1. Toelichting en regels bp recreatiepark Watertuin 1e herziening _Geredigeerd.pdf
Tekst van het document
Uitspraak 201809490/1/R3
10
permanente bewoning in dit gebied in de toekomst toch weer toe te staan." 13.3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij redelijkerwijs konden en mochten afleiden hoe de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan voor het recreatiepark Watertuin en het toegestane gebruik van de recreatiewoningen zou uitoefenen. Weliswaar betogen zij dat het voormalige college van burgemeester en wethouders van Warmond in zijn brief van 7 december 2004 heeft toegezegd dat een woonbestemming aan hun gronden zou worden toegekend, maar de Afdeling overweegt dat hierin uitdrukkelijk het voorbehoud is gemaakt dat er geen zekerheid bestaat omtrent het omzetten van de recreatieve bestemming en dat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet was toegestaan. Voor zover zij erop wijzen dat in de quickscan en de scriptie wordt bevestigd dat een woonbestemming aan hun gronden zou worden toegekend, overweegt de Afdeling dat de quickscan ziet op de uitvoerbaarheid van het wijzigen van de recreatieve bestemming en dat het gemeentebestuur de conclusies in de scriptie niet heeft overgenomen.
De blog van 25 mei 2005 van de toenmalige burgemeester van Warmond maakt, nog daargelaten de betekenis en context van een dergelijk medium, het voorgaande niet anders, nu hierin juist is vermeld dat er een aanvraag van de gemeente bij de provincie Zuid-Holland ligt om permanente bewoning toch weer toe te staan en hieruit kan worden afgeleid dat permanente bewoning van de recreatiewoningen op dat moment niet was toegestaan. Voor zover appellanten erop hebben gewezen dat bij de inschrijving in de GBA niet is meegedeeld dat permanente bewoning niet is toegestaan, overweegt de Afdeling dat dit aan het voorgaande niet af doet. De omstandigheid dat het gemeentebestuur nooit handhavend tegen de permanente bewoning heeft optreden, maakt het voorgaande ook niet anders, nu de raad in zijn verweerschrift heeft toegelicht en uit bijvoorbeeld artikel 8, derde lid, van de statuten van de vereniging en een koopovereenkomst voor een recreatiewoning blijkt dat nadrukkelijk erop is gewezen dat het permanent bewonen van een recreatiewoning niet is toegestaan. Gelet op het voorgaande konden [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat een woonbestemming aan hun gronden zou worden toegekend.
De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Het betoog faalt. EVRM 14. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft gehandeld door het permanent bewonen van de recreatiewoningen niet toe te staan en de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie recreatiewoningen 7" aan hun gronden toe te kennen. 14.1. Op grond van artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Deze bepaling laat onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang (vergelijk de uitspraak
Uitspraak 201809490/1/R3
11
van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1021). Een bestemmingsplanregeling is zo’n regulering (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7996). Gelet op wat hiervoor is overwogen over de beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen en in het licht van de beleidsruimte van de raad bij het vaststellen van nieuwe bestemmingen en regels, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen niet op voldoende evenwichtige wijze heeft afgewogen bij zijn besluitvorming. De raad heeft dan ook in redelijkheid de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7" kunnen toekennen aan hun gronden. Het betoog faalt. Waardedaling 15. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 5] betogen dat het plan leidt tot een waardedaling van hun recreatiewoningen en zij daardoor schade zullen leiden. 15.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 5] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
De raad heeft aan het belang van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid een groter gewicht mogen toekennen dan aan de gestelde waardevermindering. Daar komt bij dat in het vorige plan "Buitengebied Warmond" aan hun gronden al een recreatieve bestemming was toegekend. Het betoog faalt. Dienstwoning 16. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de omstandigheid dat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" is toegekend aan de gronden aan de [locatie 1] te Warmond. Daartoe betoogt hij dat recreatiepark Watertuin geen beheerder nodig heeft, omdat de vereniging het recreatiepark al beheert. De functieomschrijving van de beheerder is bovendien niet duidelijk omschreven in artikel 1.24 van de planregels. Verder betoogt [appellant sub 3] dat het plan tot rechtsongelijkheid leidt, omdat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" alleen is toegekend aan de gronden aan de [locatie 1] te Warmond en niet ook aan de gronden waar zonder persoonsgebonden gedoogbeschikking of persoonsgebonden omgevingsvergunning permanent wordt gewoond. 16.1. De Afdeling stelt vast dat volgens de plankaart bij het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Warmond" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" de subbestemming "zomerhuizen Watertuin" en de nadere aanwijzing "dienstwoning" waren toegekend aan het perceel aan de [locatie 1] te Warmond.
Volgens de verbeelding bij het bestreden plan is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" toegekend aan de gronden aan de [locatie 1] te Warmond. 16.2. In de "Nota beantwoording zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan Recreatiepark Watertuin" van 9 januari 2018 (hierna: de zienswijzennota) heeft de raad toegelicht dat hij de aanwezigheid van een dienstwoning wenselijk acht voor de toekomstbestendigheid van recreatiepark Watertuin. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de vereniging het recreatiepark onderhoudt en dat de bewoner van de dienstwoning uitsluitend beheerstaken
Uitspraak 201809490/1/R3
12
zal vervullen, zoals het in bewaring nemen van sleutels. Verder heeft de raad toegelicht dat de bewoners van de recreatiewoning aan de [locatie 1] te Warmond hebben aangegeven de rol van beheerder te willen vervullen. Hoewel het gelet op de door de raad in de zienswijzenota opgenomen argumenten in het algemeen wenselijk en ruimtelijk relevant kan zijn dat een recreatiepark als Watertuin een beheerder met bijbehorende dienstwoning heeft, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende aangetoond dat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch dienstwoning" uitvoerbaar zal zijn. Daarbij betrekt de Afdeling dat de vereniging ter zitting heeft toegelicht, wat door de raad niet is weersproken, dat er al 45 jaar lang geen beheerder op het recreatiepark is en dat zij in de toekomst ook geen behoefte zal hebben aan een beheerder vanwege haar interne taakverdeling. De vereniging heeft in dit verband gesteld dat er binnen het recreatiepark geen gemeenschappelijke voorzieningen zijn die om de aanwezigheid van een afzonderlijke beheerder vragen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" is toegekend aan de gronden aan de [locatie 1] te Warmond. Het betoog slaagt. 16.3.
Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat het plan tot rechtsongelijkheid leidt nu de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" alleen is toegekend aan de gronden aan de [locatie 1] te Warmond en niet ook aan de gronden waar zonder persoonsgebonden gedoogbeschikking of persoonsgebonden omgevingsvergunning permanent wordt gewoond, overweegt de Afdeling als volgt. De gronden met deze functieaanduiding en de gronden waar zonder persoonsgebonden gedoogbeschikking of persoonsgebonden omgevingsvergunning wordt gewoond, zijn niet vergelijkbaar. Alleen de gronden aan de [locatie 1] te Warmond hadden namelijk in het vorige plan de nadere aanwijzing "dienstwoning". Het betoog faalt. Groenstrook 17. [appellant sub 3] betoogt dat een recreatieve bestemming in plaats van een groenbestemming had moeten worden toegekend aan de strook grond die grenst aan zijn gronden aan de [locatie 11] te Warmond. Hij betoogt daartoe dat het niet nodig is om een groenbestemming aan deze gronden toe te kennen, nu met het in het vorige plan "Buitengebied Warmond" opgenomen planologische regime en met de artikelen 4 en 5 van de tussen het gemeentebestuur en de vereniging gesloten erfpachtovereenkomst het doel van het gemeentebestuur is bereikt om een groenstrook te realiseren die de woningen afschermt.
Daarnaast voert [appellant sub 3] aan dat de raad de groenbestemming alleen aan deze strook grond heeft toegekend, zodat hij de bouwregels voor illegale bebouwing elders heeft kunnen verruimen. Hierdoor zijn volgens [appellant sub 3] degenen die onder het vorige bestemmingsplan op legale wijze gebruik konden maken van de groenstrook onevenredig gedupeerd en is sprake van een onevenredige belangenafweging. 17.1. Uit paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting valt af te leiden dat de raad de bestemming "Groen" aan de strook grond die grenst aan de gronden aan de [locatie 11] te Warmond heeft toegekend om de ruimtelijke kwaliteit van het recreatiepark Watertuin op zichzelf en in relatie tot de omgeving te versterken. Volgens de zienswijzennota heeft de raad in dit verband van
Uitspraak 201809490/1/R3
13
belang geacht dat de gronden van het plangebied in kaart 7 behorend bij de Verordening ruimte 2014 zijn aangeduid als beschermingscategorieën 1 en 2. [appellant sub 3] brengt hier weliswaar tegenin dat de raad de groenbestemming alleen aan de strook grond grenzend aan zijn gronden heeft toegekend zodat hij de bouwregels voor illegale bebouwing heeft kunnen verruimen, maar uit de zienswijzennota kan worden afgeleid dat met de groenbestemming is bedoeld te waarborgen dat het recreatiepark zich niet als een versteende bouwmassa in de omgeving zal manifesteren. Gelet hierop en in aanmerking genomen de aan de raad toekomende beleidsruimte, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de bestemming "Groen" toe te kennen aan de strook grond die grenst aan de gronden van [appellant sub 3]. De raad heeft het belang om te waarborgen dat het recreatiepark zich niet als een versteende bouwmassa in de omgeving zal manifesteren zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van de gebruikers bij een voortzetting van het recreatieve gebruik van de strook. Het betoog faalt. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing 18. In beginsel moet legaal bestaand gebruik en legaal bestaande bebouwing als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd.
Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale gebruik en de bestaande legale bebouwing onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het gebruik op termijn zal worden beëindigd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. - [appellant sub 3] 19. [appellant sub 3] betoogt dat de raad het bestaande recreatieve gebruik van de strook grond die grenst aan zijn gronden aan de [locatie 11] te Warmond ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd. Hij wijst erop dat het huidige recreatieve gebruik van de strook grond zich beperkt tot een picknicktafel, een schommel, een glijbaan en een rekstok en dat dit niet zichtbaar is voor de omgeving, nu deze strook onder de kruin van de dijk is gelegen. Hoewel met het bestaande recreatieve gebruik de kadastrale perceelgrens wordt overschreden, wijst hij erop dat in de door Rho adviseurs opgestelde visie "Watertuin Teylingen. Stedenbouwkundige visie recreatiepark" van 7 oktober 2015 (hierna: het Rho-advies van 7 oktober 2015) is vermeld dat de strook grond kan worden uitgegeven en bij zijn gronden kan worden betrokken. 19.1.
De Afdeling stelt vast dat volgens de plankaart bij het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Warmond" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" en de subbestemming "zomerhuizen Watertuin" waren toegekend aan de strook grond die grenst aan de recreatiewoning van [appellant sub 3] aan de [locatie 11] te Warmond. Volgens de verbeelding bij het thans voorliggende plan is aan deze strook grond de bestemming "Groen" toegekend. Het huidige recreatieve gebruik van deze strook grond is niet langer toegestaan, waardoor dit gebruik onder het overgangsrecht is komen te vallen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom hij een planologische regeling heeft vastgesteld waarbij het bestaande recreatieve gebruik op de strook grond grenzend aan de gronden van [appellant sub 3] onder het overgangsrecht is komen te vallen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het hierbij gaat om ondergeschikt recreatief gebruik van deze strook grond. Niet aannemelijk is geworden dat dit gebruik zodanig afbreuk
Uitspraak 201809490/1/R3
14
doet aan de gewenste aanwezigheid van de groenstrook, dat dit gebruik niet langer aanvaardbaar is. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb is vastgesteld, voor zover het de gronden zoals aangegeven op de in bijlage I bij deze uitspraak behorende kaart nr. 1 betreft. Het betoog slaagt. - [appellant sub 1] 20. [appellant sub 1] betoogt dat de schuur op zijn perceel aan de [locatie 8] te Warmond ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hij wijst erop dat de schuur niet in strijd met het vorige plan "Buitengebied Warmond" is opgericht en dat voor het oprichten van deze schuur geen omgevingsvergunning hoefde te worden verkregen. Verder voert [appellant sub 1] aan dat geen afbreuk wordt gedaan aan de groenstrook die het recreatiepark Watertuin aan het zicht onttrekt indien de schuur als zodanig wordt bestemd. Hoewel de schuur de kadastrale perceelgrens overschrijdt, blijkt uit het Rho-advies van 7 oktober 2015 dat gronduitgifte op de groenstrook mogelijk is. Volgens [appellant sub 1] wordt in andere gevallen de kadastrale perceelgrens ook overschreden, zoals ter plaatse van het perceel aan de [locatie 12] te Warmond. 20.1.
De Afdeling stelt vast dat volgens de plankaart bij het vorige plan "Buitengebied Warmond" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden", de subbestemming "zomerhuizen Watertuin" en een bouwvlak aan de recreatiewoning van [appellant sub 1] aan de [locatie 8] te Warmond waren toegekend. De schuur is gelegen in de achtertuin van deze recreatiewoning, buiten het toegekende bouwvlak. Omdat uit artikel 11, derde lid, onder d, van de planvoorschriften van het vorige plan volgt dat binnen het bouwvlak gebouwd dient te worden, is de schuur niet in overeenstemming met het vorige plan "Buitengebied Warmond" opgericht. Voor het oprichten van de schuur is ook geen omgevingsvergunning verleend. 20.2. De Afdeling ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of voor het oprichten van de schuur een omgevingsvergunning was vereist. Op grond van artikel 2, aanhef en derde lid, aanhef en onder g, aanhef en onderdeel 3°, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: […] g. niet aan of bij: […] 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Zoals hiervoor is vastgesteld waren in het vorige plan "Buitengebied Warmond" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" en de subbestemming "zomerhuizen Watertuin" toegekend aan de gronden van [appellant sub 1]. In het bestreden plan "Recreatiepark Watertuin" is wederom een recreatieve bestemming toegekend aan zijn gronden. Dit betekent dat niet voldaan is aan de eis dat een bouwwerk niet aan of bij een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden mag zijn gebouwd, zodat in dit geval voor het oprichten van de schuur een omgevingsvergunning was vereist. 20.3. De Afdeling stelt vast dat in dit geval sprake is van bestaande illegale bebouwing. Het als zodanig bestemmen van de schuur moet in zo’n geval worden beschouwd als een
Uitspraak 201809490/1/R3
15
planologisch nieuwe functie. Uit de zienswijzennota volgt dat de schuur is gelegen op de strook grond waaraan in het plan de bestemming "Groen" is toegekend en dat de raad ter plaatse een groenstrook wil realiseren om - zoals hiervoor is gebleken onder 17.1 - de ruimtelijke kwaliteit van het recreatiepark Watertuin op zichzelf en in relatie tot de omgeving te versterken. Verder heeft de raad van belang geacht dat de schuur buiten de kadastrale perceelgrens is gelegen en op de gronden die volgens de tussen het gemeentebestuur en de vereniging gesloten erfpachtovereenkomst ingericht moeten zijn met beplanting. Weliswaar betoogt [appellant sub 1] dat in andere gevallen de kadastrale perceelgrens ook wordt overschreden, zoals ter plaatse van het perceel aan de [locatie 12] te Warmond, maar de raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat voor de carport die op dit perceel aanwezig is en die de kadastrale perceelgrens overschrijdt - wat daarvan ook zij - een omgevingsvergunning is verleend. Over het betoog van [appellant sub 1] dat uit het Rho-advies van 7 oktober 2015 blijkt dat gronduitgifte op de grondstrook mogelijk is, overweegt de Afdeling als volgt.
Hoewel uit verschillende kaarten die in het Rho-advies van 7 oktober 2015 zijn opgenomen blijkt dat gronduitgifte op de groenstrook mogelijk is, zijn deze kaarten niet opgenomen in de door Rho adviseurs opgestelde definitieve visie "Watertuin Teylingen. Stedenbouwkundige visie recreatiepark" van 14 september 2017 (hierna: de stedenbouwkundige visie), die door de raad aan het plan ten grondslag is gelegd. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de aan de raad toekomende beleidsruimte, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de bestemming "Groen" toe te kennen aan de strook grond die grenst aan de gronden van [appellant sub 1], zonder daarbij de mogelijkheid te bieden daarop een schuur te mogen realiseren. De raad heeft daarbij doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan het belang van de groenstrook om met de daar beoogde beplanting de ruimtelijke kwaliteit van het recreatiepark Watertuin op zichzelf en in relatie tot de omgeving te versterken. Het betoog faalt. - [appellant sub 4] 21. [appellant sub 4] betoogt dat de carport bij haar recreatiewoning aan de [locatie 9] te Warmond ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Zij wijst erop dat zij deze woning met een carport heeft gekocht en dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend.
Voor zover de raad stelt dat geen omgevingsvergunning is verleend, wijst [appellant sub 4] erop dat de gemeente daartegen niet handhavend heeft opgetreden en dat haar buurman een omgevingsvergunning heeft gekregen voor het bouwen van een soortgelijke carport. Ook kan [appellant sub 4] zich niet verenigen met de planregels over aan- en bijgebouwen bij een recreatiewoning. Op grond van deze planregels zal zij haar carport behorend bij haar recreatiewoning ten onrechte moeten verkleinen. 21.1. De Afdeling stelt vast dat volgens de plankaart bij het vorige plan "Buitengebied Warmond" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden", de subbestemming "zomerhuizen Watertuin" en een bouwvlak aan de gronden van het perceel van [appellant sub 4] aan de [locatie 9] te Warmond waren toegekend. De carport is gelegen aan de voorzijde van de aanwezige recreatiewoning, buiten het toegekende bouwvlak. Omdat uit artikel 11, derde lid, onder d, van de planvoorschriften van het vorige plan volgt dat binnen het bouwvlak gebouwd dient te worden, is de carport niet in overeenstemming met het vorige plan
Uitspraak 201809490/1/R3
16
"Buitengebied Warmond" opgericht. 21.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat voor de carport op haar gronden een omgevingsvergunning is verleend. De omstandigheid dat het gemeentebestuur daartegen niet handhavend heeft opgetreden, maakt dit niet anders. Voor zover [appellant sub 4] erop wijst dat haar buurman een omgevingsvergunning heeft gekregen voor het bouwen van een soortgelijke carport, heeft de raad in zijn verweerschrift toegelicht dat alleen een omgevingsvergunning is verleend voor de carport op de gronden aan de [locatie 12] te Warmond, voor een situatie die niet vergelijkbaar is met de situatie op het perceel van [appellant sub 4]. [appellant sub 4] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. 21.3. De Afdeling stelt vast dat in dit geval sprake is van bestaande illegale bebouwing. Het als zodanig bestemmen van de carport moet in zo’n geval worden beschouwd als een planologisch nieuwe functie. Uit paragraaf 1.1 van de plantoelichting volgt dat de recreatiewoningen in de loop der jaren zijn uitgebreid met verschillende soorten bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen en overkappingen. Het plan voorziet in uniforme bouwregels, omdat er sprake is van een grote mate van diversiteit van bouwwerken.
In dit verband is op pagina 32 van de stedenbouwkundige visie die aan het plan ten grondslag is gelegd vermeld dat ten behoeve van een samenhangend beeld vanuit de openbare ruimte en vanuit het gemeenschappelijk terrein aan- en uitbouwen uitsluitend mogen worden gebouwd achter de gootlijn. Door een afstand van ten minste 1 m achter de gootlijn aan te houden, worden aan- en uitbouwen ondergeschikt aan de hoofdmassa. In verband hiermee heeft de raad in artikel 4.2.2, aanhef en onder b, van de planregels bepaald dat aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bij een recreatiewoning ten minste 1 m achter de oorspronkelijke gootlijn aan de voorzijde van de recreatiewoning moeten zijn gesitueerd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad deze planregel niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen. Hieruit valt af te leiden dat de raad het als zodanig bestemmen van de carport op het perceel van [appellant sub 4] niet in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening, omdat deze carport niet overeenkomstig artikel 4.2.2, aanhef en onder b, van de planregels ten minste 1 m achter de gootlijn aan de voorzijde van haar recreatiewoning is gesitueerd. Deze carport is namelijk gedeeltelijk voor de gootlijn aan de voorzijde van haar recreatiewoning gelegen.
Gelet hierop en in aanmerking genomen de aan de raad toekomende beleidsruimte heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten om de op het perceel van [appellant sub 4] aanwezige carport niet als zodanig te bestemmen. Het betoog faalt. Planregels over vrijstaande bijgebouwen 22. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] kunnen zich niet verenigen met artikel 4.2.3, van de planregels. Zij betogen dat op grond van deze bepaling vrijstaande bijgebouwen alleen een lengte van 6 m en een breedte van 2 m kunnen hebben, terwijl een lengte van 3 m en een breedte van 4 m het meest praktisch zou zijn. Verder voeren zij aan dat als gevolg van deze bepaling vrijstaande bijgebouwen alleen midden in de achtertuinen van de recreatiewoningen kunnen worden gebouwd, terwijl hiermee een onevenredig groot beslag op de ruimte wordt gelegd. 22.1. In artikel 4.2.3, aanhef en onder b en d, van de planregels is bepaald dat de oppervlakte
Uitspraak 201809490/1/R3
17
van een vrijstaand bijgebouw ten hoogste 12 m² bedraagt en dat dit vrijstaande bijgebouw over een lengte van ten hoogste 2 m binnen 1 m afstand van de zijdelingse perceelgrens gebouwd mag zijn. In dit verband stelt de raad dat een vrijstaand bijgebouw op verschillende manieren in de achtertuin kan worden gesitueerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de raad bij het verweerschrift schetsen met mogelijke afmetingen van vrijstaande bijgebouwen overgelegd. In het aangevoerde ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat vrijstaande bijgebouwen alleen een lengte van 6 m en een breedte van 2 m kunnen hebben. Het betoog faalt. 22.2. Op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder e, van de planregels moet de afstand tussen de achterzijde van een vrijstaand bijgebouw en de achterperceelgrens ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m bedragen. Met deze planregel heeft de raad beoogd de belangen van de aangrenzende eigenaren te beschermen en het mogelijk te maken om de achterzijden van vrijstaande bijgebouwen te onderhouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad evenwel niet inzichtelijk gemaakt waarom een afstand van ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m tussen een vrijstaand bijgebouw en de achterperceelgrens moet worden aangehouden.
Hierbij betrekt de Afdeling dat in de planregels niet zo’n regeling ten aanzien van de zijperceelgrens is opgenomen en dat de raad niet voldoende deugdelijk heeft onderbouwd waarom de belangen van de aangrenzende eigenaren wat betreft de achterperceelgrens wel moeten worden beschermd en waarom het mogelijk maken om de achterzijden van vrijstaande bijgebouwen te onderhouden bij de achterperceelgrens wel een vrij te houden strook vergt en bij de zijperceelgrens niet. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat de vrijstaande bijgebouwen van een aantal appellanten aan de groenstrook grenzen, zodat zij de achterzijde van hun vrijstaande bijgebouwen op dit moment al kunnen onderhouden. Het ontbreken van een voldoende deugdelijke onderbouwing voor de in artikel 4.2.3, aanhef en onder e, van de planregels gemaakte keuze dat de afstand tussen de achterzijde van een vrijstaand bijgebouw en de achterperceelgrens ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m bedraagt, klemt te meer omdat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] ter zitting erop hebben gewezen dat het voor hen van groot belang is dat zij een vrijstaand bijgebouw op de achterperceelgrens kunnen bouwen.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb is vastgesteld, voor zover niet in artikel 4.2.3, aanhef en onder e, van de planregels is geregeld dat deze geen betrekking heeft op de gronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4]. Het betoog slaagt. Uitvoerbaarheid 23. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 4] betwisten de uitvoerbaarheid van het plan. Zij betogen dat onduidelijk is hoe de permanente bewoning van de recreatiewoningen zal worden gehandhaafd. Daarnaast voeren [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 5] aan dat het gemeentebestuur niet de financiële middelen heeft om tot handhaving over te gaan. In dit verband wijst [appellant sub 5] erop dat uit de Kadernota 2020 - 2023 volgt dat het gemeentebestuur als gevolg van zijn slechte financiële positie zich genoodzaakt ziet voorlopig af te zien van handhaving in het buitengebied.
Uitspraak 201809490/1/R3
18
23.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen zonder meer niet uitvoerbaar is. In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad toegelicht dat het gemeentebestuur per jaar 4 à 5 handhavingsdossiers uit recreatiepark Watertuin gaat behandelen. In paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting is verder vermeld dat het uitgangspunt is om eventuele handhavingsacties te starten nadat het bestreden besluit onherroepelijk in werking treedt. Hoewel in de Kadernota 2020 - 2023 is vermeld dat om de financiële positie van de gemeente te versterken de handhaving in het buitengebied wordt uitgesteld, heeft de raad ter zitting toegelicht dat deze passage niet ziet op het recreatiepark Watertuin maar op andere situaties in de gemeente Teylingen, zoals illegale paardenweitjes. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan om financieel-economische redenen niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt. Handhavingsnota 2013 - 2016 24.
[appellant sub 4] betoogt dat in de Handhavingsnota 2013 - 2016 is aangegeven dat de wijze waarop wordt gehandhaafd kan afwijken van het huidige beleid, terwijl dit ruimte geeft voor willekeur en rechtsongelijkheid. 24.1. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin", zoals vastgesteld door de raad op 27 november 2018, ter discussie staat. Omdat de Handhavingsnota 2013 - 2016 geen onderdeel uitmaakt van dit besluit, kan wat [appellant sub 4] hierover heeft aangevoerd in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt. Inlassen zienswijze 25. Voor zover [appellant sub 5] en [appellant sub 4] voor het overige verzoeken de inhoud van hun zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota is ingegaan op hun zienswijzen. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn. De betogen falen. Conclusie 26. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond. 27. Gelet op hetgeen onder 16.2, 19.1 en 22.2 is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] gegrond.
In hetgeen zij hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb gedeeltelijk dient te worden vernietigd. Opdracht 28. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de
Uitspraak 201809490/1/R3
19
raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Wat betekent het voorgaande? 29. De uitkomst van deze procedure is dat de recreatiewoningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] aan de Watertuin te Warmond de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7" houden en dat daaraan geen woonbestemming en ook niet de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden gedoogbeschikking" dan wel "specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden omgevingsvergunning" dan wel een andere vorm van persoonsgebonden overgangsrecht hoeft te worden toegekend. In zoverre zijn de beroepen dus ongegrond en blijft het besluit van de raad in stand. Deze uitspraak heeft verder tot gevolg dat ter plaatse van de gronden aan de [locatie 1] te Warmond met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" en de gronden zoals aangegeven op de in bijlage I bij deze uitspraak behorende kaart nr. 1 het vorige plan "Buitengebied Warmond" herleeft, totdat een nieuw door de raad vast te stellen plan in werking treedt.
Tot slot heeft deze uitspraak voor [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] tot gevolg dat artikel 4.2.3, aanhef en onder e, van de planregels niet voor hen geldt. In zoverre zijn de beroepen dus gegrond. De raad wordt opgedragen voor die vernietigde plandelen binnen 52 weken een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Proceskosten 30. Ten aanzien van [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 31. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Enkele aspecten van die proceskostenveroordeling worden hieronder toegelicht. 32. De Afdeling ziet aanleiding de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen te behandelen als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen ter zitting van 1 oktober 2020 zijn bijgestaan door dezelfde rechtsbijstandverleners, van wie de werkzaamheden voor deze twee beroepen voorafgaand aan en tijdens die zitting nagenoeg identiek waren.
Gelet hierop worden de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wat betreft de vergoeding van kosten door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd. 33. Wat betreft de door [appellant sub 3] gevraagde vergoeding van verletkosten, overweegt de Afdeling dat forfaitair zes uren voor vergoeding in aanmerking komen. 34. Waar het gaat om de reiskosten van [appellant sub 4] overweegt de Afdeling dat forfaitair wordt uitgegaan van de prijs van een NS-retour tweede klas. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Uitspraak 201809490/1/R3
20
I. verklaart het beroep van [appellant sub 5] ongegrond; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Teylingen van 27 september 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin", voor zover: a. de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - dienstwoning" is toegekend aan de gronden aan de [locatie 1] te Warmond; b. het betreft de gronden zoals aangegeven op de in bijlage I bij deze uitspraak behorende kaart nr. 1; c. niet in artikel 4.2.3, aanhef en onder e, van de planregels is geregeld dat dit geen betrekking heeft op de gronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4]; IV. draagt de raad op om binnen 52 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onder III. bedoelde plandelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; V. veroordeelt de raad van de gemeente Teylingen tot vergoeding van bij: a.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.116,05 (zegge: elfhonderd zestien euro en vijf cent), waarvan € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,64 (zegge: achthonderdvijf euro en vierenzestig cent cent), waarvan € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 13,21 (zegge: dertien euro en eenentwintig cent); VI. gelast dat de raad van de gemeente Teylingen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 1]; b. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c.
€ 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 3]; d. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 4]. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitspraak 201809490/1/R3
21
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020 159-926.
BIJLAGE I
BIJLAGE II Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 1 Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Uitspraak 201809490/1/R3
22
Algemene wet bestuursrecht Artikel 2:4 1. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. […]. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 8:72 […] 4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. Besluit proceskosten bestuursrecht Artikel 3 1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. 2. Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.2.3 Indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kan de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
Uitspraak 201809490/1/R3
23
a. het bouwen van een bouwwerk, […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, […]. Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht Artikel 2 Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: […] 3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: […] g. niet aan of bij: […] 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden; […]. Wet milieubeheer Artikel 7.2 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. […] 4.
Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. […]. Besluit m.e.r. Artikel 2 Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in
Uitspraak 201809490/1/R3
24
zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt: a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, en b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, uitgezonderd de gevallen, bedoeld in de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit.
Verordening ruimte 2014 Artikel 2.2.1 Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: […] b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is
Uitspraak 201809490/1/R3
25
gewaarborgd door: […]. Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden. b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden. […].
Planregels bij het bestemmingsplan "Recreatiepark Watertuin" Artikel 1 Begrippen […] 1.24 dienstwoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke kennelijk slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huishouding daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein. […]. Artikel 4 Recreatie - Verblijfsrecreatie - recreatiewoningen 7 […] 4.2.2 Aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bij een recreatiewoning Aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bij een recreatiewoning zijn toegestaan, met dien verstande dat: […] b. een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw ten minste 1 m achter de oorspronkelijke gootlijn aan de voorzijde van de recreatiewoning is gesitueerd; […] 4.2.3 Vrijstaand bijgebouw bij een recreatiewoning Per recreatiewoning is ten hoogste 1 vrijstaand bijgebouw toegestaan, met dien verstande dat: […]
Uitspraak 201809490/1/R3
26
b. de oppervlakte van een vrijstaand bijgebouw ten hoogste 12 m2 bedraagt; […] d. een vrijstaand bijgebouw over een lengte van ten hoogste 2 m binnen 1 m afstand van de zijdelingse perceelsgrens gebouwd mag zijn; e. de afstand tussen de achterzijde van een vrijstaand bijgebouw en de achterperceelsgrens ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m bedraagt." […] 4.4 Specifieke gebruiksregels […] in afwijking van het bepaalde onder b, geldt voor de recreatiewoningen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden gedoogbeschikking' en 'specifieke vorm van recreatie - persoonsgebonden omgevingsvergunning' het volgende: 1. uitsluitend de natuurlijke personen zoals opgenomen in tabel 4.1, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan de recreatiewoning permanent bewonen én die in het bezit zijn van een persoonsgebonden gedoogbeschikking of persoonsgebonden omgevingsvergunning voor het betreffende adres, mogen de permanente bewoning van de recreatiewoning op het specifieke adres voortzetten; […]. Voorschriften bij het bestemmingsplan "Buitengebied Warmond" Artikel 11 Verblijfsrecratieve doeleinden (vR) […] Bouwvoorschriften […] 3. Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: […] d. overigens geldt het volgende:
Uitspraak 201809490/1/R3
27
Uitspraak 201809490/1/R3
28
Bijlage 2 Omgevingsaspecten Watertuin 2
d
Advies Ruimtelijke Plannen Omgevingsdienst West-Holland. Aan: Werkorganisatie HLT Samen Datum advies: 25 januari 2021 Gegevens project Locatie Gemeente Datum adviesverzoek Kenmerk advies Omgevingsdienst Zaaknummer Omgevingsdienst Soort procedure
Watertuin 2 in Warmond (gelegen binnen recreatiepark Watertuin) Teylingen 9 december 2020 D2021-009551 2021-000767 bestemmingsplan
Algemeen De Omgevingsdienst West-Holland (hierna: Omgevingsdienst) is gevraagd om advies over het bestemmingsplan Watertuin. De bestemming van de woning Watertuin 2 zal worden gewijzigd in een woonbestemming. Deze wijziging wordt door middel van een herstelbesluit opgenomen in het Bestemmingsplan Recreatiepark Watertuin. Gevraagd is om de milieuaspecten te beoordelen voor deze wijziging en een tekstvoorstel aan te leveren voor het bestemmingsplan.
Figuur 1 Situatie perceel Watertuin 2
Beoordeling Hieronder volgt de beoordeling van de milieuaspecten voor het omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning op het perceel Watertuin 2 in Warmond. Hierbij is op verzoek van de gemeente dezelfde opzet gebruikt als bij het Bestemmingsplan Recreatiepark Watertuin (Hoofdstuk 4 Onderzoek). aspect
kader
beoordelingsaspect
toelichting noodzaak/aandachtspunten
bodemkwaliteit Besluit bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit dient voldoende te zijn voor beoogde functie.
De dienstwoning wordt omgezet naar burgerwoning. Er is geen sprake van gevoeliger gebruik. Nader onderzoek naar de bodemkwaliteit in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk. Op grond van historie en gebruik is de bodem van de Watertuin onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging, met uitsluiting van het voormalig gebruik van huisbrandolie. Volgens het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst West-Holland is op het perceel Watertuin nr. 2 een ondergrondse tank aanwezig geweest. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor verbouwingen is het wenselijk/noodzakelijk dat bepaald wordt of dit mogelijk bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Verder zijn er geen bodemonderzoeksgegevens bekend.
Wet ruimtelijke ordening Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wet bodembescherming
archeologie
archeologische beleidskaart
De ontwikkeling mag niet leiden tot aantasting van archeologische waarden.
Het plangebied ligt binnen categorie 8 van de archeologische beleidskaart met een lage archeologische verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld en groter dan 1.000 m2 is archeologisch onderzoek nodig. In dit geval vinden geen ingrepen plaats. Er is een dubbelbestemming opgenomen om bij eventuele toekomstige werkzaamheden van deze omvang archeologisch onderzoek verplicht te stellen.
water
watertoets
Heeft de ontwikkeling effect op de waterhuishouding?
De dienstwoning is reeds aanwezig. De wijziging in het bestemmingsplan leidt niet tot negatieve effecten in de waterhuishouding.
relatie met omliggende (bedrijfs) functies
Bedrijfs-/ milieuzonering
Zijn er bedrijfsfuncties in de omgeving aanwezig/mogelijk? (VNG-Handreiking Bedrijven Worden bedrijven in de en milieuzonering en omgeving in hun Activiteitenbesluit bedrijfsvoering milieubeheer) belemmerd?
Veehouderijen In de omgeving van het plangebied ligt het melkrundveebedrijf Leidseweg 7a Oud Ade (gem. Kaag en Braassem).
Zijn in de nabijheid
Het bedrijf heeft melkrundvee en schapen (30 stuks). Voor het melkrundvee geldt een afstandsnorm van 100 meter. De werkelijke afstand is ca. 100 meter. Er wordt voldaan
gevoelige bestemmingen gelegen? Is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de om te zetten dienstwoning?
aan de afstand. Voor schapen geldt een geuremissienorm van 2 ou/m3. Deze waarde wordt bij de woning niet overschreden. De veehouderij Langebrug 1 ligt op een afstand van 350 meter en heeft geen invloed op de omzetting van de dienstwoning naar een burgerwoning. Dit bedrijf voldoet ruim aan de afstandsnormen uit het Activiteitenbesluit. Jachthaven De jachthaven, behorende bij het recreatiepark, wordt gebruikt als privé aanlegplaats van boten voor de eigenaren van de recreatiewoningen. Er zijn geen voorzieningen aanwezig. Voor een jachthaven met voorzieningen geldt op grond van de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 50 meter. De werkelijke afstand tot de om te zetten woning is 57 meter. Gelet op de omvang, het gebruik van de jachthaven (zonder voorzieningen) en de afstand tot de woning is er geen belemmering voor het plan. Recreatiepark Ook het recreatiepark zelf is geen belemmering voor het plan. Er zijn geen voorzieningen aanwezig. Het parkeerterrein ligt op 30 meter afstand. Hiervoor geldt ook een richtafstand van 30 meter. De inrit ligt op ca. 10 meter. Ook dit levert geen belemmering op gelet op de omvang en het gebruik van het park. Conclusie De omliggende bedrijven worden niet belemmerd door het plan. Ter plaatse van de om te zetten dienstwoning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
geluid wegverkeer
Wet geluidhinder Wet ruimtelijke ordening Activiteitenbesluit
Is geluidsbelasting bij nieuwe geluidgevoelige functies minder dan 48 dB?
Wet geluidhinder Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is de dienstwoning een geluidgevoelige bestemming. Dit wijzigt niet door omzetting naar burgerwoning. Er hoeft niet getoetst Is sprake van een goede te worden aan de Wet geluidhinder. Het ruimtelijke ordening? gebied is alleen binnen de geluidzone van de Leidseweg gesitueerd. Worden omliggende In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde bedrijven belemmerd industrieterreinen aanwezig. door het plan?
Geluidbelasting vanuit een goede ruimtelijke ordening Vanuit een goede ruimtelijke ordening is wel beoordeeld of de geluidbelasting aanvaardbaar is ter plaatse van de om te zetten dienstwoning. Uit de geluidberekening1 blijkt dat de maximale geluidbelasting 48 dB bedraagt ten gevolge van wegverkeer over de Leidseweg. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de om te zetten woning. Activiteitenbesluit Het omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning heeft geen gevolgen voor omliggende bedrijven. De woning is al een woning van derden. Hier verandert niets aan. Bovendien liggen er al woningen (Leidseweg 5 en 7) dichterbij het bedrijf Leidseweg 7a waar het bedrijf moet voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Conclusie Het aspect geluid is geen belemmering voor de omzetting van de dienstwoning naar burgerwoning. verkeer
CROW
De ontwikkeling mag niet leiden tot ontwrichting van het verkeerssysteem.
Het omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning heeft geen gevolgen voor het aantal verkeersbewegingen.
parkeren
CROW/ gemeentelijke normen
Er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Het omzetten van de dienstwoning heeft geen gevolgen voor parkeren. Er is geen sprake van een ontwikkeling die tot een toename van verkeer zorgt.
externe veiligheid
Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit externe veiligheid transportroutes
Wordt voldaan aan normen plaatsgebonden risico?
Het gebruik van de woning wijzigt niet. Vanuit externe veiligheid is er geen belemmering voor het omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning. In de nabije omgeving van de ontwikkeling zijn geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen of BEVI-inrichtingen aanwezig. De locatie ligt in het effectgebied (1% letaliteitsafstand) van de A4; vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Omdat de locatie op ruime afstand, namelijk meer dan 2
Besluit externe veiligheid buisleidingen
1
Is het groepsrisico verantwoord?
Akoestisch onderzoek Recreatiepark Watertuin gemeente Teylingen, Omgevingsdienst West-Holland, 29 augustus 2017, kenmerk 2017096572
kilometer van de A4 ligt, en er geen wijziging is in het aantal personen is een groepsrisicoberekening niet nodig. Het plan heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico. Op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid heeft dit plan ook geen invloed. Als, na een incident met toxische stoffen op de A4 een giftige gaswolk de locatie bereikt, dan is het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen voldoende om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Externe veiligheid is geen belemmering voor het omzetten van de dienstwoning. luchtkwaliteit
Wet Luchtkwaliteit (titel 2 Hoofdstuk 5 Wet milieubeheer)
Wordt voldaan aan de Het omzetten van de dienstwoning naar genoemde burgerwoning heeft geen effect op de grenswaarden in de Wet luchtkwaliteit. Het aantal luchtkwaliteit? verkeersbewegingen wijzigt niet door het Is sprake van een goede plan. Het plan draagt niet in betekende ruimtelijke ordening? mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de directe omgeving nergens hoger zijn dan respectievelijk 19,5 en 21,3 µg/m3 (2015). De PM2,5 concentraties zijn nergens hoger dan 13,5 µg/m3 (2015). Op basis van deze concentraties kan worden gezegd dat er geen belemmeringen zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
ecologie
Wet natuurbescherming Omgevingsverordening Zuid-Holland
Is er sprake van significant negatieve effecten?
Gebiedsbescherming Het plan betreft het omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning. Het plan veroorzaakt geen extra Is sprake van verkeersbewegingen. Er vinden geen aantasting van werkzaamheden plaats. Het plan heeft geen wezenlijke waarden en negatieve effecten op Natura 2000kenmerken van het NNN gebieden. of andere beschermde Het plan heeft ook geen effect op het gebieden? Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is niet gelegen in de strategische Is er sprake van reservering natuur en belangrijke aantasting, weidevogelgebieden. Ook liggen geen verontrusten of karakteristieke landschapselementen in het verstoren van plangebied. De genoemde beschermde beschermde dier- en gebieden veroorzaken geen planologische plantensoorten, hun belemmeringen voor het initiatief. nesten, holen en andere voortplantings- of Soortenbescherming vaste rust- en Ook op het gebied van soortenbescherming verblijfsplaatsen? is, gelet op het feit dat er sprake is van
bestaande gebruik geen sprake van aantasting. Aangezien de bouwmogelijkheden op perceelsniveau in het bestemmingsplan zijn beperkt, en de aanwezige soorten naar alle verwachting geen onoverkomelijke belemmeringen opleveren, wordt een onderzoek naar soorten voor omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning niet nodig geacht. kabels en leidingen
Telecommunicatiewet
Zijn er planologisch relevante leidingen en hoogspanningslijnen in de directe omgeving aanwezig?
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Milieueffectrapportage
Besluit m.e.r.
Heeft het plan belangrijke negatieve effecten tot gevolg waarvoor een m.e.r.beoordeling of planMER noodzakelijk is?
Het plan omzetten van de dienstwoning naar burgerwoning is geen activiteit zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Er is geen m.e.r.-beoordeling nodig. Ook uit de beoordeling van de diverse milieuaspecten blijkt dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft.
Bijlage 3 Objectgebonden woonvergunning 3 maart 2003
REGELS
Hoofdstuk 1 Artikel A
Inleidende regels
Toepassingsbereik
Het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin' met IMRO code NL.IMRO.1525.BP2016TEY01029-VA01 (vastgesteld op 27 september 2018) is onverkort van toepassing op het plangebied van dit plan: a. met uitzondering van:
verwijdering in de regels van dit plan, deze zijn aangegeven door middel van doorhaling met groene arcering; toevoeging in de regels van dit plan, deze zijn aangegeven door middel van een gele arcering; die delen die op de verbeelding zijn gewijzigd voor een aantal percelen.
b. met inbegrip van de verwijderde inhoud van tabel 4.1 behorende bij artikel 4.4.
Artikel 1 1.1
Begrippen
plan
het bestemmingsplan 'Recreatiepark Watertuin, 1e herziening' met identificatienummer NL.IMRO.1525.BP2021TEY01061-VA02 van de gemeente Teylingen.
1.2
bestemmingsplan:
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5
aanbouw
een toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw, dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
1.6
aangebouwd bijgebouw en overkapping
een bijgebouw of overkapping gebouwd tegen een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw en/of tegen een op hetzelfde perceel gelegen aan en/of uitbouw en/óf tegen een ander tegen dit hoofdgebouw gebouwd bijgebouw of overkapping.
1.7
archeologisch onderzoek
een onderzoek verricht door een gecertificeerd archeologisch bedrijf.
29
1.8
archeologische waarde
resten uit het verleden die zich in de vorm van grondsporen en/of materiële resten in de bodem bevinden.
1.9
bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.