CConstaterende datTexel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. APV 2016 - tekst geconsolideerd - tm wijziging 4 (Ow)

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente TexelBij agendapunt: Wijzigen Algemene Plaatselijke Verordening in verband met invoeren Omgevingswet17.328 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Activiteitenbesluit

Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de

milieubeheer

inwerkingtreding van de Omgevingswet.

b. Collectieve festiviteit

Festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.

c. Gevoelige gebouwen

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

d. Gevoelige terreinen

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

e. Houder van een inrichting

Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft.

f. Incidentele festiviteit

Festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.

g. Inrichting

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer

h. Onversterkte muziek

Muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer dorpen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk één uur na het einde van de collectieve festiviteit beëindigd.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

3. 4. 5.

6.

7.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 uiterlijk één uur na het einde festiviteit beëindigd. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten [vervallen] Artikel 4:5 Onversterkte muziek [vervallen] Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan voor het gebruik van knalapparatuur voor het verjagen van vogels en wild algemene regels vaststellen waarin wordt opgenomen in welke gevallen het verbod niet van toepassing is. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen [vervallen] Artikel 4:8 Verbod op natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen [vervallen]

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

2.

a. Houtopstand

Hakhout, een houtwal of een of meer bomen.

b. Hakhout

Een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op bijlagen 1 en 2 (bomenlijsten). 2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

3.

4.

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege [vervallen]

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. [vervallen] Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [vervallen] Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame [vervallen]

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Afdeling 6. Landschap Artikel 4:20 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Constructie

Een bouwsel dat dient om een opschrift, aankondiging of afbeelding aan te bevestigen.

b. Zaak

Een perceel inclusief de onroerende zaken die zich daarop bevinden.

c. Omgevingsvergunning

Vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h en i, en artikel 2.2, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 4:21 Verbod en omgevingsvergunning 1. Het is buiten de bebouwde kom verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een zaak te gebruiken voor het aanbrengen of doen aanbrengen van opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, reclameobjecten of constructies, in welke vorm dan ook. 2. Het is buiten de bebouwde kom verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning als zakelijk gerechtigde of gebruiker van een zaak, het gebruik van die zaak toe te staan voor het aanbrengen of doen aanbrengen van opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, reclameobjecten of constructies, in welke vorm dan ook. 3. Een omgevingsvergunning kan slechts in het belang van de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van het landschap worden geweigerd of ingetrokken. 4. De voorschriften van een omgevingsvergunning kunnen worden gewijzigd in het belang van de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van het landschap. Artikel 4:22 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning De in artikel 7.6 van de Regeling omgevingsrecht opgenomen specifieke indieningsvereisten voor een aanvraag voor het maken of voeren van handelsreclame, zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 4:21, eerste en tweede lid, die niet het karakter van handelsreclame heeft.

Artikel 4:23 Toegestane opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, reclameobjecten en constructies 1. Het verbod in artikel 4:21 is niet van toepassing op: a. opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, reclameobjecten of constructies die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg of openbaar water; b. opschriften, aankondigingen, afbeeldingen of constructies in het belang van het openbaar verkeer; c. abri’s ten behoeve van het openbaar vervoer. 2. Het verbod in artikel 4:21 is voorts niet van toepassing op opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, reclameobjecten of constructies die: a. zijn aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting of op grond van een bij of krachtens enige wet toegekende bevoegdheid; b. betrekking hebben op de dienst die wordt verleend of het bedrijf of beroep dat wordt uitgeoefend op of in de zaak waaraan ze zijn bevestigd, mits niet meer dan één opschrift, aankondiging, afbeelding of object aan, op of in de zaak wordt aangebracht; c. aanbracht zijn op, aan of in een zaak en inhouden dat die zaak te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden, mits: 1. het aantal niet groter is dan twee per zaak; of 2. het aantal niet groter is dan één per vijf hectaren, indien het een zaak betreft die groter is dan tien hectaren en die als één geheel te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden; d.

eigennamen weergegeven zonder verdere toevoeging, die zijn aanbracht op, aan of in de zaak waarop zij betrekking hebben en kennelijk geen commercieel belang dienen; e. van tijdelijke aard zijn en betrekking hebben op een te houden openbare wedstrijd, manifestatie of evenement, mits hiervoor toestemming is verleend bij of krachtens de vergunning op grond van artikel 2:25. 3. Tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt, dienen de opschriften, aankondigingen, afbeeldingen en reclameobjecten bedoeld in het tweede lid: a. een oppervlak te hebben van maximaal 0,5 vierkante meter; b. een afmeting te hebben van maximaal 1,5 meter in één richting; c. indien niet aangebracht aan een gebouw, inclusief constructie, zich met het hoogste punt niet hoger dan 1,5 meter boven het maaiveld te bevinden. 4. Het verbod in artikel 4:21 is voorts niet van toepassing op opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, reclameobjecten of constructies die:

a. b. c.

d.

e.

dienstaankondigingen bevatten van het openbaar vervoer, met inbegrip van daarop met uitdrukkelijke toestemming van het openbaar vervoerbedrijf aangebrachte reclame; dienen voor de aanduiding van door of vanwege de overheid beheerde openbare voorzieningen; dienen ter openbaring van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits: 1. het oppervlak niet groter is dan 1 vierkante meter, en 2. het aantal niet meer dan twee per zaak bedraagt; van tijdelijke aard zijn en betrekking hebben op een werk in uitvoering van of namens de overheid, mits onmiddellijk bij het werk geplaatst en niet langer aanwezig dan uitvoering van het werk vereist; zich bevinden in het inwendige gedeelte van een gebouw, voor zover dit als winkel, toonzaal, hotel, café, restaurant, werkplaats of garage wordt gebruikt.

Afdeling 7. Flora en fauna Artikel 4:24 Vervoer en houden van bijen 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college bijen naar Texel te vervoeren. 2. Het is tevens verboden om zonder vergunning van het college bijen te houden. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning in ieder geval geweigerd als het voortbestaan van de Texelse zwarte honingbij (Apis mellifera mellifera) in gevaar komt of dreigt te komen. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 4:25 Bestrijding overlastgevende en gevaarlijke planten 1. De rechthebbende op gronden is verplicht deze te zuiveren van Akkerdistel (Cirsium arvense), Akkermelkdistel (Sonchus arvensis var. arvensis) en Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) voordat deze tot bloei komen en hinder en/of een gevaar kunnen vormen voor flora, fauna, de landbouw en/of vee op naastgelegen gronden. 2. De rechthebbende op gronden is verplicht deze te zuiveren van Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) en Japanse Duizendknoop (Fallopia japonica) als deze hinder en/of een gevaar kunnen vormen voor personen of hinder en/of een gevaar kunnen vormen voor flora, fauna, de landbouw en/of vee op naastgelegen gronden. 3.

Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien ingevolge de Omgevingswet. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de verplichtingen die zijn opgenomen in het eerste en tweede lid, waaronder mede wordt begrepen de wijze waarop de planten(resten) moeten worden afgevoerd. Artikel 4:26 Beheer en onderhoud gemeentelijke gronden 1. Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden om beheer- en onderhoudswerkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren aan bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, grasperken, wegbermen of waterlopen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien ingevolge de Wet Natuurbescherming. Artikel 4:27 Storten stoffen op gemeentelijke gronden 1. Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden om slootruigte, slootbagger en andere stoffen en voorwerpen die voortkomen uit beheer- en onderhoudswerkzaamheden te storten of op te slaan in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, grasperken of wegbermen. 2. Het verbod is niet van toepassing als de in het eerste lid bedoelde stoffen onmiddellijk na de beheeren onderhoudswerkzaamheden worden verwijderd. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien ingevolge de Wet Natuurbescherming.

Afdeling 8. Ballonnen Artikel 4:28 Ballonverbod 1. Onder een ballon wordt verstaan elke onbemande ballon, niet zijnde een luchtvaartuig, die door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst, waarbij de richting en/of hoogte van de ballon niet door menselijk ingrijpen kan worden bepaald. 2. Het is verboden een ballon op te laten of in de lucht te brengen.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 Begripsbepalingen [vervallen] Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens, e.a. 1. Het is verboden een aanhangwagen en een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. 3. 4.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan 3 achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.

Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5:10 [vervallen] Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c.

voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring; of b. door een instelling met een CBF keurmerk. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Venten Artikel 5:14 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. Artikel 5:15 Ventverbod 1. Het is verboden te venten: a. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen en uren; b. op het strand. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b.

het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste en vierde lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken verboden op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting [vervallen]

Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. wegens strijd met het omgevingsplan; of b. als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. als een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht [vervallen]

Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5:22 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen. 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd met het omgevingsplan.

Afdeling 6. Veiligheid op openbaar water en langs de kust en bescherming van flora en fauna op en aan de kust Artikel 5:24 Definities en uitzonderingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. de kust: • het strand; • de duinen, de dijken en andere gronden, voor zover deze direct grenzen aan openbaar water; waaronder begrepen het eiland Noorderhaaks of Razende Bol. b. drijvend voorwerp: een luchtbed, een luchtkussen, een opblaasbare band of enig ander voorwerp dat als drijfmiddel kan worden gebruikt, uitgezonderd drijfmiddelen die aan het lichaam van een persoon zijn aangebracht voor de veiligheid van die persoon. c. vaartuig: alle schepen en vaartuigen, inclusief vaartuigen van geringe afmetingen en zeer lichte constructie zoals catamarans, zeil- of surfplanken, kleine rubberboten en dergelijke; 2. De bepalingen in deze afdeling zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, de Binnenschepenwet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Wetboek van Strafrecht, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet, de Havenverordening en alle op voornoemde wetten gebaseerde verordeningen en besluiten. Artikel 5:25 Vaartuigen en watersport 1. Het is verboden om een vaartuig vanaf land of vanuit openbaar water op de kust te brengen of te hebben. 2.

Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen in gebruik bij de politie, land-, lucht- of zeemacht, de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij, de reddingsbrigade(s) en de strandvonderij. 3. Het college kan gebieden aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is en het college kan daarvoor nadere regels vaststellen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:26 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 5:27 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:28 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5:29 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het is verboden zich met een drijvend voorwerp in openbaar water te begeven of te bevinden. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 5:30 Overlast aan vaartuigen 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel 5:31 Kitesurfen, vliegeren en strandzeilen 1. Het is verboden op openbaar water of aan de kust te varen met een door een vlieger voortbewogen (zeil)plank (kitesurfen). 2.

Het is verboden op of aan de kust vliegers op te laten die bestuurbaar zijn door twee of meer stuurlijnen, hieronder wordt mede begrepen het oplaten van vliegers waarmee een (klein) voertuig of een (kleine) wagen kan worden voortbewogen. 3. Het is verboden op de kust te komen met een voertuig of een wagen die is voorzien van een zeil of een doek om daarmee het voertuig of de wagen voort te (laten) bewegen (strandzeilen). 4. Het college kan gebieden aanwijzen waar de verboden bedoeld in het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn en het college kan daarvoor nadere regels vaststellen. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Artikel 5:31a Rijden op het strand 1. Het is een bestuurder van een voertuig, niet zijnde een fiets, verboden om met dit voertuig op het strand te rijden of dit voertuig op het strand te parkeren. 2. Het is verboden om in de periode van 1 mei tot 1 oktober op het strand paard te rijden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden in het eerste en tweede lid. 4. Het college kan gebieden aanwijzen waar het verbod in het tweede lid niet van toepassing is en het college kan daarvoor nadere regels vaststellen. Artikel 5:31b Staand want vissen 1. In dit artikel wordt onder vistuig van het type staand want verstaan hetgeen in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Visserij daaronder wordt verstaan. 2.

Het gebruik van het vistuig van het type staand want is verboden op en aan de kust: a. tussen de raaipalen met 17.60 en 19, aangeduid als sportief strand; b. in de periode tussen 1 april en 1 november op de gedeelten waar bebouwing in de vorm van strandpaviljoens, strandhuisjes en watersportaccommodaties zijn geplaatst; c. tussen de raaipalen 24,80 en 26 (monding De Slufter); d. in de gebieden die ingevolge artikel 2.44 van de Omgevingswet zijn aangewezen; e. bij de ingangen van de haven van Oudeschild en de veerhaven. 3. Het verbod in het tweede lid, onder b, geldt alleen tussen 09:00 en 21:00 uur.

Afdeling 7. Crossterreinen en verkeer in natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainingsof proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang: a. van het voorkomen of beperken van overlast; b. van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 5:33 Beperking verkeer en voetgangers in natuurgebieden 1.

Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard, anders dan op de door de terreinbeheerder aangegeven wijze. 2. Binnen de voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen is het personen verboden om zich te begeven buiten de wegen, paden, speelplaatsen, recreatieterreinen en de voor het publiek opengestelde gebieden van de Slufter en de Hors. 3. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.

die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 6. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Afdeling 8. Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het tweede lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op het strand, de duinen, bossen en aangewezen natuurgebieden, uitgezonderd erven bij (recreatie)woningen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 5:34a Verbod op het gebruik van wensballonnen 1.

In dit artikel wordt onder een wensballon verstaan een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: ufoballon, herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon. 2. Het is verboden een wensballon op te laten of in de lucht te brengen.

Afdeling 9. Asverstrooiing Artikel 5:35 Definitie In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:36 Verboden plaatsen 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Afdeling 10. Naaktrecreatie Artikel 5:38 Verbod op naaktrecreatie 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 430a Wetboek van Strafrecht is het verboden ongekleed te recreëren op een openbare plaats. 2. Het verbod geldt niet op de stranden gelegen tussen de raaipalen: • 8 en 10.13, en • 26.4 en 27.45.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: • artikel 2:1, eerste, tweede en derde lid, artikel 2:3, eerste lid, artikel 2:10, eerste lid, artikel 2:11, eerste lid, artikel 2:12, eerste lid, artikel 2:16, artikel 2:18, eerste lid, artikel 2:25, eerste lid, artikel 2:26, eerste, lid, artikel 2:28, eerste lid, artikel 2:29, eerste, tweede, derde en vierde lid, artikel 2:31, artikel 2:32, tweede lid, artikel 2:41, eerste en tweede lid, artikel 2:42, eerste, tweede lid en zesde lid, artikel 2:43, eerste lid, artikel 2:44, eerste lid, artikel 2:45, eerste lid, artikel 2:47, eerste lid, artikel 2:48, eerste lid, artikel 2:49, eerste en tweede lid, artikel 2:50, artikel 2:52, artikel 2:53, eerste en tweede lid, artikel 2:57, eerste lid, artikel 2:58, eerste lid, artikel 2:59, eerste, tweede lid en derde lid, artikel 2:66, artikel 2:67, artikel 2:70, tweede lid, artikel 2:73, eerste en tweede lid, artikel 2:74, eerste en tweede lid, artikel 2:78, eerste en tweede lid, • artikel 3:3, eerste lid, artikel 3:12, tweede en derde lid, artikel 3:13, artikel 3:14, artikel 3:17, eerste en tweede lid, artikel 3:18, artikel

3:19, artikel 3:21, eerste en tweede lid, artikel 3:22, eerste lid; • artikel 4:6, eerste lid, artikel 4:8, artikel 4:11, tweede lid, artikel 4:15, eerste lid, artikel 4:18, eerste lid, artikel 4:21, eerste en tweede lid, artikel 4:24, eerste lid en tweede lid, artikel 4:26, eerste lid, artikel 4:27, eerste lid, artikel 4.28; • artikel 5:2, derde lid, artikel 5:3, eerste lid, artikel 5:4, artikel 5:6, eerste lid, artikel 5:7, eerste lid, artikel 5:8, eerste en tweede lid, artikel 5:9, eerste lid, artikel 5:10, eerste lid, artikel 5:11, eerste lid, artikel 5:12, 5:13, eerste lid, artikel 5:15, eerste lid, artikel 5:18, eerste lid, artikel 5:19, artikel 5:23, eerste lid, artikel 5:25, eerste lid, artikel 5:26, eerste lid, artikel 5:27, artikel 5:28, artikel 5:29, eerste en tweede lid, artikel 5:30, eerste en tweede lid, artikel 5:31, eerste, tweede en derde lid, artikel 5:31a, eerste en derde lid, artikel 5:31b, tweede lid, artikel 5:32, eerste lid, artikel 5:33, eerste lid, artikel 5:34, eerste lid, artikel 5:34a, tweede lid, artikel 5:36, eerste lid, artikel 5:37, artikel 5:38, eerste lid. Artikel 6:2 Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: • de medewerkers van het team Vergunningen, Toezicht en Handhaving en de afdeling Gemeentewerken belast met toezichthoudende en handhavingstaken; • de hulpstrandvonders als bedoeld in de Wet op de Strandvonderij, voor wat betreft de artikelen: 2:25, 2:57, 2:58, 2:66, 2:67, 2:70, 2:73, 4:6, 4:18, 4:21, 4:28, 5:15, 5:18, 5:25, 5:26, 5:27, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:31a, 5:31b, 5:32, 5:33, 5:34, 5:34a, 5:36 en 5:38. • de medewerkers van Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten en Stichting Landschap Noord-Holland voor zover zij zijn belast met het toezicht in de gebieden die bij Staatbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten en Stichting Landschap Noord-Holland in beheer zijn of in andere gebieden waarvoor zij als toezichthouder zijn aangewezen, en uitsluitend ten aanzien van die gebieden. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Intrekking oude verordening 1. De Algemene Plaatselijke Verordening Texel, vastgesteld op 14 april en 2 juni 2009, wordt ingetrokken. 2. De Landschapsverordening Texel 2015, vastgesteld op 18 februari 2015, wordt ingetrokken. Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Texel 2016.

Bijlagen 1.

Bomenlijst op grond van artikel 4:11, eerste lid, deel 1 (gemeentelijke bomen)

2.

Bomenlijst op grond van artikel 4:11, eerste lid, deel 2 (particuliere bomen)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Texel&id=a49aafcb-4224-4b40-a918-cbfd72da4a8d