CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. A. Reg nota bodembeheer_11gemeenten ODWH_WSP_SOB015939_verkleind_Geredigeerd

Gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente TeylingenBij agendapunt: Nota bodembeheer (onder voorbehoud)32.428 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals stikstof (NO x), fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen substantieel af. Het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 30/98

4 UITWERKING VAN HET GRONDSTROMENBELEID 4.1

KWALITEITSDOELSTELLING BIJ HERGEBRUIK/TOEPASSEN VAN GROND

Bij het nuttig toepassen van grond en baggerspecie hanteren de gemeenten het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (zie § 4.2). Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert (zie bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem (Generiek kader Besluit bodemkwaliteit)’. Als de baggerspecie voldoet aan de toepassingseis van de ontvangende bodem, dan vinden de gemeenten het niet nodig om de kwaliteit van de baggerspecie na ontwatering/rijping nogmaals te bepalen (zie § 4.12). De onderhoudsbaggerspecie mag worden verspreid/toegepast tot ten hoogste 10 kilometer van de plaats van herkomst als er op aangrenzende percelen geen ruimte of verspreidingsmogelijkheden zijn. Gemeentegrensoverschrijdend toepassen/verspreiden van onderhoudsbaggerspecie is dus mogelijk (zie § 4.17.2.1). Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: — met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (zie § 4.2); — als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3) niet worden overschreden; — als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd.

De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: — Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. — In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (zie § 4.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (zie § 4.10). Naast het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten uitgewerkt.

4.2 UITBREIDING VAN HET BODEMBEHEERGEBIED EN ACCEPTATIE BODEMKWALITEITSKAARTEN ALS BEWIJSMIDDEL BIJ TOEPASSEN GROND Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 31/98

Met deze nota accepteren de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude elkaars bodemkwaliteitskaart[1]. Óók accepteren de gemeenten de volgende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel bij het toepassen van grond: — Bodemkwaliteitskaart gemeente Katwijk[19]. Het bodembeheergebied wordt hiermee vastgesteld als zijnde de grondgebieden van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. De bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond. De projectgebieden in de gemeente Noordwijk waar recentelijk een bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheernota’s bestuurlijk zijn vastgesteld, zijn integraal weergegeven op de kaarten in deze nota bodembeheer.

4.3 DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN 4.3.1 INLEIDING De mogelijkheden voor hergebruik van gebiedseigen grond (zie § 4.2) met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vergroot door gebiedsspecifiek grondstromenbeleid op te stellen. Het beleid staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeenten en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’. Het generieke kader van het Besluit staat deze verslechtering niet toe. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden zónder dat dit tot risico’s voor het (toekomstig) bodemgebruik leidt. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. Tot slot zijn strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik en bij het toegestane percentage aan bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest.

De in de hierna volgende paragrafen vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied én van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (zie ook § 4.2 en § 4.10). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.3.2 Toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en) en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 4.6 Toepassen PFAS-houdende grond en baggerspecie).

4.3.2 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TOEPASSEN GROND OP ONVERHARDE KINDERSPEELPLAATSEN EN MOES-/VOLKSTUIN(COMPLEX)EN (BODEMLAAG 0-0,5 M-MV; LMW1) In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten stellen daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen 4 en moes-/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeenten moet de grond die wordt toegepast in en op de bodemlaag 0-0,5 m-mv op bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de 4

Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij school, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 32/98

4.3.7.2 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP (VOORMALIGE) BOLLENTEELTPERCELEN GEMEENTE NOORDWIJK: PLANGEBIEDEN OFFEM-ZUID FASE 1 EN FASE 3 (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW6) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden In het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3)[15] [16] zorgen organochloorbestrijdingsmiddelen (chloordaan, drins (som 3), β-HCH en heptachloorepoxide) ervoor dat de grond in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte, gemiddeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium (Wet bodembescherming) is dus nihil. Op basis van de beschikbare gegevens voor chloordaan, drins (som 3), β-HCH en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd. Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds 6. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) bedraagt 0,1606 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan.

Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 56) en de interventiewaarde (factor 25). Drins (som 3) De interventiewaarde voor de som drins bedraagt 4 mg/kg ds. De humaan toxicologische maximale waarde voor drins bedraagt 21 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’) en 0,2 mg/kg ds [20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ zonder consumptie van zelf geteelde gewassen). De gezondheidsrisico bij drins wordt met name bepaald door de consumptie van zelf geteelde gewassen en de concentratie aldrin. Het maximaal gehalte van drins is vastgesteld op 0,4305 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Uit de beschikbare analyseresultaten voor deze bodemkwaliteitskaart blijkt dat het maximaal gemeten gehalte van aldrin gelijk is aan 32,5 μg/kg ds, dus 0,0325 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan aldrin. De gehalten van aldrin hebben geen invloed op de vastgestelde gehalten van drins. Het maximaal vastgestelde gehalte van aldrin ligt ruim onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 6).

Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (0,4305 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’- voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 13) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 30). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) bedraagt 0,0092 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 84), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 174) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 54). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 7 mg/kg ds 7.

6

7

Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Voor heptachloorepoxide is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 39/98

Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) bedraagt 0,0188 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 372), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 213) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 5). Definiëren Lokale Maximale Waarden De gemeente Noordwijk wil de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van gebiedseigen grond vanaf en binnen het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens, staat de gemeente toe dat gebiedseigen grond die voldoet aan de onderstaande Lokale Maximale Waarden in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) worden hergebruikt (zie tabel 4.1). Voor de overige stoffen moet worden voldaan aan de generieke toepassingseisen ‘kwaliteitsklasse Wonen’ (zie de kaartbijlage N5). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). NB.

Hoewel gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans, kan zich desondanks de situatie voordoen dat grond moet worden aangevoerd van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase1 en 3). Grond van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (toepassingseis generiek kader van het Besluit (zie de kaartbijlagen N5). De kwaliteit moet zijn aangetoond door een partijkeuring (zie § 6.2.1), een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2) en/of een indicatief onderzoek als de grond afkomstig is van een (voormalig) tuinbouw- en akkerbouwperceel (zie § 4.3.7.7 en § 6.2.1). Tabel 4.1: Lokale Maximale Waarden plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3)

STOF

LOKALE MAXIMALE HUMAAN MAXIMAAL WAARDE TOXICOLOGISCHE MAXIMALE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIE- MAXIMALE WAARDE GEHALTE INDUSTRIE WAARDE WAARDE REFERENTIE (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof)

Chloordaan

0,1606

0,1

4

9

4

Drins (som 3)

0,4305

0,14

4

0,2*/21**

4** (0,2*)

Aldrin

0,0325

0,32

0,2*/21**

0,2

Dieldrin Endrin

0,46 0,0035

-

5,5*/39** 13*/100**

4 4

β-HCH

0,0092

1,6

0,77

0,5

0,5

Interventiewaarde Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@ Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins Maximale waarde functie Industrie

Heptachloor0,0188 0,1 4 7 0,1 Maximale waarde epoxide functie Industrie * Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). ** Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). @ Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) is 0,0325 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De grond ter plaatse van het plangebied Offem Zuid (fase 1 en 3) voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 40/98

4.3.7.3 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP (VOORMALIGE) BOLLENTEELTPERCELEN GEMEENTE NOORDWIJK: PLANGEBIED OFFEM-ZUID FASE 2 (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW7) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden In het plangebied Offem-Zuid (fase 2)[17] zorgen organochloorbestrijdingsmiddelen (chloordaan, drins, β-HCH, heptachloor en heptachloorepoxide) ervoor dat de grond in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte, gemiddeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium (Wet bodembescherming) is dus nihil. Op basis van de beschikbare gegevens voor chloordaan, drins, β-HCH, heptachloor en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, in het plangebied OffemZuid (fase 2) wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd. Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds 8. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,825 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan.

Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 11) en de interventiewaarde (factor 5). Drins De interventiewaarde voor de som drins bedraagt 4 mg/kg ds. De humaan toxicologische maximale waarde voor som drins bedraagt 21 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’) en 0,2 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ zonder consumptie van zelf geteelde gewassen). De gezondheidsrisico bij som drins wordt met name bepaald door de consumptie van zelf geteelde gewassen én de concentratie aldrin. Het maximaal gehalte van drins is vastgesteld op 0,382 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Uit de beschikbare analyseresultaten voor deze bodemkwaliteitskaart blijkt dat het maximaal gemeten gehalte van aldrin gelijk is aan 11,5 μg/kg ds, dus 0,0115 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan aldrin. De gehalten van aldrin hebben geen invloed op de vastgestelde gehalten van drins. Het maximaal vastgestelde gehalte van aldrin ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 17) en de interventiewaarde (factor 10).

Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (0,382 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 14) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 34). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,009 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 85), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 177) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 55).

8

Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 41/98

Heptachloor De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (60%) en inhalatie binnenlucht (34%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloor bedraagt 7 mg/kg ds9. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,0085 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloor. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 823), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 470) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 11). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds15. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,0525 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 38), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 76) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 2).

Definiëren Lokale Maximale Waarden De gemeente Noordwijk wil de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van gebiedseigen grond vanaf en binnen het plangebied Offem-Zuid (fase 2) vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens, staat de gemeente toe dat gebiedseigen grond die voldoet aan de onderstaande Lokale Maximale Waarden in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) worden hergebruikt (zie tabel 4.2 en de kaartbijlagen N6). Voor de overige stoffen moet worden voldaan aan de generieke toepassingseisen ‘kwaliteitsklasse Wonen’ (zie de kaartbijlagen N5). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). NB. Hoewel gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans, kan zich desondanks de situatie voordoen dat grond moet worden aangevoerd van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase2). Grond van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase 2) moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (toepassingseis generiek kader van het Besluit (zie de kaartbijlagen N5).

De kwaliteit moet zijn aangetoond door een partijkeuring (zie § 6.2.1), een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2) en/of een indicatief onderzoek als de grond afkomstig is van een (voormalig) tuinbouw- en akkerbouwperceel (zie § 4.3.7.7 en § 6.2.1).

9

Voor heptachloor en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 42/98

Tabel 4.2: Lokale Maximale Waarden plangebied Offem-Zuid (fase 2)

STOF

LOKALE MAXIMALE HUMAAN MAXIMAAL WAARDE TOXICOLOGISCHE MAXIMALE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIE- MAXIMALE WAARDE GEHALTE INDUSTRIE WAARDE WAARDE REFERENTIE (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof)

Chloordaan

0,825

0,1

4

9

4

Interventiewaarde

Drins

0,382

0,14

4

0,2*/21**

4** (0,2*)

Aldrin

0,0115

-

0,32

0,2*/21**

0,2

Dieldrin Endrin

0,375 0,0035

-

-

5,5*/39** 13*/100**

4 4

Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins

β-HCH

0,009

0,5

1,9

0,77

0,5

Maximale Waarde functie Industrie

Heptachloor

0,0085

0,1

4

7

0,1

Maximale Waarde functie Industrie

Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@

* Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). ** Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). @ Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) is 0,0115 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De grond ter plaatse van het plangebied Offem Zuid (fase 2) voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin.

4.3.7.4 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP (VOORMALIGE) BOLLENTEELTPERCELEN GEMEENTE NOORDWIJK: PLANGEBIED BRONSGEEST (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW8) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden In het plangebied Bronsgeest[18] zorgen organochloorbestrijdingsmiddelen (chloordaan en heptachloorepoxide) ervoor dat de grond in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte, gemiddeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium (Wet bodembescherming) is dus nihil. Op basis van de beschikbare gegevens voor chloordaan en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, in het plangebied Bronsgeest wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd. Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds10. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. De maximale waarde voor de functie Industrie voor chloordaan bedraagt 0,1 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan in het plangebied Bronsgeest bedraagt 0,0212 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan.

Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 425), de interventiewaarde (factor 189) én ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (factor 5).

10

Voor chloordaan en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 43/98

Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds. De interventiewaarde voor heptachloorepoxide bedraagt 4 mg/kg ds. De maximale waarde voor de functie Industrie voor heptachloorepoxide bedraagt 0,1 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in het plangebied Bronsgeest bedraagt 0,0119 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 168), de interventiewaarde (factor 336) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (factor 8). Definiëren Lokale Maximale Waarden De gemeente Noordwijk wil de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van gebiedseigen grond vanaf en binnen het plangebied Bronsgeest vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens, staat de gemeente toe dat gebiedseigen grond die voldoet aan de onderstaande Lokale Maximale Waarden in het plangebied Bronsgeest worden hergebruikt (zie tabel 4.3 en de kaartbijlagen N6). Voor de overige stoffen moet worden voldaan aan de generieke toepassingseisen ‘kwaliteitsklasse Wonen’ (zie de kaartbijlagen N5).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). NB. Hoewel gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans, kan zich desondanks de situatie voordoen dat grond moet worden aangevoerd van buiten het plangebied Bronsgeest. Grond van buiten het plangebied Bronsgeest moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (toepassingseis generiek kader van het Besluit (zie de kaartbijlagen N5). De kwaliteit moet zijn aangetoond door een partijkeuring (zie § 6.2.1), een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2) en/of een indicatief onderzoek als de grond afkomstig is van een (voormalig) tuinbouw- en akkerbouwperceel (zie § 4.3.7.7 en § 6.2.1). Tabel 4.3: Lokale Maximale Waarden plangebied Bronsgeest

STOF

LOKALE MAXIMALE HUMAAN MAXIMAAL WAARDE TOXICOLOGISCHE MAXIMALE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIE- MAXIMALE WAARDE GEHALTE INDUSTRIE WAARDE WAARDE REFERENTIE (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof)

Chloordaan

0,0212

0,1

4

9

0,1

Maximale Waarde functie Industrie

Heptachloorepoxide

0,0119

0,1

4

2

0,1

Maximale Waarde functie Industrie

4.3.7.5 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP OVERIGE (VOORMALIGE) TUINBOUW- EN AKKERBOUWPERCELEN (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW9) Onderbouwing en definiëren Lokale Maximale Waarden Ter plaatse van de overige (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen in de gemeenten (percelen die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszones “B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen” en “B11/T11/O11. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude” is vastgesteld dat in de bodemlaag 0-0,5 m-mv licht verhoogde gehalten van meerdere individuele organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze licht verhoogde gehalten zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de maximale gehalten in de dataset van de bodemkwaliteitskaart en de verschillende toetsnormen. Hierbij wordt ten opzichte van het maximale gehalte de meest streng mogelijke toetsnorm gebruikt zonder dat dat resulteert in onaanvaardbare risico’s voor het bodemgebruik.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 44/98

Op basis van de beschikbare gegevens voor α-endosulfaan, chloordaan, drins, α-HCH, β-HCH, heptachloor en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond van (vml) tuinbouw- en akkerbouwpercelen, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, weer op percelen van tuinbouwen akkerbouwpercelen wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd en in tabel 4.4 weergegeven. α-endosulfaan De humaan toxicologische maximale waarde voor α-endosulfaan bedraagt 1.70011. De interventiewaarde voor α-endosulfaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan bedraagt 1,8438 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 922) en de interventiewaarde (factor 2). Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds12. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan bedraagt 0,634 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan.

Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 14) en de interventiewaarde (factor 6). Drins De interventiewaarde voor de som drins bedraagt 4 mg/kg ds. De humaan toxicologische maximale waarde voor som drins bedraagt 21 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ zonder consumptie van zelf geteelde gewassen) en 0,2 mg/kg ds[20] (scenario ‘Wonen met tuin’ waarbij ook 10% consumptie van zelf geteelde gewassen plaatsvindt). De gezondheidsrisico bij som drins wordt met name bepaald door de consumptie van zelf geteelde gewassen én de concentratie aldrin. Het maximaal gehalte van drins is vastgesteld op 2,0707 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Uit de beschikbare analyseresultaten voor deze bodemkwaliteitskaart blijkt dat het maximaal gemeten gehalte van aldrin gelijk is aan 7 μg/kg ds, dus 0,007 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan aldrin. De gehalten van aldrin hebben geen invloed op de vastgestelde gehalten van drins. Het maximaal vastgestelde gehalte van aldrin ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 10) en de interventiewaarde (factor 2).

Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (2,0703 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 2,5) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 6). α-HCH De humaan toxicologische maximale waarde voor α-HCH bedraag 20 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van α-HCH in de gemeenten bedraagt 0,0065 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan α-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van α-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 3.075), de interventiewaarde (17 mg/kg ds; factor 2.154) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 77). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in de gemeenten bedraagt 0,011 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde

11

12

Voor α-endosulfaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM [20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 45/98

gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 70), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 145) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 45). Heptachloor De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (60%) en inhalatie binnenlucht (34%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloor bedraagt 7 mg/kg ds13. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor in de gemeenten bedraagt 0,0047 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloor. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 1.489), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 851) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 21). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds15. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in de gemeenten bedraagt 0,0721 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide.

Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 28), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 55) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 1,5). Tabel 4.4: Lokale Maximale Waarden (vml) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (percelen die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszones “B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen” en “B11/T11/O11. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude”

STOF

MAXIMALE MAXIMAAL WAARDE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIEGEHALTE INDUSTRIE WAARDE

LOKALE HUMAAN TOXICOLOGISCHE MAXIMALE MAXIMALE WAARDE WAARDE REFERENTIE

(in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) α-endosulfaan

1,8438

0,1

4

1.700#

4

Interventiewaarde

Chloordaan

0,634

0,1

4

9

4

Interventiewaarde

Drins

2,0703

0,14

4

0,2*/21**

4** (0,2*)

Aldrin

0,007

-

0,32

0,2*/21**

0,2

Dieldrin Endrin

0,28 0,006

-

-

5,5*/39** 13*/100**

4 4

Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins

α-HCH

0,011

0,5

17

20*

0,5

Maximale Waarde functie Industrie

β-HCH

0,0097

0,5

1,9

0,77

0,5

Maximale Waarde functie Industrie

13

Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@

Voor heptachloor en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 46/98

STOF

MAXIMALE MAXIMAAL WAARDE VASTGESTELD VOOR INTERVENTIEGEHALTE INDUSTRIE WAARDE

LOKALE HUMAAN TOXICOLOGISCHE MAXIMALE MAXIMALE WAARDE WAARDE REFERENTIE

(in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) heptachloor

0,0047

0,1

4

7

0,1

Maximale Waarde functie Industrie

HeptachloorMaximale Waarde 0,0721 0,1 4 2 0,1 epoxide functie Industrie * Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). ** Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). # Waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde @ Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in de gemeenten is 0,007 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De in de gemeenten voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin.

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). 4.3.7.6 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN GEMEENTE TEYLINGEN: PLANGEBIED NIEUW BOEKHORST IN VOORHOUT (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW9) Voor het plangebied Nieuw Boekhorst in Voorhout (gemeente Teylingen) is op basis van recente bodemonderzoeken de bodemkwaliteit geanalyseerd. Uit het historische onderzoek blijkt, dat het gebied deels verdacht is op gehoogde gehalten aan organochloorbestrijdingsmiddelen (kassengebied). Het andere deel van het plangebied is niet verdacht op deze stofgroep (alleen in gebruikt geweest als weiland). Uit de analyseresultaten van de bodemonderzoeken blijkt, dat de bodemkwaliteit in het gehele plangebied (in de boven- én ondergrond) in de klasse ‘Industrie’ valt als gevolg van de gemeten gehalten aan één of meer individuele organochloorbestrijdingsmiddelen. Op basis van zware metalen, PAK, PCB en minerale olie valt de grond in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’. Het gehele plangebied blijkt, ondanks de gebiedshistorie, belast te zijn met organochloorbestrijdingsmiddelen.

Op basis van dat gegeven kan het gehele plangebied als onderdeel van de bodemkwaliteitszone (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen worden beschouwd: B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen. Bij hergebruik van grond ter plaatse van het plangebied Nieuw Boekhorst mag daarom gebruik gemaakt worden van de Lokale Maximale Waarden voor organochloorbestrijdingsmiddelen die zijn gedefinieerd voor (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (bodemlaag 0-2 m-mv; LMW9), zie § 4.3.7.5). Dat betekent dat de grond in het hele plangebied hergebruikt mag worden. Ook grond van andere (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen uit de gemeenten binnen het beheergebied mag in het plangebied Nieuw Boekhorst worden toegepast, omdat dit ook grond is die in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt, alleen door de licht verhoogde aan organochloorbestrijdingsmiddelen. Grond die komt van andere percelen/ gebieden binnen het beheergebied moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 47/98

In de bodemkwaliteitszone ‘B8/T8/O8. Buitengebied met toemaakdek’ overschrijden de gemiddelde waarden van een aantal stoffen de landelijke achtergrondwaarde (AW2000). Daardoor wordt de grond geclassificeerd in de ontgravingsklasse ‘Wonen’. Het landelijk gebied valt in de bodemfunctieklasse ‘Landbouw/natuur’. Hierdoor kan met de generieke regels van het Besluit alleen grond worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. De toepassingseis in de bodemkwaliteitszone ‘B8. Buitengebied met toemaakdek’ is dus strenger dan de ontgravingskwaliteit. Gevolg is dat gebiedseigen grond niet kan worden hergebruikt. Om gebiedseigen grond te kunnen hergebruiken hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd (zie tabel 4.5). De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de 95-percentielewaarde van de bodemkwaliteitszone voor het toemaakdekgebied uit 2014 [2]. Uit de bodembeheernota’s [2] van de gemeenten blijkt het volgende: “De 95-percentiel overschrijdt bij onze gegevens voor geen van de parameters de Interventiewaarde uit de Wet bodembescherming. De kans op het aantreffen van ernstige gevallen van bodemverontreiniging in het buitengebied, veroorzaakt door toemaak, is dus erg klein. […] Een groot deel van deze gebieden is van oudsher in gebruik als agrarisch gebied, de bekende veenweiden.

Van historische verontreiniging is bekend dat deze een ander risicoprofiel kan hebben dan recenter ontstane bodemverontreiniging. Zo is van bijvoorbeeld lood, door een mate van binding aan het bodemmateriaal, de biobeschikbaarheid in werkelijkheid vaak lager dan standaard wordt aangenomen. De modellen voor risicoberekening (‘worst case’) kunnen daardoor soms een negatiever resultaat opleveren dan in werkelijkheid aanwezig is. Dit sluit aan bij het beeld dat het gebruik van deze gebieden voor agrarische doeleinden, zoals beweiding, in de praktijk niet tot problemen heeft geleid. […] Omdat de verwachting bestaat dat de historische verontreiniging eigenlijk geen bezwaar is om die grond binnen het gebied her te gebruiken, is gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor uitwisseling van grond binnen het toemaakgebied. […] Ten aanzien van grondverzet in het toemaakgebied gelden de volgende gebiedsspecifieke regels.: — Van percelen met toemaak naar percelen met toemaak is (zonder bodemonderzoek) vrij grondverzet op basis van de bodemkwaliteit toegestaan. — Van het ontvangende perceel moet worden vastgesteld dat het inderdaad om toemaak gaat. In beginsel volstaat daarvoor zintuiglijk onderzoek. — Van percelen met toemaak naar percelen zonder toemaak is grondverzet niet vrij. Hier gelden de toepassingsregels uit het generieke beleid. Dat betekent dat aan de bodemfunctie getoetst moet worden.

Zie daarvoor de bodemfunctieklassenkaart. In het algemeen zal dat voor agrarisch gebied Aw zijn. — Ingeval een perceel of een partij grond van binnen het toemaakgebied onderzocht is, dient getoetst te worden aan de LMW (zie tabel 4.5). — Het toemaakbeleid geldt alleen voor agrarisch en extensief recreatief gebruikt landelijk gebied. Het is geen vrijstelling voor bodemonderzoek dat om specifieke redenen zoals aanvraag bouwvergunning voorgeschreven wordt. Daarvoor gelden de gangbare onderzoekseisen en beoordelingsregels. — Grond die, zintuiglijk dan wel historisch, verdacht is om andere redenen dan toemaak valt buiten dit beleid. Daarvoor gelden de gangbare regels. In geval van saneringsnoodzaak geldt dan het gebruikelijke curatieve spoor uit de Wbb. — Grond van buiten het toemaakgebied naar toemaakgebied dient te voldoen aan de Aw. (De onderbouwing van de LMW had immers specifiek betrekking op toemaakdek en niet op verhoogde gehalten in het algemeen). […] Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (agrarisch en extensieve recreatie) verbonden zijn.” De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4A. Het gebiedsspecifiek beleid heeft betrekking op de bodemlaag 0-2 m-mv. Daarin bevindt zich het toemaakdek.

Voorwaarde om gebruik te mogen maken van het gebiedsspecifieke beleid is dat aangetoond wordt dat in de bodemlaag waar de grond wordt toegepast, zintuiglijk sprake is van een toemaakdek. Het toemaakdek bestaat uit historisch opgebracht stadsvuil van uiteenlopende soort dat is vermengd met zand. Toemaakdek is in het algemeen te herkennen aan diverse bijmengingen (puin, scherven, stukjes ijzer, pijpenkoppen) en verkleuringen in de bovenste laag van het zandpakket.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 49/98

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). Tabel 4.5: Lokale Maximale Waarden toemaakdek landelijk gebied PARAMETER

LMW (IN MG/KG DS)

Barium

283

Cadmium

0,76

Koper

76,5

Kwik

1,3

Molybdeen

5

Lood

373

Zink

236

PAK

2,26

Andere parameters

Landelijke achtergrondwaarde (AW2000)

4.3.9 LOKALE MAXIMALE WAARDEN BRAASSEMERLAND (GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW11) De gemeente Kaag en Braassem heeft in 2014 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het gebied Braassemerland [2]. Dit beleid wordt voortgezet met uitzondering voor PCB. Het beleid voor PCB vervalt vanwege een tussentijdse bijstelling van toetsingsnormen in de Regeling. Uit de bodembeheernota[2] van de gemeente blijkt het volgende: “Braassemerland is door het college van B&W ingedeeld in de bodemfunctie ‘Wonen’. […] Uit de berekeningen van de destijds opgestelde bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodem in het gebied gemiddeld voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen. Een deel echter niet. Dat betreft zowel percelen die schoner zijn, als percelen waarvan de grond voor met name de parameters koper, lood, zink en PCB hogere gehalten hebben. In beide gevallen vormt het generieke beleid uit het Bbk voor grondverzet een obstakel. Enerzijds omdat dan grond van de klasse Wonen niet op een schoner perceel mag worden toegepast, anderzijds omdat binnen Braassemerland vrijkomende grond met parameters boven de klassegrens Wonen niet in de eigen zone mag worden toegepast. […] Ten aanzien van grondverzet gelden binnen de het gebied Braassemerland de volgende gebiedsspecifieke regels.

— Alle percelen in het gebied Braassemerland worden voorafgaand aan werkzaamheden (minimaal) verkennend onderzocht. Van elk perceel is derhalve bekend of het binnen de regels van de bodemkwaliteitskaart valt of daar een uitzondering op is. — Grond die voldoet aan de LMW (zie tabel 4.6) mag binnen het gebied Braassemerland vrij toegepast worden. — Grond die aan de LMW voldoet mag ook worden toegepast op van de uitgesloten percelen binnen het gebied Braassemerland. Omgekeerd niet. — Grond van buiten het gebied Braassemerland, maar van binnen het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. — Extern aangevoerde grond van buiten het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan het generieke beleid uit het Bbk (zie tabel 2.1 bodemkwaliteitszones ‘[…]’). […] De LMW voor het gebied Braassemerland zijn gelijkgesteld aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen uit de Regeling, behalve voor de parameters koper, lood, zink en PCB, waarvoor de 95-percentielwaarden gelden uit de destijds opgestelde bodemkwaliteitskaart[2]. Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen) verbonden zijn.”

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 50/98

De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4B. Daarbij kan worden gesteld dat voor de andere parameters dan koper, lood en zink de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in dit gebied (Wonen). Hierdoor treden er bij het huidige en toekomstige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.6, tabel 4.8, blz. 57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.4 en § 4.5). Tabel 4.6: Lokale Maximale Waarden Braassemerland PARAMETER

LMW (IN MG/KG DS)

Koper

67

Lood

268

Zink

332

Andere parameters

Maximale waarde functie Wonen

4.3.10 LOKALE MAXIMALE WAARDEN NIEUW-RHIJNGEEST (GEMEENTE OEGSTGEEST; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW12) De gemeente Oegstgeest heeft in 2014 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het gebied Nieuw Rhijngeest[2]. Dit beleid wordt voortgezet. Uit de bodembeheernota[2] van de gemeente blijkt het volgende: “Nieuw-Rhijngeest is door het college van B&W ingedeeld in de bodemfunctie ‘Wonen’. […] Uit de destijds opgestelde bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bovengrond (0,0-0,0 m –mv) in het gebied Nieuw-Rhijngeest op basis van gemiddelde gehalten ingedeeld kan worden als bodemkwaliteitsklasse Industrie. De ondergrond (0,5-2,0 m –mv) wordt op basis van het gemiddelde gehalte getypeerd als Wonen. De bestrijdingsmiddelen groep ‘drins’ en met name dieldrin is daarvoor bepalend. De 95-percentielwaarden overschrijden voor geen van de parameters de interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. […] Ten aanzien van grondverzet gelden binnen het gebied Nieuw-Rhijngeest de volgende gebiedsspecifieke regels. — Alle percelen worden voorafgaand aan werkzaamheden (minimaal) verkennend onderzocht. Van elk perceel is derhalve bekend of het binnen de regels van de bodemkwaliteitskaart valt of daar een uitzondering op is. — Grond die voldoet aan de LMW (zie tabel 4.7) mag binnen het gebied Nieuw-Rhijngeest vrij toegepast worden.

— Grond die aan de LMW voldoet mag ook worden toegepast op van de uitgesloten percelen binnen het gebied Nieuw-Rhijngeest. Omgekeerd niet. — Grond van buiten het gebied Nieuw-Rhijngeest, maar van binnen het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. — Extern aangevoerde grond van buiten het beheergebied (zie § 4.2) moet voldoen aan het generieke beleid uit het Bbk (zie tabel 2.1 bodemkwaliteitszones ‘[…]’). […] De LMW voor het gebied Nieuw-Rhijngeest zijn gelijkgesteld aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen uit de Regeling, behalve voor de parameter drins, waarvoor de P95 uit bodemkwaliteitskaart[2] geldt. Uit een risico-analyse blijkt dat er aan het toestaan van deze verhoogde gehalten geen risico’s ten aanzien van het geplande gebruik (wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen) verbonden zijn.” De voornoemde risico-analyse is opgenomen in bijlage 4C. Daarbij kan worden gesteld dat voor de andere parameters dan drins de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in dit gebied (Wonen). Hierdoor treden er bij het huidige en toekomstige bodemgebruik geen risico's op.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 51/98

4.6.2 TOEPASSINGSEISEN 11 GEMEENTEN REGIO WEST-HOLLAND Vanwege het Handelingskader hergebruik van PFAS16-houdende grond en baggerspecie[25] moeten de initiatiefnemers van grondverzet de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente, die gemiddeld gezien lager dan de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden zijn vastgesteld, volgen de gemeenten de landelijke normen. Voor toepassing in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden volgen de gemeenten het Handelingskader hergebruik PFAShoudende grond en baggerspecie en definiëren strengere toepassingseisen (zie tabel 4.8). Tabel 4.8 Toepassingseisen PFAS-verbindingen in de grond

Toepassingseis Stof PFAS-verbindingen (in µg/kg ds) Toepassing grond/baggerspecie op percelen met de toepassingseis “Industrie” of “Wonen” PFOA (som lineair + vertakt) 7,00 # PFOS (som lineair + vertakt) 3,00 # Elke andere PFAS-verbinding 3,00 # Toepassing grond/baggerspecie op percelen met de toepassingseis “Landbouw/natuur” PFOA (som lineair + vertakt) 1,90 @ PFOS (som lineair + vertakt) 1,40 @ Elke andere PFAS-verbinding 1,40 @ Toepassing grond/baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden PFOA (som lineair + vertakt) <0,10$ PFOS (som lineair + vertakt) <0,10$ Elke andere PFAS-verbinding <0,10$ # Deze waarde is gebaseerd op het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie[25]. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. @ Deze waarde is gebaseerd op de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen[25]. $ Grond mag binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied worden verplaatst. Grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dat binnen het grondwaterbeschermingsgebied wordt toegepast, mag geen PFASverbindingen bevatten (PFAS-resultaat < detectiegrens)

Er wordt nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater). Op basis van deze onderzoeken worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings-/verspreidings)waarden voor PFASverbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings-/verspreidings) waarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie worden gewijzigd, volgen de gemeenten de landelijke normen.

16

Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.

SOB015939 Nota bodembeheer 2023-2033 SOB015939.RAP003 Opdrachtgever: Omgevingsdienst West-Holland namens 11 gemeenten in de regio West-Holland

WSP 5 mei 2023 pagina 57/98

Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen voor de volgende gebieden (zie de kaartbijlagen N3): — B1/T1/O1. Historische bebouwing Leiden. — B2/T2/O2. Oude uitbreidingen Leiden. — B3/T3/O3. Historische woonbebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude. — Gemeente Voorschoten: VS3 Naoorlogse wijken Voorschoten 1B, bovengrond en ondergrond. — Gemeente Voorschoten: VS4 Naoorlogse wijken Voorschoten 2, bovengrond en ondergrond. — Gemeente Voorschoten: VS6 Buitengebied en bedrijvigheid zuidkant en oostkant Voorschoten, bovengrond en ondergrond.

Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet- verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) tot een maximale diepte van 0,5 meter onder de onderzijde van de kabel / het riool, niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Dit beleid geldt niet als er sprake is van: — Verschillende grondsoorten (zand, klei, veen, grind, leem); ter voorkoming van ongewenste vermenging en toepassing van grond met verschillende fysische eigenschappen. — Een strooisellaag; deze moet apart worden ontgraven en weer op het maaiveld worden teruggebracht. — Ecologische waardvolle eigenschappen van de bodem. — Tijdelijke uitname van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’ , ‘VS1 bovengrond in Voorschoten’ en ‘VS7 bovengrond in Voorschoten’ (zie de kaartbijlagen N3). In deze bodemkwaliteitszones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld.

Als uit het historisch onderzoek (§ 6.1) blijkt dat er geen sprake is van een mogelijke nog niet onderzochte bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron én er gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, dan kan gebruik worden gemaakt van een BUS-melding tijdelijke uitname. Als uit het historisch onderzoek (§ 6.1) blijkt dat er sprake is van een mogelijke nog niet onderzochte bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron en/of er wordt niet gewerkt met een gesloten grondbalans, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd (zie § 6.2.1). Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de BUS-melding Tijdelijk uitplaatsen. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond die op het werk blijft worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De grond die niet op het werk blijft moet, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd (zie § 4.6) of worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als al eerder een onderzoek is uitgevoerd, kan na beoordeling (zie § 4.21), mogelijk gebruik worden gemaakt van de beschikbare analyseresultaten en/of ontgravingskaarten (zie § 4.18 en/of § 4.23).

Als er op de plaats van het werk geen opslagruimte is voor de tijdelijk ontgraven grond, dan mag de tijdelijke grondopslag ook op een nabij gelegen, geschikte locatie plaatsvinden. Die locatie wordt dan tijdelijk gezien als ‘horend bij de bouwplaats’. Als hiervan gebruik wordt gemaakt, moet dit altijd in overleg met de ODWH en indien van toepassing andere belanghebbenden. Aan een dergelijke tijdelijke opslag kunnen aanvullende eisen worden gesteld, zoals bijvoorbeeld: om de tijdelijke grondopslag moet een (afsluitbaar) hek worden geplaatst; de tijdelijke grondopslag moet worden afgedekt waardoor verstuiving of andere overlast wordt voorkomen; eventueel aanvullend onderzoek als de grond van verdachte kwaliteit blijkt; eventuele aanvullende maatregelen om de ontvangende bodem te beschermen; het beschikbaar stellen van aanvullende gegevens; afvoer van grond naar een erkend verwerker als blijkt dat deze van niet herbruikbare kwaliteit is; zorgplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=0fefdb1e-b7ad-4a1f-9a0c-451c39e9a140