Bijlage 1. Ontwerp bestemmingsplan ‘De Koog - Stappeland’
Tekst van het document
Habitatrichtlijn § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Vrijgestelde soorten Voor een aantal beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling. De vrijstelling geldt bij handelingen die worden verricht in verband met: • werkzaamheden bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting • werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, sporen, of bermen, of in het kader van natuurbeheer • werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in landbouw of bosbouw • bestendig gebruik
Rapport 2023-52
7 Dit betreft de volgende op Texel voorkomende soorten: ➢ zoogdieren: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, veldmuis ➢ amfibieën: bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander Algemene zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. Die zorgplicht houdt in dat u de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
2.2 Wet natuurbescherming; gebiedsbescherming Voortvloeiend uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn is in Nederland een groot aantal gebieden aangewezen als beschermd Natura 2000-gebied. Deze bescherming is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming heeft voor deze gebieden een toetsingskader. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied is beschreven wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn voor dit gebied. Hierbij gaat het om de bescherming van leefgebieden van vogels (Vogelrichtlijn), de bescherming van habitats en die van de leefomgeving van soorten (Habitatrichtlijn). Het is verboden om zonder vergunning een project uit te voeren dat conflicteert met de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Daarbij wordt bekeken of de kwaliteit van natuurlijke habitats of de leefomgeving van soorten in dat gebied kan verslechteren, of dat een project een significant verstorend effect kan hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten erbuiten kunnen de natuurwaarden beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd.
Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied. Ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.
2.3 Houtopstanden De regels over houtopstanden uit de Boswet zijn ook op 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wet Natuurbescherming (“Wnb“). De Wnb zal hierbij voornamelijk een voortzetting zijn van de bestaande regelgeving. Net als onder de Boswet is het doel van de regels met betrekking tot houtopstanden onder de Wnb de instandhouding van het bosareaal. Om deze doelstelling te realiseren blijven de meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod ingeval van houtkap bestaan. De kap dient daarbij wel nog steeds een bepaalde omvang en locatie te hebben. Enkel houtopstanden groter dan 10 are (1000m2) of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom worden gereguleerd.
Rapport 2023-52
8 2.4 Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom heeft u een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt. Tot 29 mei 2019 was toestemming hiervoor gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Raad van State heeft het PAS ongeldig verklaard. De overheid is overgestapt op een nieuwe aanpak. Actueel rekenmodel Sinds 15 oktober 2020 is de vernieuwde AERIUS-calculator 2020 beschikbaar. De AERIUS-calculator berekent de deposities per hexagoon (zeshoek) met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon. De AERIUS- calculator toont de berekende waarden ook per hexagoon. Toestemmingsverlening Aan de hand van het stroomschema, weergegeven in onderstaande figuur, kan worden afgeleid welke stappen nodig zijn om een vergunning te kunnen krijgen voor een nieuwe activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000gebieden.
Figuur 1: stroomschema toestemmingsverlening stikstofdepositie. Kanttekening bij het stroomschema: bij een toename van de stikstofdepositie op die plekken waar de Kritische depositiewaarde al overschreden wordt en de toename niet tijdelijk is, dient een passende beoordeling plaats te vinden om de effecten van de extra stikstofdepositie te beoordelen.
Rapport 2023-52
9 2.5 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) 1 bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Met ingang van 1 oktober 2012 is het Natuurnetwerk Nederland juridisch geborgd in titel 2.10 van het Barro. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening2 van Noord-Holland (PRV) zijn gebieden aangewezen die in de provincie het Natuurnetwerk Nederland vormen. Voor deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan 2018 wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld. Bovendien geldt hier het beschermingsregime van artikel 19 van de PRV.10. Binnen het NNN zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die leiden tot: • een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden • een significante vermindering van de oppervlakte van NNN-gebieden • een significante vermindering van de samenhang tussen die gebieden.
Uitzonderingen hierop volgens de Provinciale Ruimtelijke Verordening: • nieuwe activiteiten dan wel wijzigingen van bestaande activiteiten voor zover: o er sprake is van een groot openbaar belang o er geen reële andere mogelijkheden zijn o de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt o de overblijvende effecten worden gecompenseerd • een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de NNN of de natuurverbinding per saldo te verbeteren. Het NNN omvat in Noord-Holland ongeveer 56.000 hectare, waarvan zo’n 6.000 hectare nog niet is gerealiseerd en veelal nog agrarisch in gebruik is. Op Texel is nog slechts 131 hectare nog niet gerealiseerd. De provincie zorgt voor realisatie van de laatste 6.000 hectare Natuurnetwerk Nederland, voor het beheer van de gerealiseerde hectares en voor de planologische bescherming van het gehele natuurnetwerk.
1
In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau het Natuurnetwerk Nederland (destijds de Ecologische
Hoofdstructuur genoemd) vastgelegd. De Nota Ruimte en Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid zijn in 2012 vervangen door het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR). 2
Vastgelegd in artikel 19 en kaart 4 van de PRV. (In de PVR wordt het NNN nog steeds aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur).
Rapport 2023-52
10 3. GEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving In de onderstaande figuren 2 en 3 is de huidige situatie weergegeven. De planlocatie ligt in De Koog aan het Stappeland op het eiland Texel. De planlocatie ligt achter de indoor karting met aan de voorzijde de grote parkeerplaats van De Koog aan de Nikadel. Aan de noord en zuidzijde grenst het plangebied aan bungalowparken, met tussen de bungalowparken en de planlocatie waterpartijen.
Figuur 2. Huidige situatie (Google earth).
Figuur 3. Detail huidige situatie (Google earth).
Rapport 2023-52
11
Figuur 4. Foto’s huidige situatie planlocatie en directe omgeving.
Rapport 2023-52
12 3.2 Beschrijving aanwezige biotopen Bebouwing In de huidige situatie staat er geen bebouwing die gesloopt gaat worden. Het terrein rond de huidige bedrijfswoning wordt hooguit heringericht. Ook zal de tennisbaan verdwijnen. Terrein De directe omgeving bestaat in de huidige situatie uit een extensief beheerd graslandje met wat bomen en een rand van een windsingel. Omgeving De verdere omgeving bestaat uit de bebouwing van het dorp, maar vooral de omringende bungalowparken met tussenliggende waterpartijen zijn kenmerkend voor de omgeving.
3.3 Te verwachten werkzaamheden De verwachtte werkzaamheden zullen bestaan uit het bouwrijp maken van de planlocatie, de bouw van de 38 woningen en bijbehorende werkzaamheden en inrichting van het terrein.
3.4 Toekomstig gebruik van het plangebied Het toekomstig gebruik zal zoals hierboven beschreven bestaan uit 38 woningen; van de woningen wordt een derde sociaal, een derde middelduur en een derde vrije sector. De opzet van het plan is ruim in een groene omgeving, waarbij de inrichting autoluw is. Het parkeren zal aan de rand van het terrein in “parkeerkoffers” zijn. De huidige bedrijfswoning zal blijven staan en een woonbestemming krijgen. In figuur 5 is de schets van het plangebied weergegeven.
Figuur 5. Schets plangebied
Rapport 2023-52
13 4. ONDERZOEKSMETHODIEK Introductie Om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, in of nabij het plangebied, is een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Dat omvat een bureauonderzoek en een veldbezoek. De natuurtoets is een toets van de ecologische potenties van het plangebied. Dit kan niet worden gezien als volwaardig ecologisch onderzoek. Voor de natuurtoets zijn geen uitgebreide inventarisaties uitgevoerd naar soorten en soortgroepen. Bureauonderzoek Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten kunnen voor komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is via het uitvoerportaal gebruikgemaakt van gevalideerde waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank is geconsulteerd op 31 augustus 2023. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage 8.2. Veldbezoek Naast het bureauonderzoek heeft op 16 augustus 2023 een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek is de gehele onderzoeklocatie, en ook het omliggende terrein, bezocht. Er is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat.
Tijdens het veldbezoek is de onderstaande checklist afgewerkt, gericht op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (indien van toepassing): • waarnemingen van aanwezige vogelsoorten • beoordelen van potentieel habitat en nestgelegenheden • controle op jaarrond beschermde nesten • controle op vleermuisverblijfsplaatsen in gebouwen en bomen • zoeken naar sporen van overige zoogdieren; zoals pootafdrukken en holen • check van aanwezige waterpartijen als habitat voor amfibieën • check waardplanten en habitat vlinders en libellen • check op beschermde vaatplanten Natura 2000 Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt externe werking genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.
Rapport 2023-52
14 5. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 5.1 Habitatrichtlijnsoorten van Texel Op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna en andere bronnen is een soortenlijst te maken van beschermde soorten. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten: • Vogelrichtlijnsoorten (alle in de EU-lidstaten van nature voorkomende soorten) • Habitatrichtlijnsoorten (zie voor Texel tabel 2) • Andere soorten (zie voor Texel tabel 2) Tabel 2. Op Texel waargenomen soorten met een beschermde status. Soort Soortgroep Bescherming Gewone dwergvleermuis Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Laatvlieger Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Ruige dwergvleermuis Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Hermelijn Zoogdieren Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Noordse woelmuis Zoogdieren Art. 3.5 Wnb Waterspitsmuis Zoogdieren Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Heikikker Amfibieën Art. 3.5 Wnb Poelkikker Amfibieën Art. 3.5 Wnb Rugstreeppad Amfibieën Art. 3.5 Wnb Duinparelmoervlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Grote parelmoervlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Grote vos Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Kommavlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Gevlekte witsnuitlibel Libellen Art. 3.5 Wnb Gevlekt zonneroosje Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Glad biggenkruid Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Groenknolorchis Vaatplanten Art.
3.5 Wnb Rozenkransje Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) De zeezoogdieren zijn hier verder buiten beschouwing gelaten, werkzaamheden op het land zullen geen invloed hebben op in zee levende dieren. Naast de soorten genoemd in tabel 2, zijn er enkele soorten die slechts eenmalig zijn waargenomen op Texel. Dit zijn: meervleermuis, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, boommarter, steenmarter, lederschildpad, muurhagedis, zandhagedis, sierlijke witsnuitlibel, akkerboterbloem en grote leeuwenklauw. Er kan van uit worden gegaan dat deze soorten van nature niet (meer) voorkomen op Texel.
5.2 Nationale Databank Flora en Fauna De Nationale Databank Flora en Fauna bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van plantenen diersoorten. Er zijn ruim honderd miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit deze nationale databank komen de navolgende gevalideerde gegevens naar voren voor het plangebied. In bijlage 8.2 staan de waarnemingen van habitatrichtlijnsoorten voor de omgeving (circa 1 kilometer) rondom het plangebied weergegeven. De waarnemingen van vogels in de NDFF komen in paragraaf 5.8 aan bod. De database is geraadpleegd op 31 augustus 2023.
Rapport 2023-52
15 Er is binnen honderd meter van de planlocatie één waarneming bekend in de NDFF van een beschermde soort, namelijk 1 duinparelmoervlinder.
Figuur 6. Gegevens habitatrichtlijnsoorten uit de NDFF. Tabel 3. Resultaten NDFF Habitatrichtlijnsoorten. Nederlandse naam N-waarnemingen Duinparelmoervlinder 1
N-min 1
N-max 1
Laatste datum 26-jun-21
5.3 Vleermuizen Het is aannemelijk dat alle Texelse soorten, dus de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger, de planlocatie gebruiken om te foerageren. Uit eigen waarnemingen zijn, uit de iets verdere omgeving ook waarnemingen bekend deze soorten. Verblijfplaatsen Hoewel iedere soort specifieke voorkeuren voor verblijfplaatsen heeft, komt de seizoencyclus in verblijfplaatsen voor alle soorten overeen. Per seizoen kiezen vleermuizen verblijfplaatsen voor een andere functie: • winterslaapplaatsen • tussenverblijfplaatsen • zomerverblijfplaatsen (niet-kraamverblijfplaatsen) • kraamverblijfplaatsen • paarverblijfplaatsen met territorium • zwermlocaties: ‘verblijfplaatsen’ met centrale zwermfunctie De gewone dwergvleermuis vindt zowel ’s zomers als ’s winters een verblijfplaats in gebouwen. Er zijn geen winterverblijfplaatsen van enige omvang bekend op Texel. De ruige dwergvleermuis is zowel gebouw-als boombewoner waarbij hij gebruikmaakt van holtes en ruimtes onder de schors. Ook worden wel nestkasten gebruikt.
Rapport 2023-52
16 Bij de laatvlieger komen alleen verblijfplaatsen in gebouwen voor. Verblijfplaatsen in het plangebied In het plangebied zijnde een extensief beheerd graslandje met windsingels zijn geen mogelijkheden voor verblijfsplaatsen van vleermuizen. In de windsingel staan geen bomen die groot genoeg kunnen zijn voor holtes die als verblijfsplaats zouden kunnen functioneren. De bedrijfswoning blijft staan. Een effect op verblijfsplaatsen van vleermuizen door de ruimtelijke ontwikkeling is dan ook uitgesloten. Overige functies In het plangebied en omgeving zullen vleermuizen foerageren. Door de ruimtelijke ontwikkeling veranderd een deel van een foerageergebied, maar niet dusdanig dat dit hierdoor ongeschikt raakt. De directe werkzaamheden, zullen geen effect hebben op foeragerende vleermuizen, omdat de werkzaamheden bij daglicht worden uitgevoerd. De werkzaamheden zullen geen effect op vleermuizen hebben die mogelijk foerageren in de omgeving. Met de ruimtelijke ontwikkeling veranderd een klein gedeelte van een foerageergebied.
5.4 Grondgebonden zoogdieren Van de terrestrische zoogdiersoorten komt op Texel alleen de noordse woelmuis voor, die beschermd is onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Soorten die op Texel voorkomen en worden beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming zijn de hermelijn en de waterspitsmuis. Hiervoor geldt geen vrijstelling. Voor soorten als aardmuis, egel, haas, huisspitsmuis, en konijn geldt dat ze provinciaal zijn vrijgesteld. Onder de algemene zorgplicht is het nog steeds verboden ook deze soorten opzettelijk te doden. Noordse woelmuis De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Doordat de noordse woelmuis geen watervrees heeft, kan hij goed eilandjes bereiken, waar hij dan vaak als enige woelmuis voorkomt. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn, zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen, en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Tegenwoordig komt ook op Texel de aardmuis als concurrent voor. Die zorgt voor een extra bedreiging van de soort, vooral in de drogere gebieden.
Het voorkomen van de veldmuis is slechts bekend van een zeer beperkt aantal braakballen. Noordse woelmuizen mijden door struiken en bomen overheerste begroeiingen. Sporen van woelmuizen in dit habitattype duiden op rosse woelmuizen. Binnen 100 meter van het plangebied zijn er geen waarnemingen bekend van noordse woelmuizen; binnen 1 kilometer is dat voor de laatste 10 jaar maar 1 waarneming. (zie bijlage 8.2). het extensief beheerde grasland met windsingel is ongeschikt habitat voor noordse woelmuizen. Een effect van de ruimtelijke ontwikkeling op het voorkomen van noordse woelmuizen is uitgesloten.
Rapport 2023-52
17 Hermelijn Op heel Texel kunnen hermelijnen voorkomen, maar in zeer lage aantallen. De meeste waarnemingen zijn van het duingebied, en enkele van aangrenzende agrarische gebieden. De laatste tien jaar zijn er maar 25 hermelijnen waargenomen (nul tot zes waarnemingen per jaar). Waarschijnlijk staat de populatie onder druk door o.a. de concurrentie van verwilderde katten en verstoring door recreatie en loslopende honden. De planlocatie is grotendeels ongeschikt als habitat voor hermelijnen, nabij de windsingel is het incidenteel voorkomen niet volledig uit te sluiten. Een vaste verblijfsplaats of sporen zijn niet aangetroffen. Ook door het intensieve gebruik van de omgeving is het voorkomen vrijwel uitgesloten. Het voorkomen van verblijfsplaatsen van hermelijnen op de planlocatie is uitgesloten. Ook effect van verstoring is vrijwel uitgesloten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water, met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, bij natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden.
De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is, en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moeten de oevers voldoende schuilmogelijkheid hebben, zodat de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Het voorkomen binnen de planlocatie is uitgesloten door het ontbreken van water. Effecten op waterspitsmuizen zijn uitgesloten. Overige grondgebonden zoogdieren Van overige landzoogdieren zoals muizen, bruine rat, egel, haas en konijn zijn kleine aantallen te verwachten. Naast de algemene zorgplicht hebben de soorten bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is.
5.5 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën Er zijn binnen 1 kilometer van de planlocatie 36 waarnemingen bekend van rugstreeppadden, en 1 waarneming van een heikikker en 1 waarneming van een poelkikker. Verder zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën. Er liggen dan ook natte duinvalleien binnen 1 kilometer van het plangebied. Rugstreeppad Rugstreeppadden kunnen ook van tijdelijk geschikt habitat, zoals open zand met regenplassen, gebruikmaken. Ook kunnen ze over lange afstanden trekken (tot ongeveer 300 meter per dag). Met name vanwege de trek van rugstreeppadden naar overwinteringsgebieden in september/oktober, en naar voortplantingswateren in april/mei, dient vestiging van rugstreeppadden tijdens werkzaamheden voorkomen te worden. De trek vindt ’s nachts plaats, vooral bij regenachtig weer. De planlocatie zijnde een extensief beheerd graslandje is ongeschikt als habitat. Ook het tijdelijk voorkomen van de rugstreeppad is vrijwel uitgesloten. Buiten het duingebied worden er nog nauwelijks rugstreeppadden waargenomen. Een effect op rugstreeppadden of verstoring van individuen is uitgesloten.
Rapport 2023-52
18 Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en half-natuurlijk grasland met poelen. De soort is duidelijk een cultuur vliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Heikikkers overwinteren op vorstvrije plaatsen op het land van eind oktober tot begin maart. In tegenstelling tot de bruine kikker overwintert de heikikker nagenoeg niet in het water. Het terrein met de huidige inrichting is ongeschikt als habitat voor de heikikker, en dat geldt zeker voor het werkgebied. Uit recent onderzoek is gebleken dat in zelfs in het kerngebied voor heikikkers, de duinen, het slecht gaat met de heikikkers. Van de vele bekende plekken waren alleen de omgeving van De Muy en De Geul nog bezet. Voorkomen elders op het eiland, zoals ook de omgeving van de planlocatie is gedateerd (meer dan 10 jaar geleden), betreft vaak een enkel exemplaar. De planlocatie is ongeschikt voor heikikkers. Effecten op deze soort zijn uitgesloten. Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor nietbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water.
Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Overwintering vindt plaats op het land. Op Texel zijn slechts zeven waarnemingen van poelkikkers bekend, maar dan wel gelijk 10 tot 25 exemplaren. De waarnemingen zijn niet bekend van de omgeving van het plangebied. Effecten op poelkikkers zijn door het ontbreken van water uitgesloten. Reptielen Met uitzondering van een bevestigde waarneming van een muurhagedis in 2014 in Den Burg, en een bevestigde waarneming van een vrouwtje zandhagedis in 2016 aan de Biesbosweg (bosrand nabij Westerslag), komen op Texel geen reptielen voor. De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen. Reptielen komen van nature niet voor op Texel. Vissen Geen van de beschermde zoetwater vissoorten is ooit op Texel waargenomen. Effecten op beschermde vissoorten is uitgesloten door het ontbreken van water.
5.6 Libellen en vlinders Libellen Ook binnen 1 kilometer van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde libellen. Van de beschermde libellensoorten is alleen de gevlekte witsnuitlibel een aantal keer waargenomen en één keer de sierlijke witsnuitlibel. Beide soorten lijken zich uit te breiden, maar zijn nog uiterst zeldzaam. Libellen zijn in ieder geval voor de voortplanting gebonden aan water. De planlocatie en de directe omgeving zijn ongeschikt habitat voor libellen. Effecten op beschermde soorten is daarmee uitgesloten.
Rapport 2023-52
19 Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan de voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Binnen 100 meter van de planlocatie is slechts 1 waarneming bekend van de duinparelmoervlinder. De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de periode dat imago’s actief zijn. Met grote duingebieden binnen 1 kilometer van het plangebied zijn er 22 waarnemingen van de duinparelmoervlinder, 2 van de grote parelmoervlinder, 1 van de grote vos en 5 van de kommavlinder bekend. Duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder De waardplanten van de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder zijn diverse soorten viooltjes, waarbij voor in de duinen op Texel het duinviooltje en het hondsviooltje het meest voorkomen. De habitat bestaat verder uit duingraslanden, droge heischrale graslanden op lemige bodems, blauwgraslanden en kalkgraslanden. De duinparelmoervlinder overwintert als ei en de grote parelmoervlinder als rups, in de strooisellaag binnen geschikt habitat zoals hiervoor beschreven. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Een effect op de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder zijn uitgesloten. Kommavlinder De waardplanten van de kommavlinder zijn kleine polletjes van schapengras; soms ook andere zwenkgrassen, buntgras en struisgras.
De habitat bestaat verder uit droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Een effect op de kommavlinder is uitgesloten. Grote vos De grote vos is een zeer zeldzame soort, waarvan voortplanting in 2019 na afwezigheid van 30 jaar weer is vastgesteld in Nederland. De soort is zwerflustig, waardoor deze op afwijkende plaatsen waargenomen kan worden. De waardplanten zijn vooral iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. De habitat bestaat uit vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie en directe omgeving. Een effect op de grote vos is uitgesloten.
5.7 Vaatplanten Binnen 1 kilometer rondom het plangebied zijn groeiplaatsen bekend van het gevlekte zonneroosje en van het glad biggenkruid gevonden. Verder zijn er in de nabijheid van de planlocatie geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten met actuele waarnemingen op Texel. Glad Biggenkruid Glad biggenkruid behoort tot de composietenfamilie. De gele bloemhoofdjes zijn 1-1½ cm en gaan alleen 's ochtends open. De gesloten hoofdjes zijn kegelvormig. De lintbloemen komen maar weinig buiten de binnenste omwindselbladen uit. Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond. De groeiplaatsen zijn akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (openplekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons).
Rapport 2023-52
20 Gevlekt zonneroosje De bloemen vormen samen ijle, meestal niet bebladerde schichten, die aan het eind van de bloei ongeveer half zo groot zijn als de hele plant. De kroonbladen zijn citroengeel. Bij de voet zit meestal een roodbruine vlek. De kroonbladen vallen snel af. Vijf kelkbladen, waarvan de buitenste twee kleiner zijn. Het gevlekt zonneroosje groeit op zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, neutrale tot zwak zure zandgrond en op stenige plaatsen. De groeiplaats zijn: zeeduinen (duinvalleien en glooiingen van lage duintjes) en kale rotsen. Groenknolorchis De groenknolorchis behoort tot de orchideeënfamilie. De groenknolorchis groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, iets open plaatsen (vaak enigszins verstoorde plekken) op vrij natte, voedselarme, zwak zure tot kalkhoudende grond (laagveen, venig zand, venig leem, min of meer humuszand en stenige grond). Vaak op plekken die in de winter zeer nat zijn of zelfs onder water kunnen staan. De groeiplaatsen zijn: zeeduinen (duinvalleien), afgravingen (kalk, zand- en grindgroeven), moerassen (trilvenen, kalkmoerassen, veenmosrietland en aan de rand van rietland), heide (op veenmoskussens in heidemoeras), opgespoten grond (zand), plekken waar turf gestoken is en grasland (beekdal-blauwgrasland). De soort groeit dus op Texel vooral in natte duinvalleien.
Rozenkransje Rozenkransje is een plant van lage, niet te dichte vegetaties met kort gras en dwergstruiken. In Nederland komen nog twee populaties van Rozenkransje voor, die zichzelf kunnen voortplanten: bij Bergen en op Schiermonnikoog. De overige vier resterende populaties bestaan alleen uit mannetjes of vrouwtjes, zodat deze gedoemd zijn te verdwijnen. De soort groeit op zonnige of zelden licht beschaduwde plaatsen op droge, matig voedselarme, niet bemeste, zwak zure, vaak licht betreden of begraasde grond (zand, lemig zand en leem). De groeiplaatsen zijn: zeeduinen (grazige plaatsen), heide (grazige plaatsen), grasland (laagblijvend grasland), ijl kruipwilgstruwelen en vrij open plekken met veel korstmossen. De planlocatie zijnde een extensief beheerd grasland met een windsingel, is ongeschikt als groeiplaats van bovengenoemde beschermde soorten. Een effect op beschermde vaatplanten is uitgesloten.
5.8 Vogels Broedvogels Op de planlocatie zijn alleen in de windsingel en de tuin van de bedrijfswoning broedvogels te verwachten. Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, zal er geen direct effect zijn op broedende vogels. Globaal kan de periode van 15 maart tot 1 augustus gehanteerd worden als broedseizoen. Werkzaamheden in deze periode kunnen het verlies van broedgevallen tot gevolg hebben. De planlocatie is ongeschikt voor soorten met een jaarrond beschermde nestplaats, deze zijn bij controle ook niet vastgesteld. In figuur 7 en tabel 4 staan de resultaten weergegeven uit de NDFF voor de vogelrichtlijnsoorten. Tabel 4. Resultaten NDFF Vogelrichtlijnsoorten. Nederlandse naam N-waarnemingen Braamsluiper 10 Fitis 1 Fuut 4 Groenling 1
Rapport 2023-52
N-min 1 1 1 1
N-max 1 1 2 1
Laatste datum 21-mei-23 10-jun-22 02-mei-21 24-apr-21
21 Heggenmus Houtduif Houtsnip Huismus Kleine karekiet Meerkoet Roodborst Tjiftjaf Tuinfluiter Turkse tortel Vink Winterkoning Witte kwikstaart Zanglijster Zwartkop
6 2 1 1 2 2 4 6 1 1 2 1 1 3 3
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 16 1 1
1 1 1 1 1 1 1 2 1 1 1 1 16 1 2
22-mrt-23 20-mrt-23 13-jun-19 19-mrt-23 17-jul-21 11-jun-21 21-mrt-23 17-apr-23 21-mei-23 18-mrt-23 20-mrt-23 20-mrt-23 30-sep-18 20-mrt-23 17-apr-21
Figuur 7. Gegevens vogels uit de NDFF. Op de planlocatie worden geen broedende vogels verstoord als er buiten het broedseizoen gewerkt wordt. Ook zijn er geen nestplaatsen met een jaarrond beschermde nestplaats aangetroffen. Slaapplaatsen Er zijn geen waarnemingen of andere aanwijzingen dat het plangebied als slaapplaats gebruikt wordt. Een effect op slaapplaatsen is uitgesloten.
Rapport 2023-52
22 6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 6.1 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden Het plangebied ligt op ca. 700 meter van het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel, 1 kilometer van Natura 2000-gebied Noordzeekustzone en 8 kilometer van het Natura 2000gebied Waddenzee. Daarnaast ligt het plangebied ook op 130 meter van het dichtstbijzijnde NNN-gebied.
Figuur 8. Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Met rode pijl aanwijzing van het plangebied.
Figuur 9. Ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland (NNN). Met rode pijl aanwijzing van het plangebied.
6.2 Gebiedsbeschrijving Duinen en Lage Land Texel Het deelgebied Duinen Texel wordt landschappelijk gekenmerkt door een uitgestrekt duingebied met daarbinnen een kweldergebied (Slufter). Het noordelijk en het zuidelijk gedeelte behoorden oorspronkelijk tot twee verschillende eilanden; het oorspronkelijke Texel en Eijerland.
Rapport 2023-52
23 Ten westen van de stuifdijk die sinds 1629 de voormalige eilanden verbindt, ligt een oude strandvlakte met een reeks grote valleien. Het deel ten noorden van de Slufter (Eierlandse Duinen) omvat oude duinen met graslanden en heide, het zuidelijke deel is gevarieerder met zowel oude als jonge duingebieden. In het gebied is een grote diversiteit aan duinvalleien aanwezig. Aan de zuidrand ligt een grote zandplaat, de Hors, die hoort bij het Natura 2000-gebied Waddenzee. In de Westerduinen zijn naaldbossen aanwezig. Binnen de begrenzing van het gebied vallen ook de Hanenplas, met duinen, duinvalleien, duingraslanden, struwelen en ruigten en de eendenkooi Korverskooi. Daarnaast behoren ook een aantal poldergebieden in het lage land van Texel tot de begrenzing. Dit zijn kreekrestanten met rietkragen, moerassen en graslanden.
6.3 Effectenindicator Met behulp van de effectenindicator kan een verkenning worden uitgevoerd naar kansen op mogelijke significante effecten. De effectenindicator geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. Dit is gebaseerd op absolute getallen voor biotische randvoorwaarden en kennis van ruimtelijke randvoorwaarden. Het gaat om een indicatie; voor specifieke informatie over schadelijke effecten en de significantie hiervan is maatwerk nodig. Zie voor uitgebreidere informatie Bijlage F. Voor de activiteit “woningbouw” die de geplande werkzaamheden het dichtst benaderd kan er sprake zijn van de volgende storingsfactoren: 1. oppervlakteverlies 2. versnippering leefgebied 3. verzuring door N-depositie uit de lucht 4. vermesting door n-depositie uit de lucht 7. verontreiniging 8. verdroging 13. verstoring door geluid 14. verstoring door licht 15. verstoring door trilling 16. optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten
6.4 Effectbepaling op Duinen en Lage Land Texel 6.4.1 Beschrijving mogelijk effect op habitats Zoals vermeld in hoofdstuk 2 en 4 hebben niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden beïnvloeden. Bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Omdat werkzaamheden vergelijkbaar zijn op beide planlocaties zullen eventuele effecten ook gelijk zijn. Per factor wordt beoordeeld in welke mate deze van toepassing is. De factoren zijn genummerd volgens de door SynbioSys.alterra 3 gebruikte systematiek. 3
SynBioSys is de afkorting van ‘Syntaxonomisch Biologisch Systeem’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de basis van dit programma wordt gevormd door het niveau van de levensgemeenschap. Om een breed scala aan
Rapport 2023-52
24 Om de effecten juist te interpreteren, zijn de factoromschrijvingen van Effectenindicator overgenomen. 1. Oppervlakteverlies Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratie- of vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit functionele leefomgeving. Het plangebied valt buiten het Natura 2000-gebied. De ruimtelijke ontwikkeling zal niet lijden tot verlies van oppervlakte. Een effect door de storingsfactor oppervlakteverlies is uitgesloten. 2. Versnippering leefgebied Van versnippering is sprake als de verschillende leefgebieden van een netwerk niet meer door soorten te bereiken zijn. Dat kan door aanleg van droge of natte infrastructuur, zoals een weg of een kanaal. Ook door het verdwijnen van leefgebied (factor 1) kan versnippering optreden. De ruimtelijke ontwikkeling zal geen versnippering van leefgebied tot gevolg hebben voor het Natura 2000-gebied. Een effect van de storingsfactor versnippering is uitgesloten. 3. Verzuring door stikstof uit de lucht Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)).
Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Stikstofdepositie wordt in een later stadium met behulp van de Aerius calculator verder uitgewerkt. 4. Vermesting door stikstof uit de lucht Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Stikstofdepositie wordt in een later stadium met behulp van de Aerius calculator verder uitgewerkt. 7. Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling, geneesmiddelen etc. Deze stoffen werken in op bodem, grondwater, lucht. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van ecosysteem / gebiedsvreemde stoffen in het Natura 2000-gebied. Een effect van de storingsfactor verontreiniging is uitgesloten.
8. Verdroging Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand.
biologische informatie toegankelijk te maken worden classificatiesystemen ingezet op het niveau van de plantengemeenschap, het landschap en de soort. Hieraan zijn drie andere indelingen toegevoegd, de vegetatietypologie van Staatsbosbeheer, de Natura 2000-habitattypen en de Index-NL. Van belang is dat de verschillende lagen onderling gekoppeld zijn. Bron: Wageningen University & Research.
Rapport 2023-52
25 De werkzaamheden hebben geen enkele invloed op de waterhuishouding van het Natura 2000-gebied. Een effect van de storingsfactor verdroging is uitgesloten. 13. Verstoring door geluid Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen. Permanent, zoals geluid van wegverkeer, of tijdelijk, zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. De storingsfactor geluid wordt bij de bouwwerkzaamheden veroorzaakt door de inzet van machines en het wegverkeer. Over het algemeen is geluid door bouw- en sloopactiviteiten afhankelijk van het materieel, de locatie en omgeving, de duur van de werkzaamheden en het tijdstip op de dag. Tijdens de werkzaamheden kunnen piekbelastingen van 104 decibel voorkomen. Deze piekbelastingen nemen in afstand tot de bron al snel af tot een aanvaardbaar niveau. De werkzaamheden zal leiden tot piekbelastingen tot 104 decibel (A). Deze piekbelastingen zijn van zeer korte duur en nemen op enige afstand al af tot een aanvaardbaar niveau. Een effect van de storingsfactor geluid op de instandhoudingsdoelstellingen is uitgesloten. 14. Verstoring door licht Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen. Of, zoals mogelijk in dit geval, tijdens het plaatsen van de overkapping als er werkzaamheden voor zonsopkomst of na zonsondergang zullen plaatvinden.
Met name schemer- en nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij aangetrokken of juist verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of worden verlichte delen van het leefgebied vermeden. De werkzaamheden worden bij daglicht uitgevoerd, waardoor het niet nodig is om kunstlicht buiten te gebruiken. Omdat geen kunstmatig licht gebruikt zal worden, is een effect van de storingsfactor licht op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. 15. Verstoring door trilling Er is sprake van trillingen in bodem en water als die door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. In dit geval wordt alleen met een mobiele kraan gegraven, zodat geen meetbare trilling ontstaan. Een effect van trilling veroorzaakt door de werkzaamheden is uitgesloten. Daarmee is ook een effect op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. 16. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. De bouwwerkzaamheden zullen niet tot een dusdanige optische verstoring leiden dat er een effect zal optreden dat van invloed is op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura2000 gebied: effecten door optische verstoring zijn uitgesloten. 17.
Verstoring door mechanische effecten Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Er zijn geen mechanische effecten te verwachten op het Natura-2000 gebied. Effecten op soorten en instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten.
Rapport 2023-52
26 6.4.2 Effecten op habitatrichtlijnsoorten Zowel de noordse woelmuis (zie voor beschrijving 5.4) als ook de groenknolorchis (beschrijving in 5.7) zijn aangewezen soorten in het kader van de habitatrichtlijn. Noordse woelmuis De noordse woelmuis is meer een soort van natte duinvalleien en andere natte gebieden dan de omgeving rondom de planlocaties. Daarnaast is de planlocatie zelf niet geschikt als habitat. Het is uitgesloten dat er noordse woelmuizen voorkomen op de planlocatie, zijnde een extensief beheerd grasland met windsingel. Een effect van de werkzaamheden op het voorkomen binnen het Natura 2000-gebied is uitgesloten. Groenknolorchis De soort groeit dus op Texel vooral in natte duinvalleien. De planlocatie vormt geen geschikte groeiplaats voor deze soort. Ook de directe omgeving is hiervoor niet geschikt. Een effect op deze soort binnen het Natura-2000 gebied is hiermee uitgesloten.
6.4.3 Effecten op vogelrichtlijnsoorten Vogelrichtlijn; Broedvogels In het kader van de vogelrichtlijn zijn de onderstaande soorten aangewezen. Criterium hierbij is dat meer dan een procent van de landelijke populatie broedt in het aangewezen gebied. Dit is van toepassing op: A021 roerdomp, A034 lepelaar, A063 eider, A081 bruine kiekendief, A082 blauwe kiekendief, A132 kluut, A137 bontbekplevier, A183 kleine mantelmeeuw, A195 dwergstern, A276 roodborsttapuit, A277 tapuit. Er wordt buiten het broedseizoen gestart met de werkzaamheden. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden afstand op broedvogels binnen het Natura 2000-gebied is gezien de afstand uitgesloten. Vogelrichtlijn; Niet broedvogels Tot slot is een aantal soorten aangewezen vanwege het belang als foerageer- of rustgebied. Dit betreft: A021 roerdomp, A034 lepelaar, A132 kluut, A063 eider en A137 bontbekplevier. Aangewezen soorten hebben op de planlocatie en binnen 1 kilometer van de planlocatie geen foerageer- of rustgebied. Een effect van de werkzaamheden is dan ook uitgesloten.
6.5 Effectbepaling overige Natura-2000 gebieden Gezien de afstand van 1 kilometer van Natura 2000-gebied Noordzeekustzone en 8 kilometer van het Natura 2000-gebied Waddenzee, zijn effecten door de relatief kleinschalige werkzaamheden uitgesloten. Effecten op andere Natura 2000-gebieden is uitgesloten.
6.6 Effectbepaling houtopstanden Er is sprake van de kap van de windsingel waarin de beplanting niet classificeren als boom. Daarnaast blijft deze kap ver onder de norm van 1000 m2. De kap blijft ver onder de norm van 1000m2. Hiermee is verdere toetsing niet nodig.
Rapport 2023-52
27 6.7 Natuur Netwerk Nederland (NNN) De planlocatie ligt op 130 meter van het Natuur Netwerk Nederland. De ruimtelijke ontwikkeling zal geen aantasting geven van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied. Er zal door de ruimtelijke ontwikkeling geen aantasting zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing is niet nodig.
Rapport 2023-52
28 7. CONCLUSIES Noordkop Groen heeft van Tuin Projectontwikkeling BV de opdracht gekregen voor het uitvoeren van een natuurtoets Wet natuurbescherming voor de ruimtelijke ontwikkeling van aan het Stappeland te De Koog op het eiland Texel. De ruimtelijke ontwikkeling omvat de realisatie van 38 woningen. Van de 38 beoogde woningen wordt een derde sociaal, een derde middelduur en een derde vrije sector. De opzet van het plan is ruim in een groene omgeving, waarbij de inrichting autoluw is. Het parkeren zal aan de rand van het terrein in “parkeerkoffers” zijn. De huidige bedrijfswoning zal blijven staan en een woonbestemming krijgen. De planning is om te starten met de realisatie in de winter 2024/2025. Onderstaand zijn de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat. Een nadere onderbouwing is in de betreffende hoofdstukken te vinden.
7.1 Soortbescherming Voor de volgende beschermde soortgroepen is een effect van de werkzaamheden uitgesloten: Vleermuizen Dagvlinders Grondgebonden zoogdieren Libellen Amfibieën Vaatplanten Reptielen Vogels Vissen Ontheffing Wet natuurbescherming Er is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming soorten nodig voor de uitvoering van de beschreven ruimtelijke ontwikkeling.
7.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Gezien de afstand tot de Natura-2000 gebieden zijn effecten door de relatief kleinschalige werkzaamheden uitgesloten. Natuur Netwerk Nederland Er zal door de werkzaamheden geen aantasting zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Verdere toetsing is niet nodig. Vergunning Wet natuurbescherming Er is geen vergunning Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming nodig voor de geplande werkzaamheden. Noordkop Groen,
Ing. M.L. de Jong
Rapport 2023-52
Den Helder, 31 augustus 2023
29 8. BIJLAGEN BIJLAGE 8.1 GERAADPLEEGDE BRONNEN Wet natuurbescherming: http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Aanhef https://www.ODnhn.nl/Wet_natuurbescherming http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&hoofdstuk=3&z=2017-09-01&g=2017-0901 (Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3 Soorten) Natura 2000 : https://www.natura2000.nl/ https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Toetsing %20huidige%20activiteiten_Texel.pdf https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Bestaan d_gebruik_tabellen_Texel.pdf https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten Ruimtelijke ordening: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/ https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/index.html https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten Soorten: https://www.landschapnoordholland.nl/files/2018-07/Weidevogelmonitor%20Texel% 202015.pdf Herder, J.E. (red.) 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting Ravon, Nijmegen. Herder, J.E., J. Kranenbarg, D.M. Hoogeboom, J. Hamers & K. Dekker (red.), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting Ravon, Nijmegen. Hoogeboom D.M., F. Visbeen, J. Wongergem, W.
Ruitenbeek (red.) 2014. Atlas van de NoordHollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. Scharringa, C.J.G., W. Ruitenbeek, P.J. Zomerdijk, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland & Landschap Noord-Holland, Heiloo.
Rapport 2023-52
30 BIJLAGE 8.2 Resultaten Habitatrichtlijn soorten NDFF tot op circa 1 kilometer in de laatste 10 jaar.
Nederlandse naam Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Noordse woelmuis Heikikker Poelkikker Rugstreeppad Duinparelmoervlinder Grote parelmoervlinder Grote vos Kommavlinder Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid
N-waarnemingen 11 6 12 1 1 1 36 22 2 1 5 77 12
N-Min 1 1 1 12 1 10 * 1 1 1 1 1 1
N-max 1 1 1 12 1 10 50 3 1 1 4 la4 51
Laatste datum 22-okt-22 22-jul-22 16-okt-21 01-jan-15 05-aug-20 16-jun-15 31-jul-23 26-jul-23 07-jul-23 23-mrt-23 25-jul-22 12-aug-23 01-jun-23
Nb. NDFF is geraadpleegd op 31 augustus 2023, zeezoogdieren zijn buiten beschouwing gelaten. Nb2. Uit eigen onderzoek zijn op 8 augustus 2023 nog recentere waarnemingen van Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en Ruige dwergvleermuis gedaan.
Rapport 2023-52
31 BIJLAGE 8.3 Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3 Soorten § 3.1. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.2 1. Het is verboden vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of uit deze vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of ten verkoop aan te bieden. 2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel B, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verkoop, het vervoer voor verkoop, het onder zich hebben voor verkoop of het ten verkoop aanbieden van vogels van soorten, aangewezen op grond van het derde lid, en delen of producten van die vogels. 5. Een vogelsoort wordt op grond van het derde lid uitsluitend aangewezen, indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd overeenkomstig regels als bedoeld in het vierde lid, er niet toe leiden dat het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soort in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. 6.
Het is verboden, anders dan voor verkoop, vogels, delen of producten als bedoeld in het eerste lid, onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij deze vogels, delen of producten aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen.
Rapport 2023-52
32 § 3.2. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.6 1. Het is verboden dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, onder zich te hebben voor verkoop, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden. 2.
Het is verboden, anders dan voor verkoop, dieren of planten als bedoeld in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren. 3. De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing ingeval de in dat lid bedoelde dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt. § 3.3. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
Rapport 2023-52
33 f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Rapport 2023-52
34 BIJLAGE 8.4 Besluit Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen: het op de bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam: Duinen en Lage Land Texel. 2. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: Voor het Natura 2000gebied Duinen en Lage Land Texel zijn voor de volgende habitats instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, De prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1140 Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten H1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp.
en andere zoutminnende soorten H1330 Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) H2110 Embryonale wandelende duinen H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) H2130 *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) H2140 *Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum H2150 *Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides H2170 Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae) H2180 Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied H2190 Vochtige duinvalleien H7210 *Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae 3. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1340 *Noordse woelmuis H1903 Groenknolorchis Artikel 2 Het besluit tot aanwijzing van het gebied Duinen Texel als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) van 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II; Stcrt. 2005, nr. 69) wordt als volgt gewijzigd: a.
het aangewezen gebied wordt op de in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dit besluit beschreven wijze gewijzigd; b. de Nota van toelichting met uitzondering van de paragrafen 3.2, 4.1, 4.2 en 4.3 wordt ingetrokken en vervangen door de Nota van toelichting, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dit besluit;
Rapport 2023-52
35 c. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A021 Roerdomp; A034 Lepelaar; A081 Bruine kiekendief; A082 Blauwe kiekendief; A132 Kluut; A195 Dwergstern; A222 Velduil. d. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A063 Eider; A137 Bontbekplevier; A183 Kleine mantelmeeuw; A276 Roodborsttapuit; A277 Tapuit.
Rapport 2023-52
36 BIJLAGE 8.5 Storingsfactoren effectenindicator “woningbouw”
Rapport 2023-52
37 1. Oppervlakteverlies • Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratieof vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit: functionele leefomgeving. • Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Door verlies van leefgebied kan ook sprake zijn van storende factor 0. • Gevolg: Afname van het beschikbaar oppervlak foerageergebied of migratieroutes, kan ertoe leiden dat de soort zijn vaste voortplantings- rust- of verblijfplaats verlaat, waardoor de functionaliteit hiervan in het geding is. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat foerageergrond van de roek verdwijnt waardoor de afstand tot de broedlocaties toeneemt en de soort gedwongen is om te verhuizen Door afname van het beschikbare oppervlak leefgebied neemt ook het aantal individuen van een soort af, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan komen.