Bijlage 1. Financiele verordening 2025
Tekst van het document
Financieringsfunctie Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling dat de Financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 20 geeft aan dat de raad een nota treasury statuut vaststelt op het moment dat actualisatie hiervoor noodzakelijk is, met daarin opgenomen de regels en de algemene doelstelling, te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.
Hoofdstuk 4. Paragrafen Het BBV geeft in de artikelen 21 tot en met 28 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet staan. In de Financiële verordening kan de raad bepalen dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd. Hoofdstuk 4 van de Financiële verordening geeft hier invulling aan. Artikel 21. Verplichte paragrafen In de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte jaarstukken op die worden voorgeschreven in het Besluit begroting en verantwoording. De raad kan echter bepalen dat hij ook over aanvullende zaken in de paragraaf wil worden geïnformeerd.
Artikel 22. Lokale heffingen In het BBV staat in artikel 10 welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van de overheadkosten aan de verschillende rechten, leges en heffingen in beeld te brengen. Artikel 23. Financiering In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet bevatten. In aanvulling daarop is in dit artikel de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Artikel 24. Weerstandsvermogen & risicobeheersing In het BBV staat in artikel 11 welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.
Er is opgenomen dat de raad voor het vormen van een oordeel over het weerstandsvermogen in deze paragraaf ook wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van volgende kengetallen: de netto schuld per inwoner, de solvabiliteitsratio, structurele ruimte, grondexploitatie en belastingcapaciteit in relatie tot andere gemeenten. De ontwikkeling van het saldo van baten en lasten als aandeel van de inkomsten en over de onbenutte belastingcapaciteit als aandeel van de inkomsten. Met deze aanvulling op de wettelijk verplichte financiële kengetallen komt de set financiële kengetallen overeen met die van www.waarstaatjegemeente.nl. In het tweede lid, wordt aangegeven dat het college bij de programmabegroting en programmarekening een risico-inventarisatie uit laat voeren. Bij de programmarekening wordt door het college verantwoording over de risico’s afgelegd. In het vierde lid wordt aangegeven dat het college de raad een geactualiseerde nota risicomanagement aanbiedt als hier aanleiding voor is. Artikel 25. Onderhoud kapitaalgoederen In het BBV staat in artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. In het eerste lid wordt de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf geformuleerd.
Het tweede, derde en vierde lid bevatten bepalingen waaruit volgt dat het college ten minste eens in de vier jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over respectievelijk het onderhoud openbare ruimte, het onderhoud riolering en het onderhoud gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen. Artikel 26. Bedrijfsvoering In de paragraaf bedrijfsvoering wordt er elk jaar enkele malen ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen binnen de gemeentelijke bedrijfsvoering. Bij de begroting en of de jaarstukken neemt het college, naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, in ieder geval op: a. de organisatieontwikkeling; b. de onderzoeken art.213a. In de programmabegroting wordt opgenomen welke onderzoeken in het betreffende begrotingsjaar worden uitgevoerd (onderzoeken doelmatig- en doeltreffendheid). De gemeenteraad kan ideeën voor deze onderzoeken onder de aandacht van het college brengen (via de Auditcommissie). e. de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten; f. de kosten van inhuur derden;
g. rechtmatigheid h. geconstateerde fraude Artikel 27. Verbonden partijen In het BBV staat in artikel 15 welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet bevatten. In dit artikel is deze aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Artikel 28. Grondbeleid In het BBV staat in artikel 16 welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten. In het eerste lid van artikel 23 is ook de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. In het tweede lid is opgenomen dat het college de raad een nota grondbeleid aanbiedt als het noodzakelijk is dat deze moet worden geactualiseerd. De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden; c. het grondprijzenbeleid, waaronder de vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. Artikel 29. Administratie Onder artikel 29 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging ervan moeten voldoen. Artikel 30.
Financiële organisatie Artikel 30 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie. Dit blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. Artikel 30 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het collegebeleid en interne regels moet opstellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand dat het college een organisatiebesluit en een treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding wordt een notitie door het college opgesteld en aan de raad aangeboden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen.
Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening. Artikel 31. Interne controle In het eerste lid is opgenomen dat de accountant jaarlijks toetst of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën. Het eerste lid draagt burgemeester en wethouders op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.
Het tweede lid bepaalt dat burgemeester en wethouders maatregelen treffen zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiële bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. Eens in de vier jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit Artikel 32. Intrekken oude verordening en overgangsrecht Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar t en later. Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel Met ingang van 1 januari 2017 gelden, vanwege de wijzigingen van het BBV, andere bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met maatschappelijk nut.
In het tweede lid van artikel 27 is een overgangsbepaling opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht. Vaststelling Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend (eerste lid artikel 75 van de Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De Financiële verordening moet worden gepubliceerd. Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de Gemeentewet (artikel 215 van de Gemeentewet).
Bijlage 1 - Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 9 Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in: a. maximaal 40 jaar: bijdragen aan activa in eigendom van derden. b. maximaal 5 jaar: Onderzoek en ontwikkeling Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. De afschrijving start aan het begin van het volgende jaar bij ingebruikname. Deze wijziging gaat in voor activa die wordt opgeleverd vanaf 1 januari 2026. Als geen afschrijvingstermijn is opgenomen voor een activa aanschaf, wordt uitgegaan van de economische levensduur. De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in: a) 15-25 jaar: aanleg tijdelijke terreinwerken; b) 50 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen; c) 40 jaar: nieuwbouw kantoren, sporthallen en bedrijfsgebouwen; d) 30 jaar: zwembaden e) 25 jaar: semi-permanente opstallen; f)
15-20 jaar: noodgebouwen
g) 25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, en schoolgebouwen; h) 25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren en bedrijfsgebouwen; i)
15-20 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen;
j)
10 jaar: veiligheidsvoorzieningen in bedrijfsgebouwen;
k) 6 jaar: telefooninstallaties; l)
4 jaar: tablets;
m) 3 jaar: mobiele telefoon; n) 5 jaar: automatiseringsapparatuur zoals computer, laptop, Wifi, servers en ICT omgeving; o) 5-10 jaar: software (initiële kosten); p) 10 jaar: kantoormeubilair; q) 8 jaar: motorvaartuigen; r)
10 jaar: zware transportmiddelen;
s)
8 jaar: aanhangwagens, personenauto’s en lichte motorvoertuigen;
t)
5-10 jaar; machines, apparaten en installaties;
u) 20 jaar: ondergrondse afvalcontainer.
Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in: a) 20 jaar: parken, sportvelden en groenvoorzieningen; b) 18 jaar: speelplaats; c) 40 jaar: Rehabilitatie wegen, pleinen en rotondes; d) 20 jaar: Reconstructie wegen, pleinen en rotondes; e) 60 jaar: tunnels, viaducten en bruggen; f)
15 jaar: geluidswallen;
g) 25 jaar: openbare verlichting; h) 10-15 jaar: straatmeubilair; i)
40 jaar: duikers;
j)
60 jaar: Riool, pompen, gemalen;
k) 15 jaar: Riool technische installaties