CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

12. Bijlage VII - Weging van het waterbelang.pdf - Bijlage VII - Weging van het waterbelang

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Principeverzoek vernieuwen en vergroten overslagstation VAB 's-Gravendamseweg 77 Voorhout6.762 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nieuwbouw grondstoffenhal Voorhout Weging van het waterbelang

MeerVAB B.V. 19 september 2025

Project Opdrachtgever

Nieuwbouw grondstoffenhal Voorhout MeerVAB B.V.

Referentie

Weging van het waterbelang Definitief 02 19 september 2025 141856/25-014.633

Projectcode

141856

Document Status Datum

Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding voor herinrichting en nieuwbouw VAB-terrein Voorhout

5

1.2

Projectgebied

5

1.3

Weging van het waterbelang

6

1.4

Leeswijzer

6

2

VIGEREND BELEID

7

2.1

Europees beleid

7

2.2

Nationaal beleid

7

2.2.1 2.2.2 2.2.3

7 7 8

2.3

2.4

Omgevingswet Nationaal Waterprogramma Deltaprogramma

Regionaal beleid

8

2.3.1 2.3.2

8 8

Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap Rijnland

Gemeentelijk beleid

11

2.4.1

11

Gemeente Teylingen

3

HUIDIGE SITUATIE

13

3.1

Situering en plangebied

13

3.2

Maaiveld

13

3.3

Bodemopbouw

14

3.4

Grondwater

16

3.5

Oppervlaktewater

16

3.6

Afwatering en riolering

17

3.7

Waterkeringen

18

3.8

Waterkwaliteit

19

4

TOEKOMSTIGE SITUATIE

21

4.1

Ontwerp

21

4.2

Effecten op grondwater

23

4.3

Effecten op oppervlaktewater

24

4.4

Effecten op de afwatering

24

4.5

Effecten op waterkeringen

25

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

26

6

REFERENTIES

27

Laatste pagina

27

Bijlage(n) I

Nieuwe Terreininrichting (separaat meegeleverd)

Aantal pagina's 1

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding voor nieuwbouw grondstoffenhal en herinrichting terrein Voorhout

MeerVAB B.V., de gezamenlijke entiteit van Meerlanden en het VAB-bestuur, is voornemens om aan de ’s- Gravendamseweg 77 te Voorhout een nieuwe grondstoffenhal te bouwen en het hele terrein te herinrichten. De gemeenschappelijke regeling (GR) VuilAfvoerBedrijf Duin- en Bollenstreek (VAB) heeft een overslagstation aan de ’s-Gravendamseweg 77 in Voorhout en is verantwoordelijk voor de overslag van huishoudelijk afval van vijf gemeenten. Het overslagstation is technisch en economisch afgeschreven en voldoet niet meer aan hedendaagse eisen. Eind 2020 hebben de gemeenteraden van de vijf gemeenten daarom besloten dat het VAB-terrein moet worden vernieuwd en heringericht en dat de gemeenschappelijke regeling moet worden geactualiseerd. Het VAB-bestuur heeft daarvoor een samenwerking met Meerlanden N.V. gevonden. Samen hebben ze MeerVAB B.V. opgericht. Het overslagstation moet voorzien in een betere afvaloverslag. Dit past beter bij de huidige bedrijfsdoelstelling om ook voor de lange termijn efficiënt en duurzaam te zijn. Naast verouderde overslagfaciliteiten en technische installaties is tevens de bedrijfsvoering in de loop der jaren veranderd. Zo wordt het afval niet meer afgevoerd via het spoor maar per vrachtwagen. Er is daarom behoefte aan een efficiënt ingerichte logistieke ruimte voor de op- en overslag van huisvuil op deze locatie.

1.2

Projectgebied

De ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1. Het her in te richten terrein bevindt zich aan de ’s-Gravendamseweg 77 in het noorden van Voorhout. Parallel ten westen van het terrein loopt de Leidsevaart.

5 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 1.1 Overzicht van het plangebied voor de herinrichting

1.3

Weging van het waterbelang

De weging van het waterbelang is verplicht bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl) of bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 8.0b en 8.0c Bkl), waarvan de goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving (GoFlo) een indieningsvereiste is. Voor dit project is een weging van het waterbelang noodzakelijk, om de huidige verhardings- en afwateringssituatie ter plaatse van het plangebied in kaart te brengen en eventuele compensatieplicht door het planvoornemen te signaleren. De term ‘weging van het waterbelang’ vervangt de term ‘watertoets’ zoals die tot 1 januari 2024 werd gehanteerd. Voor een goede weging van het waterbelang dient de initiatiefnemer van het plan tijdig af te stemmen met de waterbeheerders. Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) is waterbeheerder voor de regionale wateren. Daarnaast is de provincie Zuid-Holland verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit en de gemeente Teylingen is verantwoordelijk voor het grondwater in stedelijk gebied. De gemeente heeft daarnaast een zorgplicht voor de afvoer van overtollig hemelwater en voor de afvoer van afvalwater. Dit document vormt het resultaat van de weging van het waterbelang.

1.4

Leeswijzer

Dit rapport is als volgt opgebouwd: - hoofdstuk 2 beschrijft het vigerende beleid omtrent het thema water; - hoofdstuk 3 beschrijft de huidige waterhuishoudkundige situatie in en rond het projectgebied; - hoofdstuk 4 beschrijft de toekomstige situatie en de effecten van het ontwerp op de waterhuishouding; - hoofdstuk 5 bevat de conclusies en aandachtspunten.

6 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

2 VIGEREND BELEID Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van het wettelijk kader en het vigerend beleid rondom water. De beschrijving is gestructureerd naar hiërarchie: achtereenvolgens Europees beleid, nationaal beleid, regionaal beleid en lokaal beleid.

2.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) [ref. 1] is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast gaat het Europees beleid uit van het ‘standstill’ principe dat bij veranderingen de waterhuishoudkundige of ecologische situatie in een gebied enkel gelijk blijft of verbetert. Deze situatie mag dus niet verslechteren.

2.2

Nationaal beleid

2.2.1

Omgevingswet

Per 1 januari 2024 is een groot gedeelte van de Waterwet opgegaan in de Omgevingswet (Ow) [ref. 2]. In de Ow wordt het functioneren van het landelijk watersysteem beschreven en wordt de waterveiligheid geregeld. Ook wordt bepaald wie verantwoordelijk is voor welk watersysteem en welke taken daarbij horen. De Wet Milieubeheer is ook grotendeels geïntegreerd in de Ow. Het uitgangspunt daarbij is dat verreweg de meeste lozingen geregeld worden op gemeentelijk niveau en waterschap niveau. De gemeentelijke zorgtaken voor hemelwater, grondwater en afvalwater worden ook beschreven in de Ow. Op nationaal niveau zijn daarnaast het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma van belang.

2.2.2

Nationaal Waterprogramma

Het nationaal beleid voor het beheer van Rijkswateren is uiteengezet in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 [ref. 3]. Het Nationaal Waterprogramma beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

7 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

2.2.3

Deltaprogramma

In het Deltaprogramma [ref. 4] worden de onderwerpen waterveiligheid, zoetwater en klimaatadaptatie beschreven. Klimaatverandering is ook een terugkerend thema in het Deltaprogramma 2024, waarbij in het nieuwe Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie in het bijzonder wordt benadrukt dat er aandacht is voor het vasthouden van zoet hemelwater in of nabij stedelijke omgeving en het kunnen bergen/verwerken van extreme regenval.

2.3

Regionaal beleid

Regionaal beleid wordt voor onderhavig project opgesteld door de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap Rijnland. Hierbij draagt de provincie de verantwoordelijkheid voor het diepe grondwater en het waterschap is verantwoordelijk voor het ondiepe grondwater, het watersysteem en het zuiveren van afvalwater.

2.3.1

Provincie Zuid-Holland

De provincie heeft geen goedkeuringsbevoegdheid meer voor de watertoets en bestemmingsplannen. Wel is het provinciaal waterbeleid van belang voor het watertoets proces. Het waterbeleid van de provincie ZuidHolland is opgenomen in het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 [ref. 5]. In het Regionaal Waterprogramma is voorgesorteerd op de komst van de Ow in 2024. Het Regionaal Waterplan is - in de geest van de Ow - in participatie met andere overheden opgesteld. Met name met de waterschappen heeft intensieve afstemming plaats gevonden over het plan. De provincie zet zich in voor een gezonde leefomgeving met mooi en schoon water. Voldoende en schoon grondwater is daar een onderdeel van. Het gebruik van de ondergrond kan conflicteren met doelen uit de KRW en de grondwaterrichtlijnen. De provincie borgt dat activiteiten die invloed hebben op het (grond)watersysteem, gereguleerd worden.

2.3.2

Hoogheemraadschap Rijnland

HHR kent een eigen verordening, de Waterschapsverordening [ref. 6]. Daarin zijn onder andere regels opgenomen over het toevoegen van verhard (dak)oppervlak. HHR is in beginsel kritisch op het aanbrengen van verharding, omdat hierdoor neerslag versneld tot afstroming komt en het watersysteem daardoor extra wordt belast. Er is daarom in veel gevallen een vergunning of melding nodig voor het aanbrengen van nieuwe verharding, zoals bouwwerken, bestrating, een nieuwe weg of een nieuw pad. Voor verschillende soorten toename van verharding gelden specifieke regels. Deze regels, evenals andere relevante bepalingen, zijn uitgewerkt in de volgende artikelen van de Waterschapsverordening. Artikel 1.5 Zorgplicht Iedereen die een activiteit uitvoert en weet of kan vermoeden dat deze activiteit nadelen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht: - alle maatregelen te nemen om deze nadelen te voorkomen, voor zover het redelijk is om dit van deze persoon te vragen; en - voor zover deze nadelen niet zijn te voorkomen, de nadelen zo klein mogelijk te houden en zoveel mogelijk terug te draaien; en - de activiteit niet uit te voeren als de nadelen te groot worden, onder de voorwaarde dat het redelijk is om dit van deze persoon te vragen.

8 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Artikel 7.10 Waterberging niet in oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad als er op grond van artikel 41.3 of artikel 41.16 een verplichting is om waterberging te maken en deze waterberging niet plaatsvindt in oppervlaktewater. Artikel 9.3 Meer dan 5.000 m² hard oppervlak maken in andere gebieden (dan hoge zandgronden) Er zijn meerdere artikelen die betrekking hebben op toename in verharding. Dit artikel behandelt zowel straatverharding als gebouwen. Een vergunning is nodig voor het maken van één of meerdere bouwwerken, als: - de toename aan hard oppervlak van de nieuwe bestrating, gesloten teeltvloeren, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar groter is dan 5.000 m²; en - dit is in een gebied zonder hoger gelegen zandgrond; en - de grond nog geen hard oppervlak heeft. Artikel 41.2a - Minimaal 90 millimeter neerslag opvangen (toename hard oppervlak >5.000 m2) - is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet de initiatiefnemer ervoor zorgen dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen dat plangebied.

Hierbij ontstaat geen wateroverlast bij bouwwerken, infrastructuur, hoogwaardige teelt of akkerbouw; - de initiatiefnemer vangt, als het redelijkerwijs mogelijk is, minimaal 20 millimeter van de 90 millimeter neerslag uit het vorige lid op in de bodem; - is het peilvak groter dan het plangebied waarin de initiatiefnemer het hard oppervlak maakt, dan wordt het bestaande oppervlaktewater uit dat peilvak in de juiste verhouding aan het plangebied toegekend. Artikel 41.3 - Maken van waterberging (toename hard oppervlak >500 m2) - de initiatiefnemer moet waterberging maken als het hard oppervlak 500 m2 of groter is; - dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van het vorige lid als: · de toename aan hard oppervlak maximaal 1 jaar aanwezig blijft en niet zorgt voor wateroverlast; en/of · het hard oppervlak lijnvormig is en neerslag niet versneld in het oppervlaktewater stroomt. Fietspaden en wandelpaden zijn voorbeelden van een lijnvormig hard oppervlak. Als die paden geen afvoer voor het hemelwater hebben, dan stroomt de neerslag vaak in de bodem; · het hard oppervlak zo wordt gemaakt dat de neerslag helemaal in de bodem zakt.

Artikel 41.4 - Wanneer wordt de waterberging gemaakt - de waterberging moet eerder dan of tegelijk met het nieuwe hard oppervlak worden gemaakt; - de waterberging is maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van hard oppervlak gemaakt; - de waterberging is niet gemaakt of ingezet om te voldoen aan een andere verplichting; - dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van deze regel als: · het technisch niet mogelijk is de nieuwe waterberging eerder dan of tegelijk met het nieuwe hard oppervlak te maken; en · er geen wateroverlast ontstaat als de nieuwe waterberging op een later tijdstip wordt gemaakt. Artikel 41.5 - Plaats van de waterberging - als de neerslag in oppervlaktewater van een polder komt, wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak waarin de neerslag in het oppervlaktewater komt. Artikel - 41.6 en 41.7 Oppervlaktewater als waterberging Artikel 41.6 Nieuw oppervlaktewater als waterberging: - het nieuwe oppervlaktewater heeft een oppervlakte dat minimaal even groot is als 15 % van de toename in het hard oppervlak; - de toename van hard oppervlak is het nieuwe hard oppervlak min het verwijderde hard oppervlak; - hard oppervlak dat maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van nieuw hard oppervlak is verwijderd, mag van het nieuwe hard oppervlak worden afgetrokken als:

9 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

·

-

-

de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak; of · de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 km van elkaar in de boezem komt; verwijderd hard oppervlak mag worden afgetrokken als het tussen de 5 en 10 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van hard oppervlak is verwijderd, er geen wateroverlast ontstaat en: · de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak; of · de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 km van elkaar in de boezem komt; Rijnland heeft als voorkeur dat waterberging wordt aangelegd in de vorm van oppervlaktewater. Dit moet dan wel in open verbinding staan met het watersysteem.

Artikel 41.7 Waterberging afschrijven van de Berging Rekening Courant: - er hoeft geen nieuw oppervlaktewater te worden gemaakt als het oppervlak wordt afgeschreven van een Berging Rekening Courant: Een saldo van gedempt en gegraven oppervlaktewater. Dit saldo wordt bijgehouden in een Berging Rekening Courant (BRC). Artikel - 41.8 - 41.12 Andere manier om waterberging te maken Waterberging kan ook worden gerealiseerd op andere manieren dan met aanvullend oppervlaktewater. Artikel 41.12 schrijft hier het volgende over: - als neerslag in het oppervlaktewater kan komen, dan kan de waterberging minimaal 55 liter per m² toename hard oppervlak bergen, oftewel 55 mm waterberging; - de afvoer van de waterberging is 0,6 liter per uur per m² toename hard oppervlak; - de toename van hard oppervlak is het nieuwe hard oppervlak min het verwijderde hard oppervlak; - verwijderd hard oppervlak mag worden afgetrokken als het maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van hard oppervlak is verwijderd en: · de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak; of · de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt; - verwijderd hard oppervlak mag worden afgetrokken als het tussen de 5 en 10 jaar voor de vergunningaanvraag

voor het maken van hard oppervlak is verwijderd, er geen wateroverlast gaat ontstaan en: · de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak; of · de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt. Extra toelichting op deze artikelen: - soms maakt een initiatiefnemer een waterberging die geen afvoer heeft naar oppervlaktewater. Bijvoorbeeld een kratjes-systeem onder een parkeerterrein, of wadi’s in een gebied op zandgrond. Omdat er geen neerslag naar oppervlaktewater stroomt, kan Rijnland dat toestaan. Een initiatiefnemer moet wel voorkomen dat via zo’n waterberging op een andere manier toch neerslag naar het oppervlaktewater kan stromen. Rijnland kan hiervoor eisen opnemen in de vergunning. Een voorbeeld van zo’n eis is een (iets) verhoogd grondlichaam rondom een parkeerterrein. Voorschriften in de vergunning - de activiteit dient gemeld te worden bij HHR. De melding dient te worden voorzien van de volgende informatie: · een situatietekening met een schaal van ten minste 1:200.

De situatietekening bevat minimaal (1) de plaats en het aantal m² van het nieuwe hard oppervlak; en (2) de plaats het aantal m² van het nieuwe oppervlaktewater; en (3) de plaats waar de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in het oppervlaktewater stroomt; · indien verwijderd verhard oppervlak wordt gebruikt voor het bepalen van de verhardingstoename, dan dient ook bijgevoegd te worden: (1) een bewijs van het verwijderen van dit hard oppervlak; en

10 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

(2) een bewijs van toestemming van de eigenaar. Dit geldt als het hard oppervlak is verwijderd van een perceel waarvan de initiatiefnemer geen eigenaar is.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1

Gemeente Teylingen

Gemeente Teylingen heeft een omgevingsvisie welke voortkomt uit de Omgevingswet (2024): ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’ [ref. 7], vastgesteld op 12 december 2024. Dit document geeft naast invulling aan de wettelijke verplichtingen een lange termijnvisie voor het gehele Teylingse grondgebied en de fysieke leefomgeving. Zorgplichten water De gemeentelijke watertaken komen voort uit drie zorgplichten, te weten afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeentelijke zorgplichten hebben inhoudelijk een sterke samenhang met de zorgplichten voor het zuiveren van afvalwater en die voor het regionaal watersysteem van de waterbeheerder, in dit geval hoogheemraadschap van Rijnland. Zorgplicht afvalwater De gemeente is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van openbare vuilwaterriolen (of gelijkwaardige voorzieningen) binnen de bebouwde kom en transport van het afvalwater naar een zuivering technisch werk (bijvoorbeeld de RWZI). Bij de invulling van de zorgplicht afvalwater in de gemeentelijke omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt tussen de bebouwde kom en het buitengebied en tussen huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater. Zorgplicht hemelwater De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen waarvan de eigenaren niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem.

Als de gemeente hemelwater inzamelt, is ze ook verantwoordelijk voor de verdere omgang, inclusief de lozing op oppervlaktewater of in de bodem. De gemeente kan het zowel gescheiden van als gemengd met afvalwater inzamelen. De gekozen route bepaalt de betrokkenheid van de waterbeheerder. Het waterschap kan betrokken zijn als beheerder van de ontvangende zuivering of van het ontvangende oppervlaktewater, soms van beide. Zorgplicht grondwater De gemeente is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen in de openbare ruimte om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstanden voor de aan die grond gegeven bestemming zo veel mogelijk te voorkomen. Althans, voor zover de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoren. Vaak zal het gaan om het aanbieden van inzamelvoorzieningen voor overtollig grondwater. Als de gemeente inzamelt, is ze ook verantwoordelijk voor de verdere omgang met het grondwater. Ook is de gemeente aanspreekpunt bij grondwaterproblemen: zij heeft de regie bij het onderzoeken van oorzaken en oplossingen. Het algemene uitgangspunt dat de gemeente hanteert, is dat eigenaren van gebouwen en percelen zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van overtollig grondwater, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid niet haalbaar en niet doelmatig is.

Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar gebiedstypen. Dat geldt dus ook voor de gemeente zelf als gebouw- en perceeleigenaar. Bij nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met de grondwater stand, zodat er bij deze nieuwbouw geen nadelige gevolgen ontstaan, maar er ook niet wordt afgewenteld op de omgeving. Zorgplicht drinkwater Naast de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater heeft de gemeente net als de andere overheden een zorgplicht drinkwater. Deze zorgplicht heeft inhoudelijk een sterke samenhang met de zorgplichten voor het zuiveren van afvalwater en die voor het regionaal watersysteem van de waterbeheerder. De provincie is leidend in de bescherming van grondwater dat bestemd is voor de openbare drinkwatervoorziening. De gemeente volgt het beleid dat hiervoor in de provinciale

11 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

omgevingsvisie wordt opgenomen. Waar nodig neemt de gemeente regels op in het omgevingsplan om de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen. Onder de zorgplicht valt ook het beschermen van de infrastructuur die nodig is voor de levering van drinkwater aan inwoners. Naar een klimaatadaptief Teylingen Gemeente Teylingen zet zich in voor klimaat adaptieve maatregelen. Meer ruimte voor groen en waterbergingsmogelijkheden in de dorpen en in het landschap bieden de gewenste verkoeling, waterbuffers en opslag van CO2. Bovendien draagt het bij aan versterking van de biodiversiteit. Er worden extra maatregelen voor bijvoorbeeld hemelwaterafvoer genomen. Dit hemelwater wordt vastgehouden tot in ieder geval 20 mm. Hittestress is een integraal onderdeel bij inrichtingsopgaven. Teylingen werkt de klimaatadaptatiestrategie verder uit in het Programma Water en Klimaatadaptatie. Aandachtspunten/-gebieden in de gemeente zijn: - droogte, verzilting en extreme neerslag in de bollenteeltgebieden (zandgronden); - in de diepere polders is het risico op overstroming en verzilting groter, maar ze bieden juist ook kansen voor waterberging; - te hoge en te lage grondwaterstanden, die schade veroorzaken aan landschap, gebouwen en infrastructuur.

Met name in de lokale veenbodems bestaat het risico op bodemdaling die schade veroorzaakt; - meer druk op de boezemwaterlopen – Trekvaart, Ringvaart en Kagerplassen – door de sterkere variatie in aan- en afvoer. Tijdens een zeer warme (droge) periode bovendien risico op verminderde (drink)water en kwaliteit daarvan; - extreme buien kunnen zorgen voor wateroverlast in de dorpskernen – aandachtspunten: secundaire infrastructuur en lagere, verharde gebieden met weinig oppervlaktewater in de dorpen (weinig bergingsruimte); - zeer warme perioden kunnen zorgen voor extreme hitte in de dorpskernen – aandachtspunten: verharde gebieden, zoals winkelcentra en bedrijventerrein en ook de functionaliteit van bruggen. De blauwe lens De ambities gemeente breed voor bodem/water en klimaatadaptatie zijn: - water robuuste inrichting: Rijnland wil dat hevige neerslag nu en in de toekomst geen schade veroorzaakt in en aan gebouwen, wegen, voorzieningen, natuur en landbouw. Rijnland wil dat de gevallen neerslag zoveel als mogelijk wordt vastgehouden en/of geborgen voor nuttig gebruik (van steen naar spons), en dat de gevolgen van overstromingen worden beperkt/voorkomen door een duurzame ruimtelijke inrichting van het gebied.

Voor vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen, gelden aanvullende (beschermde) eisen; - droogtebestendige inrichting: Rijnland wil dat langdurige droogte niet of slechts beperkt leidt tot schade aan bebouwing, wegen, natuur, landbouw en vitale en kwetsbare functies. Daarom moeten de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid sturend zijn voor de inrichting van het gebied; - natuurinclusieve inrichting: Rijnland wil dat de inrichting van ons watersysteem minimaal aan de wettelijke vereisten voldoet (met name de Kaderrichtlijn Water). Een natuurinclusieve inrichting moet leiden tot verbetering van de waterkwaliteit en de biodiversiteit. Dan draagt de inrichting van gebieden (en groenblauwe verbindingen tussen gebieden) bij aan een gezonde leefomgeving, aan water robuustheid, verkoeling en aan behoud of ontwikkeling van natuurwaarden, landschap en cultuurhistorie.

12 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

3 HUIDIGE SITUATIE Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de huidige waterhuishoudkundige situatie in en rond het projectgebied.

3.1

Situering en plangebied

De projectlocatie is weergegeven in afbeelding 3.1.

Afbeelding 3.1 Projectlocatie

Het plangebied bevindt zich op een industriegebied, in het noorden van Voorhout. Het plangebied beslaat in totaal circa 20.000 m2. De spoorbaan van het traject Haarlem-Leiden loopt langs het terrein aan de westzijde.

3.2

Maaiveld

Voor de maaiveldhoogte is het AHN4 geraadpleegd [ref. 8]. De maaiveldhoogte in de omgeving van het projectgebied is weergegeven in afbeelding 3.2.

13 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 3.2 Maaiveldhoogte in de omgeving van de projectlocatie volgens het AHN4 [ref. 8]

Het maaiveld van de projectlocatie ligt verhoogd ten opzichte van de omgeving, tussen NAP +1,00 m en NAP +3,00 m. Het omliggende gebied ligt grotendeels tussen NAP -0,60 en +0,25 m. De spoorbaan naast het projectgebied loopt af van noord naar zuid van NAP +2,10 m naar NAP +1,35 m. De spoorbaan ligt over het algemeen 10 cm hoger ten opzichte van het projectgebied.

3.3

Bodemopbouw

Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een antropogene (ophoog)laag van circa 3 m aanwezig. De onderzoekslocatie in de 19e eeuw opgehoogd ten behoeve van de aanleg van de spoorlijn tussen Amsterdam en Rotterdam. Omstreeks de jaren 70 van de vorige eeuw is het gebied deels opgehoogd na de komst van het afvalverwerkingsbedrijf. De locatie is in het verleden opgehoogd met zand ten behoeve van de aanleg van de stortplaats en de spoorlijn [ref. 9]. In september 2024 is geotechnisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied [ref. 11]. Afbeelding 3.3 toont boorprofielen die op het terrein zijn afgenomen. Uit de boorstaten blijkt dat de directe ondergrond voornamelijk bestaat uit zand, variërend van zeer fijn tot matig grof. Deze bodem is geschikt voor infiltratie van regenwater.

14 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 3.3 Boorprofielen binnen het projectgebied [ref. 11]

15 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

3.4

Grondwater

Direct ten westen van de onderzoekslocatie is de Leidsevaart aanwezig, welke fungeert als een waterscheiding voor het freatische grondwater. Ten oosten van de onderzoekslocatie zijn verschillende poldersloten aanwezig, welke onder invloed van stuwen en gemalen het polderpeil in stand houden. Gezien de ligging van het plangebied aan de boezem wordt aangenomen dat het grondwater lokaal uitzakt naar het boezemwaterpeil van NAP -0,61 of NAP -0,64 m. Bij een maaiveldhoogte van NAP +1,5 m betekent dit een ontwateringsdiepte (zie afbeelding 3.4) van meer dan 2,0 m. In perioden van neerslag kan de grondwaterstand door opbolling lokaal toenemen. Als onderdeel van het geotechnisch onderzoek [ref. 11] zijn op twee locaties grondwaterstanden gemeten van respectievelijk NAP -0,42 m en NAP -0,54 m. Deze metingen bevestigen dat de grondwaterstand door opbolling kan toenemen, maar dat de ontwateringsdiepte desondanks groter blijft dan 1,0 m.

Afbeelding 3.4 Drooglegging en ontwateringsdiepte in een polder

De onderzoekslocatie is niet gelegen in een boringsvrije zone, grondwaterbeschermings- of drinkwaterwinningsgebied [ref. 9].

3.5

Oppervlaktewater

Afbeelding 3.5 bevat een uitsnede van de Legger Oppervlaktewateren van HHR in de omgeving van het plangebied.

16 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 3.5 Oppervlaktewater nabij projectlocatie

Het plangebied is gelegen in polder Boekhorst, met een zomerpeil van NAP -0,82 m en een winterpeil van NAP -1,02 m. Aan de overzijde van het spoor ligt het boezemwater met een zomerpeil van NAP -0,61 m en een winterpeil van NAP -0,64 m. Het plangebied is niet gelegen in een kwetsbaar kwelgebied. Een watergang van de categorie ‘overig’ begrenst het terrein aan de zuidoostelijke kant. Volgens de Legger van Rijnland heeft deze sloot de volgende afmetingen: - een breedte op de waterlijn van 1,85 m; - een bodembreedte van 0,85 m; - een lengte van 314 m; - een talud van 1:2. De poldersloot watert af door middel van een duiker ten zuidwesten van het terrein. Daarna watert het met een duiker af op een ander overig water parallel aan de boezem (zelfde waterpeil). Ten zuiden van het gebied bevindt zich gemaal Boekhorst waar het polderwater wordt uitgeslagen op de boezem. Rondom de watergang ligt een ‘Watergang beschermingszone’, Dit betreft een aan de watergang grenzende zone, die als zodanig in de legger van HHR is opgenomen. Binnen de zone geldt een beperking voor wat betreft het ondernemen van activiteiten zoals bouwen of slopen van werken.

3.6

Afwatering en riolering

Hemelwater De terreinverharding bestaat nu voornamelijk uit asfalt en stelconplaten. Hemelwater dat terecht komt op het terrein voert oppervlakkig af naar de berm en infiltreert lokaal. Overtollig water stroomt oppervlakkig af naar de sloot. Op dit moment is nog onbekend op welke wijze de dakafvoeren zijn aangesloten.

17 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afvalwater Afbeelding 3.6 toont een overzicht van het bestaande rioolstelsel rondom het plangebied.

Afbeelding 3.6 Overzicht bestaande riolering en persleidingen [ref. 10]

Het vuilwaterafvoer afkomstig van het VAB-terrein voert af op het gemeentelijk rioolstelsel met een buisdiameter ø 200 mm. Dit rioolstelsel is alleen bedoeld voor de afvoer van vuilwater. In de ’s- Gravendamseweg sluit het rioolstelsel aan op een persleiding door middel van een pomp.

3.7

Waterkeringen

Afbeelding 3.7 toont de regionale waterkering nabij het plangebied.

18 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 3.7 Regionale waterkeringen HHR

Uit de legger van HHR komt naar voren dat het plangebied grenst aan de regionale waterkering en beschermingszone. Het plangebied valt alleen binnen de buitenbeschermingszone. Er zijn geen primaire waterkeringen aanwezig in de nabije omgeving of op grotere afstand.

3.8

Waterkwaliteit

Er zijn KRW-wateren in de omgeving van het plangebied, zie afbeelding 3.8.

19 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 3.8 KRW-waterlichamen Rijnland

Het boezemwater valt onder de KRW. De KRW-wateren maken deel uit van het 'Trekvaartsysteem'. De status van dit water is kunstmatig. Het totaaloordeel van de KRW-wateren is weergegeven in afbeelding 3.9.

Afbeelding 3.9 Totaaloordeel van de waterkwaliteit van de KRW-waterlichaam ‘Trekvaartsysteem’ [ref. 12]

Afbeelding 3.9 laat zien dat de chemische toestand in 2023 is beoordeeld als slecht. Wat betreft de ecologische toestand wordt slecht gescoord op het onderdeel specifieke verontreinigde stoffen.

20 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

4 TOEKOMSTIGE SITUATIE 4.1

Ontwerp

Afbeelding 4.1 toont de nieuwe terreinindeling van het VAB-terrein in Voorhout. In afbeelding 4.2 tot en met 4.4 wordt meer ingezoomd op het terrein. In bijlage I is de terreintekening in grotere resolutie opgenomen.

Afbeelding 4.1 Terreininrichting grondstoffenhal Voorhout

21 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Afbeelding 4.2 Terreininrichting [1/3]

Afbeelding 4.3 Terreininrichting [2/3]

Afbeelding 4.4 Terreininrichting [3/3]

22 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Voorafgaand aan het opstellen van deze tekening is de bestaande watergang ingemeten. De watergang langs het terrein wordt verbreed: - vanaf de ingang gezien het eerste deel 1 m; - het brede deel maximaal 8 m; - laatste deel voor grondstoffenhal 2 m. Het talud is 1:2, wat overeenkomt met de huidige situatie. De watergang langs de grondstoffenhal wordt niet gewijzigd. Dit geldt ook voor de duiker. Per type oppervlak is in tabel 4.1 een overzicht gegeven van de toename in m2.

Tabel 4.1 Bestaand vs. nieuwe situatie terreinoppervlakken Bestaand (m2)

Nieuw (m2)

Toename (m2)

bebouwd oppervlak

1.776

3.598

1.822

(asfalt)verharding

6.445

7.876

1.431

halfverharding

1.614*

0

-1.614*

totaal verhard

9.835

11.474

1.639

totaal verhard oppervlak dat tot afstroming leidt

9.028*

11.474

2.446*

557

940

383

5.985

3.963

-2.022

oppervlaktewater groen

* Aanname 50 % van halfverharding (incl. waterdoorlatende verharding) leidt tot oppervlakkige afstroming van hemelwater op de poldersloot.

Aan de zuidwestzijde van het terrein (zie afbeelding 4.4) bevindt zich momenteel 1.614 m2 aan halfverharding. Deze halfverharding sluit aan op de onderhoudsweg van ProRail langs de spoorbaan en grenst direct aan de poldersloot. Tijdens hevige klimaatbuien is te verwachten dat er water zal afstromen naar de poldersloot, zij het minder dan bij dichte verharding. Voor de bestaande situatie wordt aangenomen dat 50 % van het hemelwater dat terecht komt op deze halfverharding tot afstroming komt naar de poldersloot. In de nieuwe situatie wordt deze halfverharding vervangen door asfalt, waardoor de afstroming naar de poldersloot in de berekening toeneemt naar 100 %. In de nieuwe situatie wordt 376 m2 aan parkeervakken uitgevoerd met grasbetontegels. Om voldoende sterkte te waarborgen voor incidenteel zwaar verkeer, is besloten de fundering van de parkeervakken uit te voeren in menggranulaat 0/45. De parkeervakken zijn daardoor slecht waterdoorlatend. Voor de parkeervakken wordt daarom een 100 % afstroompercentage aangehouden. Uit tabel 4.1 volgt: - de totale verhardingstoename is 2.446 m2; - er is een toename aan oppervlakwater van 383 m2; - het oppervlak groen, wat als infiltratiegebied fungeert, neemt af met 2.022 m2.

4.2

Effecten op grondwater

Op de planlocatie neemt het verhard oppervlak dat afstroomt toe. Dit leidt plaatselijk tot minder infiltratie en meer afstroming van hemelwater, waardoor er lokaal sprake is van minder grondwateraanvulling. Echter kan hemelwater afstromen naar bermen en aangrenzende sloten naast de projectlocatie. Gezien het goed doorlatende zandpakket zal ondergrondse uitwisseling van water mogelijk zijn en het effect op grondwater beperkt zijn. De aanleg van watercompensatie zal het effect op grondwater nog verder mitigeren. Aangezien

23 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

de grondwaterstand zich vrij diep onder het maaiveld bevindt, worden er geen effecten voorzien voor aangrenzende perceeleigenaren en boerenbedrijven. Er vindt geen grondwateronttrekking plaats. Daarnaast wordt in het ontwerp aangenomen dat er geen bemaling noodzakelijk is. De bestaande kelders worden gevuld en (deels) als fundering gebruikt voor nieuwbouw.

4.3

Effecten op oppervlaktewater

Watersysteem De poldersloot langs het terrein wordt verbreed. Het oppervlak binnen de beschermingszone van de watergang wordt in het plan dus gewijzigd. De poldersloot wordt verbreed omdat de afvoer van hemelwater op het poldersysteem toeneemt, zie paragraaf 4.4. De duiker aan de zuidwestzijde blijft ongewijzigd. Door de toename van het bovenstrooms afvoerend oppervlak zal de druk op de duiker toenemen, wat leidt tot een groter hydraulisch verhang in de duiker. De doorstroomcapaciteit is op dit moment echter niet geverifieerd. Waterkwaliteit De volgende installaties zijn voorzien in het ontwerp (zie bijlage I): - trafostation; - vrachtwagen opstelplaatsen; - dieseltank 10.000 L; - noodstroomaggregaat (70 kVA) en accu (215 kWh). De terreinafwatering is nog niet opgenomen in het ontwerp. In de volgende fase moet per installatie een inschatting worden gemaakt van de risico’s voor de waterkwaliteit, waarna passende maatregelen zullen worden getroffen. In de toekomst zal opslag van containers plaatsvinden op het terrein. Er worden geen grondstoffen in bulk opgeslagen op het terrein. Hierdoor kan geen uitloging en verontreiniging van het (grond)water plaatsvinden.

4.4

Effecten op de afwatering

Hemelwaterafvoer Door toename in verhard oppervlak zal ook de afvoer van hemelwater tijdens klimaatbuien toenemen. HHR eist dat er compenserende waterberging wordt aangelegd indien de verhardingstoename groter is dan 500 m2. De totale verhardingstoename is 2.446 m2. In verband met de eisen van hoogheemraadschap Rijnland (zie paragraaf 2.3.2) dient één of een combinatie van de volgende wijzigingen in het ontwerp te worden aangebracht: 1 nieuw oppervlaktewater graven met een minimaal oppervlak van 15 % van de toename in verhard oppervlak. Dit betekent (2.446 x 0,15) = 367 m2 aanvullend oppervlaktewater. Dit oppervlaktewater dient in verbinding te worden gebracht met het poldersysteem; 2 een alternatieve berging met gelimiteerde afvoer naar oppervlaktewater met een volume van: (55/1.000) x 2.446 = 135 m3. Voor de keuze van mogelijke oplossingen dient rekening te worden gehouden met de grondwaterstand, bodemopbouw en terreininrichting. Daarnaast mag alleen voor een alternatieve berging gekozen worden indien het aanleggen van oppervlaktewater redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit dient dan te worden afgestemd met HHR. Het ontwerp houdt rekening met de eisen voor watercompensatie door meer ruimte in te passen voor oppervlaktewater (toename van 383 m2). De toename van het oppervlaktewater is het resultaat van het verbreden van de watergang.

Het nieuwe wateroppervlak bedraagt 15,7 % van het toegenomen verhard oppervlak. Hiermee wordt voldaan aan de eis van HHR Artikel 41.6.

24 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Bij de ingang van het terrein is in het conceptontwerp een paddenpoel opgenomen. Het oppervlak van deze poel is niet meegenomen in de berekening van de watercompensatie. De paddenpoel is namelijk niet verbonden met de poldersloten van HHR, en kan daarom niet mee worden geteld in de compensatie. De paddenpoel is uitsluitend opgenomen in het ontwerp vanuit ecologisch oogpunt. Het terrein van Meerlanden grenst aan de spoorbaan. De treinsporen dienen in de toekomstige situatie te kunnen blijven afwateren. Het spoor ligt hoger dan het terrein van Meerlanden. Voor zover bekend blijft deze situatie gehandhaafd in de toekomstige situatie. Vuilwaterafvoer De gebouwen op het terrein voeren vuilwater af op het gemeentelijk rioolstelsel. In de nieuw te bouwen hal bevindt zich een wasplaats voor vrachtwagens en in de hal zelf ligt een molgoot om water op te vangen uit het vuil dat gestort wordt (vloeistof die vrij komt uit het gestorte afval zoals lekkende pakken vla, et cetera). Door de ontwikkeling wordt een kleine toename van de hoeveelheid vuilwater dat op het riool geloosd wordt verwacht.

4.5

Effecten op waterkeringen

Het planvoornemen zal geen nadelige effecten hebben op de regionale waterkeringen aan de Leidsevaart. Er vinden geen werkzaamheden in de kern- of beschermingszone van de regionale waterkering plaats. Er worden geen grondwateronttrekkingen voorzien. De werkzaamheden vinden wel plaats binnen de buitenbeschermingszone, maar die hebben geen effect op het functioneren van de kering.

25 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN De volgende conclusies worden getrokken: - het planvoornemen behelst het realiseren van een nieuwe grondstoffenhal aan de ’s- Gravendamseweg 77 in Voorhout. Het plan ligt in de buitenbeschermingszone van de regionale waterkering. Het planvoornemen levert geen negatief effect op de waterkering; - het plangebied grenst aan een poldersloot. De poldersloot wordt verbreed met 1 à 2 m in het planvoornemen; - het plan resulteert in een toename van het verhard oppervlak met 1.639 m2. Echter, het afwaterend oppervlak neemt toe met 2.446 m2 omdat halfverharding plaatsmaakt voor asfaltverharding. Doordat er een toename is van meer dan 500 m2 en het watersysteem daardoor bij piekneerslag zwaarder wordt belast, eist het Hoogheemraadschap Rijnland dat er watercompensatie wordt aangelegd. Hierbij geeft HHR de voorkeur aan het aanleggen van nieuw oppervlaktewater met een minimaal oppervlak van 15 % van de toename in verhard oppervlak. In het planvoornemen wordt de aangrenzende poldersloot verbreed, wat resulteert in een toename van oppervlaktewater met 383 m2. Dit komt overeen met 15,7 % van de toename in afwaterend verhard oppervlak. De watercompensatie-eisen van HHR worden hiermee nageleefd; - de wijze van waterberging is van belang voor de vergunningsprocedure. De waterberging wordt gerealiseerd door het verbreden van de bestaande watergang.

Er is geen vergunning vereist. Dit komt doordat de watergang valt onder de categorie 'overig' en niet in een kwetsbaar kwelgebied ligt. Er is wel een melding vereist voor de uitbreiding van verharding; - de bestaande duiker ten zuidwesten van het plangebied blijft gehandhaafd. De afvoer naar deze duiker neemt door het plan toe. Mogelijk dient de afvoercapaciteit in een volgende fase te worden geverifieerd. Het hoogheemraadschap draagt zorg voor voldoende afvoercapaciteit; - er wordt op dit moment een kleine toename in vuilwaterafvoer voorzien. In overleg met de gemeente moet worden vastgesteld of er voldoende capaciteit is in het drukriool; - er zijn geen bemalingen tijdens werkzaamheden gepland. Het plan heeft geen invloed op het grondwater; - de boezemwateren in de buurt van het plangebied vallen onder de KRW. De voorgenomen plannen in het projectgebied zullen geen negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van het boezemwater.

26 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

6 REFERENTIES 1

Het Europees Parlement en De Raad Van De Europese Unie, 2000 - Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad. 2 Rijksoverheid, 2024 - Omgevingswet. 3 Rijksoverheid, 2021 - Nationaal Waterprogramma 2022-2027. 4 Rijksoverheid, 2023 - Deltaprogramma 2023. 5 Provincie Zuid-Holland, 2022 - Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027. 6 Hoogheemraadschap Rijnland, 2024 - Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR702806. 7 Gemeente Teylingen, 2024 - Omgevingsvisie Teylingen ‘Een Florerende Toekomst voor Teylingen’. 8 AHN4. 9 Witteveen+Bos, 19 juni 2024. Rapportage (concept 01) milieuhygiënisch vooronderzoek bodem NEN 5725 (referentie 141856/24-009.006). 10 PDOK. Geraadpleegd op 16-08-2024 via: https://app.pdok.nl/viewer. 11 SOCOTEC Geotechnics B.V. Rapport Grondonderzoek aan de ’s-Gravendamseweg 77 te Voorhout. Documentnummer: 24SP2203-RG-01. Datum: 8 oktober 2024. 12 Hoogheemraadschap van Rijnland - KRW-factsheet Oppervlaktewater (OW 13), d.d. 2023-09-20, geraadpleegd via: https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/krw-factsheets.

27 | 27

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Definitief 02

Bijlage(n)

I BIJLAGE: TEKENING TERREININRICHTING 142633-ATR-00-3011-Nieuwe Terreininrichting (separaat meegeleverd).

Witteveen+Bos | 141856/25-014.633 | Bijlage I | Definitief 02

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=2e1ae075-f199-4deb-991a-b90b174d5bef