CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

13. Bijlage VIII - Quickscan natuurtoets - VAB-terrein - d.d. 28-11-2021.pdf - Bijlage VIII - Quicks

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Principeverzoek vernieuwen en vergroten overslagstation VAB 's-Gravendamseweg 77 Voorhout13.765 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets VAB-terrein in Voorhout In opdracht van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek

Colofon Quickscan natuurtoets VAB-terrein in Voorhout

Opdrachtgever Contactpersoon

Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2378

28 november 2021 Plangebied (foto:

)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

5

Inleiding en doel........................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 5

1.2

Doel ...................................................................................................................... 5

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 6 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 6

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 6

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 6

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 6

Beschermde status plangebied .................................................................................... 9 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................ 9

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 9

3.3

Natura 2000 ........................................................................................................ 11

3.4

Houtopstanden ................................................................................................... 13

Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 14 4.1

Methode ............................................................................................................. 14

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 15

4.3

Flora ................................................................................................................... 16

4.4

Broedvogels........................................................................................................ 17

4.5

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................... 20

4.6

Vleermuizen........................................................................................................ 21

4.7

Amfibieën ........................................................................................................... 22

4.8

Reptielen ............................................................................................................ 24

4.9

Vissen ................................................................................................................. 24

4.10

Ongewervelde dieren .......................................................................................... 24

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 26 5.1

Flora ................................................................................................................... 26

5.2

Broedvogels........................................................................................................ 26

5.3

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................... 28

5.4

Vleermuizen........................................................................................................ 28

6

5.5

Amfibieën ........................................................................................................... 29

5.6

Ongewervelde dieren .......................................................................................... 30

5.7

Overige soortgroepen ......................................................................................... 31

Conclusie ................................................................................................................... 32

Bijlage 1

Impressie plangebied ...................................................................................... 35

Bijlage 2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 36

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten................................................................... 44

Samenvatting VAB-terrein: Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteiten aanvullend onderzoek naar beschermde soorten gebouwbewonende vleermuissoorten (vaste rust- en verblijfplaatsen) en rugstreeppad noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Landbouwgronden: Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteiten aanvullend onderzoek naar beschermde soorten rugstreeppad en platte schijfhoren noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Opslagterrein met woonhuis: Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteiten aanvullend onderzoek naar beschermde soorten gierzwaluw, huismus, gebouwbewonende vleermuissoorten (vaste rust- en verblijfplaatsen) en rugstreeppad noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Algemeen: Bij werkzaamheden en activiteiten moet altijd rekening worden gehouden met broedvogels.

De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Verder dient men, in het kader van de algemene zorgplicht, ook rekening te houden met algemene soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Een AERIUS-berekening is voor de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’ alleen noodzakelijk indien het niet uit te sluiten is dat er sprake is van stikstofdepositie in de stikstofgevoelige habitattypen van deze Natura 2000-gebieden. Als de werkzaamheden in de gebruiksfase hetzelfde zijn als nu het geval of dat door modernisering van de gebouwen er zelfs sprake is van afname van depositie is een AERIUS-berekening niet noodzakelijk. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde NNN natuurgebieden en een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om enkele gebouwen en installaties op het VAB-terrein in Voorhout te slopen. Dit kan

Pagina 3

negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 4

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Op het VAB-terrein in Voorhout is men voornemens enkele gebouwen en installaties te slopen. Voor deze activiteit verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer oplegt. De heer Van Niel van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om een quickscan natuurtoets uit te voeren. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande activiteiten schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 5

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

's-Gravendamseweg 77 (VAB-terrein) Voorhout Teylingen Zuid-Holland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de woonkern Noordwijkerhout en ten noorden van de woonkern Voorhout in de gemeente Teylingen (zie figuur 1 en 2). Plangebied is min of meer te verdelen in drie deelgebieden: het VAB-terrein zelf (blauw), het opslagterrein met woonhuis (groen) en de landbouwgronden (oranje): zie figuur 3 en bijlage 1. Het plangebied wordt begrenst door een spoorlijn, enkele agrarische percelen, infrastructuur en bebouwing. •

• •

VAB-terrein: terrein dat grotendeels bestaat uit geasfalteerd terrein met enkele perken en gebouwen. Er is tevens een ongebruikte spoorlijn over de gehele lengte aan de zuidoostzijde van het terrein. Deze spoorbaan ligt grotendeels op een spoorbed (stenen). Aan de meest westelijke punt is een iets verwilderd terrein / ruigte. Opslagterrein met woonhuis: terrein met woonhuis dat grotendeels onbegroeid is. Landbouwgronden: het westelijke perceel betreft een akker, de oostelijke percelen betreft graszoden. Aan alle zijden, met uitzondering van de noordoostelijke rand, bevinden zich sloten.

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf (zie figuur 2). Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door een spoorlijn, enkele agrarische percelen, infrastructuur en bebouwing.

2.4 Geplande werkzaamheden De gebouwen en installaties op het VAB-terrein in Voorhout zijn verouderd en aan vervanging toe. De gemeentes hebben een projectteam aangesteld dat werkt aan een plan om het VAB-terrein toekomstbestendig en innovatief in te richten. Men is voornemens om op het VAB-terrein in Voorhout onder andere enkele gebouwen en installaties te slopen. Naar verwachting wordt medio 2023 gestart met de sloop- en bouwwerkzaamheden.

Pagina 6

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Zuid-Holland (2021).

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (gele stippellijn). Bron: Provincie Zuid-Holland (2021).

Pagina 7

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied met deelgebieden (zie paragraaf 2.1). Bron: Provincie ZuidHolland (2021).

Pagina 8

3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats in het NNN. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het NNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het NNN in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in bestaande en/of nieuwe natuur en buiten overige, op basis van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid aangewezen, gebieden met natuurwaarde, zoals “Belangrijke weidevogelgebieden” en ecologische verbindingszones (zie figuur 4). De noordwestrand van het plangebied grenst aan een ecologisch binding (Haarlemmer Trekvaart). Op ruime afstand van het plangebied (circa 500 meter) zijn onder andere enkele bosgebieden op de landgoederen Nieuw Leeuwenhorst en Oud Leeuwenhorst, ten noordwesten van het plangebied, aangewezen als bestaande en/of nieuwe natuur.

Pagina 9

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rode omkaderd) ten opzichte van het NNN, bron: Provincie Zuid-Holland 2021.

Pagina 10

3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’ worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening zal uitwijzen of er significante negatieve effecten in de gebruiksfase zijn op de Natura 2000-gebieden ‘KennemerlandZuid’ en ‘Coepelduynen’.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op ruime afstand (vanaf 3,1 km) van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ (zie figuur 5). Overige Natura 2000-gebieden als ‘Coepelduynen’ liggen op ruimere afstand van het plangebied, vanaf ruim 4,6 kilometer. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering worden niet verwacht. Door de afstand tot de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’ kunnen indirecte verstoringen als licht, geluid en trillingen op voorhand uitgesloten worden. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden ‘KennemerlandZuid’ en ‘Coepelduynen’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof (bron: Natura2000.nl).

Pagina 11

De inzet van werktuigen en de (tijdelijke) toename van verkeer door aan- en afvoer van materialen tijdens de geplande werkzaamheden kan resulteren in extra emissie van stikstof op gevoelige habitats van de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’. Indien significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten zijn diende tot 1 juli 2021 voor deze werkzaamheden een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Sloopfase Per 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. De Bouwvrijstelling maakt onderdeel uit van deze wet. Deze vrijstelling geldt voor eenmalige aanlegactiviteiten en voor bouw en sloopwerk dat aan bepaalde voorwaarden voldoet. Een AERIUS-berekening is nu niet meer nodig. Bouw- en sloopactiviteiten en eenmalige aanleg vallen onder de nieuwe wet omdat ze immers vrijwel altijd eenmalig zijn. Er hoeft nu geen AERIUS-berekening uitgevoerd te worden, ook niet voor vervoersbewegingen die bij de activiteiten horen. Gebruiksfase Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie in de gebruiksfase zijn niet uit te sluiten. Als de werkzaamheden in de gebruiksfase hetzelfde zijn als nu het geval is dan zal er echter geen toename van stikstofdepositie zijn.

Mogelijk dat er door modernisering van de gebouwen zelfs sprake is van afname van depositie. Voor de werkzaamheden wordt een AERIUS-berekening noodzakelijk geacht significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie niet 100% uit te sluiten zijn.

Figuur 5. Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid (bruin) en Coepelduynen (groen), bron: Provincie Zuid-Holland, 2021.

Pagina 12

3.4

Houtopstanden

3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.

3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie figuur 1). In het plangebied staan alleen enkele knotwilgen en een enkele solitaire boom. Van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 20 bomen) is binnen het plangebied geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Zuid-Holland is dan ook niet aan de orde.

Pagina 13

4 Beschermde soorten plangebied 4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 150 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig kunnen zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker Bezoekronde Ing. R. Top

1

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

13-10-2021

14.15 uur

Bewolkt, droog, 14 °C, wind 0-1 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 14

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van enkele beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het plangebied. Een deel van de vogelsoorten kan wel een territorium bezetten in de directe omgeving van het plangebied, waarbij ze ook gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de aangetroffen soorten boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, sperwer en wespendief zijn de nesten jaarrond beschermd. Van de waargenomen soort wespendief zijn echter uitsluitend overvliegende exemplaren waargenomen zonder binding met de omgeving. Deze soort wordt daarom niet verder behandeld. Zoogdieren De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •

•

Nationaal beschermde soorten: boommarter, bosmuis, bunzing, damhert, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis en vos1. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde amfibieënsoorten: • •

Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker1. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): rugstreeppad.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van een beschermde weekdier. Het betreft de volgende slakkensoort: •

Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): platte schijfhoren.

1 Deze soorten zijn in de provincie Zuid-Holland, met uitzondering van de boommarter en damhert, vrijgesteld

van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 15

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken.

4.3 Flora 4.3.1 VAB-terrein Dit deel van het plangebied bestaat uit geasfalteerd terrein met enkele perken, gebouwen en een ongebruikte spoorlijn. De vegetatie op het VAB-terrein wordt grotendeels gedomineerd door ruderale vegetatie en lokale aanwezigheid van verwilderde tuinplanten. Aan de meest westelijke punt is een iets verwilderd terrein/ruigte. De ruderale delen van het plangebied, rondom de te slopen gebouwen en op het spoorbed van de ongebruikte spoorlijn, bestaat uit een ruderale vegetatie van vrij algemene plantensoorten zoals bezemkruiskruid, hondsroos, rimpelroos, zwaardherik (rucola), zeepkruid, kleverig kruiskruid, Robertskruid, hazenpootje, gewoon biggenkruid, bijvoet, duizendblad, paardenbloem species, ridderzuring, braam species, teunisbloem species, boerenwormkruid, wilde peen, fluitenkruid, smalle weegbree, gewone berenklauw, akkerdistel, kaal knopkruid, duizendblad, grote brandnetel, gewone ossentong, gekroesde melkdistel en Canadese fijnstraal.

4.3.2 Landbouwgronden Dit deel wordt bepaald door agrarische percelen (grasland en één akker) en enkele sloten. De vegetatie in de agrarische percelen is structuur- en soortenarm en wordt gedomineerd door algemene soorten van voedselrijke en ruderale omstandigheden zoals paarse dovenetel, vogelmuur, riet, zwarte nachtschade, moeraskers, akkerkers, grote weegbree, smalle weegbree, reukeloze kamille, witte klaver, duizendblad, gewone berenklauw, grote brandnetel, teunisbloem species, gekroesde melkdistel, witte dovenetel, klein kruiskruid en scherpe boterbloem. De oeverzone van de aanwezige sloten is meer gevarieerd qua soortensamenstelling en structuur met onder andere moerasvergeet-me-nietje en pijptorkruid. De sloot tussen dit deelgebied en het VAB-terrein wordt gedomineerd door riet.

4.3.3 Opslagterrein met woonhuis De vegetatie op het opslagterrein en rondom het woonhuis worden grotendeels bepaald door een ruderale vegetatie van vrij algemene plantensoorten. Bijzondere en soortenrijke vegetaties met zeldzame en/of beschermde plantensoorten en muurflora op de te slopen gebouwen zijn niet in het plangebied aanwezig. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek.

Pagina 16

4.4 Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied de volgende vogelsoorten aangetroffen: blauwe reiger, ekster, halsbandparkiet, kauw, krakeend en spreeuw. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, sperwer en wespendief, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar en sperwer zijn waarnemingen bekend waarbij er sprake is van directe binding met de omgeving (ter plaatse, baltsend/zingend, broedend, etc.). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied geen van deze jaarrond beschermde soorten waargenomen. Boomvalk, buizerd, havik en sperwer Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde boombewonende soorten in het onderzoeksgebied, of directe hieraan grenzend, waargenomen. In het plangebied zijn geen (recent) gebruikte roofvogelnesten, (oude) ekster-, roeken- en kraaiennesten of andere gebruikssporen van deze soorten (veren, uitwerpselen, plukplaatsen, prooiresten, braakballen, etc.) aangetroffen.

Op het VAB-terrein en op het opslagterrein met woonhuis zijn enkele knotwilgen en solitaire bomen aanwezig welke potentieel geschikt kunnen zijn als nestlocatie voor boomvalk, buizerd en/of sperwer. Voor de havik, welke sterk afhankelijk is van verstoringsvrije bospercelen, is een nestplaats uit te sluiten. Gierzwaluw Ten tijde van het veldbezoek is de gierzwaluw weggetrokken voor overwintering in Afrika, waardoor geen exemplaren zijn waargenomen. Gierzwaluwen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing, waar ze hun nesten bouwen onder dakpannen en in andere nauwe holtes. Bebouwing in het plangebied is aanwezig op het VAB-terrein en in de vorm van een woonhuis aan de 's-Gravendamseweg 65. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend. Deze soort is tijdens het veldbezoek niet in het plangebied of in de directe omgeving vastgesteld. Bebouwing in het plangebied is aanwezig op het VAB-terrein en in de vorm van een woonhuis aan de 'sGravendamseweg 65. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen.

Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij

Pagina 17

het water wordt uitgekozen. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Incidenteel kan in het plangebied rustend exemplaar worden waargenomen, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake. Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegend of rustend exemplaar in de omgeving van het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake.

4.4.1 VAB-terrein De bedrijfspanden/loodsen en de installaties zijn geschikt als nestlocatie voor bijvoorbeeld holenduif, kauw, stadsduif en zwarte roodstaart. De ruderale en onbegroeide delen zijn geschikt als nestlocaties voor enkele bodembroeders als kleine plevier, scholekster en witte kwikstaart. Verder is een enkele aanwezige knotwilg en solitaire boom geschikt als nestlocatie voor bijvoorbeeld ekster, houtduif, merel en vink. Boomvalk, buizerd, havik en sperwer Nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht doordat de aanwezige bomen (knotwilgen en een enkele solitaire boom) onvoldoende rust en dekking bieden. Incidenteel kan een foeragerend of overvliegend exemplaar op het VAB-terrein worden waargenomen, maar het deelgebied is niet van belang voor de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten. Gierzwaluw Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte nestplaatsen voor de gierzwaluw aan de gevels of de dakconstructie van de te slopen bedrijfspanden en installaties aangetroffen. Aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats (nestplaats) van de gierzwaluw kan hier worden uitgesloten. Huismus Door het ontbreken van geschikte ruimtes onder het dak en overige nissen in de gevels zijn de te slopen bedrijfspanden en installaties ongeschikt als verblijfplaats voor de huismus.

Aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats (nestplaats) van de huismus kan hier worden uitgesloten. Incidenteel gebruik van het VAB-terrein door een rustende of foeragerende huismus is niet uit te sluiten. Door de aanwezigheid van voldoende (alternatief) leefgebied rondom het VAB-terrein zijn er hier geen (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving te verwachten.

4.4.2 Landbouwgronden De agrarische percelen zijn marginaal geschikt voor een enkele bodembroeder als kievit en scholekster. De sloten en de oeverzone van de sloten zijn geschikt als nestlocatie voor waterhoen, meerkoet en wilde eend.

Pagina 18

Boomvalk, buizerd, havik en sperwer Nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht doordat bomen en overige opgaande begroeiing ontbreekt. Incidenteel kan hier een foeragerend of overvliegend exemplaar worden waargenomen, maar de landbouwgronden zijn niet van belang voor de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten. Gierzwaluw en huismus Door het ontbreken van bebouwing zijn vaste rust- en verblijfplaatsen (nestplaats) van beide gebouwbewonende soorten uit te sluiten. Incidenteel gebruik van de landbouwgronden door een foeragerende huismus is niet uit te sluiten. Door de aanwezigheid van voldoende (alternatief) leefgebied rondom landbouwgronden zijn er hier geen (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving te verwachten.

4.4.3 Opslagterrein met woonhuis Het woonhuis is geschikt als nestlocatie voor bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, kauw, stadsduif en spreeuw. De ruderale en onbegroeide delen zijn geschikt als nestlocaties voor enkele bodembroeders als kleine plevier, scholekster en witte kwikstaart. Verder is een enkele aanwezige knotwilg, solitaire boom en de tuinbeplanting rondom het woonhuis geschikt als nestlocatie voor bijvoorbeeld ekster, heggenmus, houtduif, merel, tjiftjaf, vink en winterkoning. Boomvalk, buizerd, havik en sperwer Nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht doordat de aanwezige bomen (knotwilgen en een enkele solitaire boom) en tuinbeplanting onvoldoende rust en dekking bieden. Incidenteel kan een foeragerend of overvliegend exemplaar op het opslagterrein worden waargenomen, maar het deelgebied is niet van belang voor de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten. Gierzwaluw Het woonhuis is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de gierzwaluw. Hier zijn voldoende invliegopeningen aanwezig. Het woonhuis is gelegen in het buitengebied van de woonkernen Voorhout en Noordwijkerhout, welke niet past in het typerende broedhabitat van de gierzwaluw (stedelijk gebied). Aanwezigheid van de gierzwaluw kan hier echter niet worden uitgesloten. Huismus Het woonhuis is geschikt als verblijfplaats voor de huismus.

Hier zijn voldoende invliegopeningen, nissen en ruimtes onder het dak aanwezig. Daarnaast zijn lokaal ook in het plangebied (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving als tuinbeplanting (rust- en schuilmogelijkheden), zandbaden en grazige en ruderale vegetatie (foerageerplekken) aanwezig. Er is hier mogelijk sprake van essentieel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus.

Pagina 19

4.5 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van algemene soorten muizen (holletjes) aangetroffen in het plangebied. Mogelijk gebruiken bunzing, egel, haas, konijn en een enkele (algemene) muizensoort als bosmuis en rosse woelmuis het plangebied als leef- en foerageergebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De NDFF maakt ook melding van de niet vrijgestelde beschermde boommarter en damhert voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Boommarter Overdag gebruiken boommarters verschillende type slaapplaatsen: boomholtes, roofvogelnesten, heksenbezems, (brede) takken en holen onder de grond van vos, das of konijn. De boomholtes die gebruikt worden zijn uitgehakt door de zwarte of groene specht of door inrotting ontstaan. Soms zitten boommarters ook in huizen of schuren in of in de directe omgeving van bos. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. De in het plangebied aanwezige bomen herbergen geen geschikte holten, welke als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Op basis van de inspectie zijn ook in de randzone van het plangebied geen geschikte bomen als oude, forse beuken en eiken met (oude zwarte spechten-)holen aangetroffen.

Gelet op het ontbreken van sporen en de afwezigheid van bomen met holten kan worden gesteld dat het plangebied, en de direct aangrenzende delen, niet in gebruik zijn door de boommarter. Incidenteel kan wel een rondzwervend exemplaar het plangebied doorkruisen. Van een essentieel leefgebied is echter geen sprake. Damhert Er zijn enkele waarnemingen van deze beschermde soort uit de ruime omgeving van het plangebied bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren en sporen van het damhert in het plangebied aangetroffen. Door de afstand van het plangebied tot de grote duin- en boscomplexen (Amsterdamse Waterleidingduinen), waar populaties damherten aanwezig zijn, en door de ligging nabij de bebouwde kom van Noordwijkerhout is het gebruik van het plangebied door bijvoorbeeld een rondzwervend exemplaar van het damhert uit te sluiten. Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen. Het bronnenonderzoek bevestigt daarnaast de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren voor de wijde omgeving van het plangebied.

Pagina 20

4.6 Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).

4.6.1 VAB-terrein Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen De grote loodsen zijn grotendeels opgetrokken uit stalen wanden, maar aan de onderzijde zijn stenen muren. Waar de stenen muren overgaan naar staal zijn diverse kieren aangetroffen die mogelijk toegang bieden tot geschikte ruimten voor vleermuizen. Deze gebouwen zijn voornamelijk geschikt als verblijfplaats voor een weinig kritische soort als gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied bevinden zich geen bomen met geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten, zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Een verblijfplaats van een boombewonende soort is hier uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is door zijn openheid (verharding en ruderaal terrein) beperkt geschikt als foerageergebied. Door het ontbreken van opgaande groenstructuren in de vorm van brede houtsingels, laanbomen en bosschages is er geen sprake van potentieel essentieel foerageergebied of eventueel een vliegroute voor vleermuizen. De geplande ontwikkeling heeft geen significant negatief effect op (essentiële) foerageergebieden en vliegroutes.

4.6.2 Landbouwgronden Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen Door de afwezigheid van gebouwen zijn hier vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied bevinden zich geen bomen met geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten, zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Een verblijfplaats van een boombewonende soort is hier uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is door zijn openheid (agrarisch gebruik) beperkt geschikt als foerageergebied. Door het ontbreken van opgaande groenstructuren in de vorm van brede houtsingels, laanbomen en bosschages is er geen sprake van potentieel essentieel foerageergebied of eventueel een vliegroute voor vleermuizen. De geplande ontwikkeling heeft geen significant negatief effect op (essentiële) foerageergebieden en vliegroutes.

Pagina 21

4.6.3 Opslagterrein met woonhuis Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het te slopen woonhuis zijn ruimtes in enkele kieren bij de aanwezige dakranden en dak en op enkele plaatsen achter loodflappen en goten geschikt voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en eventueel laatvlieger. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied bevinden zich geen bomen met geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten, zoals rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Een verblijfplaats van een boombewonende soort is hier uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is door zijn openheid (verharding en ruderaal terrein) beperkt geschikt als foerageergebied. Door het ontbreken van opgaande groenstructuren in de vorm van brede houtsingels, laanbomen en bosschages is er geen sprake van potentieel essentieel foerageergebied of eventueel een vliegroute voor vleermuizen. De geplande ontwikkeling heeft geen significant negatief effect op (essentiële) foerageergebieden en vliegroutes.

4.7 Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad. Voor deze soorten, met uitzondering van de rugstreeppad, geldt in Zuid-Holland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de internationaal beschermde rugstreeppad. Rugstreeppad De internationaal beschermde rugstreeppad is voor zijn voortplanting afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Rugstreeppadden zijn pioniers. Op opgespoten land verschijnt de rugstreeppad vaak al snel. De soort is een bewoner van zandachtige streken (bijvoorbeeld rivier- en zeeduinen en stuifzandheuvels) en ruderale gebieden zoals bouw-, industrie- en opgespoten terreinen en vuilstortplaatsen.

4.7.1 VAB-terrein Rugstreeppad Het VAB-terrein is, door de aanwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems en een spoorbed (stenen) van een ongebruikte spoorlijn, potentieel geschikt als habitat voor de rugstreeppad. Voortplantingswateren in de vorm van ondiepe, snel opwarmende, wateren waren tijdens het veldbezoek niet in het plangebied voorhanden. Echter door aanwezigheid van diverse (aangrenzende) sloten is voortplanting van de rugstreeppad hier niet uit te sluiten. Daarnaast is het niet uit te sluiten dat na perioden van

Pagina 22

langdurige regenval ook lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Algemene amfibieën Op het VAB-terrein ontbreken wateren in de vorm van sloten, poelen en vijvers. Voortplanting van de in de NDFF vermelde vrijgestelde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker is hier dan ook uit te sluiten. Incidenteel gebruik van het VAB-terrein door een rondzwervend of rustend exemplaar is mogelijk.

4.7.2 Landbouwgronden Rugstreeppad De landbouwgronden zijn, door de afnwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems, niet geschikt als landhabitat voor de rugstreeppad. Voortplantingswateren in de vorm van ondiepe, snel opwarmende, wateren waren tijdens het veldbezoek ook niet in het plangebied voorhanden. Echter door aanwezigheid van diverse sloten is voortplanting van de rugstreeppad hier niet uit te sluiten. Daarnaast is het niet uit te sluiten dat na perioden van langdurige regenval op het aangrenzende VAB-terrein en op het opslagterrein lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Algemene amfibieën Door aanwezigheid van geschikt leefgebied in de vorm van voortplantingswateren (watervoerende sloten) en landhabitat (oeverzones met riet en oeverplanten) is lokaal de aanwezigheid van enkele algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker niet uit te sluiten.

4.7.3 Opslagterrein met woonhuis Rugstreeppad Het opslagterrein is, door de aanwezigheid van ruderaal terrein in de vorm van kale zandbodems, potentieel geschikt als habitat voor de rugstreeppad. Voortplantingswateren in de vorm van ondiepe, snel opwarmende, wateren waren tijdens het veldbezoek niet in het plangebied voorhanden. Echter door aanwezigheid van diverse (aangrenzende) sloten is voortplanting van de rugstreeppad hier niet uit te sluiten. Daarnaast is het niet uit te sluiten dat na perioden van langdurige regenval ook lokaal ondiepe, tijdelijke wateren ontstaan. Deze kunnen dan ook als voortplantingswater gebruikt worden. Algemene amfibieën Op het opslagterrein ontbreken wateren in de vorm van sloten, poelen en vijvers. Voortplanting van de in de NDFF vermelde vrijgestelde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker is hier dan ook uit te sluiten. Incidenteel gebruik van het opslagterrein door een rondzwervend of rustend exemplaar is mogelijk.

Pagina 23

4.8 Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen, maar de meeste soorten zijn echter op het moment van onderzoek (eind oktober) ook grotendeels niet meer actief. De NDFF maakt geen melding van reptielen voor de omgeving van het plangebied (bron: NDFF). Door het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van reptielen hier uit te sluiten.

4.9 Vissen In de sloten langs de landbouwgronden worden uitsluitend algemene, niet beschermde vissoorten als baars, blankvoorn, brasem, ruisvoorn en snoek verwacht. De aanwezigheid van een strikt beschermde vissoort als de grote modderkruiper of houting is hier uit te sluiten. De NDFF maakt ook geen melding van beschermde vissoorten als de grote modderkruiper of houting voor de omgeving van het plangebied (bron: NDFF).

4.10 Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen, maar de meeste soorten zijn echter op het moment van onderzoek (half oktober) ook grotendeels niet meer actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de internationaal beschermde platte schijfhoren voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Platte schijfhoren In de omgeving van het plangebied is een enkele waarneming van deze beschermde weekdiersoort bekend (bron: NDFF). De platte schijfhoren wordt voornamelijk aangetroffen in stilstaande of zeer zwak stromende, zoete wateren. Milieufactoren als diepte, breedte en isolatie van het water lijken op het voorkomen weinig of geen invloed te hebben. De soort komt vooral voor in laagveengebieden, zowel in plassengebieden als in sloten, met name in wateren met een veenbodem. In intensief beheerde veenweidengebieden, waar sloten intensief worden geschoond, komt de platte schijfhoren indien aanwezig, voor in wateren met een gevarieerde vegetatie. In de iets voedselarmere sloten wordt de soort vaak met brede waterpest en gewoon kranswier aangetroffen. Sloten die het rijkst zijn qua onderwatervegetatie, bieden ook de beste leefomstandigheden voor de platte schijfhoren.

4.10.1 VAB-terrein Op het VAB-terrein ontbreken wateren in de vorm van in stilstaande of zeer zwak stromende, zoete wateren. Aanwezigheid van de platte schijfhoren is hier dan ook uit te sluiten.

4.10.2 Landbouwgronden

Pagina 24

Op basis van de ecologie van de platte schijfhoren en de aanwezigheid van geschikt biotoop in de vorm van diverse waterhoudende sloten is de aanwezigheid van deze soort hier niet uit te sluiten.

4.10.3 Opslagterrein met woonhuis Op het opslagterrein ontbreken wateren in de vorm van in stilstaande of zeer zwak stromende, zoete wateren. Aanwezigheid van de platte schijfhoren is hier dan ook uit te sluiten.

Pagina 25

5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd (zie bijlage 3). In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing.

5.1 Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht doordat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.

5.2 Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Werkzaamheden moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels, verstoord worden.

Pagina 26

5.2.1 VAB-terrein Op het VAB-terrein bevinden zich geen nestlocaties van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar en sperwer. Het plangebied is eveneens geen functioneel leefgebied voor deze of andere jaarrond beschermde vogelsoorten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing is voor deze soorten niet noodzakelijk.

5.2.2 Landbouwgronden Op de landbouwgronden bevinden zich geen nestlocaties van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar en sperwer. Het plangebied is eveneens geen functioneel leefgebied voor deze of andere jaarrond beschermde vogelsoorten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing is voor deze soorten niet noodzakelijk.

5.2.2 Opslagterrein met woonhuis Gierzwaluw en huismus In het te slopen woonhuis bevinden zich mogelijk geschikte nestlocaties voor deze gebouwbewonende soorten, waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Om vast te stellen of deze soort daadwerkelijk broedt in het gebouw en of een vergunningsaanvraag nodig is, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek noodzakelijk. Om uit te sluiten, dan wel aan te tonen dat de gierzwaluw een jaarrond beschermde verblijfplaats heeft in het plangebied, moeten minimaal 3 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 juni tot en met 15 juli, tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus en Kennisdocument Gierzwaluw, BIJ12). Conform de richtlijnen uit de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), van het Netwerk Groene Bureaus, en het Kennisdocument Huismus van BIJ12 (versie 1.0, juli 2017) dienen voor de huismus 2 ochtendronden in de periode 1 april tot en met 20 juni uitgevoerd te worden. Overige vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Op het opslagterrein en bij het woonhuis bevinden zich geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, ooievaar en sperwer.

Het plangebied is eveneens geen functioneel leefgebied voor deze of andere jaarrond beschermde vogelsoorten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing is voor deze soorten niet noodzakelijk.

Pagina 27

5.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van algemene soorten muizen (holletjes) in het plangebied aangetroffen. Het plangebied is geschikt als leef- en foerageergebied voor bunzing, egel, haas, konijn en een enkele (algemene) muizensoort als bosmuis en rosse woelmuis. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De NDFF maakt ook melding van de beschermde boommarter en damhert voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Deze soorten worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig voor deze soortgroep. Wel geldt voor de te verwachten algemene, en vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, bunzing, egel, haas, konijn en rosse woelmuis de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

5.4 Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja → Gebouwen en installaties op het VAB-terrein en het woonhuis aan de 'sGravendamseweg 65. 2. Bieden de gebouwen en installaties op het VAB-terrein en het woonhuis aan de 'sGravendamseweg 65 gebouw mogelijk vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen (denk aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur, gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? Ja → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is noodzakelijk. 3. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is niet noodzakelijk.

Pagina 28

4. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden van overige vleermuissoorten is niet noodzakelijk.

5.4.1 VAB-terrein Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk, aangezien er door de geplande werkzaamheden mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op kraam-, zomer-, en paarverblijfplaatsen van de te verwachten soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 5 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 3 veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 augustus, waarvan 2 avondbezoeken in de kraamperiode (15 mei - 15 juli) en ten minste 1 ochtendbezoek, en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober, waarbij minimaal één veldbezoek rond middernacht (ruige dwergvleermuis). Aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is uit te sluiten.

5.4.2 Landbouwgronden Door het ontbreken van gebouwen en opgaande begroeiing zijn vaste verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen uit te sluiten.

5.4.3 Opslagterrein met woonhuis Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk, aangezien er door de geplande werkzaamheden mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op kraam-, zomer-, en paarverblijfplaatsen van de te verwachten soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 5 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 3 veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 augustus, waarvan 2 avondbezoeken in de kraamperiode (15 mei - 15 juli) en ten minste 1 ochtendbezoek, en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober, waarbij minimaal één veldbezoek rond middernacht (ruige dwergvleermuis). Aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is uit te sluiten.

5.5 Amfibieën Het voorkomen van de internationaal beschermde rugstreeppad is op het VAB-terrein, op het opslagterrein en mogelijk ook op de landbouwgronden niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soort voorkomt in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen.

Pagina 29

Rugstreeppad Om vast te stellen of de soort aanwezig is dient conform het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus, 3 maal in de periode 15 april – 1 juni en 15 juni – 1 augustus, met minimaal één bezoek in de periode 15 april – 1 juni, naar kooractiviteit geluisterd. Overige amfibieënsoorten Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn overige beschermde amfibieën, met uitzondering van enkele algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker, niet te verwachten in het plangebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soorten. Ook voor deze amfibieënsoorten geldt de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap en de voortplantingstijd. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

5.6 Ongewervelde dieren 5.6.1 VAB-terrein Het voorkomen van de internationaal beschermde platte schijfhoren is hier op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk op te bepalen of deze soort voorkomt in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen.

5.6.2 Landbouwgronden Het voorkomen van de internationaal beschermde platte schijfhoren is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soort voorkomt in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Platte schijfhoren Binnen het plangebied worden de sloten éénmalig onderzocht op de aanwezigheid van platte schijfhoren. Conform de “Handleiding Slakken van de Habitatrichtlijn waarnemen” van Stichting ANEMOON dient met behulp van een schepnet de ondergedoken plantengroei uit het water geschept te worden. Deze waterplanten werden vervolgens geïnspecteerd op de aanwezigheid van platte schijfhoren. Onderzoek naar platte schijfhoren kan jaarrond worden uitgevoerd, maar de beste periode is de zomer en het najaar.

Pagina 30

5.6.3 Opslagterrein met woonhuis Het voorkomen van de internationaal beschermde platte schijfhoren is hier op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk op te bepalen of deze soort voorkomt in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen.

5.7 Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde reptielen en vissen niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soort(groep)en.

Pagina 31

6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets in het onderzoeksgebied kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet in het NNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande activiteiten. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard van de werkzaamheden en de door de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’ worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven door directe verstoringsfactoren verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als geluid, licht, e.d. zijn op voorhand uit te sluiten. Indien significante negatieve effecten door stikstofdepositie op gevoelige habitats van Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Coepelduynen’ in gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten zijn is een AERIUS-berekening noodzakelijk. Als de werkzaamheden in de gebruiksfase hetzelfde zijn als nu het geval of door modernisering van de gebouwen er zelfs sprake is van afname van depositie is een AERIUS-berekening niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=8b89cd07-64aa-4ad4-b60b-5694caa79559