CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. BP Loosterweg 16 Voorhout_20220368.pdf.(geanonimiseerd).pdf

Gemeenteraad 1 juni 2023, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Loosterweg 16 Voorhout21.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Huidige situatie Algemeen Het gehele plangebied is gelegen op de gemeentegrens van Lisse en Teylingen aan de Loosterweg te Voorhout. Een groot gedeelte van het plangebied was tot voor kort verhard en er is een bedrijfswoning aanwezig. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is reeds de bodem gesaneerd en de grond geschikt gemaakt voor bollengrond. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bovengrond van de bodem in het plangebied uit veraard veen (1ACw). Er is sprake van de grondwatertrappen lla. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tot aan het maaiveld komt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 0,7 meter beneden maaiveld ligt. Waterkwantiteit Het plangebied grenst aan de zuid‐ en westzijde aan twee watergangen, zo is te zien in figuur 4.3. De donkerblauwe watergang (453‐058‐01197) is de primaire watergang Het Mallegat. De onderhoudsplichtige voor deze watergang is Waterschap Rijnland. Het talud wordt onderhouden door de aan de watergang grenzende eigenaar van het perceel. De lichtblauwe watergang (453‐058‐01838) is een overige watergang waarvan het onderhoud voor de kadastrale eigenaar is. Het onderhoud van het talud is net als bij de primaire watergang van de aan de watergang grenzende eigenaar van het perceel. Daarnaast geldt voor deze watergang dat langs elke oever 20% begroeiing is toegestaan.

34/105

Figuur 4.3 ‐ legger oppervlaktewateren waterschap Rijnland (Bron: waterschap Rijnland) Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de kern‐/beschermingszone van een waterkering. Afwatering en riolering De woning is reeds aangesloten op de riolering. Toekomstige situatie Met het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een agrarische bestemming voor bollengrond neemt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie aanzienlijk af ten opzichte van de huidige situatie. Een groot deel van de huidige bedrijfsbestemming is in de huidige situatie verhard en zal omgezet worden naar agrarische bollengrond. Dit komt de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse ten goede. Het planologisch wijzigen van bedrijfs‐ naar burgerwoning heeft geen invloed op de situatie ten aanzien van water. Er wordt hooguit een terras rondom de woning aangelegd. Per saldo neemt de verharding ter plaatse van het plangebied aanzienlijk af. Om de waterkwaliteit van de aan het perceel grenzende watergangen te beschermen dient een teeltvrije zone aangehouden te worden. Voor bollenteelt geldt op basis van artikel 3.80 lid 1 van het Activiteitenbesluit een aan te houden afstand van ten minste 150 centimeter.

Indien gebruik gemaakt wordt van een techniek waarmee een driftreductie wordt bereikt van 90% ten opzichte van een bij ministeriele regeling aangewezen referentietechniek, bedraagt de aan te houden teeltvrije zone 100 centimeter.

35/105

Een teeltvrije zone van 50 centimeter dient aangehouden te worden wanneer gebruik gemaakt wordt van een handmatig aangedreven handgedragen spuit. De teeltvrije zone wordt gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en strekt zich, met uitzondering van de teelt van grasland, uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen gewassen. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.11 Luchthavenindelingsbeleid Schiphol Toetsingskader In het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB Schiphol) staan veiligheid‐ en gezondheid regels over de bestemming en het gebruik van de gronden, zowel binnen het luchthavengebied als binnen het beperkingengebied rondom Schiphol. Per zone gelden andere beperkingen waaraan getoetst dient te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het beperkingengebied en de zone afwegingengebied geluid en externe veiligheid (zie figuur 4.1 en 4.2). Overeenkomstig artikel 2.2.1d uit het LIB Schiphol geldt: 1. Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. 2. Voor de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.

36/105

Figuur 4.1 ‐ Beperkingengebied ten opzichte van het plangebied uit Bijlage 2 van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol

37/105

Figuur 4.2 ‐ Afwegingengebied geluid en externe veiligheid ten opzichte van het plangebied uit Bijlage 3 van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een nieuwe woningbouwlocatie. De huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning en daarmee is er al sprake van een bestaande woning. Daarnaast wordt de mogelijkheid om een bedrijf op te richten planologisch onmogelijk gemaakt en worden deze gronden omgezet naar agrarische gronden. De personendichtheid bij agrarische gronden is vele malen lager dan bij een gemiddelde bedrijfsbestemming. Het risico op een ongeval zal dan ook afnemen ten opzichte van de huidige situatie. In paragraaf 4.12 wordt verder ingegaan op de gecumuleerde geluidbelasting van de luchthaven en het wegverkeerslawaai. Conclusie Het LIB Schiphol vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

38/105

4.12 Wegverkeerslawaai Toetsingskader wegverkeerslawaai Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/uur‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging, zie hiervoor tabel 4.1. De breedte van de geluidzone wordt gemeten vanaf de as van de weg. Tabel 4.1 Schemazone aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 van de Wgh aantal rijstroken

breedte van de geluidzone (in meters) buitenstedelijk gebied

stedelijk gebied

5 of meer

600

350

3 of 4

400

350

1 of 2

250

200

De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een snelheid van 70km/u of hoger geldt de volgende aftrek:  4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 Rmg 57 dB bedraagt;  3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 Rmg 56 dB bedraagt;  2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting. Onderzoek In april 2022 is in het kader van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het aspect wegverkeerslawaai ter plaatse van het plangebied. Dit akoestisch onderzoek geeft inzicht in waar op de percelen het bouwen van een woning vanwege wegverkeer mogelijk is.

De percelen Loosterweg 16 in Voorhout en Loosterweg Zuid (ong) in Lisse liggen in buitenstedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde bedraagt Lden = 48 dB. De maximale ont‐heffingswaarde bedraagt Lden = 53 dB of eventueel Lden = 58 dB (vervangende nieuwbouw). De grenswaarde van Lden = 58 dB is alleen van toepassing als de nieuwe woning ter plaatse van de gesloopte bedrijfswoning wordt gerealiseerd, dus als vervanging van bestaande bebouwing.

39/105

Figuur 4.4 ‐ Geluidscontouren ter plaatse van het plangebied (Bron: Wegverkeerslawaai onderzoek Bijlage 9) Uit figuur 4.4 blijkt dat de Lden = 48 dB contour halverwege het perceel loopt. Binnen de Lden = 48 is woningbouw zonder meer mogelijk. Er wordt dan voldaan aan de Wet geluidhinder. Dichter bij de Loosterweg is woningbouw alleen mogelijk tot de Lden = 53 dB of indien de nieuwe woning ter plaatse wordt gesitueerd van de te slopen bestaande woning tot de Lden = 58 dB. Een hogere waarde procedure is dan noodzakelijk. Binnenniveau In het kader van een goed woon‐ en leefklimaat is het wel van belang dat in de woning sprake is acceptabel binnenniveau. In het eerdere advies heeft de Omgevingsdienst geadviseerd om bij sloop en nieuwbouw van de woning ten aanzien van het binnenniveau de nieuwbouweis van 33 dB, zoals bepaald in het Bouwbesluit 2012 te hanteren. Voor het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels en het dak adviseert de Omgevingsdienst als uitgangspunt de gecumuleerde geluidbelasting van het wegverkeerslawaai en luchtvaartlawaai te hanteren. Deze gecumuleerde geluidbelasting is gemaakt in het wegverkeerslawaai onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 9. De gecumuleerde geluidbelasting is input voor het bepalen van de gevelgeluidwering.

Op het moment dat sprake is van sloop en nieuwbouw van de woning zal bij de omgevingsvergunning onderdeel bouwen een akoestisch onderzoek naar de benodigde geluidwering moeten worden ingediend, waarbij wordt aangetoond dat voldaan wordt aan een binnenniveau van 33 dB. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

40/105

4.13 m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan Buitengebied Teylingen (15 december 2016) en kent de bestemming 'Bedrijf ‐ Handels‐ en exportbedrijf'. Binnen het plangebied is in de bestaande situatie een bedrijfswoning aanwezig. Dit is volgens het bestemmingsplan toegestaan. Binnen de bedrijfsbestemming is de oprichting van een agrarisch bedrijf voor een aan het bollencomplex verwante handels‐ en exportbedrijven en/of de teelt van bollen bij wijze van neventak, mogelijk.

Relatie met Lisse De omzetting van de bedrijfsbestemming betreft overigens een combinatie met de omzetting van een deel van het kadastrale perceel A1231 in Lisse, direct grenzend aan de noordkant van het plangebied in Teylingen. Op het perceel in Lisse geldt deels eveneens een bestemming ‘Bedrijf ‐Agrarisch handels‐ en exportbedrijf’ die vergelijkbaar is met de bestemming ‘Bedrijf – Handels‐ en exportbedrijf’ op het grondgebied van de gemeente Teylingen. Het gaat hier in feite om 1 bedrijfsbestemming die, hoewel gelegen op het grondgebied van 2 gemeenten binnen 2 verschillende bestemmingsplannen, vrijwel in zijn geheel wordt omgezet naar een agrarische bestemming (op het grondgebied Lisse gaat het om ca. 0.5 ha die wordt omgezet naar de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’). Beoordeling perceel Loosterweg 16 Voorhout Stedelijk ontwikkelingsproject D11.2 De omzetting van een deel van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, waarbij de bedrijfswoning mogelijk wordt gesloopt en vervangen door een nieuwe woning, is in dit geval geen stedelijk ontwikkelingsproject D11.2, aangezien het hier gaat om een 1 bestaande woning die wordt gesloopt en wordt vervangen door nieuwbouw. Landinrichtingsproject D9 Het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een agrarische bestemming voor bollenteelt, is strikt genomen aan te merken als een landinrichtingsproject onder D9.

De drempelwaarde voor een dergelijk plan is 50 ha. Echter uit diverse jurisprudentie over het wel of niet van toepassing zijn van het Besluit m.e.r voor een specifiek project, blijkt dat er niet altijd sprake is van een activiteit zoals bedoeld in onderdeel D uit de bijlage van het Besluit m.e.r. De mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan (agrarisch bedrijf gelieerd aan bollenteelt) en de omgeving en de gewenste afwijking ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan speelt hierbij een rol.

41/105

De directe omgeving van het plangebied heeft de bestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1. Het gaat om ca. 0,55 ha bedrijfsbestemming op het grondgebied van Teylingen, waarvan 0,1 ha wordt omgezet naar een woonbestemming en 0,45 ha wordt omgezet naar een bestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1. Op het grondgebied van Lisse gaat het om ca. 0,5 ha. Deze nieuwe bestemming is vergelijkbaar met de planologische bestemming van het overgrote deel van de directe omgeving, zowel op het grondgebied van de gemeente Lisse als het grondgebied van de gemeente Teylingen. Het omzetten van de bedrijfsbestemming(en) past daarom beter in het landschap. Daarnaast gaat het om een zeer beperkte en kleinschalige omzetting in vergelijking met de drempelwaarde van 50 ha zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D uit de bijlage van het Besluit. Dit maakt dat de planologische omzetting, ook in haar totaliteit (Teylingen en Lisse) te beperkt en te kleinschalig is om het te beschouwen als een (wijziging) van een activiteit zoals bedoeld onder D9 van het Besluit m.e.r. Conclusie Het Besluit m.e.r. is niet van toepassing op de omzetting van de bedrijfsbestemming naar een agrarische bestemming. Ook is het realiseren van een woning niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (D11.2) zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.

42/105

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide plan onderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn er algemene regels, en overgangs‐ en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2

Toelichting regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen, waar onder andere de windhaag wordt geregeld in de gebruiksregels. De overgangs‐ en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk. Bij het opstellen van de regels is aangesloten bij de bestemmingen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen' en de herziening 'Buitengebied Teylingen, 1e herziening'. Artikel 3 Agrarisch‐Bollenteelt ‐ bollenzone 1 De bedrijfsbestemming met bouwvlak is verwijderd. De gronden worden in gebruik genomen voor de bloembollenteelt. Er wordt een specifieke aanduiding opgenomen om een teeltvrije zone te borgen binnen deze bestemming ter bescherming van de woonbestemming. Artikel 4 Tuin 1 De gronden tussen de woonbestemming en de weg krijgen de bestemming 'Tuin'. Artikel 5 Wonen ‐ 1 De voormalige bedrijfswoning zal worden herbestemd. Hier zal voor een oppervlakte tot maximaal 1000 m2 de bestemming 'Wonen 1' en 'Tuin 1' worden opgenomen. Artikel 6 Water Aan de achterzijde van het perceel is een klein gedeelte dat voorheen bestemd was als bedrijf bestemd als water.

De bestemming bedrijf is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen' en 'Buitengebied Teylingen, 1e herziening' toegekend aan een gedeelte van de watergang.

43/105

44/105

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Wanneer een gemeente kosten maakt voor het bouwrijp maken van gronden en het aanleggen van infrastructuur, kan zij die door het opstellen van een exploitatieplan verhalen bij partijen die hier gebruik van maken. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig, wanneer het kostenverhaal 'anderszins' verzekerd is. De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond is reeds in eigendom van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt de kosten en de gemeente heeft een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. In het vooroverleg is inhoudelijk gereageerd op het plan door de omgevingsdienst en het waterschap Hoogheemraadschap van Rijnland. De opmerkingen zijn verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van afdeling 3.4 Awb voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.

45/105

46/105

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek aan de Loosterweg 16-18 te Voorhout, gemeente Teylingen en gemeente Lisse

J.J. Brattinga

640

640

2

Colofon Archol Rapport 640 Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek aan de Loosterweg 16‐18 te Voorhout, gemeente Teylingen en gemeente Lisse.

Projectleiding: Auteur: Tekstredactie: Beeldmateriaal: Autorisatie Sr archeoloog:

Handtekening

ISSN 1569‐2396 © Archol, Leiden 2022 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. +31 (0)85 2006492

Inhoud

Colofon .............................................................................................................................................................................. 1 Inhoud ............................................................................................................................................................................... 2 Samenvatting .................................................................................................................................................................... 3 1 Inleiding ................................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ................................................................................................................................ 4 1.2 Onderzoeksgebied, huidig en toekomstig gebruik ........................................................................................... 5 1.3 Onderzoeksopzet en organisatie ..................................................................................................................... 5 2 Bureauonderzoek .....................................................................................................................................................

6 2.1 Inleiding en methodiek .................................................................................................................................... 6 2.2 Beleidskader .................................................................................................................................................... 6 2.3 Landschappelijk kader ..................................................................................................................................... 7 2.3.1 Ontwikkelingen landschap algemeen .......................................................................................................... 7 2.3.2 Ontwikkeling landschap specifiek ............................................................................................................... 8 2.3.3 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ................................................................................................. 10 2.4 Archeologische verwachting en bekende archeologische waarden ................................................................. 10 2.4.1 Regionale verwachtings‐ en beleidskaart .................................................................................................. 10 2.4.2 Archeologische Monumentenkaart (AMK).................................................................................................

11 2.4.3 Archis gegevens ........................................................................................................................................ 11 2.5 Historische situatie ........................................................................................................................................ 13 2.5.1 Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Zuid‐Holland ............................................ 13 2.5.2 Historisch kaart‐ en fotomateriaal ............................................................................................................. 13 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................................................17 3 Inventariserend Veldonderzoek (IVO‐o), verkennende boringen.............................................................................. 18 3.1 Doel en vraagstellingen ................................................................................................................................. 18 3.2 Methodiek ..................................................................................................................................................... 18 3.3 Resultaten .....................................................................................................................................................

19 3.4 Beantwoording onderzoeksvragen ................................................................................................................ 20 4 Conclusie en advies ................................................................................................................................................. 21 4.1 Conclusie ....................................................................................................................................................... 21 4.2 Advies ........................................................................................................................................................... 21 Literatuur ........................................................................................................................................................................ 22 Figurenlijst ....................................................................................................................................................................... 23 Tabellenlijst ..................................................................................................................................................................... 23 BIJLAGE I: Boorstaten ...................................................................................................................................................... 24

2

Samenvatting In opdracht van Milieu Adviesbureau Adverbo heeft Archol in maart 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een terrein aan de Loosterweg 16‐18 in de gemeente Teylingen en de gemeente Lisse. Doel van het bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachtingen en het bepalen van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op de bekende en verwachte archeologische waarden voor het onderzoeksgebied. Deze verwachting is getoetst en aangescherpt met het verkennende booronderzoek. De opdrachtgever is voornemens om het terrein gereed te maken voor bollenteelt. Daarbij zal de ondergrond diep worden geploegd tot 2,00 m onder het huidige maaiveld. Het onderzoeksgebied ligt op een strandwal die aan het eind van het neolithicum, tussen 2500 een 2250 v.Chr. is ontstaan. De mariene (strandwal) en eolische (duinen) zandafzettingen binnen het onderzoek behoren tot het Laagpakket van Zandvoort uit de Formatie van Naaldwijk. De datering van de strandwal zorgt ervoor dat het onderzoeksgebied vanaf het laat‐neolithicum bewoonbaar is geweest. Archeologisch onderzoek in de omgeving van het onderzoeksgebied heeft nog geen aanwijzingen opgeleverd voor archeologische sporen uit de periode laat‐neolithicum tot en met de late middeleeuwen.

Doordat de strandwal is afgetopt en landbouwactiviteiten de bovengrond in het verleden hebben verstoord is er een kans dat een groot deel van deze sporen is verdwenen. Op de locatie van de voormalige historische bebouwing heeft geen (diepgaande) agrarische activiteiten plaatsgevonden. Daar kan de ondergrond relatief intact zijn. Hierdoor is er een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen uit deze periode. Historisch beeldmateriaal laat zien dat langs het Mallegat in ieder geval vanaf de 17de eeuw bebouwing aanwezig is. Langs deze waterweg komt het erf van boerderij ‘De Coehoorn’ te liggen. Die is gedetailleerd ingetekend op kadastrale kaarten vanaf het begin van de 19de eeuw en te zien op foto’s uit de 20ste eeuw. Resten hiervan zullen nog in de ondergrond aanwezig zijn. Hierdoor is er een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen uit de Nieuwe Tijd. De resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend boringen tonen aan dat de bovengenoemde hoge verwachtingen naar beneden bijgesteld kunnen worden. Door agrarisch landgebruik en recente afgraving en egalisering van het terrein worden er geen archeologische resten meer verwacht. Advies Op basis van de lage archeologische verwachting wordt voor het onderzoeksgebied Loosterweg 16‐18 geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Aan de hand van dit advies nemen de gemeente Lisse en de gemeente Teylingen een formeel besluit. Met betrekking tot deze aanbevelingen dient dan ook contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding online via ARCHIS of het vondstmeldingsformulier).

3

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doelstelling

In opdracht van Milieu Adviesbureau Adverbo heeft Archol een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een onderzoeksgebied aan de Loosterweg in Voorhout. Het terrein beslaat een stuk grond dat zowel binnen de grenzen van de gemeente Teylingen als de gemeente Lisse ligt (Figuur 1.1). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om het terrein geschikt te maken voor bollenteelt. Hierbij zal gebruik gemaakt worden van een diepploeg die de ondergrond tot ca. 2,00 m onder maaiveld (‐mv) zal omzetten. Het onderzoeksgebied is op de regionale archeologische beleidskaart aangemerkt als categorie 7. Dat houdt in dat er een middelhoge verwachting is op het aantreffen van archeologie en dat onderzoek verplicht is bij plannen groter dan 500 m2 en waarbij de grondroering dieper gaat dan 1,00 m ‐mv. Doel van het bureauonderzoek is vast te stellen of de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat is een gespecificeerde, archeologische verwachting en een advies over eventuele vervolgstappen. Op basis hiervan kan het bevoegd gezag een beslissing nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek.

Figuur 1.1 Ligging onderzoeksgebied (rode kader).

4

1.2

Onderzoeksgebied, huidig en toekomstig gebruik

Het onderzoeksgebied is gelegen aan de Loosterweg en ligt gedeeltelijk binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Teylingen en de gemeente Lisse. Het terrein heeft een omvang van circa 9.500 m². Aan de noordoostzijde wordt het begrensd door een ander kavel, in het zuidoosten en zuidwesten ligt een sloot en een smalle vaart (Het Mallegat) en in het noordwesten ligt de Loosterweg en een erf waarop een oude boerderij staat (Loosterweg 16). Het onderzoeksgebied bestaat momenteel uit braakliggende grond van een oud kassencomplex en grasland. Opdrachtgever is voornemens bom de grond om te zetten naar bollenland. Daarbij zal tot ca. 2,00 m diep geploegd worden.

1.3

Onderzoeksopzet en organisatie

Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en deels is opgegaan in de Erfgoedwet. Een ander gedeelte zal naar verwachting per 1 januari 2022 opgaan in de Omgevingswet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed in de fysieke leefomgeving. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het onderzoeksgebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het onderzoeksgebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende standaardrapportages. Dit rapport betreft een bureauonderzoek. Het bureauonderzoek geeft een samenvatting van wat er in archeologisch, cultuur‐historisch en aardwetenschappelijk opzicht bekend is over het onderzoeksgebied. Het doel is om door middel van bestaande bronnen te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting.

Op basis van de resultaten kan het bevoegd gezag een beslissing nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek zoals het toetsen van deze verwachting in de vorm van een inventariserend veldonderzoek. De administratieve gegevens zijn weergegeven in Tabel 1.1. Soort onderzoek: Projectnaam: Archolprojectcode:

Archeologisch bureauonderzoek Loosterweg 16‐18 VLW2172

Archis‐zaaknummer bureauonderzoek: Archis‐zaaknummer booronderzoek:

5190726100 5206034100

Opdrachtgever:

Milieu Adviesbureau Adverbo Contactpersoon: Gemeente Lisse en gemeente Teylingen Contactpersoon:

Bevoegd gezag:

Uitvoerder: Periode van uitvoering onderzoek: Rapport gereed: Versie: Status: Goedkeuring bevoegd gezag:

Archeologisch Onderzoek Leiden bv Maart 2021 Ja 1.0 Definitief 14‐04‐2022

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Coördinaten gebied: Oppervlakte onderzoeksgebied: Huidig grondgebruik:

Zuid‐Holland Lisse/ Teylingen Voorhout en Lisse Loosterweg 16‐18 95.915/ 473.841 (centrumcoördinaat) ca. 9.500 m2 Braakliggend terrein, grasland

Beheer en plaats van documentatie en vondsten: Tabel 1.1 Administratieve gegevens.

n.v.t.

5

2 Bureauonderzoek 2.1

Inleiding en methodiek

Het bureauonderzoek is erop gericht aan de hand van bekende en verwachte archeologische waarden een verwachtingsmodel voor het onderzoeksgebied op te stellen en eventuele verstoringen in kaart te brengen (Tabel 2.1). Hiervoor is het terrein en het gebied er omheen binnen een straal van ca. 250m onderzocht. Dit verwachtingsmodel resulteert in een gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied, waarin voor zover mogelijk uitspraken worden gedaan over de datering, het complextype, de locatie, de omvang en diepteligging, de gaafheid en conservering en uiterlijke kenmerken van mogelijk in het onderzoeksgebied aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.1, protocol 4002.

Bron Verplichte bronnen Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Archis Historische kaarten gemeentelijke beleids‐/verwachtingskaarten Niet‐Verplichte bronnen (beredeneerde keuze) Centraal Monumenten Archief (CMA) Centraal of archeologisch archief (CAA) Cultuur Historische waardenkaart (CHW) Bodemkaart van Nederland, schaal minimaal 1:50.000 Gedetailleerde geologische‐ of bodemkaarten Oude kadasterkaarten Topografische kaart van Nederland Beeldmateriaal voor bouwhistorie Milieukundig bodemonderzoek Dinoloket Kadaster (KLIC) Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten binnen het onderzoeksgebied Lucht‐ en satellietfoto’s Archieven Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Amateurarcheologen Gebiedsgerichte specialisten Eigenaar en gebruiker Provinciale depots Tabel 2.1 Geraadpleegde bronnen.

2.2

Geraadpleegd?

Motivatie (wanneer niet gebruikt)

Ja Ja Ja Ja

Nee Nee Ja Ja

Archis is geraadpleegd Archis is geraadpleegd

Ja Ja Ja

nee ja nee Ja

via bodemloket.nl geen informatie verkrijgbaar

Ja Ja Ja Nee Nee Ja Nee

voldoende gegevens beschikbaar

n.v.t.

Beleidskader

De overheid die de vergunning voor een ontwikkeling verleent is de bevoegde overheid. De bevoegde overheid besluit of het nodig is om archeologisch vooronderzoek te doen en vervolgens over de omgang met behoudenswaardige archeologische vindplaatsen. De bevoegde overheid ziet tevens toe op de kwaliteit van het onderzoek door de rapportages van onderzoek te toetsen. In onderhavig geval zijn de gemeentes Lisse en Teylingen de bevoegde overheden. Het archeologiebeleid van de gemeente Lisse is voor het onderzoeksgebied vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (vastgesteld op 12‐09‐2013). Het ligt op een locatie met enkelbestemming ‘Bedrijf ‐ Handels‐ en exportbedrijf’ en

6

heeft een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Voor de gemeente Teylingen geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Teylingen’, 1e herziening (vastgesteld op 19‐12‐2019). Binnen dit bestemmingsplan heeft het onderzoeksgebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’. Het onderzoeksgebied is op de regionale archeologische beleidskaart, die geldt voor beide gemeenten, aangemerkt als ‘Categorie 7’. Dat houdt in dat er een middelhoge verwachting is op het aantreffen van archeologie en dat onderzoek verplicht is bij plannen groter dan 500 m2 en waarbij de grondroering dieper gaat dan 1,00 m ‐mv

2.3 2.3.1

Landschappelijk kader Ontwikkelingen landschap algemeen

De bewoningsgeschiedenis van het onderzoeksgebied werd grotendeels bepaald door het omringende landschap en de veranderingen daarin door de tijd heen. Voor een goed beeld van de bewoningsmogelijkheden in het verleden volgt nu een beknopt overzicht van de geologische ontwikkeling van de overkoepelende regio waarna in een volgende paragraaf specifiek wordt ingegaan op de situatie binnen het onderzoeksgebied.1 Het onderzoeksgebied is gelegen in het Hollandse duingebied. Het duingebied omvat het huidige strand, alle strandwallen, ‐vlakten en de duinen die aan de oostzijde van het strand voorkomen in Noord‐ en Zuid‐Holland2. Aan de zeezijde komen de buitenduinen voor, die ook wel de jonge duinen worden genoemd. Verder landinwaarts liggen de lagere en minder reliëfrijke oude duinen. Het ontstaan van het duingebied is sterk gerelateerd aan de zeespiegelstijging gedurende het Holoceen (vanaf ca. 9500 v. Chr.). Tijdens een periode van relatief snelle zeespiegelstijging die tot ca. 4500‐4000 v. Chr. duurde, bestond de kust van Nederland uit een uitgebreid waddengebied met zandbanken en ‐platen die gescheiden werden door grote getijdegeulen (Figuur 2.1A). Dit waddengebied werd gedeeltelijk afgeschermd van de open zee door een reeks eilanden. Deze kustlijn werd als gevolg van de alsmaar stijgende zeespiegel geleidelijk omgewerkt en steeds verder naar het oosten verplaatst.

Vanaf 4500‐4000 v. Chr. nam de stijging van de zeespiegelstand sterk af en kwam de oostwaartse verplaatsing van de kustlijn tot stilstand. Vanuit de Noordzee en de grote rivieren werden grote hoeveelheden zand aangevoerd, waardoor de getijdengeulen geleidelijk verzandden en de reeks eilanden aan elkaar groeide tot een strandwal. In de periode 3850 ‐2750 v. Chr. bevond het westelijk deel van het onderzoeksgebied zich nog deels in zee, en het oostelijk deel zich op de strandwallen en strandvlaktes (Figuur 2.1B). Achter de strandwallen vond vanaf het Midden Subboreaal (circa 1800 voor Chr.) grootschalige veenvorming plaats, waarbij het Hollandveen Laagpakket werd gevormd. Tot ongeveer 0‐100 n. Chr. bleef de grote aanvoer van zand in stand, waardoor de kustlijn steeds verder westwaarts uitbreidde. Bij deze uitbreiding werden afwisselend strandvlaktes en strandwallen gevormd. Rond 500 v. Chr. ligt het gehele onderzoeksgebied binnen deze strandduinen en vlaktes (Figuur 2.1C). Vanaf ca. 200‐300 n. Chr. nam de snelheid van de zeespiegelstijging nog verder af, waardoor er minder zand werd aangevoerd vanuit de Noordzee en verschillende riviermondingen inactief werden. Door golfwerking en in mindere mate het getij werd een deel van de strandwallen en buiten de kustlijn uitstekende delta’s van de Maas, Rijn en Oude Rijn geërodeerd.

Vanaf circa 1000 werd het vrijkomende zand door de wind opgeblazen in een brede zone met jonge duinen die voor een groot deel de oudere strandwallen en strandvlaktes bedekken. Ook in de strandvlaktes achter de duinen werd zand afgezet door de wind. Volgens de paleogeografische kaart van Vos (2015) hebben de jonge duinen onderhavig onderzoeksgebied niet bereikt (zie Figuur 2.1D). Binnen het onderzoeksgebied verandert er landschappelijk weinig tot ongeveer de tweede helft van de 16e eeuw. Vanaf deze periode ontdekte men dat het Hollandse duingebied vanwege de kalkrijke zandgronden een gunstige locatie was voor de bloembollenteelt. Om de gronden geschikt te maken werden strandwallen afgegraven en werd het kalkrijke zand uit de ondergrond omhooggehaald. Op verschillende plaatsen werden ook de strandvlaktes tussen de strandwallen verbeterd om bollenvelden te creëren. Deze gronden, waar het kalkrijke zand onder een laagveen of klei voorkwam, zijn vaak ernstig vergraven. Grondverbetering heeft hier plaatsgevonden door middel van diepdelven of omspuiten. Bij diepdelven werd de grond lokaal afgegraven tot het kalkrijke zand, dat vervolgens werd opgegraven en 1 2

De ontstaansgeschiedenis is grotendeels overgenomen uit Moerman 2014. Berendsen 2005.

7

op het maaiveld werd neergelegd. Bij omspuiten werd eerst een gat gegraven, waarna met een zuiger zand omhoog werd gespoten om het op het land achter de zuiger neer te leggen. Zo ontstond land dat voor de bollenteelt geschikt was.3 In Figuur 2.1d is te zien dat er op de antropogene invloeden na weinig veranderingen meer plaatsvinden tussen het kaartje dat het onderzoeksgebied weergeeft in 500 v. Chr. en het kaartje van 1850 n. Chr.

Figuur 2.1: Ligging van het onderzoeksgebied (rode ster) op de paleogeografische kaarten van het duingebied in verschillende perioden: A. 5500 v. Chr.; B. 2750 v. Chr.; C. 500 v. Chr.; D. 1850 n. Chr. (bron: Vos et all 2015). 2.3.2

Ontwikkeling landschap specifiek

Dit deelgebied ligt volgens de geomorfologische kaart op een strandwal (Figuur 2.2). Uit de omliggende geomorfologische zones kan worden afgeleid dat het is gesitueerd op de strandwal van Noordwijkerhout die ontstaan tussen 2500 en 2250 voor Chr.4 De strandwal wordt aan beide zijden geflankeerd door een strandvlakte waarin mogelijk duinen zijn opgewaaid. Het opwaaien van zand kan ervoor gezorgd hebben dat in het verleden oude bodems en daarmee samenhangende archeologische sporen zijn overstoven. Deze kunnen hierdoor nog in de ondergrond bewaard zijn gebleven. Op de bodemkaart (Figuur 2.3) ligt het onderzoeksgebied in een zone met kalkhoudende enkeerdgronden bestaande uit matig fijn zand (kaartcode EZ50A). Dit type bodem komt alleen voor in de bollenstreek. De mariene (strandwal) en eolische (duinen) zandafzettingen binnen het onderzoek behoren tot het Laagpakket van Zandvoort uit de Formatie van Naaldwijk.

3 4

Horn, Moerman & Koekkelkoren 2012, 10. Wink en Sprangers 2015, 39

8

Figuur 2.2 Geomorfologische kaart van de omgeving van het onderzoeksgebied (rode ster). Het terrein ligt op een strandwal (geel; code 1M49), geflankeerd door strandvlakes (grijs; code 2M40) (bron: PDOK).

Figuur 2.3 Bodemkaart van het onderzoeksgebied (rode ster) en omgeving. Deze ligt in een kalkhoudende enkeerdgrond met matig fijn zand, code EZ50A (bron: PDOK).

9

2.3.3

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Het huidige maaiveld binnen het onderzoeksgebied ligt voor een groot deel op ca. 0,50 m +NAP (Figuur 2.4). Dit is ruim een halve meter hoger dan de maaiveldhoogte van de omliggende percelen (ca. 0,15 m ‐NAP). Het verschil houdt verband met de voormalige bebouwing op het terrein waardoor dit gebied niet is afgegraven. Dat is wel het geval in het omliggend terrein en werd gedaan om de kalkrijke ondergrond aan het oppervlak te krijgen voor de bollenteelt (zie hoofdstuk 2.5).

Figuur 2.4: Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) met daarop de contouren van het onderzoeksgebied als rood kader (bron: www.ahn.nl).

2.4 2.4.1

Archeologische verwachting en bekende archeologische waarden Regionale verwachtings- en beleidskaart

Op de regionale archeologische verwachtings‐ en beleidskaart bundelt de archeologische beleidskaarten van de gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom.5 Hierop is te zien dat het onderzoeksgebied is gelegen in een gebied met een middelhoge trefkans op het aantreffen van archeologie. (Figuur 2.5). De beleidskaart is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart waarop aan de verschillende geomorfologische eenheden een archeologische verwachting is gekoppeld. Het terrein valt binnen beleidscategorie 7. Strandwallen hebben in principe een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf het (laat‐)neolithicum, tenzij ze deels zijn afgegraven (middelhoge verwachting) of zwaar verstoord (laag tot zeer laag). Afgaand op de regionale beleidskaart is het onderzoeksgebied gelegen op een afgegraven strandwal en heeft het een middelhoge verwachting. De archeologische resten in strandwallen met een deze verwachting kunnen dicht onder het maaiveld of in dieper gelegen begraven bodems aanwezig zijn.

5

RAAP‐rapport 2852.

10

Figuur 2.5: Uitsnede van de regionale archeologische beleidskaart. Hierop is te zien dat het onderzoeksgebied binnen een zone met een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologie valt. 2.4.2

Archeologische Monumentenkaart (AMK)

Binnen een straal van 1500 meter rondom het onderzoeksgebied liggen geen AMK ‐terreinen. 2.4.3

Archis gegevens

In het landelijke archeologische registratiesysteem Archis3 zijn binnen het onderzoeksgebied geen vondst‐ of onderzoekslocaties bekend. Binnen een straal van 500 meter zijn wel een aantal locaties aanwezig waar archeologisch (voor)onderzoek heeft plaatsgevonden (Tabel 2.2; Figuur 2.6). In de eerste plaats gaat het om relatief grote onderzoeksgebieden voor het uitbaggeren van 38 vaarten in de Bollenstreek en het inventariseren van het inventariseren van bodemverstoring (respectievelijk zaakidentificatienummers 2285515100 en 2417067100).6 De resultaten van deze onderzoeken vormen een aanvulling op de grote historische en landschappelijke kaders van het onderhavig onderzoek maar voegen geen specifieke data toe over het terrein en de directe omgeving. Er zijn een tweetal kleinschalige onderzoeken uitgevoerd die wel meer specifieke data opgeleverd hebben over de directe omgeving van het huidige onderzoeksgebied. Aan de overzijde van de weg ligt een terrein aan de Loosterweg 57 waarvoor in 2020 een archeologisch bureauonderzoek is opgesteld. Daarbij is een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd (zaakidentificatienummer 4771810100). In dit onderzoek is naar voren gekomen dat op die locatie een lage verwachting is voor het aantreffen van archeologische indicatoren.

Dit komt mede door de grootschalige verstoringen binnen het terrein door diepploegen ten behoeve van de bollenteelt.7 In 2013 is in opdracht van de gemeente Teylingen een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de gehele Loosterweg binnen de gemeente Teylingen in het kader van de verbetering van het bestaande drukriool (zaakidentificatienummer 2409631100). In dit bureauonderzoek wordt beschreven dat ondanks de middelhoge en hoge archeologische verwachtingen die gelden voor een groot deel van het onderzoeksgebied geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen vanwege de zeer beperkte omvang van de individuele ingrepen.8 6

Van Dasselaar & Timmers 2010; Kluiving, Van der Laan, Kalker & Sueur 2014. Van den Biggelaar & Moerman 2020, 22. 8 Moerman 2013, 14. 7

11

Zaakidentificatienummer 2409631100

2285515100 2417067100

Resultaten en advies Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek verkennende boringen door IDDS. Lage archeologische verwachting door grootschalige verstoringen. Bureauonderzoek ten behoeve van het uitbaggeren van 38 vaarten in de Bollenstreek. Inventariserend onderzoek naar bodemverstoring door agrarische activiteiten

2409631100

Literatuur Van den Biggelaar & Moerman 2020. Van Dasselaar & Timmers 2010. Kluiving, Van der Laan, Kalker & Sueur 2014. Moerman 2013.

Bureauonderzoek door IDDS aan de Loosterweg e.o. in Voorhout. Ondanks de middelhoge en hoge archeologische verwachtingen die gelden voor een groot deel van het plangebied wordt vanwege de zeer beperkte omvang van de individuele ingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Tabel 2.2 Archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het onderzoeksgebied (ca. 100 m) (bron Archis3).

Figuur 2.6 De in Archis geregistreerde onderzoeksgebieden (blauw) met bijbehorende zaakwaarmeningsnummers rondom het onderzoeksgebied (rood kader) (bron: Archis3).

12

2.5 2.5.1

Historische situatie Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Zuid-Holland9

Op de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Zuid‐Holland staat het onderzoeksgebied benoemd als een strandwallen/ ‐vlaktelandschap en zanderijlandschap. Het Mallegat staat beschreven als landschapselement van redelijk hoge waarde omdat het een hoofdwetering is. De Loosterweg en de bebouwing staan beschreven als onderdeel van een zandnederzetting uit de periode 1850‐1940. 2.5.2

Historisch kaart- en fotomateriaal

Historische kaarten zijn een goed hulpmiddel om de ontwikkeling van het onderzoeksgebied in de Nieuwe Tijd te onderzoeken en om vast te stellen of in het onderzoeksgebied bouwhistorische en andere archeologische resten uit die periode te verwachten zijn. Daarbij is een onderscheid te maken tussen kaarten die te onnauwkeurig zijn om het onderzoeksgebied door georeferentie exact te lokaliseren (Figuur 2.7), en kaarten waarbij exacte lokalisering wel mogelijk is (Figuur 2.9 en Figuur 2.10) De oudste kaart betreft een kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland uit 1615 (Figuur 2.7). Op deze kaart is het duinlandschap op de strandwal goed te zien, evenals de diverse wegen en waterwegen. In en rondom het onderzoeksgebied is te zien dat er een duinlandschap aanwezig is en dat het Mallegat reeds gegraven is. Die wordt als ‘De nieuwe waterloosing’ omschreven. Ook de voorloper van de Loosterweg is aanwezig, onder de naam ‘De Lijt Weeg’. Binnen het onderzoeksgebied is dan nog geen bebouwing te zien. Die is wel aanwezig op een latere kaart van het Hoogheemraadschap (Figuur 2.8). Er is dus in ieder geval sprake van bebouwing binnen het onderzoeksgebied vanaf de 17de eeuw. Op de kadastrale minuutplans van 1811‐1832 is te zien dat het onderzoeksgebied aan het Mallegat ligt en dat er inmiddels bebouwing aanwezig is. Het lijkt te gaan om drie gebouwen in combinatie met twee ronde structuren.

Mogelijk gaat het om hooimijten. Het noordelijk en oostelijk deel van het onderzoeksgebied is onbebouwd en lijkt dienst te doen als landbouwgrond (Figuur 2.9). In de daarop volgende jaren verandert er weinig. Het zuidwesten van het onderzoeksgebied blijft bebouwd en de rest van het gebied lijkt dienst te doen als akkerbouwland (Figuur 2.10).

Figuur 2.7 De schematische ligging van het onderzoeksgebied (rood kader) geprojecteerd een kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland door Floris Balthasars uit 1615 (detail) (bron: Beeldbank Erfgoed Leiden e.o.).

9

Via online viewer: https://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas

13

Figuur 2.8: Uitsnede van de kaart van Rijnland uit de serie van ’t Hooge Heemraedschap van Rhijnland uit 1678/1746. Hierop is het Mallegat te zien, evenals een erf met bebouwing op de locatie van het onderzoeksgebied (rode cirkel). (bron: Beeldbank Erfgoed Leiden e.o.).

Figuur 2.9: Uitsneden van de kadastrale minuutplans uit 1811‐1832 van de gemeente Teylingenuit (links) en Lisse (rechts) waarop het onderzoeksgebied met een rood kader is weergegeven. Duidelijk is te zien dat er in het zuiden van het terrein, aan het Mallegat bebouwing aanwezig is. Op de kaart van Teylingen lijken er naast drie gebouwen ook twee ronde structuren aanwezig te zijn. Het gaat mogelijk om twee hooimijten.

14

Figuur 2.10 De ligging van het onderzoeksgebied (rood kader) geprojecteerd op de topografische kaart van 1900 (links) en 1950 (rechts). Hierop is de bebouwing van het terrein ook goed te zien in de vorm van rode vlakken. Het gaat nog steeds om drie gebouwen. Zowel vorm als locatie van de bebouwing lijkt te veranderen (bron: www.topotijdreis.nl). De bebouwing die op de kadastrale minuutplans en de topografische kaarten te zien is maakt onderdeel uit van de boerderij ‘Coehoorn’ en de daarbij horende bijgebouwen en schuren op het erf.10 Dit erf is, zoals de hierboven beschreven kaarten laten zien, gedurende de 19de en 20ste eeuw sterk veranderd (Figuur 2.11). De boerderij zou in 1855 zijn gebouwd en is in 1922 gesloopt. De ingetekende bebouwing op de kadastrale minuut uit 1811‐1832 doet vermoeden dat er een oudere voorloper van de boerderij is geweest. Naast de boerderij heeft een kleine woning gestaan die als ‘zomerhuis’ wordt aangeduid. In 1955 is op het erf het huis gebouwd dat tegenwoordig nog als enige bebouwing aanwezig is op Loosterweg 16. Na de sloop van de oude boerderij in 1922 heeft er achter dit huis een grote bollenschuur gestaan (Figuur 2.12 & Figuur 2.13).

Figuur 2.11: Een foto waarop het erf van boerderij ‘De Coehoorn’ te zien is. Centraal ligt het Mallegat. Links van het zomerhuid is het dak van de oude boerderij te zien. Die werd in 1922 gesloopt (bron: Theo van der Salm).

10 Deze informatie is grotendeels overgenomen van de website ‘zoekplaatjes’. Daarop is een onderwerppagina gewijd aan de locatie Loosterweg 16: https://www.zoekplaatjes.nl/index_home.html?https&&&www.zoekplaatjes.nl/2600/2650.html

15

Figuur 2.12: Foto uit 1955 waarop de huidige bebouwing aan de Loosterweg 16 te zien is. Achter dit huis is de grote bollenschuur zichtbaar die op de plek van de oude boerderij ‘De Coehoorn’ is gebouwd. Achter deze schuur is nog het zomerhuis te zien. Op de voorgrond zijn de percelen voor bollenteelt te herkennen. (bron: Theo Van der Salm)

Figuur 2.13: Uitsnede uit het Leidsch Dagblad van 22 november 1922. Hierop is de aankondiging te zien van de veiling van bouwmaterialen, afkomstig uit de oude boerderij ‘De Coehoorn’ en bijbehorende bollenschuur (bron: Delpher).

16

2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Het onderzoeksgebied ligt op een strandwal die aan het eind van het neolithicum, tussen 2500 een 2250 v.Chr. is ontstaan. Strandwallen zijn in het verleden door hun hoge en droge ligging en makkelijk bewerkbare grond altijd aantrekkelijke vestigingsplaatsen geweest. Door (o)verstuivingen kunnen er meerdere archeologische niveaus in de ondergrond aanwezig zijn. De dateringen van de strandwal zorgt ervoor dat het onderzoeksgebied vanaf het laat‐neolithicum bewoonbaar is geweest. Voor wat betreft de periode laat‐neolithicum tot en met de late middeleeuwen kunnen resten van akkers en nederzettingen worden aangetroffen die zich kenmerken als sporen van akker‐ en woonlagen, greppels en (paal)kuilen als onderdeel van gebouwplattegronden. Daarbij kunnen vondsten van aardewerk, vuur‐ en natuursteen en botmateriaal worden verwacht. Vanaf de Nieuwe Tijd kunnen er naast de hierboven genoemde complexen ook bewoningssporen worden aangetroffen in de vorm van stenen bebouwing, zoals muurstructuren, waterputten, afvalkuilen en beerputten. Specifiek kan uit deze jongere perioden de reten van een aantal gebouwen verwacht worden. Deze gebouwen zijn te herkennen op historisch kaartmateriaal. De strandwal waarop het onderzoeksgebied is gelegen, is volgens de archeologische beleidskaart in het verleden afgegraven.

Gezien het gebruik als akkerland zal voor een deel van het onderzoeksgebied de resterende bovenlaag zijn omgewerkt door landbouwactiviteiten. Hierdoor zal een deel van de eventueel aanwezige archeologische resten (deels) zijn verdwenen. De verwachting van de fysieke kwaliteit van deze sporen zal laag tot gemiddeld zijn. Op de locatie van de boerderij en de latere bollenschuur heeft nooit bollenteelt plaatsgevonden. Daar kan in potentie de ondergrond relatief intact zijn en is de kans op het aantreffen van archeologische sporen groter. De historische bebouwing die in ieder geval vanaf de 17de eeuw op het erf van boerderij ‘De Coehoorn’ heeft gestaan zal sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Door de sloop van deze bebouwing kan ervan uitgegaan worden dat deze (en oudere) sporen ook voor een deel zijn verstoord. De verwachting van de fysieke kwaliteit van deze resten is hierdoor gemiddeld. Op basis van de gegevens uit dit bureauonderzoek is er een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen uit de Nieuwe Tijd en een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen uit de periode laat‐neolithicum tot en met de late middeleeuwen, met name op de delen waar de boerderij en bollenschuur hebben gestaan. Verwachting Hoog

Diepteligging Direct onder maaiveld

Periode Nieuwe tijd

Complextype Bebouwing (steen), hooimijten, (afval)kuilen, waterputten

Gaafheid gemiddeld

Hoog

Onbekend

Laat‐neolithicum‐ volle middeleeuwen

nederzetting, akker, grafveld

Laag tot gemiddeld

Tabel 2.3: gespecificeerde verwachting

17

3 Inventariserend Veldonderzoek (IVO-o), verkennende boringen 3.1

Doel en vraagstellingen

Doel van het booronderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en aan te scherpen, door het (1) in kaart brengen van bodemopbouw, (2) het vaststellen van eventuele bodemverstoringen en de invloed hiervan op de archeologische verwachtingswaarde. Specifieke vraagstellingen die met het booronderzoek beantwoord moeten worden zijn:  Hoe ziet de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?  Is de bodemopbouw in het plangebied zodanig dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is?  Op welke diepte zouden de eventuele archeologisch interessante lagen zich kunnen bevinden?  Zijn er bodemverstoringen in het gebied aanwezig en wat betekent dit voor de archeologische verwachting?

3.2

Methodiek

Het onderzoek betreft een Inventariserend Veldonderzoek (IVO‐o) middels een booronderzoek verkennende fase. Het onderzoek is uitgevoerd conform Protocol 4003: Specificatie Inventariserend Veldonderzoek VS03 van de KNA 4.1 en een door het bevoegd gezag geaccordeerd plan van aanpak (pva).11 Er zijn in totaal 13 boringen gezet in het onderzoeksgebied (Figuur 3.1). De locatie van de boringen is vastgelegd met behulp van GPS. Gepoogd is een afstand van ca. 25 m tussen de boringen aan te houden. De boringen zijn gezet tot een maximale diepte van 2,00 m onder maaiveld (‐mv) met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en zuigerboor met een diameter van 5 cm. De boringen zijn in het veld beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB) welke voldoet aan de NEN5104 norm. Alle grond is door het snijden en verkruimelen van de boorkern met het blote oog onderzocht op archeologische indicatoren. De boorstaten zijn als bijlage I opgenomen achter in het rapport. Bovengenoemde methodiek is geschikt voor het vaststellen van de bodemopbouw, de verstoringsgraad en het opsporen van vondstrijke vindplaatsen (vnl. nederzettingen). De methode is niet geschikt voor het opsporen van kleine of vondstarme vindplaatsen. Lokale resten, zoals graven, greppels, deposities etc. zijn eveneens niet op te sporen.

Figuur 3.1: Overzichtsfoto van het onderzoeksgebied, gezien vanaf de Loosterweg. De kijkrichting is het zuidoosten.

11

Brattinga 2022.

18

Figuur 3.2: Overzicht van het onderzoeksgebied (rood kader) en de locatie van de boringen (zwarte stippen).

3.3

Resultaten

Alle boringen konden worden gezet op de vooraf geplotte locatie (Figuur 3.2). Het gehele terrein is recent afgegraven en geëgaliseerd tot ongeveer 0,10 m NAP. Hierdoor is het huidige maaiveld ter hoogte van boringen 12 en 13 ca. 0,60 m lager (0,07‐0,13 m ‐NAP) dan het oorspronkelijke maaiveld (ca. 0,50 m +NAP, zie hoofdstuk 2.3.3). De oorspronkelijke maaiveldhoogte is nu alleen nog aanwezig rondom de bebouwing langs de weg (Figuur 3.3). Uit de inhoud van de boringen komt een eenduidig beeld van de ondergrond naar voren. Over het terrein waarin boringen 1 tot en met 11 zijn gezet is een 1,00 tot 1,50 m dik, geroerd pakket donkerbruin‐grijs, licht humeus zand aanwezig. In deze laag zit bouwpuin zoals fragmenten baksteen en mortel, kiezels en fragmentjes houtskool. Het wordt geïnterpreteerd als een oude akkerlaag van een voormalig bollenveld. Alleen bij boring 12 en 13 is dit pakket niet gevonden. Daar bestaat de ondergrond uit een relatief dun pakket (0,20 tot 0,50 m) recent geroerde grond met fragmenten puin. Onder de oude akkerlaag en de geroerde grond is in alle boringen het duinzand van de strandwal aangetroffen. De top hiervan is kalkrijk en ligt voornamelijk op een diepte van 1,00 tot 1,50 m ‐mv (0,33 tot 1,69 m ‐NAP).

Bij boringen 12 en 13, ter plaatse van de voormalige historische bebouwing ligt de onverstoorde ondergrond minder diep onder het maaiveld: 0,20 tot 0,50 m (0,27 tot 0,33 m ‐NAP). Hierin zijn geen oude bodems of vegetatiehorizonten aangetroffen. Ook is het zand kalkrijk, wat aangeeft dat het in het verleden niet aan het oppervlak heeft gelegen. Er zijn verder geen archeologische indicatoren aangetroffen. Afgaand op de oude maaiveldhoogte op de AHN (ca. 0,50 m +NAP) is er op het terreindeel rond boringen 12 en 13 ongeveer 0,70 tot 0,80 m grond geroerd en grotendeels afgegraven.

19

Figuur 3.3: Op deze foto, genomen achter de nog staande bebouwing aan Loosterweg 16, is goed te zien dat het maaiveld binnen het onderzoeksgebied een stuk lager ligt dan de grond rondom de bebouwing. De kijkrichting is het zuiden.

3.4

Beantwoording onderzoeksvragen

Hoe ziet de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? Op basis van het verkennend booronderzoek kan de verwachting van de landschappelijke situering op basis van het bureauonderzoek worden bevestigd. In de ondergrond bevindt zich de duinafzettingen op de strandwal onder een omgezet pakket/ oude akkerlaag. De top van de duinafzettingen is kalkrijk en ligt voornamelijk op een diepte van 1,00 tot 1,50 m ‐mv (0,33 tot 1,69 m ‐NAP). Bij boringen 12 en 13 ligt de onverstoorde ondergrond minder diep onder het maaiveld: 0,20 tot 0,50 m (0,27 tot 0,27 m ‐NAP). Is de bodemopbouw in het plangebied zodanig dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is? De bodemopbouw in het grootste deel van het onderzoeksgebied laat een intacte natuurlijke ondergrond zien vanaf 1,00 m ‐mv. In veel gevallen is de bovengrond dieper geroerd, tot 1,50 m ‐mv. Alleen bij boringen 12 en 13 is de ondergrond minder diep geroerd, tot 0,50 m ‐mv. Op die locatie is recent echter ook al ca 0,70 tot 0,80 m bovengrond geroerd en afgegraven. Over het algemeen kan dus gesteld worden dat de ondergrond tot op relatief grote diepte is verstoord en archeologisch vervolgonderzoek niet zinvol is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=b8fd031b-3467-47da-8634-7afaef991918