NIEUW - Aanmeldingsnotitie MER
Tekst van het document
Aanmeldingsnotitie m.e.r.
Texelse Bierbrouwerij Gemeente Texel
Datum:
2021-09-27
Contactpersoon Buro SRO:
J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR160169
Opdrachtgever:
Texelse Bierbrouwerij
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave
1.
Algemene gegevens ........................................................................................................................... 4 1.1 Naam en adresgegevens initiatiefnemer ............................................................................................................ 4
2.
Aanmeldingsnotitie m.e.r. Texelse bierbrouwerij ............................................................................. 5 2.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 2.2 Consultatie .......................................................................................................................................................... 6 2.3 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 7 2.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 8 2.4 Beoogde ontwikkeling ......................................................................................................................................... 8 2.5 Tijdspad activiteit ................................................................................................................................................ 9 2.6 Cumulatie met andere projecten ........................................................................................................................
9 2.7 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen ................................................................................................................. 9 2.8 Productie van afvalstoffen .................................................................................................................................. 9 2.8 Verontreiniging en hinder ................................................................................................................................... 9
3. Effecten van de activiteit op het milieu ............................................................................................... 10 3.1 Archeologie ....................................................................................................................................................... 10 3.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 10 3.3 Ecologie ............................................................................................................................................................. 11 3.4 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 13 3.5 Geluid ................................................................................................................................................................ 14 3.6 Geur .................................................................................................................................................................. 15 3.7 Luchtkwaliteit ....................................................................................................................................................
15 3.8 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 17 3.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 18
4. Conclusie .............................................................................................................................................. 19
3
1. Algemene gegevens 1.1 Naam en adresgegevens initiatiefnemer Initiatiefnemer Initiatiefnemer: Contactpersoon Postadres
Texelse Bierbrouwerij Dhr. C. Honkoop Schilderweg 214 1792 CK Oudeschild Telefoonnummer 0222 320 325 E-mail c.honkoop@texels.nl
Adviseur Adviseur: Contactpersoon Postadres
Buro SRO Dhr. J. van Nuland ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Telefoonnummer 030 267 9198 E-mail jeroen.vannuland@buro-sro.nl
4
2. Aanmeldingsnotitie m.e.r. Texelse bierbrouwerij 2.1 Aanleiding De Texelse Bierbrouwerij is voornemens haar productie uit te breiden. De huidige locatie van de bierbrouwerij, in de voormalige melkfabriek aan de Schilderweg 214b, is voor deze uitbreiding qua omvang en efficiëntie niet meer toereikend. Een nieuwe locatie is dan ook gewenst. De beoogde locatie voor de verplaatsing van de brouwerij betreft een perceel aan de Laagwaalderweg, grenzend aan het bestaande bedrijventerrein Oudeschild. Het beoogde perceel aan de Laagwaalderweg heeft een oppervlakte van circa 4,5 hectare en is in de huidige situatie in gebruik als grasland. Conform de gewijzigde regelgeving van 7 juli 2017 moet voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is: • • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.
De aanmeldingsnotitie heeft tot doel het bevoegd gezag een besluit te laten nemen omtrent de m.e.r.. De aanmeldingsnotitie moet daarom inzicht geven in de gewenste activiteit, de verwachte milieugevolgen en het tijdspad. Voorliggende notitie voorziet hierin waarmee wordt voldaan aan de in bijlage III bij de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) aangegeven omstandigheden. Deze omstandigheden hebben betrekking op: 1.
de omvang van het project;
2.
de cumulatie met andere projecten;
3.
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
4.
de productie van afvalstoffen;
5.
verontreiniging en hinder;
6.
risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
5
2.2 Consultatie In lijn met de uitspraak Raad van State van 19 mei 2021 dient een MER-beoordelingsbesluit genomen te worden. Hiervoor is de onderhavige aanmeldingsnotitie opgesteld. In lijn met rechtsoverweging 15.11 van de uitspraak zijn de bestuursorganen, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 a en b Besluit mer, geconsulteerd. Hiertoe is de Aanmeldingsnotitie toegezonden. Een inhoudelijk reactie is ontvangen van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
6
2.3 Ligging plangebied Het plangebied betreft een perceel aan de Laagwaalderweg, direct ten noorden van het bedrijventerrein Oudeschild. De Laagwaalderweg vormt de oostelijke begrenzing van het plangebied. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door verschillende bedrijfspercelen aan het Vliegwiel. Ten noorden en ten westen van het plangebied zijn agrarische percelen aanwezig. De volgende afbeelding toont de begrenzing van het plangebied.
Luchtfoto omgeving projectlocatie
7
2.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied lag binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Texel 2013'. Dit bestemmingsplan is op 12 juni 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Texel. Tevens ligt het plangebied binnen de grenzen van het 'Reparatieplan buitengebied Texel', dat is vastgesteld op 21 december 2016. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Fragment verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Texel 2013'
In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch - Oude land' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Op basis van de agrarische bestemming is de uitbreiding en verplaatsing van de bierbrouwerij naar het plangebied niet toegestaan. Nadien is door de gemeenteraad van Texel op 21 februari 2018 het bestemmingsplan ’Oudeschild, uitbreiding bedrijventerrein’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan is in werking getreden maar is nog niet onherroepelijk. Op 15 januari 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) onder nummer 201804031/1/R1 een tussenuitspraak gedaan. In het kader van deze tussenuitspraak is deze Aanmeldingsnotitie aangepast op de laatste onderzoeksresultaten.
2.4 Beoogde ontwikkeling De beoogde activiteiten op het perceel aan de Laagwaalderweg betreffen hoofdzakelijk het brouwen van bier. Ter plaatse zal eveneens ruimte zijn voor de overige processen van de brouwerij, waaronder het verpakken, opslaan en distribueren van de geproduceerde goederen. De brouwerij richt zich op een uitbreiding van de productiecapaciteit tot maximaal 157.000 hectoliter per jaar. Net als in de huidige situatie aan de Schilderweg zal er op de nieuwe locatie aan de Laagwaalderweg een bezoekerscentrum gerealiseerd worden waarbij bezoekers de mogelijkheid krijgen om informatie over de brouwerij te krijgen en o.a. rondleidingen te volgen door (een deel van) de brouwerij. Daarnaast maken, net als in de huidige situatie, een proeflokaal en terrassen onderdeel uit van dit bezoekerscentrum, waarbij de mogelijkheid is voor de bezoekers om de verschillende Texelse bieren uit de brouwerij ter plaatse te proeven.
8
Het huidige bezoekerscentrum trekt momenteel circa 25.000 bezoekers per jaar. Dit betreffen bezoekers die de brouwerij bezoeken in combinatie met het volgen van een rondleiding. De schatting is dat eenzelfde aantal bezoekers de brouwerij 'los' bezoekt. Het huidige bezoekerscentrum is te klein voor dit aantal bezoekers. Tevens is de verwachting dat het aantal bezoekers zal toenemen met de huidige en voorziene groei van de brouwerij (immers, met de groei neemt ook de naamsbekendheid van de brouwerij toe). Daarom wordt binnen de bestemming een oppervlakte voor het bezoekerscentrum en voor het bijbehorende terras gereserveerd. Hiermee is een bezoekerscentrum voorzien dat passend is bij de huidige, moderne maatstaven en het verwachte aantal bezoekers. In de gereserveerde ruimte voor de bezoekersruimte wordt de filmzaal, verkoopruimte en proeflokaal met bijbehorende koelingen ondergebracht.
2.5 Tijdspad activiteit De werkzaamheden zullen worden gestart direct nadat de vergunningen zijn verleend. Het doel is te zorgen dat de brouwerij per 2022/2023 volledig in bedrijf is op de nieuwe locatie.
2.6 Cumulatie met andere projecten De verplaatsing en uitbreiding van de bierbrouwerij is een opzichzelfstaande ontwikkeling en kent geen directe relatie met andere ontwikkelingen in of rondom Oudeschild.
2.7 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor de realisatie de nieuwe brouwerij zullen niet-vernieuwbare hulpbronnen gebruikt worden. Hierbij gaat om het niet-vernieuwbare hulpbronnen die gebruikt worden in de bouwfase, zoals fossiele brandstoffen en grondstoffen. In de gebruiksfase wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van vernieuwbare hulpbronnen. De hoeveelheid restproducten wordt daarmee beperkt, waardoor het project een meer circulair karakter heeft. Resumerend kan gesteld worden dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zich met name concentreert in de bouwfase. De milieugevolgen van dit tijdelijke gebruik zijn dermate beperkt dat deze geen aanleiding geven tot het laten opstellen van een milieueffectrapportage.
2.8 Productie van afvalstoffen Als gevolg van de uitbreiding van de brouwerij zal een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen bestaan uit afval uit de bouwfase en reguliere bedrijfsafval vanuit het productieproces. In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van bedrijfsafval zal ook het afval van de brouwerij in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden. De toename die ontstaat dient afgezet te worden tegen de huidige feitelijke situatie. Op de nieuwe locatie is het mogelijk een efficiëntieslag door te voeren waarmee het volume aan afvalstoffen per gebrouwen liter bier verder kan worden teruggebracht. De toename van de productie van afvalstoffen leidt tot een toename van de afvoerfrequentie of een andere wijze van afvoeren. De milieugevolgen zijn dermate beperkt dat deze geen aanleiding geven tot het laten opstellen van een milieueffectrapportage.
2.8 Verontreiniging en hinder Als gevolg van de uitbreiding van de brouwerij zal er een toename zijn van de emissie van geur, fijnstof en stikstof. Daarnaast zullen de bedrijfsactiviteiten leiden tot geluid zo ook verkeerslawaai. Deze aspecten zijn nader onderzocht. Hiervoor wordt verwezen naar het navolgende hoofdstuk. Voldaan kan worden aan alle wettelijke dan wel gangbare normen. De effecten zijn daarmee zodanig beperkt dat deze geen aanleiding geven tot het laten opstellen van een milieueffectrapportage.
9
3. Effecten van de activiteit op het milieu Navolgend worden de relevante milieuaspecten toegelicht. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn diverse onderzoeken uitgevoerd om aan te tonen of de beoogde activiteiten haalbaar zijn.
3.1 Archeologie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een quickscan archeologie uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, Adviesnummer: 16159, zie bijlage). Uit deze quickscan volgt dat de geplande ingreep voor nieuwbouw de archeologische vrijstellingsgrens van 500 m² die op dit perceel rust, overschrijdt. De archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is laag. Bewoningssporen uit deze periode zijn niet waarschijnlijk, maar kunnen niet worden uitgesloten. Wat de prehistorie betreft, en met name de IJzertijd en de Romeinse Tijd, geldt een hoge verwachting. In dit geval is de vrijstellingsgrens gebaseerd op de geomorfologische kaart evenals de aanwezigheid van een nederzetting en diverse vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied. Gezien voorgaande conclusie van de archeologische quickscan is aanvullend een bureauonderzoek met veldtoets uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, Projectnummer: 17026, zie bijlage). De uitgevoerde veldtoets heeft aangetoond dat het dekzand op een diepte van 150 tot 180 cm onder maaiveld aanwezig is. Het is niet inzichtelijk of de top van het dekzand is geërodeerd. Verder onderzoek, in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, moet aantonen of hier nog sprake is van aanwezige archeologische sporen en vondsten.
De resultaten van dit proefsleuvenonderzoek worden te zijner tijd in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen.
3.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 3192.001 versie D2, zie bijlage). Tijdens de terreininspectie is ter plaatse van het uiterst noordoostelijke terreindeel (aan de Laagwaalderweg) een dam gelegen, welke deels op het perceel gelegen is. Ter plaatse is puin op het maaiveld aangetroffen. Eveneens parallel aan de Laagwaalderweg halverwege het weiland direct aan de overzijde van de sloot is een put aanwezig met een asbestverdachte deksel, welke gebroken in de put ligt. Dergelijke bronnen worden door formeel beschouwd als asbest verdacht.
Omdat in dit geval echter sprake is van kleine puntbronnen aan de rand van de onderzoekslokatie en daar ter plaatse (waarschijnlijk) geen ontwikkelingen plaatsvinden is op dit moment aanvullend onderzoek naar asbest niet noodzakelijk. Indien echter in de toekomst bij deze puntbronnen graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden dient voorafgaand alsnog een onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, sterk siltig tot sterk zandige klei. De ondergrond bestaat voornamelijk uit lagen van siltige tot zandige klei op zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. In de ondergrond komen zwak tot matig humeuze lagen voor. De kleiige ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. De bovengrond ter plaatse van het dammetje is matig puinhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn, met uitzondering van het dammetje, op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden verder geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
10
De bodem is plaatselijk licht verontreinigd met kwik, lood en molybdeen. Gezien het ontbreken van mogelijke bronnen van bodemverontreiniging zijn de lichte verhogingen van metalen vermoedelijk te relateren aan natuurlijk verhoogde gehalten van metalen in kleigronden. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium en kwik. Het betreft zeer licht verhoogde concentraties waar geen directe bron voor valt aan te wijzen. Ter plaatse van het uiterst westelijk terreindeel is een sterk verhoogde concentratie met koper vastgesteld. Voor deze verhoogde concentratie is vooralsnog geen verklaring. Op basis van het onderzoek wordt de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als 'onverdacht' kan worden beschouwd, verworpen. Dit gezien de lichte verontreinigingen in de grond en lichte tot sterke verontreinigingen in het grondwater. Er bestaan met betrekking tot de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek heeft een herbemonstering plaatsgevonden van grondwater peilbuis A01 (Econsultancy, project 3192.001, zie bijlage). Uit de resultaten van de herbemonstering blijkt dat de eerder aangetoonde sterk verhoogde concentratie met koper niet wordt bevestigd. Er is geen verhoogd gehalte aan koper meer aangetoond.
Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de bodem op basis van de beschikbare informatie grotendeels geschikt is voor het beoogd gebruik. Behoudens de voornoemde puntbronnen zijn er op dit moment geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen bestemmingswijziging.
3.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de huidige tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Quickscan en voortoets In het kader van de planontwikkeling is een ecologische quickscan en voortoets uitgevoerd (Blom Ecologie, 27 maart 2017, zie bijlage).
Naar aanleiding van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan geen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor komen. Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. Vleermuizen maken mogelijk incidenteel gebruik van de locatie tijdens het foerageren. De locatie maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van algemene (licht beschermde) vissen, amfibieën en zoogdieren. De oevers en sloten op de planlocatie zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de identieke nieuwe situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake.
11
Tabel: Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap
De nieuwbouw leidt voorlopig, met uitzondering van de noordse woelmuis, niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen, rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). De conclusie is dat de nieuwbouw van de Texelse Bierbrouwerij B.V. aan de Laagwaalderweg ong. te Oudeschild uitvoerbaar is conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Daarvoor worden wel enkele maatregelen en handelingen voorgeschreven om effecten te voorkomen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te voeren naar de noordse woelmuis. Een ecologisch werkprotocol naar de noordse woelmuis en de weidevogels zal noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden. Het aanvullend onderzoek naar de noordse woelmuis zal uiterlijk in oktober 2017 plaatsvinden. Tijdens dit onderzoek zal ook de aanwezigheid van de waterspitsmuis onderzocht worden. Stikstofdepositie Door Langelaar Milieuadvies is op basis van de maximale productie van 157.000 hl/j en de nieuw verkeersgegevens een verschilberekening gemaakt.
In de gebruiksfase vindt, ten opzicht van de bouwfase, de structurele emissie van stikstof plaats. In de berekening zijn de huidige verkeersbewegingen, zoals deze plaatsvinden in de huidige situatie aan de Schildersweg, buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is er vanuit gegaan dat de brouwerij direct na bedrijfsverplaatsing aan zijn maximale productiecapaciteit zit. Daarmee zijn de eventuele negatieve effecten aanzienlijk slechter berekend dan dat ze zich in werkelijkheid voordoen. Als gevolg van de bedrijfsverplaatsing en toename van de productie treden er bij de Duinen en Lage land Texel voor enkele hexagonen een toename op van stikstof depositie (max. 0,02). Voor al deze hexagonen geldt dat de kritische depositie waarden in de huidige situatie, maar ook als gevolg van de beperkte toename, niet overschreden worden. Daarmee kan er geconcludeerd worden dat als gevolg van de bedrijfsverplaatsing er geen significant negatief effect optreedt. Nu er geen sprake is van een overschrijding van de KDW kan opnieuw geconcludeerd worden in het kader van de voortoets dat er geen sprake is van een significante verslechtering. Daarmee kan afgezien worden van een passende beoordeling en daarmee van het opstellen van een MER.
In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal, conform de beslisboom, een WNB vergunning aangevraagd worden nu gebruik is gemaakt van interne saldering.
12
3.4 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 3192.007 versie D1, zie bijlage). In de quickscan worden de risico's rondom het bedrijf en de mogelijke risico's vanuit het bedrijf beschouwd. Navolgend worden de belangrijkste bevindingen en conclusies van de quickscan weergegeven. In de nabijheid van het plangebied is het C.I.V. Texel (Coöperatieve Inkoopvereniging Texel) gelegen. De coöperatie is een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen. Het bedrijf is geen Bevi-inrichting en heeft geen kwantitatieve risicoanalyse nodig. Er is een laad- en lospunt benzinetanks en stalling tankwagens aanwezig. Daarnaast zijn tanks aanwezig met gasolie, scheepsolie, diesel en benzine (K1 en K3 vloeistoffen). Uit de vergunde gegevens blijkt dat er een 10-6/jr PR contour aanwezig is met een straal van 42 meter. Het invloedsgebied bedraagt ca. 75 meter. Het plangebied ligt op circa 250 meter van de terreingrens van het bedrijf C.I.V. Texel. Geconcludeerd wordt dat voor dit onderdeel geen belemmeringen zijn.
De Texelse Bierbrouwerij krijgt een apart utiliteitsgebouw waarin koelinstallaties, stoomketels, luchtcompressoren en een waterbehandelingsinstallatie komen te staan. Alle installaties worden ontworpen en geïnstalleerd volgens de geldende voorschriften en wettelijke bepalingen, conform het Activiteitenbesluit en indien noodzakelijk aan de PGS 13 (publicatiereeks gevaarlijke stoffen). Hierdoor zullen de risico’s beperkt blijven tot in het bedrijf en is er dus geen sprake van hinder buiten de inrichting. Het bedrijf wordt geen Bevibedrijf. Daarmee bestaat er geen extern effect welke een nadere beschouwing behoeft middels een milieueffectrapportage. Als gevolg van het transport van ammoniak zal het risico gering stijgen. Windturbines Het plangebied bevindt zich aan de oostzijde gedeeltelijk binnen de plaatsgebonden risicocontour van een windturbine. De plaatsgebonden risicocontouren van deze windturbine bedragen 111 meter en 16,5 meter. Deze afstanden gelden voor respectievelijk de 10-6 en 10-5 contour. Voor kwetsbare objecten dient te worden uitgegaan van de 10-6 contour en voor beperkt kwetsbare objecten dient te worden uitgegaan van de 10-5 contour. Het plan voorziet niet in het realiseren van kwetsbare objecten. De afstand tot de windmolen is meer dan 16,5. De windmolen vormt geen verder bezwaar voor plan.
13
3.5 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. Gezien de ligging nabij verschillende woningen (geluidsgevoelige objecten) is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Noorman Milieu en advies. Deze rapportage is door Noorman geactualiseerd. Voor de actuele resultaten wordt verwezen naar het onderzoek van 11 maart 2020. Uit het onderzoek volgt dat ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied, met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT, wordt voldaan aan de voor brouwerijen van toepassing zijnde algemene grenswaarden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer van 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Met betrekking tot de maximale geluidniveaus LAmax kan ter plaatse van woningen buiten het bedrijventerrein voldaan worden aan de algemene grenswaarden van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.
Ter plaatse van de bedrijfswoningen op het bestaande bedrijventerrein kan worden voldaan aan de grenswaarde van respectievelijk 75, 70 en 65 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode. Voor de verkeersaantrekkende werking of indirecte hinder geldt dat kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde. Bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een productiecapaciteit van 157.000 hl/jaar. Geconcludeerd wordt dat in de situatie met een jaarproductie van 157.000 hl/jaar (masterplan) ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied wordt voldaan aan de voor brouwerijen van toepassing zijnde algemene grenswaarden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT en de maximale geluidniveaus LAmax. Ook kan onverminderd voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde voor de verkeersaantrekkende werking of indirecte hinder.
14
Externe effecten Vanuit het oogpunt van geluid bestaat er geen aanleiding de milieueffecten verder in beeld te brengen middels een milieueffectrapportage. In de aanlegfase kan er overlast ontstaan als gevolg van de bouw. Deze overlast is tijdelijk van aard en kan middels een bouwveiligheidsplan afgeperkt worden. De effecten zijn niet van blijvende aard en geven geen aanleiding tot een nadere beschouwing. Aanvullend wordt erop gewezen dat voor de omgevingsvergunning nog een akoestisch onderzoek vereist is waarbij rekening wordt gehouden met de definitieve uitvoering van de brouwerij en de gekozen apparatuur
3.6 Geur Het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling bevat de regelgeving voor het beperken van emissies van bedrijven. Hierin staan de emissiegrenswaarden voor lucht die gelden voor alle typen inrichtingen. Met betrekking tot de geuremissies van bierbrouwerijen gelden de algemene voorschriften als opgenomen in artikel 2.7a lid 1 van het Activiteitenbesluit. Het algemene uitgangspunt van dit artikel is het voorkomen van geurhinder. Is dit niet mogelijk dan moet het bedrijf de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperken. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een geuronderzoek uitgevoerd (SPA WNP Ingenieurs, rapportnummer 21610300.R02, zie bijlage). Met betrekking tot de geuremissies van bierbrouwerijen is de bijzondere regeling B10-Bierbrouwerijen opgenomen in de vervallen Nederlandse Emissierichtlijn Lucht (NeR). De te verwachten geuremissie van de Texelse bierbrouwerij is ingeschat op basis van de emissiekengetallen uit deze bijzondere regeling. Ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen wordt voldaan aan de grenswaarde van 1,5 ou E/m³ (als 98percentiel) als opgenomen in de bijzondere regeling B10 van de vervallen NeR. Vanwege de Texelse bierbrouwerij is geen onaanvaardbare geurhinder te verwachten. Bij het geuronderzoek is uitgegaan van een productiecapaciteit van 157.000 hl/jaar.
Een nader geuronderzoek is uitgevoerd naar de milieueffecten van een mogelijke toekomstige uitbreiding van de brouwerij tot een jaarproductie van 350.000 hl op jaarbasis (Noorman Bouw- en milieuadvies, rapportnummer 21610300.N01a, zie bijlage). Uit het onderzoek naar de productie van 157.000 hl/j volgt dat in de situatie met een jaarproductie van 157.000 hl/jaar ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen aan de grenswaarde van 1,5 oue/m³ (als 98-percentiel) als opgenomen in de voormalige bijzondere regeling B10 van de NeR voldaan kan worden.
3.7 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
15
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.
Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. Om te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse, is de NIBM-tool ingevuld. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Op jaarbasis wordt naar verwachting 157.000 hl bier gebrouwen (maximale eindbeeld). Namens de brouwerij is een overzicht verstrekt van de te verwachten verkeersbewegingen van vrachtwagens, personen- en bestelwagens. In de representatieve bedrijfssituatie komen ten behoeve van de aanvoer van grond- en hulpstoffen, alsmede de afvoer van einden restproducten, per etmaal 21 vrachtwagens. Tevens rijden 86 bestel- en personenwagens van personeel en bezoekers. De aan- en afvoerbewegingen met vrachtwagens en bestelwagens, alsmede het personenautoverkeer, vinden met name in de dagperiode (tussen 07.00 uur en 19.00 uur) plaats en beperkt in de avond- en nachtperiode. De volgende afbeelding toont de ingevulde NIBM-tool.
NIBM-tool
Geconcludeerd kan worden dat de bijdragen van het extra verkeer niet in betekende mate is en dus geen nader onderzoek naar luchtkwaliteit noodzakelijk is. De effecten op het gebied van luchtkwaliteit zijn niet van invloed op het milieu.
16
3.8 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. Volgens de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' betreft een bierbrouwerij een categorie 4.2-bedrijf. De richtafstanden voor een bierbrouwerij bedragen respectievelijk 300, 30, 100 en 50 meter voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Binnen een afstand van 30 meter van de nieuwe bierbrouwerij zijn in de huidige situatie geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Deze gevoelige bestemmingen, in de vorm van woningen, zijn wel binnen een afstand van 300, 100 en 50 meter aanwezig. Gezien de aanwezigheid van deze woningen binnen de richtafstanden voor geur, geluid en gevaar is nader onderzoek naar deze aspecten uitgevoerd. In paragraaf 3.4 (externe veiligheid), paragraaf 3.5 (geluid) en paragraaf 3.6 (geur) wordt hier nader op ingegaan.
17
3.9 Waterhuishouding Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Volgens artikel 23 van de 'Algemene regels bij de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016' dient een toename aan verharding van meer dan 800 m² in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. In de huidige situatie is het plangebied volledig onverhard. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zullen twee watergangen (485 m²) in het plangebied gedempt worden en zal het terrein grotendeels verhard worden. Er zal 5.500 m² extra oppervlaktewater worden toegevoegd door het verbreden van de westelijk en noordelijke watergang. De noordelijke watergang betreft circa 3.500 m². De westelijke watergang betreft circa 2.000 m². In de volgende tabel is dit schematisch weergegeven.
Onverhard Verharding (bebouwing + bestrating) Water Totaal
Huidige situatie 42.516 m² 0 m² 4.840 m² 47.000 m²
Toekomstige situatie 9.645 m² 27.500 m² 4.840 m² - 485 m² + 5.500 m² = 9.855 m² 47.000 m²
De toevoeging aan verharding bedraagt 27.500 m². Uitgaande van een compensatie-eis van 11% betekent dit dat er minimaal 3.025 m² oppervlaktewater moet worden toegevoegd. Het plan is om circa 5.000 m² oppervlaktewater toe te voegen. Dit betreft voldoende watercompensatie. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
De nieuwe bebouwing wordt aangesloten op het riool grenzend aan het plangebied. De capaciteit van deze huidige riolering is niet voldoende voor al het afvalwater wanneer de brouwerij in productie is. Voor het bedrijfsafval zal een nieuwe leiding moeten worden aangelegd. Deze loopt richting een verzamelpunt ten westen van het plangebied, waarna het richting de grote rioolwaterzuiveringsinstallatie op Texel wordt geloosd. Er vindt momenteel (voor)overleg plaats met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
18
4. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de verplaatsing van de Texelse bierbrouwerij naar een perceel aan de Laagwaalderweg, grenzend aan het bestaande bedrijventerrein in Oudeschild op Texel. Het beoogde perceel aan de Laagwaalderweg heeft een oppervlakte van circa 4,5 hectare. De beoogde activiteiten op het perceel aan de Laagwaalderweg betreffen hoofdzakelijk het brouwen van bier. Ter plaatse zal eveneens ruimte zijn voor de overige processen van de brouwerij, waaronder het verpakken, opslaan en distribueren van de geproduceerde goederen. Een maximale productiecapaciteit van 157.000 hectoliter per jaar wordt voorzien. Het plan bevat een activiteit uit kolom 1 van onderdeel D, maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van 750.000 hectoliter per jaar of meer. Daar wordt met een factor 4,7 onder gebleven. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Het bevoegd gezag moet toetsen of de activiteiten ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De relevante milieuaspecten zijn in voorliggende aanmeldingsnotitie opgenomen. Met betrekking tot de Texelse Bierbrouwerij zijn relevante milieuaspecten met name: geluid, geur, milieuzonering, ecologie, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Deze milieuaspecten zijn toegelicht in hoofdstuk 3 van deze notitie.
Geconcludeerd kan worden dat er geen significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van de Texelse Bierbrouwerij. Dit geldt zowel voor de aanlegfase als in de eindsituatie. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent een eventueel op te stellen m.e.r. Het plan heeft geen directe relatie met andere plannen die in ontwikkeling zijn. Er treedt dan ook geen cumulatie van effecten op die een significant negatief effect hebben op het milieu.
19