CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit wijziging APV Terschelling

Raadscommissie 20 mei 2026, gemeente TerschellingBij agendapunt: Wijziging APV3.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsbesluit Onderwerp: Jaar/nummer:

APV Terschelling 2021: wijziging in verband met nieuw standplaatsenbeleid 2026

De raad van de gemeente Terschelling; Gelezen het raadsvoorstel “APV Terschelling 2021: wijziging in verband met nieuw standplaatsenbeleid” van 11 november 2025, het commissieadvies van 20 mei 2026, en het addendum;

Besluit: In te stemmen met het hierna vermelde ontwerp tot wijziging van de Algemeen Plaatselijke Verordening Terschelling 2021 en deze conform de inspraakverordening voor de duur van 4 weken voor inspraak ter inzage te leggen. Artikel A Na lid 3 van artikel 1:2 wordt een nieuw lid ingevoegd die luidt als volgt: “4. In afwijking van lid 1 beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning voor een vaste standplaats binnen acht weken na de datum waarop het tijdvak is afgelopen waarbinnen de aanvraag kan worden ingediend.” Artikel B Lid 1 van artikel 1:5 wordt gewijzigd als volgt: na “persoonlijk” wordt ingevoegd “en niet overdraagbaar”. Artikel C De artikelen 5:17, 5:18, 5:19, 5:20, 5:21, 5:22 en 5:23 worden ingetrokken en vervangen door de volgende artikelen: C1 nieuw artikel 5:17 luidt als volgt: “Artikel 5:17 Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. standplaats: het vanaf het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden,, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel; b. aanvraag: een aanvraag voor een vergunning; c. vergunning: de vergunning tot het innemen van een standplaats; d.

vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend om een standplaats in te nemen”; e. vaste standplaats: een standplaats die meer dan 30 dagen per kalenderjaar wordt ingenomen op een vaste locatie; het aantal vaste standplaatsen is vermeld in de bijlage en gelimiteerd; f. tijdelijke standplaats: een standplaats voor de duur van maximaal 15 aaneengesloten dagen per kalenderjaar en uitsluitend ten behoeve van een maatschappelijk en/of ideëel doel; f. dag(en): de dag(en) waarop de standplaats wordt ingenomen.” 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

2

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, lid 1, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.” C2 nieuw artikel 5:18 luidt als volgt: “Artikel 5:18 Vergunningplicht en weigeringsgronden vergunning standplaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan of het omgevingsplan van rechtswege. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4. Onverminderd lid 2 en lid 3 weigert het college de vergunning voor een vaste standplaats: a. indien meerdere aanvragen voor een locatie zijn ingediend en de aanvraag is uitgeloot; b. de grondeigenaar geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor de ingebruikname van de locatie; c.

indien de aanvraag wordt gedaan voor een andere locatie of een andere branche, dan aangegeven in de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 5:21, lid 1; d. indien de afmetingen van de verkoopinrichting groter zijn dan de afmetingen van de vrijgekomen standplaats; e. indien een aanvraag buiten het tijdvak is ingediend zoals vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 5:21, lid 1; f. indien meerdere aanvragen zijn ingediend door of in relatie tot dezelfde persoon;” g. indien niet alle gegevens in de aanvraag staan of bij de aanvraag zijn gevoegd waardoor de aanvraag niet volledig is en die ontbrekende gegevens niet binnen het tijdvak zijn ingediend zoals vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 5:21, lid 1; h. indien de aanvraag niet via het daarvoor bestemde aanvraagformulier is ingediend. 5. Onverminderd lid 2 en lid 3 weigert het college de vergunning voor een tijdelijke standplaats als die niet wordt ingenomen voor het uitdragen van ideële doelstellingen en of voor maatschappelijke doelen. Een vergunning voor een tijdelijke standplaats kan maximaal een keer per jaar voor maximaal 15 dagen worden verleend op een nader te bepalen locatie. 6. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. 7.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.”

3

C3 nieuw artikel 5:19 luidt als volgt: “Artikel 5:19 De aanvraag 1. Het college stelt: a. een aanvraagformulier vast voor een vaste standplaats en voor een tijdelijke standplaats; b. bij een nadere besluit de voorwaarden op voorzien van een uitleg waaraan een aanvraag voor een vaste standplaats en voor een tijdelijke standplaats verder moet voldoen. 2. Voor de indiening van een aanvraag moet het daarvoor bestemde aanvraagformulier, bedoeld in lid 1, onder a, worden gebruikt en dient deze bij de indiening te zijn ondertekend.” C4 nieuw artikel 5:20 luidt als volgt: “Artikel 5:20 De procedure bij een beschikbaar gekomen vaste standplaats 1. Komt een vaste standplaats beschikbaar, dan wordt daarvan in ieder geval kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad”. 2. De verdeling van de beschikbaar gekomen vaste standplaats vindt plaats via een loting in aanwezigheid van de aanvragers. 3. Een vergunning voor een vaste standplaats kan worden aangevraagd door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. Maakt een natuurlijk persoon, in welke hoedanigheid dan ook, onderdeel uit van een rechtspersoon die een aanvraag heeft ingediend, dan doet alleen de aanvraag van de rechtspersoon mee aan de loting. 4. Indien slechts één ontvankelijke aanvraag is ingediend, kan, in afwijking van lid 2 op de ontvankelijke aanvraag zonder loting worden beslist. 5.

In de kennisgeving, bedoeld in lid 1, wordt vermeld: a. dat binnen een te bepalen tijdvak een ontvankelijke vergunningaanvraag kan worden ingediend; daarbij wordt vermeld aan welke criteria die aanvraag moet voldoen; b. de geldingsduur van de vergunning. 6. Het college stelt bij een nader besluit voor een beschikbaar gekomen vaste standplaats een lotingsprocedure op en publiceert deze in het elektronisch gemeenteblad. C5 nieuw artikel 5:21 luidt als volgt: “Artikel 5:21 De vergunning 1. Het college kan een vergunning verlenen voor het innemen van een standplaats gedurende één of meer dagen of dagdelen. 2. Onverminderd lid 1 wordt een vergunning voor een vaste standplaats, als bedoeld in artikel 5:20, verleend voor een periode van 12 jaar. De vaste standplaats mag in die periode worden ingenomen van 1 januari tot 31 december van elk kalenderjaar. 3. Een tijdelijke standplaats kan slechts worden ingenomen voor het uitdragen van ideële doelstellingen en voor maatschappelijke doelen. De vergunning hiervoor kan slechts éénmalig voor maximaal 1 week worden verleend.”

4

C5 nieuw artikel 5:22 luidt als volgt: “Artikel 5.22 Overgangsrecht en bestaande vergunningen 1. Artikel 5.20 geldt niet in een geval als bedoeld in lid 2. 2. Is jaar op jaar aan dezelfde persoon een vergunning verleend voor een standplaats dan kan aan die persoon, ingeval van een nieuwe aanvraag van die persoon, éénmalig een vergunning voor een termijn van 12 jaren worden verleend. 3. Na afloop van de overgangstermijn, bedoeld in lid 2, wordt artikel 5.20 toegepast.” C6 nieuwe artikel 5:23 “Artikel 5.23 Afbakeningsbepaling en toestemming rechthebbende 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingen gebiedsactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de Omgevingsverordening Fryslân. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, lid 3, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.” 3. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. C7: bijlage bij artikel 5:17, lid 1, onder e. invoegen na artikel 6:7:

“Bijlage Locatie vaste standplaatsen bij artikel 5:17, lid 1, onder e. De volgende locaties zijn aangewezen voor het innemen van een vaste standplaats: 1. Veerhaventerrein te West-Terschelling (1) 2. Veerhaventerrein te West-Terschelling (2) 3. Parkeerplaats Zwarteweg te West-Terschelling 4. Passantenhaven te West-Terschelling 5. Nieuwe Dijk te West-Terschelling 6. Parkeerplaats Badweg West aan Zee (1) 7. Parkeerplaats Badweg West aan Zee (2) 8. Strandovergang West aan Zee 9. Oosterburen te Midsland 10. Parkeerplaats Midsland aan Zee (1) 11. Parkeerplaats Midsland aan Zee (2) 12. Parkeerterrein Midsland aan Zee (3), 13. Driesprong Badweg en het kruispunt van de Badweg West en het fietspad West-Midsland. (Deze geldt als 1) 14. Strandovergang Midsland aan Zee 15. Parkeerplaats Badweg te Hoorn 16. Parkeerterrein Oosterend 17. De Stilen 18. Havenplein (fietsstandplaats 1) 19. Havenplein (fietstandplaats 2)”

5

C8: invoegen toelichting op nieuwe en op gewijzigde onderdelen in de bestaande toelichting: “Artikel 1:2, lid 4 De hoofdregel artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is dat binnen acht weken na datum van ontvangst van de aanvraag daarop moet zijn besloten als niet bij een specifieke wet of verordening een andere termijn is bepaald. Dan gaat het om situaties waarin bij de aanvraagfase niet met een tijdvak wordt gewerkt. Bij vergunningaanvragen voor een vaste standplaats wordt daarentegen wel een tijdvak gehanteerd waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend. Dan leent de hoofdregel uit de Algemene wet bestuursrecht zich hier niet voor. Daarom is in afwijking van artikel 4:13 Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de beslistermijn van acht weken begint te lopen, de dag na afloop van het tijdvak waarbinnen een ontvankelijke vergunningaanvraag kon worden ingediend. Artikel 1:5, lid 1 In lid 1 staat dat een vergunning, dus ook een standplaatsvergunning, persoonlijk is. Dat wil zeggen dat zo’n vergunning niet door de vergunninghouder aan een ander kan worden overgedragen om onder die vergunning de standplaats te kunnen exploiteren. Dit staat niet zo expliciet in lid 1 vermeld. Omwille van duidelijkheid is nu expliciet opgenomen dat de (standplaats)vergunning niet overdraagbaar is.

Met het verbod tot het overdragen van de standplaatsvergunning wordt voorkomen dat potentieel nieuwe gegadigden voor een standplaats van meedingen naar die locatie worden uitgesloten. Een uitgangspunt van de Dienstenrichtlijn is toegankelijkheid van een ieder tot de markt. Artikel 5:17 Definities Bepaalde begrippen zoals ‘vaste standplaats’, ‘tijdelijke standplaats’ en ‘vergunninghouder’ zijn nu niet opgenomen in de APV. Het definiëren van deze en daarmee samenhangende begrippen kan bijdragen aan een betere toepassing van de regels over (standplaats)vergunningen. Artikel 5:18 Vergunningplicht en weigeringsgronden vergunning standplaats Zonder een vergunningplicht en weigeringsgronden kan geen preventieve zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden tussen de ondernemer enerzijds en de omgeving anderzijds. Een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, is noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. In de APV heeft ook de tijdelijke standplaats voor het uitdragen van ideële doelstellingen en maatschappelijke doelen een plaats gekregen. Dit is gedaan om een duidelijk kader te scheppen voor dit type standplaats.

De huidige regels in de APV zijn hiervoor niet toereikend en er is geen andere regeling op van toepassing. Omdat het hier gaat om standplaatsen voor maximaal 15 dagen is de invloed van die standplaats op de omgeving gering. Daarom is er geen reden om voor deze

6

standplaatsen vaste locaties aan te wijzen. Deze worden niet gezien als schaarse locaties.

Lid 3: redelijke eisen van welstand De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen. Lid 3: redelijk verzorgingsniveau In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt.

Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing (dit kan mogelijk in de toekomst wijzigen). Lid 4 Als de aanvrager bericht ontvangt dat zijn aanvraag is uitgeloot, dan betekent dit dat er meerdere aanvragen voor dezelfde standplaatslocatie zijn ingediend en dat de aanvraag via het lotingssysteem niet in aanmerking komt voor een standplaatsvergunning. Artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op een aanvraag een besluit moet worden genomen. De weigeringsgronden in artikel 1:8 van de verordening zien bijvoorbeeld niet op de situaties dat een aanvraag is uitgeloot, de grondeigenaar geen toestemming geeft voor het innemen van een standplaatslocatie of een aanvraag voor een vaste standplaats wordt gedaan voor een andere locatie, dan die op dat moment vrijkomt.

Daarom zijn aparte weigeringsgronden noodzakelijk. Artikel 5:19 De aanvraag In een speciaal aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning kunnen die gegevens worden vermeld die voor een standplaats relevant zijn. De aanvrager weet welke noodzakelijke informatie hij/zij moet aanleveren om een aanvraag in te dienen die volledig is. De gemeente kan op haar beurt de vergunningaanvragen op een efficiënte wijze behandelen.

7

Artikel 5:20 De procedure bij een beschikbaar gekomen vaste standplaats Zodra ruimte beschikbaar komt om een vergunning te verlenen, zal gepubliceerd worden dat de mogelijkheid bestaat om binnen een vooraf bepaald tijdvak een aanvraag in te dienen. Als binnen het tijdvak meerdere aanvragen worden ingediend, zal worden geloot. Het moet daarbij gaan om aanvragen die ontvankelijk zijn. Alleen dan bestaat aanleiding om te loten. Komt een standplaats beschikbaar dan wordt daarvan kennisgegeven in het gemeenteblad. Aanvullend kan er voor worden gekozen om de kennisgeving in een plaatselijk huis-aan-huis blad te plaatsen. Iedereen moet op gelijke wijze kennis kunnen nemen van de mogelijkheid om een standplaatsvergunning te kunnen verkrijgen. Uit de rechtspraak volgt dat de verdeling van schaarse vergunningen, zoals standplaatsvergunningen, transparant moet plaats vinden. De loting zal in aanwezigheid van de aanvragers plaatsvinden. Ook het noemen van de geldigheidsduur van de vergunning is belangrijk. Zo kunnen potentiële aanvragers vooraf inschatten in hoeveel tijd zij hun investering kunnen terugverdienen en of ze dus wel of niet een vergunningaanvraag indienen. Uit onderzoek is gebleken dat een termijn van negen tot twaalf jaar toereikend moet worden geacht als terugverdientijd.

1 Om tot een eenduidig beleid te komen, wordt ervoor gekozen om een termijn van twaalf jaar te hanteren. Slechts ingelote aanvragen komen voor verlening van een vergunning in aanmerking. Indien één vergunningaanvraag is ingediend die ontvankelijk is, hoeft niet te worden geloot en kan op de aanvraag zonder loting worden beslist. Het college moet vooraf criteria opstellen waaraan een standplaatsvergunningaanvraag moet voldoen. Dat kan ze het beste doen door die in een beleidsregel uit te schrijven. De beleidsregel moet, om rechtsgeldig te worden, worden gepubliceerd in het elektronisch gemeenteblad. Artikel 5:21 De vergunning Een vergunning voor een vaste standplaats wordt verleend voor de duur van 12 jaar. Uit onderzoek is gebleken dat een termijn van negen tot twaalf jaar toereikend moet worden geacht als terugverdientijd. 2 Om potentieel gegadigden perspectief te bieden binnen welke periode zij hun investering in de standplaats kunnen terugverdienen, wordt ervoor gekozen om een termijn van twaalf jaar te hanteren en kunnen ze het standplaatsmiddel zoals een kiosk jaarrond laten staan. Artikel 5:22 Overgangsrecht en bestaande vergunningen De markt dient toegankelijk te blijven voor nieuwe toetreders, zodat de vergunningen voor een vaste standplaats voor onbepaalde tijd niet gehandhaafd kunnen blijven.

Beoordeeld moet worden of en welke standplaatshouders rechten hebben opgebouwd. Als er rechten zijn opgebouwd die moeten worden gerespecteerd, bijvoorbeeld omdat jaar op jaar de vergunningen voor een bepaalde standplaats zijn verleend, moet een overgangstermijn worden toegekend. Bij het bepalen van de overgangstermijn geldt als uitgangspunt dat 1 Schaarse vergunningen en terugverdientijd in de ambulante handel, SEO, Amsterdam 2021,

https://www.seo.nl/wp-content/uploads/2021/06/2021-11-1.pdf 2 Schaarse vergunningen en terugverdientijd in de ambulante handel, SEO, Amsterdam 2021, https://www.seo.nl/wp-content/uploads/2021/06/2021-11-1.pdf

8

gekeken dient te worden naar de door de standplaatshouder gedane investeringen en de daarbij geldende afschrijvingstermijn. Daarin kan aanleiding zijn om de vergunning eenmalig voor bepaalde tijd te verlengen bij de overgang naar het nieuwe beleid. De afweging om een overgangsrechtelijke regeling op te nemen vloeit niet voort uit de Dienstenrichtlijn of de rechtspraak over Schaarse vergunningen, maar een overgangsregeling kan noodzakelijk zijn om andere redenen. Als bijvoorbeeld sprake zou zijn geweest van standplaatsvergunningen die voor onbeperkte termijn waren verleend en die rechten zouden moeten worden ingetrokken, dan is sprake van het reguleren van eigendomsrechten als bedoeld in art. 1 van het eerste protocol van het EVRM. De vergunning voor onbepaalde termijn is zo’n zekerheid dat die vergeleken kan worden met (een vorm van) eigendom. In dat geval zou de rechtszekerheid van bestaande vergunninghouders zwaarder wegen dan het belang van het bieden van mededingingsruimte en zou dat een reden zijn voor een overgangsregeling. De overgangsregeling is dan bedoeld om de vergunninghouder in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de herziening van het beleid te ondervangen, bijvoorbeeld investeringen voor een deel terug te verdienen.

De rechtspraak maakt ook duidelijk dat als een overgangsrechtelijke regeling wordt opgenomen, er ruimte moet blijven om af te wijken wanneer in een individueel geval blijkt dat een exploitant onevenredig wordt benadeeld door de nieuwe regeling. In een uitspraak over de wijziging van het standplaatsenbeleid in Nijmegen (van onbepaald naar bepaalde termijn) geeft de Afdeling aanwijzingen over een dergelijke overgangsregeling.3 De overgangsregeling moet voldoende tijd bieden om de door de vergunninghouders noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die vergunninghouders lopende de geldigheidsduur van de vergunningen redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven. Deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Dat leidt tot willekeur en is daarom niet verenigbaar met de vereiste rechtszekerheid voor de betrokken vergunninghouders en (potentiële) gegadigden voor de vergunningen. Wel kan per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. Uit onderzoek is gebleken dat een termijn van negen tot twaalf jaar toereikend moet worden geacht.

4 Om tot een eenduidig beleid te komen, wordt ervoor gekozen om een termijn van twaalf jaar te hanteren. Terschelling, 2 juni 2026 De raad van de gemeente Terschelling voornoemd,

M.A. van Diepen, griffier

mr. R.S. Cazemier, voorzitter

3 AbRvS, 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1588. 4 Schaarse vergunningen en terugverdientijd in de ambulante handel, SEO, Amsterdam 2021,

https://www.seo.nl/wp-content/uploads/2021/06/2021-11-1.pdf

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=83ec815f-5f13-45ec-a8ad-c86b82f25c25