Bijlage 2. Bestemmingsplan Oudeschild, uitbreiding bedrijventerrein, NL.IMRO.0448.ODS2017BP0001-va02
Tekst van het document
32
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld.
Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 – 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen: • • •
Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering wordt daarvoor gekozen? Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? 33
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die ze in de periode 2016 – 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Eind 2009 is de 'Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier' vastgesteld door het hoogheemraadschap. De regels in de keur zijn onder te verdelen in twee categorieën: gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Met de geboden worden derden verplicht het aan hen toegewezen onderhoud aan waterstaatswerken uit te voeren.
De verboden zijn er om te voorkomen dat wijzigingen worden aangebracht in waterstaatswerken, waardoor ze niet (goed) meer functioneren. Zo is het bijvoorbeeld verboden om zonder toestemming van het hoogheemraadschap een steiger in het water aan te leggen of een sloot te dempen. De regels uit de keur zijn vastgelegd in het keurdocument. De legger uit dit keurdocument bepaalt waar de geboden en verboden uit de keur van toepassing zijn. Deltaplan Ruimtelijke adaptatie Op Prinsjesdag 2017 heeft het kabinet het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie aan de Tweede Kamer aangeboden. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie beschrijft maatregelen om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het betreft een langjarige en planmatige aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk met concrete acties en doelen voor de verantwoordelijke overheden. Ook andere partijen hebben een grote rol in de opgave van het Deltaplan en de aanpak ervan. Het HHKN is in de aanpak van wateroverlast gestart om gebiedsbreed de kwetsbaarheden in beeld te brengen. Daarbij geeft het hoogheemraadschap een concrete invulling aan een stresstest voor het onderdeel wateroverlast, zoals in het deltaplan Ruimtelijke adaptatie is beschreven.
Het rapport ‘Brede methodiek Wateroverlast’ beschrijft de methodiek en het bijbehorende instrument (de stresstest). 4.3.2 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
34
Waterlopen De volgende afbeelding toont een fragment van de 'Legger wateren' van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Fragment 'Legger wateren' Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Uit voorgaande legger blijkt dat in of direct grenzend aan het plangebied primaire, secundaire en tertiaire watergangen aanwezig zijn. Rondom de primaire watergang is een beschermingszone van 5 meter aanwezig. In deze zone is het, op basis van artikel 3.2 van de Keur, verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een watergang of bijbehorende beschermingszone door handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of te laten liggen. Rondom de secundaire en tertiaire watergangen is geen beschermingszone aanwezig. Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Volgens artikel 23 van de 'Algemene regels bij de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016' dient een toename aan verharding van meer dan 800 m² in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. In de huidige situatie is het plangebied volledig onverhard. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zullen twee watergangen (485 m²) in het plangebied gedempt worden en zal het terrein grotendeels verhard worden. De exacte toevoeging aan verharding is nog onduidelijk.
De benodigde watercompensatie zal in overeenstemming met het waterschap tot stand komen waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de compensatie-eis van 10%.
35
Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn: • • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
De nieuwe bebouwing wordt aangesloten op het riool grenzend aan het plangebied. De capaciteit van deze huidige riolering is niet voldoende voor al het afvalwater wanneer de brouwerij in productie is. Voor het bedrijfsafval zal een nieuwe leiding moeten worden aangelegd. Deze loopt richting een verzamelpunt ten westen van het plangebied, waarna het richting de grote rioolwaterzuiveringsinstallatie op Texel wordt geloosd. Ook zal een rioolgemaal gerealiseerd worden op de nieuwe bedrijfslocatie. Er vindt momenteel (voor)overleg plaats met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
4.4 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
36
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: • •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. Volgens de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' betreft een bierbrouwerij een categorie 4.2-bedrijf. De richtafstanden voor een bierbrouwerij bedragen respectievelijk 300, 30, 100 en 50 meter voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Binnen een afstand van 30 meter van de nieuwe bierbrouwerij zijn in de huidige situatie geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Deze gevoelige bestemmingen, in de vorm van woningen, zijn wel binnen een afstand van 300, 100 en 50 meter aanwezig. Gezien de aanwezigheid van deze woningen binnen de richtafstanden voor geur, geluid en gevaar is nader onderzoek naar deze aspecten uitgevoerd. In toelichting paragraaf 4.5 (geur), toelichting paragraaf 4.6 (geluid) en toelichting paragraaf 4.7 (gevaar) wordt hier nader op ingegaan. Windhinder In januari 2017 is een notie naar de invloed van de geplande bebouwing op de oostelijk gelegen windturbine opgesteld (Peutz, januari 2018, zie bijlage). Uit de notitie volgt dat gezien de hoogte van de bebouwing en de afstand van de bebouwing tot de windmolen er slechts beperkte negatieve effecten te verwachten zijn. In de notitie zijn aanbevelingen gedaan voor het gebouwontwerp. Bij de uitwerking van de plannen zal getracht worden invulling te geven aan deze aanbevelingen.
4.5 Geur Het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling bevat de regelgeving voor het beperken van emissies van bedrijven. Hierin staan de emissiegrenswaarden voor lucht die gelden voor alle typen inrichtingen. Met betrekking tot de geuremissies van bierbrouwerijen gelden de algemene voorschriften als opgenomen in artikel 2.7a lid 1 van het Activiteitenbesluit. Het algemene uitgangspunt van dit artikel is het voorkomen van geurhinder. Is dit niet mogelijk dan moet het bedrijf de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperken. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een geuronderzoek uitgevoerd (Noorman Bouwen milieuadvies, rapportnummer 21610300.R02a, zie bijlage). Met betrekking tot de geuremissies van bierbrouwerijen is de bijzondere regeling B10-Bierbrouwerijen opgenomen in de vervallen Nederlandse Emissierichtlijn Lucht (NeR). De te verwachten geuremissie van de Texelse bierbrouwerij is ingeschat op basis van de emissiekengetallen uit deze bijzondere regeling.
37
Ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen wordt voldaan aan de grenswaarde van 1,5 ouE/m³ (als 98-percentiel) als opgenomen in de bijzondere regeling B10 van de vervallen NeR. Vanwege de Texelse bierbrouwerij is geen onaanvaardbare geurhinder te verwachten. Bij het geuronderzoek is uitgegaan van een productiecapaciteit van 157.000 hl/jaar. Een nader geuronderzoek is uitgevoerd naar de milieueffecten van een mogelijke toekomstige uitbreiding van de brouwerij tot een jaarproductie van 350.000 hl op jaarbasis (Noorman Bouw- en milieuadvies, rapportnummer 21610300.N01a, zie bijlage). Uit het onderzoek naar de productie van 157.000 hl/j volgt dat in de situatie met een jaarproductie van 157.000 hl/jaar ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen aan de grenswaarde van 1,5 oue/m³ (als 98-percentiel) als opgenomen in de voormalige bijzondere regeling B10 van de NeR voldaan kan worden. Geconcludeerd wordt dat vanwege de Texelse Bierbrouwerij B.V. ook bij een jaarproductie van 350.000 hl geen onaanvaardbare geurhinder is te verwachten. Voorwaarde is dat de emissiehoogte van de uitblaas wordt verhoogd van 15,5 m tot 20 m boven het maaiveldniveau ter plaatse.
4.6 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): • •
•
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. Een bierbrouwerij betreft geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar (spoor)weglawaai is daarom niet noodzakelijk. Gezien de ligging nabij verschillende woningen (geluidsgevoelige objecten) is wel een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Noorman Bouw- en milieuadvies, rapportnummer 21610300.R01a en notitie 21610300.N01a, zie bijlagen). 38
Uit het onderzoek volgt dat ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied, met betrekking tot de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT, wordt voldaan aan de voor brouwerijen van toepassing zijnde algemene grenswaarden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer van 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Met betrekking tot de maximale geluidniveaus LAmax kan ter plaatse van woningen buiten het bedrijventerrein voldaan worden aan de algemene grenswaarden van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Ter plaatse van de bedrijfswoningen op het bestaande bedrijventerrein kan worden voldaan aan de grenswaarde van respectievelijk 75, 70 en 65 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode. Voor de verkeersaantrekkende werking of indirecte hinder geldt dat kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde. Bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een productiecapaciteit van 157.000 hl/jaar. Door Noorman Bouw- en milieuadvies is op basis van de actuele verkeerscijfers een aanvulling op de bestaande akoestische onderzoeken opgesteld (11 maart 2020, 21610300.N02). In deze aanvulling is geconcludeerd dat bij een productie van 157.000 hl/j voldaan kan worden aan de normen uit het Activiteitenbesluit.
4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico 39
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang.
Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.
Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. 40
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 3192.007 versie D1, zie bijlage). In de quickscan worden de risico's rondom het bedrijf en de mogelijke risico's vanuit het bedrijf beschouwd. Navolgend worden de belangrijkste bevindingen en conclusies van de quickscan weergegeven. In de nabijheid van het plangebied is het C.I.V. Texel (Coöperatieve Inkoopvereniging Texel) gelegen. De coöperatie is een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen. Het bedrijf is geen Bevi-inrichting en heeft geen kwantitatieve risicoanalyse nodig. Er is een laad- en lospunt benzinetanks en stalling tankwagens aanwezig. Daarnaast zijn tanks aanwezig met gasolie, scheepsolie, diesel en benzine (K1 en K3 vloeistoffen). Uit de vergunde gegevens blijkt dat er een 10-6/jr PR contour aanwezig is met een straal van 42 meter. Het invloedsgebied bedraagt ca. 75 meter. Het plangebied ligt op circa 250 meter van de terreingrens van het bedrijf C.I.V. Texel.
Geconcludeerd wordt dat voor dit onderdeel geen belemmeringen zijn. De Texelse Bierbrouwerij krijgt een apart utiliteitsgebouw waarin koelinstallaties, stoomketels, luchtcompressoren en een waterbehandelingsinstallatie komen te staan. Alle installaties worden ontworpen en geïnstalleerd volgens de geldende voorschriften en wettelijke bepalingen, conform het Activiteitenbesluit en indien noodzakelijk aan de PGS 13 (publicatiereeks gevaarlijke stoffen). Hierdoor zullen de risico’s beperkt blijven tot in het bedrijf en is er dus geen sprake van hinder buiten de inrichting. Het bedrijf wordt geen Bevi-bedrijf. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
41
4.8 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: • •
scholen; kinderdagverblijven; 42
•
verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. Om te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse, is de NIBM-tool ingevuld. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Op jaarbasis wordt naar verwachting 157.000 hl bier gebrouwen. Namens de brouwerij is een overzicht verstrekt van de te verwachten verkeersbewegingen van vrachtwagens, personen- en bestelwagens.
In de representatieve bedrijfssituatie komen ten behoeve van de aanvoer van grond- en hulpstoffen, alsmede de afvoer van eind en restproducten, per etmaal 21 vrachtwagens naar de inrichting. Tevens rijden 86 bestel- en personenwagens van personeel en bezoekers naar de inrichting. De aan- en afvoerbewegingen met vrachtwagens en bestelwagens, alsmede het personenautoverkeer, vinden met name in de dagperiode (tussen 07.00 uur en 19.00 uur) plaats en beperkt in de avond- en nachtperiode. De volgende afbeelding toont de ingevulde NIBM-tool.
NIBM-tool (versie 29-05-2017) berekening eindbeeld
43
Geconcludeerd kan worden dat de bijdragen van het extra verkeer niet in betekende mate is en dus geen nader onderzoek naar luchtkwaliteit noodzakelijk is.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een quickscan archeologie uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, Adviesnummer: 16159, zie bijlage). Uit deze quickscan volgt dat de geplande ingreep voor nieuwbouw de archeologische vrijstellingsgrens van 500 m² die op dit perceel rust, overschrijdt. De archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is laag.
Bewoningssporen uit deze periode zijn niet waarschijnlijk, maar kunnen niet worden uitgesloten. Wat de prehistorie betreft, en met name de IJzertijd en de Romeinse Tijd, geldt een hoge verwachting. In dit geval is de vrijstellingsgrens gebaseerd op de geomorfologische kaart evenals de aanwezigheid van een nederzetting en diverse vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied. Gezien voorgaande conclusie van de archeologische quickscan is aanvullend een bureauonderzoek met veldtoets uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, Projectnummer: 17026, zie bijlage). De uitgevoerde veldtoets heeft aangetoond dat het dekzand op een diepte van 150 tot 180 cm onder maaiveld aanwezig is. Het is niet inzichtelijk of de top van het dekzand is geërodeerd. Verder onderzoek, in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, moet aantonen of hier nog sprake is van aanwezige archeologische sporen en vondsten. Dit onderzoek is uitgevoerd voor kerst 2017. Uit het proefsleuven onderzoek (Transect, januari 2018, zie bijlage) blijkt dat er op locatie geen archeologische resten aanwezig zijn. Het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is dan ook niet noodzakelijk.
4.10 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: • • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels. 44
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: • • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: • •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Quickscan en voortoets In het kader van de planontwikkeling is een ecologische quickscan en voortoets uitgevoerd (Blom Ecologie, 27 maart 2017, zie bijlage). Naar aanleiding van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan geen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor komen. Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. Vleermuizen maken mogelijk incidenteel gebruik van de locatie tijdens het foerageren. De locatie maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van algemene (licht beschermde) vissen, amfibieën en zoogdieren. De oevers en sloten op de planlocatie zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Beschermd natuurmonument, 45
Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de identieke nieuwe situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake.
Tabel: Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap
De nieuwbouw leidt, voorlopig met uitzondering van de noordse woelmuis, niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen, rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). De conclusie is dat de nieuwbouw van de Texelse Bierbrouwerij B.V. aan de Laagwaalderweg ong. te Oudeschild uitvoerbaar is conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Daarvoor worden wel enkele maatregelen en handelingen voorgeschreven om effecten te voorkomen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te voeren naar de noordse woelmuis. Een ecologisch werkprotocol naar de noordse woelmuis en de weidevogels zal noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden. 46
Aanvullend onderzoek noordse woelmuis In de periode 7 oktober tot en met 13 oktober 2017 is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de noordse woelmuis (Blom Ecologie, 17 november 2017, zie bijlage). Uit het onderzoek blijkt het volgende: •
•
Noordse woelmuis: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de planlocatie geen relevant leefgebied vormt voor de noordse woelmuis. De soort is niet binnen de grenzen van het plangebied aangetroffen. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, betreffende het compensatiegebied ten zuiden van het plangebied, zijn echter wel noordse woelmuizen aanwezig. Dit gebied ligt geïsoleerd ten opzichte van andere potentieel geschikte leefgebieden. In geval van verstoring door een toename in licht, geluid en dergelijke, bestaat er voor deze dieren in de huidige situatie geen geschikte dispersieroute. Om de mogelijke negatieve effecten van de verstoring op de soorten te mitigeren is de aanleg van een verbindingsgebied wenselijk. Door de realisatie van dit gebied worden vluchtmogelijkheden aan de soort aangeboden waardoor er geen sprake is van significante verstoring van de noordse woelmuis. Door het bieden van deze geschikte dispersieroute zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een overtreding van Wet natuurbescherming. Waterspitsmuis: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de planlocatie geen relevant leefgebied vormt voor de waterspitsmuis. De soort is tevens niet waargenomen binnen het plangebied of de directe omgeving hiervan.
Door de afwezigheid van de soort binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden en de afwezigheid van geschikt leefgebied zijn negatieve effecten van de ontwikkeling op de noordse woelmuis uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot een overtreding van Wet natuurbescherming.
•
Overige soorten: Tijdens het uitgevoerde onderzoek in de periode 7 oktober tot en met 13 oktober 2017 ten bate van de noordse woelmuis en waterspitsmuis is de aanwezigheid van de dwergmuis en huisspitsmuis nabij de planlocatie aangetoond. Deze soorten vallen onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen zoals bepaald door provincie NoordHolland. De ontwikkeling van de planlocatie zal niet leiden tot negatieve effecten voor deze soorten aangezien deze gebruik kunnen maken van het voor de noordse woelmuis geadviseerde verbindingsgebied. Er is geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming aangaande deze soorten.
Om negatieve effecten als gevolg van externe werking van de beoogde ontwikkeling van de noordse woelmuis te voorkomen dient het terrein aan de westzijde van het plangebied ingericht te worden als verbindingsgebied. Dit verbindingsgebied geeft de noordse woelmuis de mogelijkheid om naar nabij gelegen potentieel geschikte leefgebieden te trekken indien de beoogde ontwikkeling leidt tot verstorende effecten. De aanleg van dit leefgebied dient plaats te vinden voordat de bouwwerkzaamheden binnen het plangebied gestart worden. Binnen het verbindingsgebied dienen de volgende essentiële elementen van het habitat van de noordse woelmuis aanwezig te zijn: natuurvriendelijke oeverzone, plas-dras zone en rietkragen. Ten behoeve van een zorgvuldige en correcte uitvoering dient door een ter zake deskundige een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. 47
Stikstofdepositie De ontwikkeling en gebruik van de brouwlocatie ten noorden van Oudeschild leidt mogelijk tot een vergunning- of meldingsplichtige toename van stikstofdepositie op het gebied. Middels een berekening in het programma Aerius is voor zowel de bouw- als gebruiksfase bepaald in welke mate de nieuwe brouwerij leidt tot een toename van stikstofdepositie op het gebied. Voor de Aeriusberekening is uitgegaan van de bierbrouwerij met een maximale productie van 157.000 hl/j. Door Langelaar Milieuadvies is op basis van de maximale productie van 157.000 hl/j en de nieuw verkeersgegevens een verschilberekening gemaakt. In de gebruiksfase vindt de structurele emissie van stikstof plaats. In de berekening zijn de huidige verkeersbewegingen, zoals deze plaatsvinden in de huidige situatie aan de Schildersweg, buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is er vanuit gegaan dat de brouwerij direct na bedrijfsverplaatsing aan zijn maximale productiecapaciteit zit. Daarmee zijn de eventuele negatieve effecten aanzienlijk slechter berekend dan dat ze zich in werkelijkheid voordoen. Als gevolg van de bedrijfsverplaatsing en toename van de productie treden er bij de Duinen en Lage land Texel voor enkele hexagonen een toename op van stikstof depositie (max. 0,02).
Voor al deze hexagonen geldt dat de kritische depositie waarden in de huidige situatie, maar ook als gevolg van de beperkte toename, niet overschreden worden. Daarmee kan er geconcludeerd worden dat als gevolg van de bedrijfsverplaatsing er geen significant negatief effect optreedt. Nu er geen sprake is van een overschrijding van de KDW kan opnieuw geconcludeerd worden in het kader van de voortoets dat er geen sprake is van een significante verslechtering. Daarmee kan afgezien worden van een passende beoordeling en daarmee van het opstellen van een MER. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal, conform de beslisboom, een WNB vergunning aangevraagd worden nu gebruik is gemaakt van saldering. Voor de bouwfase is een andere benadering gekozen. Dit omdat het bouwplan van de brouwerij nog in wording is. Onderzocht is hoeveel NOx per jaar geëmitteerd mag worden zonder dat er een significant negatief effect optreedt. Vervolgens is globaal onderzocht hoeveel machine uren dit zijn en of binnen dit aantal uren het reëel is dat de bouw voor de brouwerij plaatsvindt. In de planregels van het bestemmingsplan is deze maximale depositie geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bierbrouwerij. In de huidige situatie (jaar 2016) vindt een productie van circa 33.150 hl/jaar bier per jaar plaats. Dit leidt tot circa 10 vrachtwagens per etmaal (=20 vervoersbewegingen). Daarnaast zorg het personeel in de huidige situatie tot circa 18 vervoersbewegingen per etmaal. In de huidige situatie is ingerekend dat van en naar de 2e locatie wordt gereden. Op jaarbasis zijn dit circa 400 vervoersbewegingen die in de nieuwe situatie komen te vervallen. 48
Bij de verplaatsing van de bierbrouwerij naar de nieuwe locatie zal in eerste instantie een vergelijkbaar aantal verkeersbewegingen op de nieuwe locatie zich voordoen. Lopende de planperiode zal het aantal verkeersbewegingen geleidelijk toenemen. Hierbij zal de toename voornamelijk ingegeven worden door de marktontwikkeling. Op basis van de huidige groeiontwikkelingen wordt er gedurende jaren een groei verwacht van de brouwerij. Het eindbeeld is dat op jaarbasis naar verwachting 157.000 hl bier gebrouwen wordt. Namens de brouwerij is een overzicht verstrekt van de te verwachten verkeersbewegingen van vrachtwagens, personenen bestelwagens. In de representatieve bedrijfssituatie komen ten behoeve van de aanvoer van grond- en hulpstoffen, alsmede de afvoer van eind en restproducten, per etmaal 21 vrachtwagens. Tevens rijden 27 bestel- en personenwagens van personeel en bezoekers per etmaal naar de inrichting. De aan- en afvoerbewegingen met vrachtwagens en bestelwagens, alsmede het personenautoverkeer, vinden met name plaats in de dagperiode (tussen 07.00 uur en 19.00 uur) en beperkt in de avond- en nachtperiode. Voor de verkeersaantrekkende werking of indirecte hinder van beide scenario's geldt dat kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde (zie ook toelichting paragraaf 4.6).
Ontsluiting voor het logistieke verkeer zal via De Waal en Den Burg via de doorgaande weg naar en van de boot rijden om de kern Oudeschild te ontlasten. De bewegwijzering voor bezoekers van de Texelse Bierbrouwerij, die met de auto komen, zal zoveel mogelijk buiten Oudeschild om worden geleid. Hierbij is vermeldenswaardig dat is gebleken dat de meeste bezoekers met de fiets komen. Het parkeren wordt geheel op eigen terrein opgevangen. Het parkeren voor bezoekers wordt middels een parkeervakinrichting opgelost. Verkeerseffecten In december 2017 is door Goudappel Coffeng een onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten van de verplaatsing van de Texelse bierbrouwerij (zie bijlage). Uit het onderzoek volgt dat de verplaatsing en uitbreiding van de brouwerij niet leidt tot verkeerskundige knelpunten. De extra toename van verkeer is verkeerskundig beschouwd en blijkt beperkt. Ondanks de productietoename zijn er, door alles op een locatie te concentreren, ook minder verkeersbewegingen tussen verschillende locaties nodig. Op het omliggend wegennet is voldoende capaciteit om de extra verkeersstromen als gevolg van de verplaatsing en uitbreiding van de brouwerij te kunnen verwerken.
Voorwaarde is wel dat er duidelijke en harde afspraken over de te rijden route (via De Waal) moeten worden gemaakt in de privaatrechtelijke overeenkomst om de verkeersveiligheid en overlast in Oudeschild te borgen. De route van toeleveranciers via De Waal is naar verwachting zelfs veiliger dan de huidige route door Den Burg, langs onder meer een schoolcomplex. Ter optimalisatie van de verkeerssituatie ter hoogte van beide aansluitingen wordt aanbevolen (1) het fietspad in de voorrang te plaatsen, (2) het fietspad uit te buigen zodat een opstelplaats voor in- en uitrijdend verkeer wordt gecreëerd, (3) de komgrens in noordelijke richting te verplaatsen tot voorbij de beide aansluitingen en (4) bij een besluit voor uitvoering van de tweede fase van de reconstructie Laagwaalderweg ook de Laagwaalderweg voor de bierbrouwerij aan te passen.
49
50
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Tevens is met dit bestemmingsplan zoveel mogelijk aansluiting gezocht op het vigerend bestemmingsplan Oudeschild dat is vastgesteld op 18 februari 2015. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
51
5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan en het Bouwbesluit. Hieronder volgt per toegepaste bestemming een korte toelichting: Bedrijventerrein Binnen deze bestemming zijn bedrijfsgebouwen ten behoeve van een bierbrouwerij toegestaan. De ligging van de bedrijfsgebouwen is vastgelegd door middel van een bouwvlak. De dakhelling van de gebouwen en overkappingen is aangeduid op de verbeelding. Het bijbehorende terrein wordt onder andere gebruikt voor parkeren en opslag.
In afwijking van de vigerende regeling op het bedrijventerrein Oudeschild zijn ondergeschikt aan de bierbrouwerij een bezoekerscentrum, proeflokaal en terrassen toegestaan binnen de bestemming bedrijventerrein. Groen Ter bescherming van het openbaar groen en ten behoeve van de landschappelijke inpassing is een groenbestemming opgenomen. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen te bouwen. Water De hoofdwatergangen (primaire waterlopen) van het waterschap vallen onder deze bestemming. Deze watergangen zijn belangrijk voor het watersysteem. De overige watergangen, die minder belangrijk zijn voor het watersysteem, vallen onder de andere voorkomende bestemmingen. Verder vallen onder deze bestemming watergangen en -partijen die een beeldbepalende functie hebben. Ook wadi's zijn binnen deze bestemming toegestaan. Om de watergangen open te houden mogen er geen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen gebouwd worden. Verder is voor een groot aantal werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. Het gaat dan onder andere om het dempen van watergangen.
5.2.3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 52
Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Overige regels In dit artikel is veranderd dat conform het gemeentelijke beleid voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
53
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan komen dan ook volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zijn via de legesverordening geborgd. Het project wordt op verzoek van en gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer. Het verhaal van overige kosten maakt onderdeel uit van de verkoopovereenkomst van de grond. Aanvullend wordt met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een voorontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met de Provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 54
6.2.1 Overleg In voorbereiding van een bestemmingsplan zijn in het kader van art. 3.1.1. Bro de wettelijke overlegpartners betrokken. De reacties zijn navolgend per overlegpartner samengevat. Advies RUD Op 8 augustus 2017 heeft het RUD een eerste advies uitgebracht over het concept ontwerp bestemmingsplan. Opgemerkt is dat het een type B bedrijf. De milieueffecten van een dergelijk bedrijf zijn beperkt waarmee volstaan kan worden met een melding in het kader van het Activiteitenbesluit en een 'Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM)' ingediend moet worden. Dit kan ten tijde van de aanvraag Omgevingsvergunning voor het bouwen. De onderzoeken naar bodem en geluid zijn akkoord bevonden. Geadviseerd wordt in het kader van de vormvrije MER een aanmeldingsnotitie op te stellen. Op basis van dit advies is deze notitie opgesteld en voorgelegd aan het bevoegd gezag. Preadvies CRK De Texelse Bierbrouwerij heeft een verzoek gedaan voor een preadvies, waarbij in een vroeg stadium schetsplannen gepresenteerd kunnen worden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Op basis van de eerste afstemming van 5 juli 2017 is het plan akkoord op hoofdlijnen en zijn aandachtspunten voor de uitwerking in het advies aangegeven. Dit betekent nog geen algeheel akkoord voor een bouwplan.
In deze ontwikkelingsfase zijn de eerste schetsplannen gepresenteerd waarna de ontwikkeling nog verder uitgewerkt moet worden. Als het plan is uitgewerkt en ingediend voor een omgevingsvergunning wordt het opnieuw behandeld in de CRK. Op verzoek kan meer afstemming met de CRK plaatsvinden. Aangezien de betrokken bewoners nog niet waren geïnformeerd, is er nog geen ruchtbaarheid gegeven aan deze bijeenkomst. Op 18 juli 2017 heeft de Texelse Bierbrouwerij een informatieavond gehouden voor de betrokken bewoners en zijn deze daar geïnformeerd. Advies Veiligheidsregio Noord-Holland Op 17 augustus is een advies uitgebracht door de Veiligheidsregio Noord-Holland. Het advies geeft inzicht in het gevaar en de mogelijkheden voor de hulpverlening, waardoor deze in de besluitvorming betrokken kunnen worden. Dit advies kan gebruikt worden bij het maken van de integrale afweging tussen de verschillende belangen. Het advies zal bij verdere uitwerking van de plannen worden meegenomen. Provincie Noord-Holland De provincie Noord-Holland heeft het bestemmingsplan getoetst aan het provinciaal beleid (PRV). Op 5 juli 2017 heeft de Provincie Noord-Holland per mail aangegeven in te kunnen stemmen met de aanleg van 4,5 hectare bedrijventerrein buiten bestaand stedelijk gebied (BSG). De provincie staat in beginsel positief tegenover de nieuwbouw van de Texelse Bierbrouwerij in Oudeschild.