broedvogels vallen onder een aparte beschermingsgroep en zijn ingedeeld in een vijftal beschermingscategorieën (Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen, Dienst Regelingen, 2009). Zie tabel III voor een indeling van de bescherming van broedvogels. Tabel III.

Beschermingscategorieën aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Dienst Regelingen

Broedvogels Voor vogels geldt dat er altijd een ontheffing aangevraagd dient te worden. Indien activiteiten plaatsvinden waarbij verbodsbepalingen worden overtreden ten aanzien van (broed)vogels dient er een uitgebreide toets, zoals beschreven bij Tabel 3 Flora- en faunawet toegepast te worden. Bij broedvogels kan een overtreding in de meeste gevallen gemakkelijk voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Beschermingscategorie 1

nesten jaarrond beschermd, ook buiten broedseizoen

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld:steenuil).

Beschermingscategorie 2

Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).

Beschermingscategorie 3

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).

Beschermingscategorie 4

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 8 van 19

Beschermingscategorie 5

Nesten jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Overige broedvogels (“algemeen” voorkomende broedvogels)

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd; enkel binnen broedseizoen.

Vogels die elk broedseizoen een nieuw nest maken of in staat zijn een nieuw nest te maken. De vogelnesten voor eenmalig gebruik.

Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten zowel binnen de Flora- en faunawet als binnen de Natuurbeschermingswet een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort". Dit houdt in dat niet alleen alle verblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten. Vleermuizen zijn streng beschermd omdat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken. Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie bevindt, heeft dat negatieve gevolgen voor de vleermuisstand op lokaal niveau. Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen.

Daarnaast hebben ingrepen in het landschap ook negatieve gevolgen doordat foerageergebieden en vliegroutes, waar vleermuizen jaren achtereen gebruik van maken, verdwijnen. De impact die een ingreep kan hebben verschilt sterk per situatie en per soort waardoor meestal gedetailleerde gegevens nodig zijn om een passend advies te geven. Algemene Zorgplicht De algemene zorgplicht houdt in dat een ieder die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor de flora en fauna kunnen ontstaan, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen om de nadelige gevolgen te voorkomen. Zo kan er bijvoorbeeld rekening worden gehouden met amfibieën en kleine zoogdieren worden wanneer materialen en houtstapels, waaronder de dieren verblijven, worden verwijderd. Tabel III.

Algemene Zorgplicht

Algemene Zorgplicht (artikel 2) Een belangrijk uitgangspunt binnen de Flora- en faunawet is dat op elke burger de plicht rust om voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat iedereen zich dient in te spannen om de nadelige gevolgen voor een soort te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats.

De algemene zorgplicht is in de meeste gevallen voornamelijk van toepassing op beschermde soorten die staan vermeld in Tabel 1 van de Flora- en faunawet. Dit betreffen algemeen voorkomende soorten, waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor de betreffende soortgroep worden aangegeven.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 9 van 19

4.3

Gebiedsbescherming

De quickscan flora en fauna toetst voornamelijk aan de Flora- en faunawet. Indien een plangebied in of nabij een gebied is gelegen dat tot de EHS behoort of onder de Natuurbeschermingswet valt, dient te worden bepaald of er een effect valt te verwachten. Bij een toetsing aan de Natuurbeschermingswet spelen vaak andere facetten mee, zoals de aanwezige doelsoorten en kernwaarden van het betreffende beschermde gebied. Natura 2000 De Natuurbeschermingswet 1998 heeft tot doel bijzondere natuurgebieden in Nederland te beschermen en in stand te houden. De wet omvat onder andere de richtlijnen van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn ten aanzien van gebiedsbescherming. Doordat de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn beide zijn opgenomen in de Natura 2000-wetgeving, zijn de termen “Habitatrichtlijngebied” en “Vogelrichtlijngebied” komen te vervallen. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de Europese Unie. Handelingen die een negatieve invloed hebben op gebieden die binnen dit netwerk vallen, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het Ministerie van Economische Zaken (via Dienst Regelingen) of door de Provincie.

Ecologische hoofdstructuur (EHS) De Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van gebieden dat planten- en diersoorten in staat stelt zich door en tussen verschillende natuurgebieden te verplaatsen. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat gebieden hun ecologische waarde verliezen. De EHS is onderdeel van een Europees ecologisch netwerk en bestaat uit kerngebieden (in Nederland de Natura-2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en de Wetlands) of verweven gebieden (gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur) die onderling verbonden worden door ecologische verbindingszones. Ecologische verbindingszones zijn stroken en stukjes natuur die de verspreid liggende natuurgebieden met elkaar verbinden. Op deze manier kunnen dieren en planten zich van het ene naar het andere leefgebied verplaatsen. Met name de kleine populaties die met uitsterven worden bedreigd, blijven hierdoor levensvatbaar. Negatieve invloed op de werking van een verbinding of aantasting van een verbinding dient vermeden en gecompenseerd te worden zodat het netwerk niet verslechterd.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 10 van 19

5 5.1

ONDERZOEKSRESULTATEN Inleiding

In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden en verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Indien van toepassing wordt tevens beoordeeld of de voorgenomen plannen een verstorend effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. 5.2

Vogels

Broedvogels (nest jaarrond beschermd, volgens beschermingscategorie 1 t/m 4) Er is geen bebouwing aanwezig op de onderzoekslocatie waardoor verblijfplaatsen van huismussen en gierzwaluwen zijn uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn er huismussen waargenomen bij de woningen van de Leidsevaart. Vermoed wordt dat er in die wijk nestlocaties aanwezig zijn. Gezien de aard van de ingrepen zijn er geen negatieve effecten te verwachten voor deze soort. Op de onderzoekslocatie zijn vier wilgen en één linde aanwezig. Deze zijn intensief geïnspecteerd op aanwezigheid nesten van broedvogels. Er zijn geen nesten aangetroffen. Ook de sierbeplanting ten noordoosten van de onderzoekslocatie en de bossage ten oosten van de onderzoekslocatie (te behouden) zijn geïnspecteerd op nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten. Deze zijn niet aangetroffen. De onderzoekslocatie bevindt zich buiten het verspreidingsgebied van steenuilen. Overtredingen ten aanzien van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet aan de orde. Broedvogels (nest in bepaalde gevallen jaarrond beschermd, volgens beschermingscategorie 5) De broedvogels die onder de beschermingscategorie 5 vallen zijn voornamelijk holenbroeders. De bomen op de onderzoekslocatie zijn gecontroleerd op aanwezigheid van holtes. In twee wilgen zijn holtes aangetroffen waar mogelijk een kool- of pimpelmees in kan broeden.

De bomen blijven gehandhaafd. In de omgeving zijn ook bomen met holtes aanwezig. In de bossage ten oosten van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van de kleine bonte specht. Deze soort is een algemeen voorkomende soort en zal gezien de aard van de ingrepen niet negatief worden beïnvloed. Broedvogels (nest niet jaarrond beschermd, bescherming alleen gedurende broedseizoen) In de heggen ten noordwesten van de onderzoekslocatie en de sierbeplanting ten noorden van de onderzoekslocatie zijn geschikte nestlocaties aanwezig voor algemene vogels als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst en houtduif. Deze heggen blijven behouden in de plannen waardoor er geen negatieve gevolgen zijn voor broedvogels waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen zijn beschermd. Slaapplaatsen Sommige vogelsoorten zoals houtduif, kauw en huismus, maar ook ransuilen, maken vooral buiten het broedseizoen gebruik van gemeenschappelijke slaapplaatsen. Er zijn geen indicaties dat op de onderzoekslocatie een gemeenschappelijke slaapplaats aanwezig is.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 11 van 19

5.3

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al., 2010) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, tweekleurige vleermuis, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd. De vier wilgen en linde zijn intensief geïnspecteerd op holten en spleten die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats voor vleermuizen. In twee van de vier wilgen zijn holten en/of spleten aangetroffen die mogelijk als verblijfplaats kunnen worden gebruikt door vleermuizen. Het betreft hier wilgen nummer 2 en 4. Er heeft een overleg plaatsgevonden met de eigenaar. Deze heeft aangegeven de wilgen te behouden. Hierdoor blijven de mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen gespaard en is er geen sprake van overtredingen van de Flora- en faunawet ten aanzien van het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen. Opgemerkt wordt dat de bomen niet verlicht dienen te worden. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het woonhuis van Rijnsburgerweg 6 te Voorhout bevat spouwmuren die toegankelijk zijn via open stootvoegen en via de dakrand.

Daarnaast zijn er nog verschillende schuren aanwezig in de privé tuin die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaatsen van vleermuizen. De woningen in de wijk Leidsevaart bevatten ook spouwmuren die bereikbaar zijn voor vleermuizen. Gezien de aard van de plannen is er geen negatief effect te verwachten voor deze verblijfplaatsen. Foeragerende vleermuizen De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. Er is in de directe omgeving echter meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de bossage ten oosten van de onderzoekslocatie, de privé tuin van Rijnsburgerweg 6 te Voorhout, de sierbeplanting ten noorden van de onderzoekslocatie en een privé tuin ten zuiden van het kassencomplex. Aantasting van belangrijk foerageergebied is hierdoor redelijkerwijs uitgesloten. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie is een lijnvormig element aanwezig, waarvan de wilgen onderdeel uitmaken. Dit element verbindt geen potentiële verblijfplaatsen en foerageergebieden met elkaar. Bovendien blijft het element behouden.

Negatieve effecten op vliegroutes zijn niet te verwachten. 5.4

Overige zoogdieren

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, mol en rosse woelmuis. Voor dergelijke algemeen voorkomende soorten geldt in het kader van de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter in het kader van de algemene zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Er zijn in het kader van de algemene zorgplicht geen specifieke maatregelen nodig.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 12 van 19

Streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. De locatie ligt buiten de verspreidingsgebieden van soorten als de waterspitsmuis, de otter en de bever. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.5

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen De onderzoekslocatie valt buiten het verspreidingsgebied van reptielen (Bron: RAVON). Negatieve effecten op deze soortgroep zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën Volgens gegevens van RAVON (Tijdschrift RAVON 51, 2013) zijn in het 5x5 kilometerhok, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad, rugstreeppad en bruine kikker. Het wateroppervlak aan de oostzijde van de onderzoekslocatie buiten de onderzoekslocatie kan onderkomen bieden aan de deze soorten. De bossage ten oosten, sierbeplanting ten noorden en privé tuin van Rijnsburgerweg 6 ten noordwesten van de onderzoekslocatie zijn mogelijke geschikte landhabitat voor deze soorten. Voor de kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker geldt een algehele vrijstelling van de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. Maatregelen zijn iet noodzakelijk. Voor de rugstreeppad geldt dat zij en hun leefgebied streng beschermd zijn. De onderzoekslocatie vormt momenteel geen optimaal (land) habitat voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is vooral een soort van dynamische milieus, maar de soort is ook te vinden in meer stabiele gebieden als vennen in graslandgebieden. Als verblijfplaatsen worden bestaande ruimtes benut, als muizenholen, ruimte onder tegels en opslag van materialen.

Het kan niet worden uitgesloten dat de begroeide randen van de onderzoekslocatie worden gebruikt als landhabitat. Deze blijven behouden waardoor er van een overtreding van de Flora- en faunawet geen sprake is. Door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en bosschages zal het habitat voor de rugstreeppad beter worden. Tijdens de bouwwerkzaamheden wordt aanbevolen rekening te houden met de rugstreeppad door te voorkomen dat ze het dynamische milieu van de bouwlocatie gaan koloniseren. Dit kan worden bewerkstelligd door geen tijdelijke grond/zanddepots aan te leggen en te voorkomen dat er ondiepe poelen ontstaan (bijvoorbeeld door bandensporen). Deze zijn zeer geschikt als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Hierdoor worden geen negatieve effecten op de rugstreeppad verwacht. Vissen Op de onderzoekslocatie ontbreekt een wateroppervlak. Het wateroppervlak ten zuidoosten van de onderzoekslocatie zal gezien de aard van de plannen niet worden aangetast.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 13 van 19

5.6

Ongewervelden

Libellen Op de onderzoekslocatie ontbreekt een wateroppervlak. Het wateroppervlak ten zuidoosten van de onderzoekslocatie zal gezien de aard van de plannen niet worden aangetast. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige ongewervelden Overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn niet op de onderzoekslocatie te verwachten. Mogelijk zou de platte schijfhoren kunnen voorkomen in het wateroppervlak ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Gezien de aard van de plannen zal dit wateroppervlak niet worden aangetast. 5.7

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit voedselrijk weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. 5.8

Gebiedsbescherming

Voor de EHS geldt geen externe werking. De onderzoekslocatie bevindt zich op circa 350 meter van het dichtstbijzijnde EHS-onderdeel. Gezien de aard van de ingreep is externe werking niet aan de orde. Externe werking op overige beschermde natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied Coepelduynen en het belangrijke weidevogelgebied is, gelet op afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van de ingreep niet aan de orde.

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 14 van 19

6

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Rombou een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Rijnsburgerweg 6 te Voorhout in de gemeente Teylingen. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens drie “greenport woningen” te realiseren. De vier aanwezige wilgen ten zuiden in de onderzoekslocatie, net als de linde in het midden van de onderzoekslocatie zullen gehandhaafd blijven. De beplanting langs de randen van het perceel en de aangelegen bosschage blijven eveneens gehandhaafd. Dit betekent dat er geen demp- en kapwerkzaamheden plaatsvinden. De woningen worden landschappelijk ingepast. Het inpassingplan voorziet in de aanleg van bomen en landschappelijke beplanting. Tevens zijn aanbevelingen gedaan voor natuurvriendelijke oevers. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel IV.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Flora- en faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel IV. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep Broedvogels

Vleermuizen

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

minimaal

mogelijk

nee

nee

wilgen en linde op onderzoekslocatie behouden.

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

ja

nee

nee

nee

wilgen 2 en 4 behouden. Mogelijke verblijfplaats vleermuizen.

foerageergebied

minimaal

ja

nee

nee

voldoende foerageergebied omgeving.

vliegroutes

Bijzonderheden / opmerkingen

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

minimaal

nee

nee

nee

voldoende leefgebied omgeving

Amfibieën

minimaal

nee

nee

nee

maatregelen ter voorkoming kolonisatie rugstreeppad tijdens de uivoering

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunning/ontheffing

4,2 km

nee

nee

nee

-

350 meter

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming Natura 2000 EHS

14055556 TEY.ROM.ECO1

Pagina 15 van 19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=e0dad222-d5f7-4945-b198-4c11b78f1630