CConstaterende datTexel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Woonzorglocatie Gasthuisstraat II bestemmingsplan toelichting, regels, verbeelding en bijlagen

Raadscommissie 6 september 2023, gemeente TexelBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Woonzorglocatie Gasthuisstraat II'28.971 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Beoordeling Op basis van de watertoets is bepaald dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan heeft een beperkte invloed op het watersysteem en/of afvalwaterketen welke ondervangen kan worden met standaard maatregelen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de deeladviezen opgenomen in de watertoets. De deeladviezen zijn hierna beschreven. Advies verharding en compenserende maatregelen 0-800 In de huidige situatie is circa 2.400 m2 verhard en bebouwd oppervlak aanwezig. In de nieuwe situatie wordt dat naar verwachting circa 2.500 m2. Hiermee is de toename kleiner dan 800 m2. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen getroffen te worden.

22

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

In het plan wordt een daktuin aangelegd, waarbij het uitgangspunt is dat het hemelwater wordt opgevangen en gebruikt voor het gebouw en het groen en op eigen terrein. Waterkwaliteit en riolering (onbekend) Samen met de gemeenten heeft het hoogheemraadschap de basisdoelstelling het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Geadviseerd wordt om mogelijkheden te onderzoeken het hemelwater op eigen terrein te verwerken in de bodem of rechtstreeks te lozen op het aanwezige oppervlaktewater. Voorwaarde hierbij is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Dit advies wordt meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. Geen verontreiniging Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat wordt geadviseerd om voor de nieuwe ontwikkeling een gescheiden stelsel aan te leggen. Dit advies wordt meegenomen in de verdere uitwerking van het plan.

4.4.3

Conclusie

De adviezen van het waterschap worden, waar mogelijk, meegenomen in de planuitwerking. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bodem

4.5.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

4.5.2

Onderzoek

Om te bepalen of de bodemkwaliteit passend is voor de nieuwe woonfunctie is door Vlam Bodem Advies B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De belangrijkste resultaten worden hierna beschreven. Grond Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht te worden aangenomen. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan lood en/of PCB aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. De gehalten aan PFAS hebben de toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op land en in oppervlaktewater niet overschreden. Grondwater In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan de geanalyseerde parameters aangetoond.

4.5.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen ontwikkeling.

23

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

4.6

Aardkundige waarden

4.6.1

Algemeen

De provincie Noord-Holland heeft in de Omgevingsverordening NH2020 het aardkundig monument gedefinëerd. Het aardkundig monument betreft niet zozeer de toplaag maar de dieper gelegen abiotische waarden van de bodem. Het behoud van de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis vindt Provincie Noord-Holland van groot belang. De provincie heeft daarom zestien aardkundige monumenten aangewezen vanwege de unieke en best bewaarde aardkundige waarden. De aardkundig waardevolle gebieden worden beschermd door de Omgevingsverordening NH2020.

4.6.2

Onderzoek

Aardkundige monumenten worden beschermd door de Omgevingsverordening NH2020. Het plangebied bevindt zich in het gebied De Hoge Berg. In bijlage 5 van de Omgevingsverordening is te zien dat de woonkern Den Burg is vrijgesteld van aardkundige waarden, er bevinden zich geen aardkundige monumenten in en rondom het plangebied.

4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect aardkundige waarden bestaat geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt.

4.7

Erfgoed

4.7.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Onderzoek De gemeente Texel heeft gekeken naar het aspect archeologie met betrekking tot de nieuwbouw op de locatie Gasthuisstraat 55 te Den Burg. De bevindingen en motivatie is opgenomen in Bijlage 6 Notitie archeologie behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De belangrijkste resultaten worden hierna beschreven. Voor de gemeente Texel is de beleidskaart van Vestigia Bv (2007, update 2013) vigerend. Op de beleidskaart zijn zones met een archeologische waarde of verwachting aangeduid, die zich laten vertalen in vrijstellingsgrenzen. Bodemingrepen die binnen de geldende vrijstellingsgrens blijven zijn niet onderzoeksplichtig. De locatie Gasthuisstraat 55 ligt in de zone waar archeologisch onderzoek voor ingrepen van boven de 100 m2 is vereist. Vermoed wordt dat bij de bouw van de school en de gymzaal de bovenste lagen reeds zijn verwijderd, hetgeen archeologisch gezien een verstoring in de bodem achterlaat. Het volume van de nieuwbouw is grotendeels geprojecteerd over het volume van de oudbouw. Onbebouwde delen als het voetbalveld blijven in het nieuwe plan onbebouwd. De geplande nieuwbouw overlapt grotendeels met de (gesloopte) oudbouw. Op de plaatsen waar sloop plaats heeft gevonden of plaats zal vinden, is geen archeologische verwachting. Grote delen van het terrein zijn en blijven onbebouwd en daarmee wordt het archeologisch bodemarchief aldaar behouden.

Het resterende deel heeft gezien de afstand tot onderzochte locaties met veel archeologische resten, een te laag potentieel. Daardoor wordt voor de overige vermoedelijk

24

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

ongeschonden delen van het bodemarchief die bij de nieuwbouw verloren zullen gaan weinig verwacht. Verder systematisch archeologisch onderzoek zal niet leiden tot kenniswinst. Daarmee is geen reden om in de cyclus van archeologische monumentenzorg een nader systematisch onderzoek te doen. Hierop uitgezonderd is een controle op archeologische resten tijdens de aanleg van de bouwput. Indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie mits er monitoring plaats vindt tijdens grondroerende werkzaamheden.

Conclusie De voorgenomen ingreep is vrijgesteld van archeologisch onderzoek mits het bouwplan niet wijzigt. Daarom is wel de dubbelbestemming Artikel 4 Waarde - Archeologie 3 opgenomen. Hieruit volgt een onderzoeksplicht op het moment dat het bouwplan wijzigt, hiermee zijn de archeologische waarden geborgd. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.7.2

Cultuurhistorie

Algemeen De gemeente Texel heeft in de 'Erfgoednota Texel 2017 - Texel is de Reede' (juli 2017) uiteengezet hoe cultureel erfgoed in de gemeente geborgd behoort te worden. Het uitgangspunt is een benadering van erfgoed in zijn omgeving en erfgoed gebruiken als inspiratie voor toekomstige ontwikkelingen en de eigen identiteit van Texel te versterken. Het Texelse erfgoedbeleid wordt onderverdeeld in drie onderdelen: ontwikkelen, behouden en beleven. A Ontwikkelen, Texels eigen Texel bouwt voort op deze rijke bron van inspiratie en ontwikkelt haar identiteit verder in de toekomst. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de geschiedenis van de omgeving richtinggevend zijn. 1. Erfgoed als inspiratie voor de versterking van Texelse identiteit en imago; 2. Borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening; 3. Herbestemming van monumentale gebouwen voor instandhouding voor de toekomst; 4. Voortzetten en interpreteren van lokale bouwtradities en gebruiken naar eigentijdse toepassingen. B Behouden, zorg en opvang erfgoed in de context Texel is trots op haar erfgoed en behoudt haar erfgoed voor de toekomst. 5. Behouden en versterken diversiteit van Texelse monumenten in hun karakteristieke landschappelijke of bebouwde context; 6. Beschermen archeologische vindplaatsen op land en onder water.

C Beleven en bewustwording, erfgoed als inspiratie Op Texel kun je de diversiteit van het erfgoed beleven in landschappen, archeologische vindplaatsen onder water en onder de grond, gebouwd erfgoed uit alle tijdvakken en als inspiratie voor nieuwe bebouwing: 7. Texel op de kaart als erfgoedrijk eiland; 8. Kennis van de bijzondere diversiteit van het erfgoed vergroten bij bewoners; 9. Zichtbaar maken en/of houden van erfgoedsporen in het landschap.

Onderzoek In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden te vinden. Wel kunnen de algemene structuren en kenmerken van Den Burg en de omgeving als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. De landschappelijke kenmerken van Texel, zoals het natuurgebied de Hoge Berg, strekt zich uit van Den Burg tot aan de Waddenzee. Tussen 650 en 750 is Den Burg ontstaan als ringwalburg. De resten van de ronde burcht en de gracht en omwalling eromheen, kerk en nederzetting uit de vroege middeleeuwen zijn bewaard gebleven en aangewezen als archeologisch monument. In 1356 werd in Den Burg opnieuw een wal met gracht opgeworpen, die in het stratenplan nog duidelijk herkenbaar is en nu bekend staat als de Burgwal. Het dorp is na de Tweede Wereldoorlog ook cirkelvormig uitgebreid. In de richting van de dorpskern zijn een aantal monumenten gevestigd in de Gasthuisstraat. Deze liggen echter op een zodanige afstand van het plangebied, namelijk meer dan 200 meter, dat de beoogde ontwikkeling geen bedreiging vormt voor het behoud van dit erfgoed. Ook wordt de wijze waarop de monumenten zich verhouden tot de rest van de publieke ruimte niet aangetast. Het straatbeeld rondom de monumenten blijft namelijk hetzelfde vanwege de grote afstand tussen het plangebied en de monumenten.

De nu voorgestelde plannen worden in de stedenbouwkundige structuur van Den Burg ingepast, waardoor de cirkelvormige structuur behouden blijft. Op deze wijze wordt de cultuurhistorische betekenis van de omgeving

25

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

gerespecteerd en worden er geen cultuurhistorische waarden aangetast. Het is daarom niet noodzakelijk om nadere regels ten aanzien van cultuurhistorische waarden op te nemen.

Conclusie Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden deze ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.8

Ecologie

4.8.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken.

Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend.

Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

4.8.2

Onderzoek

Soortenbescherming

26

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

In april 2021 is door de gemeente Texel een natuurtoets uitgevoerd. Hieronder volgen de conclusies uit het ecologisch onderzoek, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 7 Flora en fauna onderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Aangezien het veldbezoek zeer vroeg in het voorjaar plaatsvond en de gegevens van NDFF beperkt zijn, is het moeilijk om op aantal onderwerpen strikte conclusies te trekken. Over de volgende plant- en diergroepen kunnen zijn de volgende conclusies getrokken: Vaatplanten: De wet wordt niet overtreden. Amfibieën: De wet wordt niet overtreden. Reptielen: De wet wordt niet overtreden. Vissen: :De wet wordt niet overtreden. Dagvlinders: De wet wordt niet overtreden. Overige insecten: De wet wordt niet overtreden. Vogels: als er buiten het broedseizoen wordt gewerkt, en er kort voor de sloop een laatste check gedaan wordt door een ecoloog, zal de wet niet worden overtreden. Voor de soortgroep Vleermuizen geldt dat er een nader onderzoek benodigd is. Dit onderzoek is begin 2022 uitgevoerd door Ecoresult. Hieronder volgen de conclusies uit het nader onderzoek, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 8 Aanvullend onderzoek vleermuizen behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Er zijn in het plangebied geen vaste rust of verblijfplaatsen aangetroffen van de ruige vleermuis of laatvlieger.

Wel is één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis waargenomen in de te slopen bebouwing. Voor deze soort wordt door de initiatiefnemer een ontheffing aangevraagd bij de provincie. Gelet op de beperkte aantallen en de mogelijkheden voor mitigerende maatregelen wordt gesteld dat de ontheffing naar verwachting wordt verleend. Daarnaast zal bij de realisatie van het woningbouwplan de 'gedragscode soortenbescherming gemeenten 2020' gehanteerd worden. Deze gedragscode is onderdeel van het Beleid Natuur en Landschap van de gemeente Texel. Houtopstanden In opdracht van de initiatiefnemer is door Advies- en Ingenieursbureau SmitsRinsma een boomeffectanalyse uitgevoerd met betrekking tot de bestaande bomen in het plangebied. De bijpassende rapportage is opgenomen in Bijlage 9 Boomeffectanalyse. Het doel hiervan is dat de bomen, met waarde en functie die deze vertegenwoordigen, een evenwichtige plek krijgen in de planvoorbereiding en besluitvorming bij activiteiten in de buitenruimte. Uit de boomeffectanalyse is gebleken dat de initiatiefnemer met het ontwerp zo veel als mogelijk rekening heeft gehouden met de bestaande bomen. Een deel van de bomen is niet houdbaar. Van deze niet houdbare bomen is een deel verplantbaar, deze bomen kunnen een nieuwe inpassing krijgen op het terrein. De andere bomen kunnen 1-op-1 gecompenseerd worden in Den Burg.

Dit is echter geen verplichting vanuit de gemeente. Om de overige bomen zo optimaal mogelijk te behouden en een inpassing te geven in de nieuwe terreininrichting zijn enkele randvoorwaarden aangedragen. Deze randvoorwaarden zullen selectief worden gehonoreerd. Conform de huidige beleidsnormen zijn de bomen niet vergunningsplichtig, ze staan immers niet op de beschermde bomenlijst van de gemeente Texel. Gebiedsbescherming Het plan ligt buiten de begrenzing van het NNN. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzingen mag worden aangenomen dat er geen significante effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek zijn niet nodig.

Stikstofdepositie In de omgeving van het plangebied liggen 3 Natura 2000-gebieden. De project relevante gebieden zijn hieronder weergegeven. Daarnaast zijn per gebied de aanwijzingsdata weergegeven en de afstand tot het projectgebied. Duinen en Lage Land Texel: a. afstand: 2,17 kilometer; b. aanwijzingsdata: 24 maart 2000 als Vogelrichtlijngebied en 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied; Noordzeekustzone: a. afstand: 3,32 kilometer; b. aanwijzingsdata: 24 maart 2000 als Vogelrichtlijngebied en 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied; Waddenzee: a. afstand: 3,34 kilometer; b. aanwijzingsdata: 8 november 1991 als Vogelrichtlijngebied en 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Er is een stikstofberekening uitgevoerd met Aerius calculator 2021. Hieruit is in de gebruiksfase en realisatiefase geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Dit onderzoek is medio 2022 uitgevoerd door Lycens B.V. Hieronder volgen de conclusies uit het nader onderzoek, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 10 Stikstofberekening behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

27

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Uit de rekenresultaten blijkt dat in de beoogde situatie, ofwel gebruiksfase, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura-2000gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige plan in de permanente gebruiksfase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de realisatiefase rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend, namelijk 0,01 mol/ha/j. Hoewel er een toename is van stikstofdepositie, leidt de toename niet tot significant negatieve gevolgen op Natura-2000 gebied, omdat het gaat om een beperkte toename van 0,01 mol/ha/j voor een tijdelijke periode van maximaal 1 jaar. Deze conclusie komt overeen met de uitspraak van de Raad van State: AbRS van 26 oktober 2022, ECLI:NLRVS:2022:3093. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan en de verlenging van de 'omgevingsvergunning, activiteit bouwen'. Daarnaast is geen (natuur)vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk omdat de tijdelijke beperkte toename van stikstofdepositie verwaarloosbaar is en niet zorgt voor significant negatieve gevolgen.

4.8.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels van de Wet Natuurbescherming.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleid gemeente Texel In de Beleidsvisie Externe Veiligheid 2014-2017 (vastgesteld 22 oktober 2014) is een beeld geschetst hoe de gemeente Texel

28

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

wil omgaan met externe veiligheid. Met deze visie wordt het beleid voor de komende jaren vastgelegd en is een instrument voorhanden dat bij de uitvoering kan worden gebruikt. De gemeentelijke taken die afdelingsoverschrijdend zijn, de verantwoordelijkheden en de manier van uitvoeren zijn hiermee beschreven. Er zijn vier primaire doelen gesteld: voldoen aan wettelijke bepalingen; de gevolgen van incidenten beperken tot een algemeen aanvaard niveau; het ontstaan van nieuwe conflicterende situaties voorkomen; het vastleggen van een lokaal vastgesteld ambitieniveau. In de visie zijn de ambitieniveaus aangegeven ten aanzien van woonwijken, lintbebouwing, buitengebied en bedrijventerreinen. Daarbij is aangegeven of een overschrijding van de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico is toegestaan bij beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze uitgangspunten hebben een directe doorwerking in dit bestemmingsplan in verband met onder meer de toelaatbaarheid van een kwetsbaar object. Een overschrijding van de 10-6 contour is hiervoor niet toegestaan en een overschrijding van de oriëntatiewaarde is niet acceptabel. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico toe.

In de beleidsvisie is ten aanzien van de toename van het groepsrisico in woonwijken het volgende ambitieniveau vastgesteld: 'Acceptabel, mits toename kleiner dan 10% van het totale GR (niet-significante toename). Bij het significant toenemen van het GR aandacht voor optimaliseren planontwerp en bronbestrijding en besluit volledig verantwoorden'.

4.9.2

Onderzoek

Om te beoordelen of er in of rondom het plangebied risicobronnen liggen is de risicokaart van Nederland geraadpleegd. De uitsnede van de kaart is hierna weergegeven.

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart Nederland, plangebied aangeduid met blauwe contour

Uit de risicokaart van de provincie Noord-Holland blijkt het plangebied zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen bevindt. Wel worden in het plangebied verminderd zelfredzame personen gehuisvest. Dit vraagt om een gedegen calamiteitenplan en het realiseren van vluchtroutes die van een risicobron af leiden. De ontwikkelaar en gebruikers van het plangebied zijn hiervan op de hoogte.

4.9.3

Conclusie

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Groepsrisico Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven.

29

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

4.10

Luchtkwaliteit

4.10.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (fracties PM10 en PM2,5). Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan. Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: Het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijven van de inde wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbeter of tenminste gelijk blijft, of een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekende mate (NIBM) bijdragen In de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 nieuwe woningen en twee ontsluitingswegen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Besluit gevoelige bestemmingen Dit Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. In het besluit zijn onderzoekszones ingesteld waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is. De zone wordt gemeten vanaf de rand van de weg. Om rijkswegen ligt een onderzoekszone van 300 meter aan beide zijden van de weg en bij provinciale wegen binnen 50 meter aan beide zijden van de weg. Het totaal aantal mensen dat behoort bij een gevoelige bestemming mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Bij uitbreiding van bestaande gevoelige bestemmingen mag het totale aantal blootgestelden eenmalig maximaal 10% toenemen. Is de dreigende normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszones.

4.10.2

Onderzoek

Niet in betekende mate (NIBM) bijdragen Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van 53 woonzorg appartementen mogelijk. Daarmee valt het plan ruimschoots onder de norm en draagt het plan NIBM bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Het is niet nodig dit met de NIBM tool te berekenen. Luchtkwaliteit te plaatse van de woningen Daarnaast is een toets nodig op de luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woningen. Deze moet in ieder geval voldoen aan de wettelijke grenswaarden en bij voorkeur ook aan de gezondheidkundige advieswaarden van de WHO. In de praktijk is het langs drukke wegen vooral van belang welke waarden aan fijnstof (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2) en roet aanwezig zijn. Vooral de concentratie NO2 geeft op korte afstand van de weg verkeer gerelateerde emissie. Fijnstof ligt

30

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

veel meer als een deken over Nederland, waarbij een drukke weg in de directe omgeving wel een bijdrage kan leveren aan de concentraties. Roetdeeltjes maken deel uit van de fijnere fractie van het fijn stof en hebben typisch een afmeting kleiner dan 0,3 µm. Een groot deel van de roetdeeltjes zit in de ultrafijne fractie van fijnstof, dat direct kan doordringen in de longblaasjes. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van 15.5 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 5.1 µg/m3. De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus zeer goed. De kleinschalige ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Daarmee is voldoende aangetoond dat de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor realisatie van het voorgestelde plan.

4.10.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.11

Kabels en leidingen

4.11.1

Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

4.11.2

Onderzoek

Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen . Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. Dit geldt ook voor het trafo huisje dat, wordt verplaatst naar de rand van het plangebied.

4.11.3

Conclusie

In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.

31

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

4.12

MER-toets

4.12.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bij-lage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

4.12.2

Onderzoek

4.12.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage.

Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in Bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling.

4.12.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

32

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

33

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Hoofdstuk 5

Planuitgangspunten

Het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is het bieden van een planologische regeling waarbinnen de in paragraaf 2.2 Beoogde situatie beschreven ontwikkelingen mogelijk zijn. In dit hoofdstuk is de gewenste situatie vertaald naar uitgangspunten voor het bestemmingsplan. Hierbij is rekening gehouden met de randvoorwaarden uit het beleidskader en de omgevingsaspecten. Bouwmogelijkheden De bouwregels van dit bestemmingsplan zijn afgestemd op de gekozen systematiek in het bestemmingsplan Den Burg en Den Burg woonzorglocatie Gasthuisstraat op Texel. Dit betekent dat gebruik wordt gemaakt van de enkelbestemming Maatschappelijk - woon-zorgcomplex. Deze systematiek is in dit bestemmingsplan overgenomen. Woon-zorgcomplex Voor het woonzorg complex is een vierkant bouwvlak opgenomen. Er is een maximale goot- en bouwhoogte voor het woon-zorgcomplex van 7 meter en lokaal 10 meter (zie verbeelding) opgenomen, waarbinnen twee bouwlagen met kap of plat dak gerealiseerd kunnen worden. Lokaal kunnen een aantal opbouwen worden gerealiseerd op de daktuin. Functionele mogelijkheden De gronden worden in hoofdzaak bestemd voor de woon-zorg functies en tevens voor de maatschappelijke voorzieningen die bij de zorgfunctie horen. Voor de parkeervoorzieningen moet voldaan worden aan de vastgestelde parkeernormen van de gemeente Texel en zijn mogelijk binnen de opgenomen bestemming.

De vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet voor bewoning worden gebruikt. Verder mogen de gronden en bouwwerken niet voor verblijfsrecreatieve doeleinden worden gebruikt. Binnen de bestemming is een afwijkingsmogelijkheid om de bestemming te wijzigen naar wonen en bestaat de mogelijkheid om af te wijken van de dakhelling.

34

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische plantoelichting

Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Toelichting op de bestemming

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de inhoud van de bestemmingen in dit bestemmingsplan.

6.2.1

Inleidende regels

6.2.1.1

Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

6.2.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

6.2.2

Bestemmingsregels

6.2.2.1

Maatschappelijk - woon-zorgcomplex

Het woon-zorgcomplex vormt een zorginstelling voor intensieve zorg waarin gewoond wordt. Daarom is voor deze woonvorm een maatschappelijke bestemming op zijn plaats. Voor het gebouw is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen.

35

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Op de verbeelding zijn de goot- en bouwhoogten en de minimale en maximale dakhelling vastgelegd. In de regels is een wijzigingsbevoegheid naar een woonbestemming opgenomen.

6.2.2.2

Waarde - Archeologie 3

Deze bestemming is opgenomen voor het gehele plangebied en zorgt voor een bescherming en onderzoeksplircht naar archeologische waarden. In het hoofstuk 4.7.1 Archeologie is onderbouwd dat op basis van het huidige bouwplan geen archeologische waarden verloren gaan. Mocht het plan nog wijzigen dan geldt de onderbouwing niet meer, daarom is deze bestemming overgenomen.

6.2.3

Algemene regels

6.2.3.1

Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

6.2.3.2

Algemene gebruiksregels

Daarnaast wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming.

6.2.3.3

Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.

6.2.3.4

Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.

6.2.4

Overgangs- en slotregels

6.2.4.1

Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.2.4.2

Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

36

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

6.3

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid.

In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

37

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.

Overleg en inspraak De gemeente vindt participatie van burgers en belangenorganisaties belangrijk. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt wordt door de initiatiefnemer kenbaar gemaakt aan belanghebbenden. Tevens vindt het wettelijk vooroverleg met de vooroverlegpartners plaats. Het concept ontwerpbestemmingsplan is in dit kader toegezonden aan xxx

Zienswijzen Pm Vaststelling bestemmingsplan Pm

7.2

Financiele uitvoerbaarheid

Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van deze verplichting kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

In dit geval is het kostenverhaal anderszins verzekerd. De gemeente heeft hierover afspraken gemaakt van de collectieve ontwikkelaars van het gebied. Deze afspraken zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin onder andere het verhaal van planschade is geregeld.

38

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 14

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4

Bestemmingsregels Maatschappelijk - woon-zorgcomplex Waarde - Archeologie 3

15 15 18

Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Algemene regels Antidubbeltelregel Algemene bouwregels Overige regels

20 20 21 22

Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

23 23 24

2

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels worden verstaan onder:

1.1

plan

het bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II met identificatienummer "NL.IMRO.0448.DNB2022BP0001-" in de gemeente Texel;

1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5

achtererf

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 m van de voorkant van het hoofdgebouw of het dichtst bij de weg gelegen gebouw;

1.6

ander bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw, geen bijbehorend bouwwerk en geen overkapping zijnde;

1.7

archeologische begeleiding

het uitvoeren en registreren van waarnemingen tijdens niet-archeologische bodemverstorende activiteiten, gericht op het vaststellen van aan- of afwezigheid van archeologische waarden op basis van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en onderzoeksdoelstellingen. Archeologische begeleidingen worden verricht door een erkende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 9.6 van de Erfgoedwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Conform de richtlijnen van de KNA zijn archeologische begeleidingen als alternatief voor proefsleuven of opgravingen alleen toegestaan in een beperkt aantal nauwkeurig omschreven situaties;

1.8

archeologisch monument

terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument;

1.9

archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door een erkende archeologisch partij, werkend volgens de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);

4

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

1.10

archeologisch plangebied

het archeologische gebied waarbinnen de feitelijke bodemingrepen plaatsvinden en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd;

1.11

archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten;

1.12

archeologisch vooronderzoek

archeologisch vooronderzoek kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De resultaten van het onderzoek worden weergegeven en geïnterpreteerd in een rapport. Op basis daarvan beoordeelt de gemeente of een vergunning kan worden verleend;

1.13

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten;

1.14

bebouwing

één of meer gebouwen, bijbehorende bouwwerken, overkappingen en/of andere bouwwerken;

1.15

bebouwingsbeeld

de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd;

1.16

bebouwingspercentage

een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.17

bedrijfsvloeroppervlakte bedrijven

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslagen administratieruimten en dergelijke;

1.18

bedrijfsvloeroppervlakte detailhandel

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde ruimte, inclusief de winkelvloeroppervlakte, het magazijn, de sociale ruimte en de entree en eventuele ruimte voor winkelwagentjes;

1.19

bedrijfswoning

Een gebouw geheel of gedeeltelijk ingericht ten behoeve van het wonen op een terrein behorende bij een op hetzelfde bouwperceel aanwezig bedrijf, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon, die een redelijk belang heeft om bij het bedrijf te wonen in verband met de bedrijfsvoering. De eigenaar van het bedrijf wordt geacht een redelijk belang te hebben;

5

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

1.20

beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis

een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, genoemd in bijlage 1, dan wel een naar de aard of de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteit, die in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend op een zodanige wijze dat het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en de ruimtelijk uitwerking of uitstraling van die activiteit met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.21

bestaand

ten aanzien van de bij of krachtens de wet/Wabo aanwezige vergunde of legale bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp; ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod;

1.22

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.23

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.24

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd, vrijstaand, gebouw, of ander bouwwerk, met een dak waaronder een fietsenstalling of (rook)overkappingen;

1.25

bijzondere woonvorm

een woonvorm waar bewoners onder begeleiding wonen met voorzieningen voor verzorging en begeleiding in de directe omgeving;

1.26

bodemingrepen

werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten;

1.27

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.28

bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.29

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.30

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

6

bestemmingsplan Woonzorglocatie Gasthuisstraat II

1.31

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.32

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.33

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Texel&id=71afe66c-a682-45f7-afb4-81944595bc76