CConstaterende datTexel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Toelichting Model Verordening Leges

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente TexelBij agendapunt: Legesverordening 202449.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

De werkzaamheden ter beoordeling van de vergunningaanvraag zijn wel verricht, maar de werkzaamheden verbonden aan het houden van toezicht gedurende het realisatieproces hoeven niet verricht te worden, terwijl bij het vaststellen van het tarief wel met de kosten daarvan rekening is gehouden. Daarom kan worden besloten een deel van de geheven leges terug te betalen. Het is wel van belang dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat anders teruggaaf plaatsvindt terwijl de aanvrager vervolgens alsnog met de bouw of werkzaamheden zou kunnen aanvangen. Daarom gelden drie voorwaarden voor de teruggaaf: 1. de vergunninghouder dient een aanvraag om intrekking in, 2. binnen een bepaalde in het artikel op te nemen termijn na vergunningverlening, en 3. er is nog geen gebruik gemaakt van de omgevingsvergunning, met andere woorden: de activiteit is nog niet uitgevoerd. Artikel 2.59 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouwof milieubelastende activiteiten De situatie van artikel 2.59 doet zich voor als de aanvraag niet leidt tot het verlenen van de vergunning. Ook hier zullen de controlewerkzaamheden niet worden verricht, wat een lager tarief rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen.

Wij hebben de teruggaaf beperkt tot de bouwactiviteiten en mba, omdat daar doorgaans substantiële legesbedragen mee zijn gemoeid. Met een weigering hebben wij gelijkgesteld het geval dat de vergunning door de rechter wordt vernietigd. Artikel 2.60 Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten Het legesdeel modaliteiten betreft de in paragraaf 2.12 opgenomen tarieven, wat verhogingen zijn op de reguliere tarieven voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit op grond van de Ow. Dit zijn meestal geen door de gemeente beïnvloedbare kosten. Daarom is er geen reden deze ook in de teruggaaf te betrekken. Artikel 2.61 Minimumbedrag teruggaaf Uit doelmatigheidsoverwegingen hebben wij bepaald dat de teruggaaf een bepaald bedrag te boven moet gaan.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

127/ 136

Teruggaaf in verband met het realiseren van duurzaamheidsmaatregelen De legesverordening kan worden gebruikt als instrument om duurzaamheidsdoelen te realiseren. De gemeente wil bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan de verbetering van het klimaat en de vermindering van de CO2-uitstoot. Een belangrijke bijdrage aan deze doelstelling kan worden geleverd door het realiseren van duurzaamheidsmaatregelen bij bestaande gebouwen en nieuwbouw, door de bouw van zonneparken en windturbines en door de aanleg van (verzwaarde) elektriciteitsnetwerken en warmtenetten. In veel gevallen is voor het verrichten van deze duurzaamheidsmaatregelen een omgevingsvergunning nodig (bouwactiviteit, aanlegactiviteit, buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De leges die de gemeente hiervoor heft, werken kostenverhogend en vormen een drempel om tot het nemen van duurzaamheidsmaatregelen over te gaan. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt de legesheffing af te stemmen op het gemeentelijke beleid, zoals zij dat heeft geformuleerd op het gebied van de energietransitie. De gemeente kan genoemde drempel wegnemen of verlagen door een teruggaaf van bepaalde leges te verlenen voor die gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en waarin na afronding van de activiteiten blijkt dat duurzaam is gebouwd of verbouwd, dan wel een collectieve voorziening voor duurzame energieopwekking is gerealiseerd.

De VNG heeft voor de volgende duurzaamheidsmaatregelen modelteruggaafbepalingen geformuleerd: - Bestaande woningen isoleren - Renovatie tot nul-op-de-meter-woning - Plaatsen van zonnepanelen op daken of aan gevels - Aanbrengen van een begroeid dak - Buitenunit voor een warmtepomp - Plaatsing zonnecollectoren voor zonneboiler - Energiezuinige nieuwbouw - Bouw van zelfstandige, grondgebonden zonnepanelen - Bouw van windturbine(s) - Aanleg (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet De modelteruggaafbepalingen zijn te vinden op https://vng.nl/files/vng/20180509-legesverordening-alsinstrument-duurzaamheidsbevordering.pdf en moeten in overeenstemming worden gebracht met de nieuw structuur van de tarieventabel van de legesverordening. De teruggaafbepalingen kunnen worden ingevoegd na artikel 2.59. De legesteruggaaf heeft uitsluitend betrekking op de leges voor de activiteiten bouwen, aanleggen of buitenplans afwijken en voor zover deze de duurzaamheidsmaatregel(en) betreffen en ziet niet op eventuele andere activiteiten.

Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2 Europese Dienstenrichtlijn

Algemeen Ter bevordering van de vrijheid van vestiging en de vrije verrichting van grensoverschrijdende diensten streeft de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) naar: - vereenvoudiging van administratieve procedures - de opheffing van belemmeringen voor dienstenactiviteiten en - vergroting van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten onderling en van dienstverrichters en consumenten in de interne markt.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

128/ 136

(Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376.) Eind 2006 is de EDR in werking getreden. De EDR is geïmplementeerd in de Dienstenwet (Stb. 2009, 503). De EDR heeft consequenties voor de legesheffing voor díe vergunningstelsels die onder haar reikwijdte vallen.

Wanneer valt vergunningstelsel onder de EDR? Een vergunningstelsel valt alleen onder de EDR als het vergunningstelsel specifiek is gericht op dienstverrichters of dienstverleners. Een algemeen vergunningstelsel (bijv. de omgevingsvergunning voor bouw- of aanlegactiviteiten) valt niet onder de EDR omdat dit zich niet uitsluitend richt op dienstverrichters/dienstverleners, maar ook op particuliere burgers. Ook bevat de EDR een aantal uitgezonderde gebieden. Alle modelverordeningen zijn gescreend op toepassing van de EDR. Daaruit is een aantal vergunningstelsels naar voren gekomen, die onder de EDR vallen. Wij hebben die ‘afgezonderd’ in hoofdstuk 3 van de tarieventabel leges. Als een gemeente nog andere vergunningstelsels kent dan die in de modelverordeningen zijn opgenomen, zal zij deze zelf moeten toetsen aan de EDR. Als het vergunningstelsel daaronder valt en de gemeente heft hiervoor leges, dan moet deze ook in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden opgenomen. Een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten valt ook onder de EDR. Maar omdat deze is gebaseerd op de Omgevingswet hebben wij deze in hoofdstuk 2 opgenomen. Wij hebben daarom aan de benaming van hoofdstuk 3 toegevoegd: en niet vallend onder hoofdstuk 2. Voor de kostentoerekening heeft dit geen gevolgen. EDR en leges De EDR heeft geen betrekking op belastingen.

Artikel 13, tweede lid, EDR bepaalt dat eventuele kosten voor de aanvragers in verband met hun vergunningaanvraag redelijk zijn en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie en de kosten van de procedures niet mogen overschrijden. Dit betekent dat legesheffing mogelijk is. De kostentoerekening hoeft niet op individuele basis plaats te vinden. De EDR laat toe dat vaste (forfaitaire) bedragen voor dienstverlening in verband met vergunningprocedures worden gehanteerd, mits die forfaitaire kosten zijn gebaseerd op gemiddelde kosten. Wij merken hierbij nog op dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie heeft gesteld over het al dan niet van toepassing zijn van de Europese Dienstenrichtlijn op de legesheffing, meer in het bijzonder of de leges in dezen ook als belastingen in de zin van de EDR moeten worden aangemerkt (HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467). Het Europese Hof van Justitie heeft die vraag echter onbeantwoord gelaten (HvJEU 30 januari 2018, C-360/15 (Amersfoort), ECLI:EU:C:2018:44). EDR en kruissubsidiëring Door de formulering van de artikel 13, tweede lid, van de EDR is kruissubsidiëring alleen nog toegestaan binnen clusters van sterk samenhangende vergunningstelsels. Dit betreft alleen de diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. Wij hebben die in titel 3 opgenomen.

Elke paragraaf van hoofdstuk 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

129/ 136

Paragraaf 3.1 Horeca Artikel 3.1 Exploitatie openbare inrichting

Onderdeel a In artikel 2:28 van de model-APV heeft de VNG gekozen voor het handhaven van de horecaexploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die: - niet onder de Alcoholwet (vóór 1 juli 2021 Drank- en Horecawet) vallen, dit in verband met de Bibob-toets, en - wel onder de Alcoholwet vallen en die voor ernstige overlast hebben gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een vrijstelling van de vergunningplicht. Deze vergunningplicht geldt ook voor de ‘droge horeca’. Daaronder wordt verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders, en het verstrekken van rookwaar (coffeeshops). Het staat gemeenten uiteraard vrij om de horecaexploitatievergunning geheel af te schaffen of geheel te handhaven. Wij hebben voor de horecaexploitatievergunning op basis van de model-APV in onderdeel a een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel b In onderdeel b staat een tariefbepaling voor een ontheffing van de sluitingstijd die op grond van de model-APV geldt voor horeca-inrichtingen. Artikel 3.2 Uitoefenen horeca- of slijtersbedrijf

Onderdeel a Op grond van artikel 3 van de Alcoholwet is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Het gaat dan om het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse (horecabedrijf) of voor gebruik elders dan ter plaatse (slijtersbedrijf). Het gaat hier om de zogenaamde 'natte horeca'. Voor het afgeven van dergelijke vergunningen kunnen gemeenten leges heffen en daarbij zelf de hoogte van de te heffen leges vaststellen. In onderdeel a is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel b De in onderdeel b geregelde ontheffing betreft een ontheffing van de regels waaraan paracommerciële rechtspersonen zich moeten houden bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. De burgemeester kan deze ontheffing met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen verlenen (artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet). Onderdeel c Als een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij burgemeester en wethouders te melden.

Burgemeester en wethouders verstrekken, als nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. In onderdeel c is hiervoor een tariefbepaling opgenomen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

130/ 136

Onderdeel d De tariefbepaling van onderdeel d ziet op het wijzigen van een aanhangsel bij de horecavergunning. Een horecavergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens: a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; b. de aantekening door te laten halen dat een leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van het horecabedrijf of slijtersbedrijf. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel (artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Alcoholwet). Wij hebben hiervoor een tariefbepaling opgenomen in onderdeel d. Onderdeel e Onderdeel e bevat een tariefbepaling voor ontheffingen als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet. Hiervoor kan de gemeente zelf de hoogte van de leges bepalen met inachtneming van het uitgangspunt van maximale kostendekking.

Paragraaf 3.2 Seksbedrijven Artikel 3.3 Vergunning seksbedrijf

Eerste lid Indien een gemeente een vergunningstelsel kent voor seksbedrijven zoals in de model-APV, kan ze hiervoor tariefbepalingen opnemen. Ook dit vergunningstelsel valt onder de Europese Dienstenrichtlijn. Op grond van artikel 3.3 van de Model-Algemene plaatselijke verordening (Model-APV) is het verboden om zonder vergunning een seksbedrijf uit te oefenen. Er zijn verschillende soorten seksbedrijven, zoals prostitutiebedrijven, sekstheaters, seksbioscopen, bedrijfsmatig verleende webcamseks enzovoort. Zie voor een beschrijving hoofdstuk 3 van de Model-APV en Ledenbrief 15/056 – Nieuw ‘Prostitutiehoofdstuk’ model-APV (9 juli 2015). Bij het aanvragen van een vergunning voor een seksbedrijf moet een bedrijfsplan worden overgelegd. Deze verplichting geldt voor alle prostitutiebedrijven, dus ook voor escortbedrijven. Uiteraard volgt uit de aard van de werkzaamheden dat een bedrijfsplan van een escortbureau – op bepaalde punten – een andere uitwerking vereist dan een bedrijfsplan van een prostitutiebedrijf met een andere aard. De beoordeling daarvan zou dus ook verschillend kunnen zijn qua arbeidsintensiteit. Dit rechtvaardigt dan een verschil in tariefstelling. De onderdelen a, b en c voorzien daarin. De aanvraag om de verlenging van een vergunning wordt behandeld als zijnde een nieuwe aanvraag.

Daardoor kunnen de belangrijke vragen die ten tijde van oorspronkelijke beoordeling beantwoord zijn nogmaals bekeken worden in het licht van de nieuwe situatie. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen is het niet nodig om bij de aanvraag om verlenging van een vergunning nogmaals actuele gegevens en bescheiden te overleggen waarover de burgemeester al beschikt. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de gegevens die op de vergunning vermeld staan. Deze zouden te allen tijde actueel moeten zijn. Ook is het bijvoorbeeld overbodig om plattegronden, situatietekeningen en het bedrijfsplan nogmaals aan te leveren, voor zover deze ongewijzigd zijn. Tweede lid De leges zijn hoger als er één of meerdere beheerders worden bijgeschreven op de vergunning. Dan moet immers ook telkens de persoon van de beheerder getoetst worden (onderdeel a). Een vergunning kan mede worden verleend voor ten hoogste één seksinrichting. Indien de aanvraag om een vergunning mede op een seksinrichting ziet, dan vraagt dit om een nadere toets. Vandaar dat in een dergelijk geval de leges hoger zijn (onderdeel b). Deze aanvullende legeskosten zijn opgenomen in het tweede lid.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

131/ 136

Derde lid Een vermindering van de leges wordt verleend als meerdere aanvragen gelijktijdig worden ingediend en de aanvragen hetzelfde seksbedrijf en dezelfde exploitant betreffen. Ook de behandeling van die aanvragen kan dan immers efficiënter en effectiever plaatsvinden. De persoon van de exploitant hoeft bijvoorbeeld meer één keer getoetst te worden. Vierde lid Om toegang tot het legale circuit niet te belemmeren voor zelfstandig opererende prostituees, die een aanzienlijk lager verdienvermogen hebben dan prostitutiebedrijven met een grotere omvang, kan besloten worden om voor deze groep de mogelijkheid te openen tot teruggaaf van een deel van de leges. Voorwaarde zou dan wel moeten zijn dat aan de verleende vergunning de voorwaarde verbonden is dat er ook maar ten hoogste één prostituee bij of voor het bedrijf mag werken. Dit is geregeld in het facultatieve vierde lid. Artikel 3.4 Wijzigen vergunning seksbedrijf De vergunninghouder is verplicht gewijzigde omstandigheden te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Daarbij behoeft niet de gehele procedure te worden doorlopen als ware het een aanvraag om een nieuwe vergunning. Afhankelijk van de aard van de wijzigingen kan ook de geldigheidsduur van de vergunning worden aangepast.

In artikel 3.4 hebben wij voor de verschillende wijzigingen die kunnen voorkomen, afzonderlijke tarieven gesteld. De wijziging van exploitant, beheerder of adres zal een uitgebreidere beoordeling vergen dan bijvoorbeeld de wijziging van het telefoonnummer. De tarieven zijn cumulatief verschuldigd. Onderdeel g hebben wij als facultatieve bepaling opgenomen. Deze bepaling moet worden opgenomen als de gemeente ervoor kiest de teruggaafbepaling van artikel 3.3, vierde lid, op te nemen. De tariefstelling in onderdeel g kan op die teruggaaf worden afgestemd.

Paragraaf 3.3 Winkeltijdenwet Artikel 3.5 Ontheffing winkeltijden Het Europese Hof van Justitie heeft beslist dat detailhandel in goederen een ‘dienst’ is in de zin van de Dienstenrichtlijn (HvJEU 30 januari 2018, C‑31/16 (Appingedam), ECLI:EU:C:2018:44). In verband hiermee heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven beslist dat het stelsel van de Winkeltijdenwet en de gemeentelijke winkeltijdenverordening, op grond waarvan een ontheffing moet worden aangevraagd om na 22:00 uur een winkel voor het publiek geopend te mogen hebben, moet worden gezien als een vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn (College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-01-2021, ECLI:NL:CBB:2021:59).

Onderdeel a Op 1 juli 2013 is een wijziging van de Winkeltijdenwet in werking getreden (Stb. 2013, 217 en 218; zie ook ledenbrief 13/060 – Modelverordening winkeltijden 2013 – 19 juni 2013)). Op grond van de gewijzigde Winkeltijdenwet blijven de wettelijke verboden om winkels op zon-, feestdagen en op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur open te stellen, op zichzelf bestaan. Gemeenten kunnen door de wetswijziging echter zelf bepalen of – en in hoeverre – zij vrijstelling of ontheffing verlenen van deze verboden. De uitzonderingsbepalingen, zoals de toerismebepaling en de avondwinkelbepaling, zijn vervallen. Voor zover gemeenten niet besluiten tot een algemene of categoriale vrijstelling van in artikel 2 van de Winkeltijdenwet vervatte verboden, kunnen zij besluiten de mogelijkheid voor burgemeester en

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

132/ 136

wethouders te creëren om voor (een deel van) de ‘resterende’ verboden individuele ontheffingen te verlenen (zie artikel 3 van de Modelverordening winkeltijden 2013). Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing is in onderdeel a een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel b Een ontheffing kan op verzoek van de houder worden ingetrokken of gewijzigd (artikel 5 van de Modelverordening winkeltijden 2013). In onderdeel b hebben wij voor een verzoek tot wijziging een tariefbepaling opgenomen. Wij denken dat het niet raadzaam is om kosten in rekening te brengen voor het op verzoek intrekken van een ontheffing, omdat dit ertoe kan leiden dat – doordat geen verzoeken tot intrekking worden gedaan – gemeenten geen actueel ontheffingenbestand meer hebben.

Paragraaf 3.4 Organiseren evenement of markt Artikel 3.6 Organiseren evenement Artikel 3.6 is afgestemd op de verschillende evenementen die in de model-APV worden genoemd. Hierin komt de omvang van het evenement tot uitdrukking, wat een tariefdifferentiatie mogelijk maakt. Wellicht dat de gemeente jaarlijks een evenementenlijst vaststelt, waarnaar kan worden verwezen. Dit komt de duidelijkheid in de regelgeving ten goede. Wij merken nog op dat in artikel 2:25 van de modelAPV een facultatieve bepaling is opgenomen in verband met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Stb. 2017, 373), dat 1 januari 2018 in werking is getreden. Als de gegevens die volgens het besluit bij een gebruiksmelding moeten worden aangeleverd ook bij een evenementenvergunning worden gevraagd, hoeft geen gebruiksmelding te worden gedaan en kan worden volstaan met een aanvraag voor een evenementenvergunning. De met de brandveiligheidstoets gepaard gaande kosten kunnen dan in het legestarief voor de evenementenvergunning worden verdisconteerd. Zie Lbr. 17/077 - Inwerkingtreding Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (13 december 2017). Eventueel kan een verdere tariefdifferentiatie worden aangebracht, bijvoorbeeld een lager tarief voor instellingen van maatschappelijke, sociale of culturele aard die een evenement organiseren.

Hierbij moet wel worden bedacht dat kruissubsidiëring alleen binnen dit hoofdstuk mogelijk is. De gemeente kan ervoor kiezen de diensten in dit hoofdstuk beneden kostprijs aan te bieden en tarieven in de hoofdstukken 1 en 2 ter compensatie meer dan kostendekkend vast te stellen. Voor de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b Gemeentewet gaat het namelijk om de gehele legesverordening. Zie ook HR 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282. In dit verband verwijzen wij naar de toelichting op artikel 4 van de verordening, waarin wij ingaan op de mogelijkheid tot het opnemen van een vrijstelling voor instellingen van maatschappelijke, sociale of culturele aard. De ultieme (rechterlijke) toets is of de verordening niet leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot heffen niet bedoeld kan hebben. Artikel 3.7 Organiseren markt Dit artikel bevat een snuffelmarktvergunning (model-APV) en een vergunning voor het organiseren van een markt (model-Marktverordening (vergunning organisatie)). Het expliciet noemen van deze vergunningen houdt verband met de Europese Dienstenrichtlijn, waaronder deze vergunningstelsels vallen. Wij beschouwen de vergunningen in dit hoofdstuk als samenhangende vergunningstelsels.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

133/ 136

Paragraaf 3.5 Standplaatsen Artikel 3.8 Marktstandplaatsvergunningen en andere vergunningen op markt Eerste lid In artikel 3.8 zijn tarieven opgenomen voor in de Model Marktverordening (januari 2022) opgenomen vergunningen. Van de genoemde aanvragen dienen alleen die te worden overgenomen welke zijn opgenomen in de eigen gemeentelijke marktverordening. Is bijvoorbeeld geen bedienvergunning vereist, dan vervalt het eerste lid, onderdeel d. In de onderdelen b en c is ervoor gekozen alleen leges te heffen als de aanvraag tot het verlenen van een dagplaatsvergunning, respectievelijk een standwerkvergunning wordt gehonoreerd. Dit leidt tot minder administratieve en bestuurlijke lasten dan in alle gevallen heffen en een deel teruggeven (wat redelijk is als het lotingstelsel of het systeem van ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’ wordt gehanteerd). Tweede en derde lid In het tweede en derde lid zijn teruggaafbepalingen opgenomen; het gaat hier om aanvragen om vastestandplaatsvergunningen. Teruggaaf is hier redelijk omdat zowel bij selectie als bij loting aanvragers zich in de situatie bevinden dat bij het doen van de aanvraag van tevoren niet goed te overzien is of zij ook daadwerkelijk een vergunning zullen krijgen. Omdat selectie een veel arbeidsintensiever proces is, kunnen wij ons voorstellen dat verschillende teruggaafpercentages gelden.

Artikel 3.9 Overige administratieve dienstverlening markt In artikel 3.9 zijn tariefbepalingen opgenomen voor overige (administratieve) dienstverlening die verband houdt met de markt, ontleend aan de Model-Marktverordening (januari 2022). Ook hier is vanzelfsprekend afstemming met de eigen gemeentelijke marktverordening gewenst. [Artikel 3.10 Losse standplaatsen Dit is een facultatieve bepaling, afhankelijk van hoe het in de gemeente geregeld is. Als in de gemeentelijke verordening (APV) niet is aangehaakt bij de omgevingsvergunning, dan hoort de bepaling in dit hoofdstuk. Zie de toelichting op artikel 2.33 van hoofdstuk 2.]

Paragraaf 3.6 Huisvestingswet 2014 [en Wet goed verhuurderschap] Artikelen 3.11 tot en met 3.17 (Huisvestingswet 2014) Wij hebben in deze paragraaf tariefbepalingen opgenomen voor het in behandeling nemen van aanvragen voor de volgende in de Huisvestingswet 2014 geregelde vergunningen: - artikel 3.11: de onttrekkingsvergunning (artikel 21, aanhef en onder a, Huisvestingswet 2014); - artikel 3.12: de samenvoegvergunning (artikel 21, aanhef en onder b, Huisvestingswet 2014); - artikel 3.13: de omzettingsvergunning (artikel 21, aanhef en onder c, Huisvestingswet 2014); - artikel 3:14: de woningvormingsvergunning (artikel 21, aanhef en onder d, Huisvestingswet 2014); - artikel 3.15: de splitsingsvergunning (artikel 22 Huisvestingswet 2014); - artikel 3.16: de vergunning of ontheffing voor toeristische verhuur van woonruimte (artikel 23c, eerste lid, Huisvestingswet 2014); - artikel 3.17: de verhuurvergunning opkoopbescherming (artikel 41, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

134/ 136

Naast (namelijk voor bepaalde gebieden) of in plaats van de vergunningplicht kan in de gemeentelijke huisvestingsverordening ook een ontheffing van het verbod tot onttrekken of onttrokken te houden, samenvoegen of samengevoegd te houden, omzetten of omgezet te houden, verbouwen of in die staat verbouwd te houden, het splitsen of toeristische verhuur worden geregeld (artikelen 21, tweede lid, 22, tweede lid, en 23c, tweede lid, Huisvestingswet 2014). Omdat in de Model Huisvestingsverordening de ontheffingen bedoeld in artikel 21, tweede lid, 22, tweede lid, de vergunning en ontheffing bedoeld in artikel 23c en de vergunning bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Huisvestingswet als facultatieve bepalingen zijn opgenomen, zijn deze in de tarieventabel ook als facultatief opgenomen. Artikelen 3.11 tot en met 3.15 De vijf eerstgenoemde vergunningen hebben blijkens de Model Huisvestingsverordening betrekking op dienstverrichters (woningcorporaties en/of particuliere verhuurders) en vallen dus onder de Europese Dienstenrichtlijn. Wij merken nog op dat de vergunningplicht voor onttrekken of samenvoegen niet van toepassing is op het gebruik van de woonruimte als kantoor- of praktijkruimte door de eigenaar.

In artikel 1.29 van hoofdstuk 1 hebben wij tariefbepalingen opgenomen voor een aanvraag voor een huisvestingsvergunning en voor indeling in een bepaalde urgentiecategorie, omdat deze procedures zich richten tot woningzoekenden en dus niet onder de Europese Dienstenrichtlijn vallen. [Artikel 3:16 Vergunning of ontheffing toeristische verhuur De mogelijkheid om het in gebruik geven van woonruimte voor de toeristische verhuur zonder vergunning of ontheffing te verbieden, bestaat sinds 1 januari 2021 (artikel 23c Huisvestingswet 2014, ingevoegd bij de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460)). Ook de toeristische verhuur van woonruimte is een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op grond van artikel 51, tweede lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 zijn vóór 1 januari 2021 bestaande regels over de toeristische verhuur van woonruimte op 1 januari 2022 vervallen. Gemeenten konden vóór 1 januari 2022/kunnen in hun huisvestingsverordening de toeristische verhuur van woonruimte (opnieuw) reguleren. De VNG heeft de Model Huisvestingsverordening aan de nieuwe wetgeving aangepast (hoofdstuk 3A).] [Artikel 3.17 Verhuurvergunning opkoopbescherming De mogelijkheid om het in gebruik geven van woonruimte in een opkoopbeschermingsgebied zonder vergunning te verbieden, bestaat sinds 1 januari 2022.

Toen is hoofdstuk 7, Tijdelijke regeling inzake opkoopbescherming, van de Huisvestingswet 2014 in werking getreden. Gemeenten kunnen een regeling opkoopbescherming opnemen in de Huisvestingsverordening. De opkoopbescherming maakt het mogelijk dat de gemeente in aangewezen gebieden een verbod kan instellen op het in gebruik geven (het verhuren) van nieuw aangekochte woningen in het goedkope en middeldure segment zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders, gedurende een periode van vier jaar na de leveringsdatum (verhuurvergunning opkoopbescherming). Een stelsel van opkoopbescherming mag alleen worden ingevoerd als daarvoor een dringende reden is. Aan de VNG Model Huisvestingsverordening is een facultatief hoofdstuk 3B toegevoegd waarmee gemeenten de opkoopbescherming kunnen invoeren. Zie Lbr. 22/003 – Wijziging VNG Model Huisvestingsverordening; toevoeging regels opkoopbescherming (12 januari 2022) en de Handreiking opkoopbescherming.] [Artikel 3:18 Verhuurvergunning woon- of bedrijfsruimte (Wet goed verhuurderschap)

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

135/ 136

Op 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap (Stb. 2023, 103) in werking getreden. De wet beoogt het tegengaan van ongewenste verhuurpraktijken ter bescherming van woningzoekenden, huurders en arbeidsmigranten, en de leefbaarheid. De wet richt zich daartoe op verhuurders van reguliere woonruimte, verhuurders van verblijfsruimte voor arbeidsmigranten en verhuurbemiddelaars. De wet introduceert verschillende instrumenten, waaronder de mogelijkheid om twee soorten verhuurvergunningen in een verhuurverordening op te nemen: een algemene verhuurvergunning voor woonruimten in een in die verordening aangewezen gebied en een verhuurvergunning voor verblijfsruimten voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De vergunningplicht geldt niet voor woningcorporaties en verhuurbemiddelaars. Zie voor meer informatie over de wet de Handreiking Goed verhuurderschap en Lbr. 23/018 - Invoering wet goed verhuurderschap (15 mei 2023). Het vergunningstelsel heeft betrekking op dienstverrichters, zodat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Omdat het over huisvesting gaat, hebben wij de tariefbepalingen toegevoegd aan deze paragraaf. Voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn kunnen zij met de vergunningen op grond van de Huisvestingswet 2014 als een met elkaar samenhangend stelsel van vergunningen worden beschouwd.

Alleen als gemeenten een verhuurverordening hebben vastgesteld, kunnen ze artikel 3:18 opnemen. Daarom is het een facultatieve tariefbepaling.]

Paragraaf 3.7 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit Artikel 3.19 Niet benoemd besluit op aanvraag In hoofdstuk 7 zijn tarieven opgenomen voor diensten die niet in één van de eerdere paragrafen van dit hoofdstuk afzonderlijk zijn benoemd.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

136/ 136

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Texel&id=256d8ff3-e187-41dc-80ba-e8f91c29c486