CConstaterende datTexel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ontwerp bestemmingsplan Den Burg - Akenbuurt 12, 21-01-2022 zonder bkp

Raadscommissie 12 april 2022, gemeente TexelBij agendapunt: Ter inzage leggen ontwerp bestemmingsplan Den Burg, Akenbuurt 1223.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2.700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1.700 mol stikstof per hectare in 2016 (zie figuur 3). De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Al drie tot vier decennia is gereduceerd N de overheersende vorm (> 75 %) van stikstofdepositie in Nederlandse natuurterreinen (De Haan et al, 2008). Volgens de 'Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017' van het Planbureau voor de Leefomgeving (Smeets et al, 2017) zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De daling in stikstofdepositie op lange termijn (1990-2016) is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van NH3. De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1990 met circa 65%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer (o.a. invoering katalysator), bij de industrie en in de energiesector.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 12

De NH3 emissie door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met naar schatting 70% gedaald. Deze emissiedaling is het gevolg van maatregelen zoals verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending. In de periode 2005-2016 lijkt de totale stikstofdepositie (N-totaal) gedaald, echter deze daling is niet statistisch significant. Over deze periode is de depositie van gereduceerd stikstof niet, maar de depositie van geoxideerd stikstof wel gedaald. Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%.

Figuur 3. Ontwikkeling van stikstofdepositie in Nederland (bron: www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende depositie)

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 13

4. GEBIEDSBESCHRIJVING 4.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving In figuren 4 en 5 is de huidige situatie weergegeven. Het perceel waar de gebouwen staan die geherstructureerd gaan worden staan aan de Akenbuurt 12 te Den Burg. De Akenbuurt is gelegen aan de noordwestkant van Den Burg, midden op het eiland Texel. De planlocatie ligt buiten de bebouwde kom in een agrarisch gebied, met oa een manege en kartingbaan als buren.

Figuur 4. Huidige situatie (Google earth).

Figuur 5. Ligging in detail Rapportnummer: 2021-24

Pagina 14

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 15

Figuur 6. Huidige situatie met schuren en rijplaten

Figuur 7. Met oranje aangegeven gebouwen zijn of gaan gesloopt worden.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 16

De te slopen gebouwen zijn in figuur 7 oranje omkaderd. Dit betreft zowel de bestaande bedrijfsgebouwen (links), alsmede de sloop van de bestaande stolp (rechts). Aan de westkant van het plangebied is het bestaande bouwblok paars omkaderd. Met dit bestemmingsplan worden de bouwmogelijkheden ter plaatse verwijderd. Ofwel het is niet toegestaan om hier gebouwen te realiseren.

4.2 Te verwachten werkzaamheden Een deel van de voorgenomen herstructurering heeft al plaatsgevonden. Zo is de vervallen stolp al gesloopt, en wordt 1 van de agrarische schuren al gebouwd.

4.3 Toekomstig gebruik van het plangebied

Het voornemen is om de bestaande percelen met bebouwing te herstructureren. Het plan is om de inrichting van het opslagterrein aan de oostkant te vergroten en om hier vervolgens een opslagloods te realiseren. Door het vergroten van het opslagterrein wordt de oppervlakte van het agrarisch erf verkleind. Om de nieuwe opslagloods te kunnen realiseren is het nodig om een aantal gebouwen te slopen. Door de verplaatsing van de bouwvlakken en de bestemmingsvlakken wordt het mogelijk een schuur te plaatsen binnen het opslagterrein aansluitend aan de agrarische bestemming en de toegangsweg. Er komt een concentratie van gebouwen wat een afscherming geeft naar het opslagterrein. En door de afschermende boomsingel, en gedeeltelijke aarden wal met bosschage krijgt het een groene uitstraling naar het open landschap. De plannen voor de invulling van het perceel zijn dat het opslagterrein wordt omgeven door een groene afscheiding en bebouwing. Hierdoor krijgt het een minder rommelige uitstraling. De nieuwe opslagloods is noodzakelijk om verdere verrommeling van het perceel te voorkomen. De vraag naar opslag is toegenomen en daar wordt op ingespeeld. Op deze locatie staat al bebouwing die deels voor opslag gebruikt worden. Dit deel sluit aan op het opslagterrein en vormt een duidelijke begrenzing tussen de opslag en de agrarische bestemming.

Daarnaast is het logistiek een logische plek voor de loods. De bebouwing past qua aard en omvang in dit gebied en het huidige bestemmingsplan maakt deze bebouwing ook al mogelijk, alleen met een andere verdeling, en andere functie, door de wijziging is er effectief zelfs minder bebouwing mogelijk omdat een deel van het bouwvlak wordt ingeleverd.

Huidig bouwvlak Toekomstig bouwvlak

Agrarisch – Oude Land 8.257 5.861

Bedrijf - Opslag 1.251 1.552

Totaal 9.508 7.413

Verder is de bestaande, vervallen stolp gesloopt en zal deze op een andere plek in het plangebied terug gebouwd worden. Een overzicht van de toekomstige inrichting van het plangebied is weergeven in figuur 8. De stolp wordt tevens ingericht met drie recreatieve appartementen met in totaal 15 recreatieve slaapplaatsen.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 17

Figuur 8. Toekomstige inrichting plangebied.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 18

5. ONDERZOEKSMETHODIEK Introductie Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij het plangebied. De natuurtoets is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en kan niet gezien worden als volwaardig ecologisch onderzoek. Voor de natuurtoets zijn geen uitgebreide inventarisaties uitgevoerd naar soorten en soortgroepen. Bureauonderzoek quickscan soorten Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is er gebruik gemaakt van de gevalideerde waarnemingen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), gebruikt via het uitvoerportaal. De NDFF is geraadpleegd op 31-05-2021. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage A. Veldbezoek Naast het bureau onderzoek heeft er een veldbezoek plaatsgevonden. Het veldbezoek is afgelegd op 26 mei 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoeklocatie alsmede het omliggende terrein bezocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.

Tijdens het veldbezoek is de volgende checklist afgewerkt gericht op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (indien van toepassing): • Waarnemingen van aanwezige vogelsoorten • Beoordelen van potentieel habitat en nestgelegenheden • Controle op jaarrond beschermde nesten • Controle op vleermuisverblijfsplaatsen in gebouwen en bomen • Zoeken naar sporen van overige zoogdieren; zoals pootafdrukken en holen • Check van aanwezige waterpartijen als habitat voor amfibieën • Check waardplanten en habitat vlinders en libellen • Check op beschermde vaatplanten Stikstofdepositie De AERIUS calculator berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. AERIUS ondersteunt de vergunningverlening voor economische activiteiten die gepaard gaan met uitstoot van stikstof en monitort of de totale stikstofbelasting blijft dalen. Ook faciliteert AERIUS ruimtelijke planvorming in relatie tot stikstof.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 19

6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 6.1 Habitatrichtlijnsoorten van Texel Op basis van de NDFF en andere bronnen is een soortenlijst te maken van beschermde soorten. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten: • Vogelrichtlijnsoorten (alle in de EU-lidstaten van nature voorkomende soorten) • Habitatrichtlijnsoorten (zie voor Texel tabel 2) • Andere soorten (zie voor Texel tabel 2) Tabel 2. Op Texel waargenomen soorten met een beschermde status. Soort Soortgroep Bescherming Gewone dwergvleermuis Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Laatvlieger Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Ruige dwergvleermuis Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Hermelijn Zoogdieren Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Noordse woelmuis Zoogdieren Art. 3.5 Wnb Waterspitsmuis Zoogdieren Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Heikikker Amfibieën Art. 3.5 Wnb Poelkikker Amfibieën Art. 3.5 Wnb Rugstreeppad Amfibieën Art. 3.5 Wnb Duinparelmoervlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Grote parelmoervlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Grote vos Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Kommavlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Gevlekte witsnuitlibel Libellen Art. 3.5 Wnb Gevlekt zonneroosje Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Glad biggenkruid Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Groenknolorchis Vaatplanten Art. 3.5 Wnb Rozenkransje Vaatplanten Art.

3.10 Wnb (Andere soorten) De zeezoogdieren zijn hier verder buiten beschouwing gelaten, werkzaamheden op het land zullen geen invloed hebben op op zee levende dieren. Naast de soorten genoemd in tabel 2 zijn er enkele soorten die slechts éénmalig zijn waargenomen op Texel. Dit zijn: meervleermuis, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, boommarter, steenmarter, lederschildpad, muurhagedis, zandhagedis, sierlijke witsnuitlibel, akkerboterbloem en grote leeuwenklauw. Er kan vanuit worden gegaan dat deze soorten van nature niet (meer) voorkomen op Texel.

6.2 Nationale Databank Flora en Fauna De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van planten- en diersoorten. Er zijn ruim 100 miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit de Nationale Databank

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 20

Flora en Fauna komen de volgende gevalideerde gegevens naar voren voor het plangebied. In Bijlage B staan de waarnemingen voor een groter gebied rondom het plangebied weergegeven (ca. 500 m). De waarnemingen van vogels in de NDFF staan weergegeven in paragraaf 6.8. Er zijn binnen 100 meter van de planlocatie geen waarnemingen bekend in de NDFF van habitatrichtlijnsoorten en overige beschermde en niet vrijgestelde soorten.

6.3 Vleermuizen Er zijn binnen het plangebied en directe omgeving geen waarnemingen bekend van de Texelse vleermuissoorten. Binnen een ruimer kader, ca. 500 meter, rondom het plangebied zijn ook slechts 2 waarnemingen bekend van een laatvliegers, 1 losse waarneming en van 2001 21-25 uitvliegende laatvliegers. Het is de verwachting dat van Texelse soorten als de gewone en ruige dwergvleermuis en de laatvlieger individuen foerageren rondom de planlocatie. Verblijfplaatsen Hoewel iedere soort specifieke voorkeuren voor verblijfplaatsen heeft, komt de seizoenscyclus in verblijfplaatsen voor alle soorten overeen. Per seizoen kiezen vleermuizen verblijfplaatsen voor een andere functie: • Winterslaapplaatsen • Tussenverblijfplaatsen • Zomerverblijfplaatsen (niet-kraamverblijfplaatsen) • Kraamverblijfplaatsen • Paarverblijfplaatsen met territorium • Zwermlocaties: “Verblijfplaatsen” met centrale zwermfunctie De gewone dwergvleermuis vindt zowel ’s zomers als ’s winters een verblijfplaats in gebouwen. Er zijn geen winterverblijfplaatsen van enige omvang bekend op Texel. De ruige dwergvleermuis is naast gebouw bewonend ook zeker boom bewonend waarbij gebruik wordt gemaakt van holtes en ruimtes onder schors, ook worden wel nestkasten gebruikt. Bij de laatvlieger komen alleen verblijfplaatsen in gebouwen voor.

Verblijfplaatsen in het plangebied ➢ Het is onbekend of er verblijfsplaatsen aanwezig waren in de gesloopte vervallen stolp. ➢ De nog te slopen schuur is ongeschikt als verblijfsplaats voor vleermuizen. Effecten door het slopen van de schuur en de verdere werkzaamheden voor de bouw op verblijfsplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten. Overige functies In het plangebied kunnen vleermuizen foerageren. De werkzaamheden zullen bij daglicht uitgevoerd worden. Effecten op foeragerende vleermuizen is daarmee uitgesloten. ➢ De werkzaamheden zullen geen effect op vleermuizen hebben die mogelijk foerageren in het plangebied. Rapportnummer: 2021-24

Pagina 21

➢

Verdere verstoring wordt voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang.

6.4 Overige zoogdieren Van de terrestrische zoogdiersoorten komt op Texel alleen de noordse woelmuis voor die beschermd is onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Soorten beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming en die op Texel voorkomen en waarvoor geen vrijstelling geldt zijn de hermelijn en de waterspitsmuis. Voor soorten als aardmuis, egel, haas, huisspitsmuis, en konijn geldt dat ze provinciaal vrijgesteld zijn. Onder de algemene zorgplicht is het nog steeds verboden ook deze soorten opzettelijk te doden. Er zijn binnen 100 meter van het plangebied geen waarnemingen bekend van de noordse woelmuis. Binnen een ruimer kader (ca. 500 meter) zijn 4 waarnemingen bekend van noordse woelmuizen. Noordse woelmuis De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Doordat de noordse woelmuis geen watervrees heeft, kan hij goed eilandjes bereiken, waar hij dan vaak als enige woelmuis voorkomt. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn.

Ook op Texel komt de aardmuis als concurrent tegenwoordig voor en zorgt voor een extra bedreiging van de soort, vooral in de drogere gebieden. Het voorkomen van de veldmuis is slechts bekend van een zeer beperkt aantal braakballen. Noordse woelmuizen mijden door struiken en bomen gedomineerde begroeiingen. Sporen van woelmuizen in dit habitattype duiden op rosse woelmuizen. De schuur en stolp zijn niet geschikt als habitat voor noordse woelmuizen. ➢ Het is uitgesloten dat noordse woelmuizen voorkomen op de bouwlocatie. Een effect van de sloop en nieuwbouw is uitgesloten. Hermelijn Op heel Texel zullen hermelijnen voorkomen, zei het in zeer lage aantallen. De meeste waarnemingen zijn van het duingebied, en enkele van aangrenzende agrarische gebieden. De laatste 10 jaar zijn er maar 25 waarnemingen gedaan van hermelijnen (0 tot 6 waarnemingen per jaar). Waarschijnlijk staat de populatie onder druk door o.a. de concurrentie van verwilderde katten en verstoring door recreatie en loslopende honden. De bouwlocatie zijnde een schuur en open opslag zijn ongeschikt als habitat voor hermelijnen. Deze schuwe soort zal de drukte graag mijden. ➢ De kans op het voorkomen van de hermelijn in de directe omgeving is nihil. Op de bouwlocatie zelf zal dat vrijwel uitgesloten zijn. Een effect van de werkzaamheden op vaste rust of verblijfsplaatsen is uitgesloten.

Waterspitsmuis Rapportnummer: 2021-24

Pagina 22

De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Er is 1 waarneming bekend binnen 500 meter van de bouwlocatie in de afgelopen 20 jaar. ➢ De bouwlocatie is niet geschikt als habitat voor de waterspitsmuis. Effecten op deze soort zijn hiermee uitgesloten. Overige zoogdieren Van overige landzoogdieren zoals muizen, bruine rat, egel, haas en konijn zijn in kleine aantallen te verwachten. Naast de algemene zorgplicht hebben de soorten bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is.

6.5 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën Er zijn binnen een ruimer kader (ca. 500 meter) van het plangebied wat waarnemingen bekend van de rugstreeppad die in het kader van de Wet natuurbescherming is beschermd. Verder zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën. Rugstreeppad Binnen een straal van ca. 500 meter is er 1 waarneming bekend van 4 rugstreeppadden. Rugstreeppadden kunnen ook van tijdelijk geschikt habitat als open zand met regenplassen gebruik maken. Ook kunnen ze over lange afstanden trekken (tot ca. 300 meter per dag). Met name vanwege de trek van rugstreeppadden naar overwinteringsgebieden in september / oktober dient vestiging van rugstreeppadden tijdens werkzaamheden voorkomen te worden. De trek vindt ’s nachts plaats, vooral bij regenachtig weer. De bouwlocatie is ongeschikt voor rugstreeppadden door het ontbreken van water. De werkzaamheden zullen geen effect hebben op voortplantingswater van de rugstreeppad. Ook is de bouwlocatie ongeschikt voor de overwintering. ➢ De herstructurering van de bebouwing zal geen effect hebben op de rugstreeppad. Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en half-natuurlijk grasland met poelen.

De soort is duidelijk een cultuur vliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Er zijn binnen een straal van ca. 500 meter geen waarnemingen bekend. Heikikkers overwinteren op vorstvrije plaatsen op het land van eind oktober tot begin maart. In tegenstelling tot de bruine kikker overwintert de heikikker nagenoeg niet in het water. Het terrein met de huidige inrichting is ongeschikt als habitat voor de heikikker, en dat geldt zeker voor het werkgebied. Rapportnummer: 2021-24

Pagina 23

➢

De planlocatie is ongeschikt voor heikikkers. Effecten op deze soort zijn uitgesloten.

Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Overwintering vindt plaats op het land. Op Texel zijn slechts 7 waarnemingen bekend van poelkikkers, maar dan wel gelijk bij de meeste waarnemingen van 10-25 exemplaren. De waarnemingen zijn niet bekend van de omgeving van het plangebied. ➢ Effecten op poelkikkers is uitgesloten. Reptielen Met uitzondering van een bevestigde waarneming van een muurhagedis in Den Burg, en een bevestigde waarneming van een vrouwtje zandhagedis in 2016 aan de Biesbosweg (bosrand nabij Westerslag) komen er op Texel geen reptielen voor. ➢ De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen. Reptielen komen van nature niet voor op Texel. Vissen Geen van de beschermde zoetwater vissoorten is ooit op Texel waargenomen. ➢ Effecten op beschermde soorten is uitgesloten.

6.6 Libellen en vlinders Libellen Ook binnen 500 meter van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde libellen. Van de beschermde libellen soorten zijn alleen de gevlekte witsnuitlibel en een aantal keer en de sierlijke witsnuitlibel 1 keer op Texel waargenomen. Beide soorten lijken zich uit te breiden, maar zijn nog uiterst zeldzaam. ➢ De planlocatie en de directe omgeving zijn ongeschikt habitat voor libellen. Effecten op beschermde soorten is daarmee ook uitgesloten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Binnen 500 meter van de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van alle beschermde vlindersoorten zoals de duinparelmoervlinder en de kommavlinder. Duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder De waardplanten van de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder zijn diverse soorten viooltjes waarbij voor in de duinen op Texel het duinviooltje en het hondsviooltje het meeste voorkomen. Het habitat bestaat verder uit duingraslanden, droge heischrale graslanden op lemige bodems, blauwgraslanden en kalkgraslanden. De duinparelmoervlinder overwintert als ei en de grote parelmoervlinder als rups in de strooisel laag binnen geschikt habitat zoals hiervoor beschreven.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 24

➢

Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Deze zijn ook niet aanwezig binnen de invloedsfeer (100 meter) van de werkzaamheden. Een effect op de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder is uitgesloten.

Kommavlinder De waardplanten van de kommavlinder zijn kleine polletjes van schapengras; soms ook andere zwenkgrassen, buntgras en struisgras. Het habitat bestaat verder uit droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. Als het vrouwtje op zoek is naar een plaats om de eitjes af te zetten, vliegt zij laag boven de grond. Een geschikt polletje groeit vaak aan de rand van een stukje open zand op een warme en luwe plek. Het vrouwtje is zeer selectief en betast de waardplant met de voorpoten en de voelsprieten. De grote witte eitjes worden afzonderlijk afgezet, bij voorkeur aan de basis van een kleine jonge plant, waar ze ook overwinteren. De belangrijkste oorzaak van de huidige achteruitgang is verrijking van het leefgebied en afname van de begrazing door konijnen in de duinen. Hierdoor verruigt de vegetatie en verdwijnt de afwisseling tussen open grond en lage vegetatie. Het is gewenst om in zulke dichtgegroeide vegetaties weer open plekken te creëren. Dit kan door gedeelten te plaggen, te frezen of (tijdelijke) begrazing. Indien zo'n gevarieerde vegetatie hierna niet spontaan in stand blijft, is het mogelijk deze te behouden door middel van extensieve begrazing, gefaseerd maaien of eventueel door in meer jaarlijkse cycli kleinschalig te plaggen. ➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie.

Deze zijn ook niet aanwezig binnen de invloedsfeer (100 meter) van de werkzaamheden. Een effect op de kommavlinder is uitgesloten. Grote vos Ook van de grote vos zijn er geen waarnemingen bekend binnen ca. 500 meter van het plangebied. De grote vos is een zeer zeldzame soort waarvan voortplanting in recente jaren niet is vastgesteld in Nederland. De soort is een zeer zwerflustige soort waardoor deze op afwijkende plaatsen waargenomen kan worden. De waardplanten zijn vooral iep, ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Het habitat bestaat uit vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. ➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie en wijde omgeving, daarom is een effect op de grote vos uitgesloten.

6.7 Vaatplanten Binnen ca. 500 meter rondom het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten met actuele waarnemingen op Texel. Glad Biggenkruid Glad biggenkruid behoort tot de composietenfamilie. De gele bloemhoofdjes zijn 1-1½ cm en gaan alleen 's ochtends open. De gesloten hoofdjes zijn kegelvormig. De lintbloemen komen maar weinig buiten de binnenste omwindselbladen uit. Van onderen zijn ze bleek. De omwindselbladen zijn ongelijk en Rapportnummer: 2021-24

Pagina 25

hebben een donkere top. Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leem arm en lemig zand). De groeiplaatsen zijn: akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Gevlekt zonneroosje De bloemen vormen samen ijle, meestal niet bebladerde schichten, die aan het eind van de bloei ongeveer half zo groot zijn als de hele plant. De kroonbladen zijn citroengeel. Bij de voet zit meestal een roodbruine vlek. De kroonbladen vallen snel af. Vijf kelkbladen, waarvan de buitenste twee kleiner zijn. Het gevlekt zonneroosje groeit op zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, neutrale tot zwak zure zandgrond en op stenige plaatsen. De groeiplaats zijn: zeeduinen (duinvalleien en glooiingen van lage duintjes) en kale rotsen. Groenknolorchis De groenknolorchis behoort tot de orchideeënfamilie Een bloemtros met meestal vier tot acht, maar soms één tot tien geelgroene bloemen. De buitenste en binnenste bloemdekbladen zijn lijnvormig. De 4-5 mm grote, langwerpige, stompe en gootvormige gevouwen bloemlip is vaak naar boven gericht. Aan de rand is deze vaak fijn gekarteld. De bloemsteeltjes zijn een halve tot een hele slag gedraaid.

De groenknolorchis groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, iets open plaatsen (vaak enigszins verstoorde plekken) op vrij natte, voedselarme, zwak zure tot kalkhoudende grond (laagveen, venig zand, venig leem, min of meer humeus zand en stenige grond). Vaak op plekken die in de winter zeer nat zijn (of zelfs onder water kunnen staan). De groeiplaatsen zijn: zeeduinen (duinvalleien), afgravingen (kalk-, zand- en grindgroeven), moerassen (trilvenen, kalkmoerassen, veenmosrietland en aan de rand van rietland), heide (op veenmoskussens in heidemoeras), opgespoten grond (zand), plekken waar turf gestoken is en grasland (beekdal-blauwgrasland). Rozenkransje Rozenkransje is een plant van lage, niet te dichte vegetaties met kort gras en dwergstruiken op vrij droge, humusrijke, vrij voedselarme en onbemeste, meestal zwak zure en kalkarme maar soms matig kalkhoudende zand- en leemgrond. In Nederland komen nog twee populaties van Rozenkransje voor die zichzelf kunnen voortplanten: bij Bergen en op Schiermonnikoog. De overige vier resterende populaties bestaan alleen uit mannetjes of vrouwtjes, zodat deze gedoemd zijn te verdwijnen. De soort groeit op zonnige of zelden licht beschaduwde plaatsen op droge, matig voedselarme, niet bemeste, zwak zure, vaak licht betreden of begraasde grond (zand, lemig zand en leem).

De groeiplaatsen zijn: zeeduinen (grazige plaatsen), heide (grazige plaatsen), grasland (laagblijvend grasland), ijl kruipwilgstruwelen en vrij open plekken met veel korstmossen. Het plangebied zijnde een schuur met open opslag en verhardingen is ongeschikt als groeiplaats voor beschermde soorten. ➢ Het gehele terrein is ongeschikt als groeiplaats van beschermde vaatplanten door het intensieve gebruik. Een effect op beschermde vaatplanten is uitgesloten.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 26

6.8 Vogels Broedvogels Rondom de schuur en in de omgeving zijn broedvogels te verwachten. Het slopen van de nog bestaande schuur zal buiten de broedperiode uitgevoerd worden. Globaal kan de periode van 15 maart tot 1 augustus gehanteerd worden als broedseizoen. Werkzaamheden binnen deze periode kunnen mogelijk tot verlies van broedgevallen lijden. Op het erf met wat bomen en bosschages zullen algemene broedvogels als merel, spreeuw, braamsluiper, fitis, koolmees, pimpelmees, kneu, roodborst, heggemus en winterkoning broeden. Door de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren zal er geen effect zijn op broedende vogels. Ook de bouw zal geen verstoring geven van broedende vogels. Voor soorten met een jaarrond beschermde nestplaats is het bouwlocatie op dit moment ongeschikt. De schuur is te open waardoor bijvoorbeeld een huismus er niet zal gaan broeden. Wat er verloren is gegaan door de sloop van de stolp is onbekend. In de aanwezige bomen zijn ook geen nestplaatsen van soorten als sperwer of havik waargenomen, deze zullen ook niet gekapt worden. In de NDFF zijn binnen 100 meter van de planlocatie geen waarnemingen bekend. ➢ ➢

Door uitvoering van de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen er geen effecten zijn op broedvogels. Er zullen geen effecten zijn op soorten met een jaarrond beschermde nestplaats.

Slaapplaatsen Er zijn geen waarnemingen of andere aanwijzingen dat het plangebied als slaapplaats gebruikt wordt. ➢

Een effect op slaapplaatsen is daarmee uitgesloten.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 27

7. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 7.1 Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Figuur 9. Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Met rode pijl aanwijzing van het plangebied. De bouwlocatie ligt op ca. 1,3 kilometer van het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel. In het tussenliggende gebied liggen huizen (boerderijen) en agrarisch gebied. ➢

Gezien de afstand zal er geen effect zijn door de bouwwerkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied.

7.2 Natuur Netwerk Nederland (NNN) De begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland is iets ruimer dan de begrenzing van het Natura 2000-gebied. De afstand tot het NNN is daardoor 1,1 kilometer. Vanwege de ligging buiten het NNN is toetsing van artikel 6.43 van de omgevingsverordening is niet nodig. ➢ Er zal door bouwwerkzaamheden geen aantasting zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 28

Figuur 10. Ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland. Met rode pijl aanwijzing van het plangebied.

7.3 Weidevogelleefgebied Vrijwel geheel agrarisch Texel is aangewezen als weidevogelleefgebied. Het plangebied grenst direct aan het weidevogelleefgebied. Er is sprake van een bestemmingsplan wijziging, maar de bebouwing blijft binnen het vastgestelde bouwvlak, en zal in oppervlakte aan bebouwing afnemen. ➢ Effecten van de werkzaamheden op het weidevogelleefgebied zijn uitgesloten.

Figuur 11. Ligging ten opzichte van weidevogelleefgebied. Met rode pijl aanwijzing van het plangebied.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 29

8. AERIUS CALCULATIE Met behulp van de Aerius calculator 2020 is de stikstofdepositie berekent voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Voor de aanlegfase wordt voor verdere details verwezen naar de separaat toegevoegde AERIUS_bijlage_20210606101049_RZ83oYu8a2EB.pdf. In de gml file staan de brongegevens waarmee de berekening gecontroleerd kan worden. Deze staan in de AERIUS_gml_20210606101113.zip.

8.1 Bronnen Voor de berekening van de stikstofdepositie zijn 2 bronnen gedefinieerd. Bron 1 is een vlakbron waar de bouwactiviteiten plaatsvinden; Bron 2 is een lijnbron waarlangs de verkeersbewegingen plaatsvinden. Conform de richtlijnen voor de invoer van de Aerius calculator, is voor het verkeer de route doorgetrokken tot de eerste kruising waarbij het transport opgaat in het overige verkeer. In figuur 12 zijn de bronnen op kaart weergegeven. Het aantal ritten van de zware vrachtwagens > 20 ton zijn van de betonmixer en de aan en afvoer van materiaal en materieel. Er wordt vanuit gegaan dat dit totaal 10 ritten omvat, totaal dus 20 ritten zwaar vrachtverkeer heen en weer. Het aantal ritten voor personeel met bedrijfsbus is als volgt berekend. Gedurende de gehele bouwperiode van 5 weken wordt er gedurende 5 dagen per week gewerkt. Personeel zal met 2 bussen per dag naar de bouwlocatie reizen. Dit resulteert dus in 10 weken * 5 dagen * 2 ritten per dag= 50 ritten; met 2 busjes dus 100 ritten. Tabel 3.

Bronnen in de Aerius calculatie aanlegfase met technische specificaties Bron Materieel Vermogen of Bouwjaar Stageklasse Draaiuren / gewicht ritten 1 Betonmixer 200 kW 2019 Euro 6 8 draaiuren 1 Graafmachine 200 kW 2015 Euro 5 20 draaiuren 1 Telekraan 450 kW 2014 Euro 5 20 draaiuren 1 Verreiker 250 kW 2015 Euro 5 40 draaiuren 2 Zwaar vrachtverkeer >20 ton Euro 5 20 ritten 2 Bestelauto diesel 2-3.5 ton Euro 5 200 ritten Voor de mobiele werktuigen is uitgegaan van de opgave van de architect en op basis van ervaring van vergelijkbare projecten.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 30

Figuur 12. Bronnen van de Aerius calculatie

8.2 Resultaten Aerius calculatie aanlegfase De resultaten van de Aerius calculatie staan weergegeven in figuur 13. Hieruit blijkt dat er geen extra stikstofdepositie berekend is.

Figuur 13. Resultaten Aerius calculatie.

8.3 Stikstofdepositie gebruiksfase Omdat er nauwelijks iets veranderd aan de bedrijfsvoering zal er ook gezien de ligging geen extra stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden veroorzaken.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 31

10. CONCLUSIES De planlocatie ligt aan de Akenbuurt 12 te Den Burg op Texel. Het voornemen is om de bestaande percelen met bebouwing te herstructureren. Het plan is om de inrichting van het opslagterrein aan de oostkant te vergroten en om hier vervolgens een opslagloods te realiseren. Onderstaand zijn de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat. Een nadere onderbouwing is in de betreffende hoofdstukken te vinden.

Soortbescherming Vleermuizen ➢ Het is onbekend of er verblijfsplaatsen aanwezig waren in de gesloopte vervallen stolp. ➢ De nog te slopen schuur is ongeschikt als verblijfsplaats voor vleermuizen. Effecten door het slopen van de schuur en de verdere werkzaamheden voor de bouw op verblijfsplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten. ➢ De werkzaamheden zullen geen effect op vleermuizen hebben die mogelijk foerageren in het plangebied. ➢ Verdere verstoring wordt voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Noordse woelmuis ➢ Het is uitgesloten dat noordse woelmuizen voorkomen op de bouwlocatie. Een effect van de sloop en nieuwbouw is uitgesloten. Hermelijn ➢ De kans op het voorkomen van de hermelijn in de directe omgeving is nihil. Op de bouwlocatie zelf zal dat vrijwel uitgesloten zijn. Een effect van de werkzaamheden op vaste rust of verblijfsplaatsen is uitgesloten. Waterspitsmuis ➢ De bouwlocatie is niet geschikt als habitat voor de waterspitsmuis. Effecten op deze soort zijn hiermee uitgesloten. Overige zoogdieren Van overige landzoogdieren zoals muizen, bruine rat, egel, haas en konijn zijn in kleine aantallen te verwachten. Naast de algemene zorgplicht hebben de soorten bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is.

Rugstreeppad ➢ De herstructurering van de bebouwing zal geen effect hebben op de rugstreeppad. Heikikker ➢ De planlocatie is ongeschikt voor heikikkers. Effecten op deze soort zijn uitgesloten. Poelkikker ➢ Effecten op poelkikkers is uitgesloten. Rapportnummer: 2021-24

Pagina 32

Reptielen ➢ De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen. Reptielen komen van nature niet voor op Texel. Vissen ➢ Effecten op beschermde soorten is uitgesloten. Libellen ➢ De planlocatie en de directe omgeving zijn ongeschikt habitat voor libellen. Effecten op beschermde soorten is daarmee ook uitgesloten. Duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder ➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Deze zijn ook niet aanwezig binnen de invloedsfeer (100 meter) van de werkzaamheden. Een effect op de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder is uitgesloten. Kommavlinder ➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Deze zijn ook niet aanwezig binnen de invloedsfeer (100 meter) van de werkzaamheden. Een effect op de kommavlinder is uitgesloten. Grote vos ➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie en wijde omgeving, daarom is een effect op de grote vos uitgesloten. Vaatplanten ➢ Het gehele terrein is ongeschikt als groeiplaats van beschermde vaatplanten door het intensieve gebruik. Een effect op beschermde vaatplanten is uitgesloten. Vogels ➢ Door uitvoering van de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen er geen effecten zijn op broedvogels. ➢ Er zullen geen effecten zijn op soorten met een jaarrond beschermde nestplaats.

➢ Een effect op slaapplaatsen is daarmee uitgesloten.

Ontheffing Wet natuurbescherming Er is geen ontheffing Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming nodig voor de geplande werkzaamheden.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 33

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel ➢ Gezien de afstand zal er geen effect zijn door de bouwwerkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied. Natuur Netwerk Nederland ➢ Er zal door bouwwerkzaamheden geen aantasting zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Weidevogelleefgebied Effecten van de werkzaamheden op het weidevogelleefgebied zijn uitgesloten. Ontheffing Wet natuurbescherming Er is geen ontheffing Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming nodig voor de geplande werkzaamheden.

Stikstofdepositie Aerius calculatie aanlegfase Uit de Aerius calculatie volgt voor de aanlegfase dat er geen toename is voor de stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. Stikstofdepositie gebruiksfase Omdat er nauwelijks iets veranderd aan de bedrijfsvoering zal er ook gezien de ligging geen extra stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden veroorzaken. Ontheffing Wet natuurbescherming Op basis van de Aerius calculatie is geen ontheffing in het kader van de stikstofdepositie nodig.

Noordkop Groen, Ing. M.L. de Jong

Den Helder, 8 juni 2021

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 34

BIJLAGE A

GERAADPLEEGDE BRONNEN https://www.natura2000.nl/ http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Aanhef https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://www.ODnhn.nl/Wet_natuurbescherming https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/007/n2k_007_db_h vn_noordzeekustzone.pdf https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Toe tsing%20huidige%20activiteiten_Texel.pdf https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Bes taand_gebruik_tabellen_Texel.pdf

https://www.bij12.nl/nieuws/kamerbrief-minister-schouten-met-update-voor-korte-termijn/ http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&hoofdstuk=3&z=2017-09-01&g=201709-01 (Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3 Soorten) http://www.ruimtelijkeplannen.nl/ https://www.hhnk.nl/document.php?m=1&fileid=32974&f=c7db9b3caf7efc2eaea226334 9036a5c&attachment=0&a=364 https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/index.html https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten) https://www.landschapnoordholland.nl/files/2018-07/Weidevogelmonitor%20Texel% 202015.pdf

https://www.peutz.nl/sites/peutz.nl/files/publicaties/Bouwlawaai%20WvdM%2004-2013_0.pdf https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/natura-2000-beheerplannen/1waddenzee/). Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bio-energie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 35

Mouissie M. 2019. Stikstofdepositie en woningbouwontwikkeling; verkennend onderzoek naar de bijdrage van woningbouwontwikkeling aan de stikstofdepositie. Rapport SWNL0250596, Sweco, De Bilt. CLO, 2019. www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie Caporn, S., Field, C., Payne, R., Dise, N., Britton, A., Emmett, B., Jones, L., Phoenix, G., S Power, S., Sheppard, L. & Stevens, C. 2016. Assessing the effects of small increments of atmospheric nitrogen deposition (above the critical load) on semi- natural habitats of conservation importance. Natural England. Dise, N.B. & R.F. Wright 1995. Nitrogen leaching from European forests in relation to nitrogen deposition. Forest Ecology and Management 71: 153-161. Dise, N.B, J.J. Rothwell, V. Gauci, C. van der Salm & W. de Vries 2009. Predicting dissolved inorganic nitrogen leaching in European forests using two independent databases. Science of the total Environment 407: 1798-1808. Bobbink R & Hettelingh JP, (eds.) 2011. Review and revision of empirical critical loads and dose-response relationships, Coordination Centre for Effects, National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), www.rivm.nl/cce. Dobben, H.F. van & A. van Hinsberg 2008. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000 typen. Alterra rapport 1654, Alterra, Wageningen UR, NL. Dobben, H.F.

van, Bobbink, R., Bal, D., van Hinsberg, A., 2012, Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397, Alterra, Wageningen UR, NL.

Rapportnummer: 2021-24

Pagina 36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Texel&id=881a87f5-9585-4f5f-a31c-6982d95d1004