Bijlage 2. Verordening Onroerende Zaakbelastingen 2022
Tekst van het document
Verordening op de heffing en invordering van Onroerende zaakbelastingen 2022 De raad van de gemeente Texel;
Gelezen het advies van burgemeester en wethouders van 9 november 2021; Gehoord de raadscommissie van 30 november en 1 december 2021. Gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; Besluit:
vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2022;
in te trekken de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2021.
Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam ‘onroerende zaakbelastingen’ worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken 2 directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit,
beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende
zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is
gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik
aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft
gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de
basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2 Belastingobject 1.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de
2.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van
Wet waardering onroerende zaken.
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende
zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak
bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten
aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a. bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d.
1 of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder ook worden verstaan duinen, heidevelden,
zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f.
openbare land- en waterwegen, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,
instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet
zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; k.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; l.
begraafplaatsen, urnentuinen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. schapenboeten, als zelfstandig afgebakend WOZ-object of als onderdeel van een WOZ-object, met een monumentale status;
2.
n.
de stellingmolen onder de naam ‘Traanroeier’ en de grondzeiler onder de naam ‘Het
o.
de vuurtoren onder de naam ‘Eierland’.
Noorden’ met uitzondering van delen van de onroerende zaak die dienen als woning;
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de
gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a.
de gebruikersbelasting 0,0534%;
b.
bij de eigenarenbelasting 1.voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0342%. 2.voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,0678%.
2.
Voor belastingbedragen tot € 10 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op 1 aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling
1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen via automatische
worden betaald binnen dertig dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag moet worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8 Overgangsrecht De ‘Verordening onroerende zaakbelastingen 2021’ van 16 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 9, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 9 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.
bekendmaking.
Artikel 10 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening onroerende zaakbelastingen 2022’.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 15 december 2021.
De griffier,
De voorzitter,
M. de Porto,
ir. M.C. Uitdehaag