CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

PS125 Ecologische voor toets F&F

Raadsvergadering 3 augustus 2023, gemeente TerschellingBij agendapunt: Agendastukken t.b.v. agendapunt 67.269 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-Terschelling

<<Voeg hier een afbeelding in>>

A&W-notitie: 22-455

opdrachtgever projectcode Auteur(s)

Gemeente Terschelling 22-455 J.G. van Assen

status

definitief

datum

30 maart 2023

autorisatie kwaliteitscontrole uitvoerder

E. de Vries E. van der Heijden Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2, 9269 TZ Feanwâlden Matrix II k1.08/1.09, 1098 XH Amsterdam Tel. 0511 474764, info@altwym.nl, www.altwym.nl

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, Terschelling

Inhoud 1 2

3

4

5 6

Inleiding Plangebied en plannen 2.1 Huidige situatie 2.2 De plannen Gebiedsbescherming en beoordeling 3.1 Natura 2000-gebieden (Voortoets) 3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.3 Overige vormen van gebiedsbescherming 3.4 Conclusie gebiedsbescherming Soortbescherming en beoordeling 4.1 Algemeen 4.2 Broedvogels 4.3 Vleermuizen 4.4 Overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen) Conclusie Literatuur

1 2 2 2 4 4 11 11 11 12 12 13 14 15 16 17

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

18 28 29

Natura 2000-instandhoudingsdoelen en kernopgaven Natura 2000-habitattypen op en rond Terschelling Zeehondenligplaatsen in de Waddenzee

Referentie J.G. van Assen, 2023. Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-Terschelling. A&W notitie 22-455. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. © Overname van gegevens uit deze notitie is toegestaan met bronvermelding.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-Terschelling

Figuur 1: ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

1

1 Inleiding Gemeente Terschelling is voornemens om het havenfront te West-Terschelling te revitaliseren. Er is eerst onderzoek nodig om te bepalen hoe de beoogde werkzaamheden zich verhouden tot de ecologische wet- en regelgeving. Dit betreft o.a. de Wet natuurbescherming (Wnb), de regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige gebiedsbescherming. De gemeente heeft Altenburg & Wymenga (A&W) opdracht gegeven om deze ecologische beoordeling uit te voeren. Deze ecologische beoordeling is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Dat geeft een overzicht van alle (mogelijk) voorkomende beschermde natuurwaarden binnen en nabij het plangebied en alle vormen van gebieds- en soortbescherming die daarop van toepassing zijn. Er is beoordeeld of de beoogde werkzaamheden invloed (kunnen) hebben op beschermde natuurwaarden en of er daardoor sprake is van een conflict met de wet- en regelgeving. Het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen. Als eerste zijn recente bronnen geraadpleegd (verspreidingsatlassen, overzichtswerken en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied. Er is daarbij onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast is op 7 februari 2023 een oriënterend veldonderzoek uitgevoerd.

Daarbij is gelet op de (mogelijkheden voor de) aanwezigheid van beschermde en/of kritische soorten en de kans op negatieve effecten hierop als gevolg van het voornemen. Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek. Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling. Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend. Wijziging wetgeving natuur Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze nieuwe wet vervangt de verschillende wetten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, waaronder de Wet natuurbescherming. In deze quickscan is uitgegaan van het beoordelingskader volgens de vigerende wet- en regelgeving, dus nog niet volgens de nieuwe Omgevingswet. Op basis van de huidige informatie ten aanzien van die nieuwe wet, is het waarschijnlijk dat de conclusies van deze quickscan geen aanpassingen behoeven nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Wij adviseren de opdrachtgever echter om indien nodig hierover contact met ons bureau op te nemen. Dat kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer de beoogde herinrichting na 1 januari 2024 van start gaat.

2

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

2 Plangebied en plannen 2.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de oostzijde van West-Terschelling langs de Willem Barentszkade en Dellewal (Figuur 1). Binnen het plangebied liggen een veerhaven, aanlegsteigers voor beroepsvaart en bruine vloot, een werkhaven en een passantenhaven. Foto’s 1 t/m 6 tonen delen van het plangebied. De veerhaven bestaat uit de aanlegsteigers voor de veerboten, de veerterminal, opstelplaats en de parkeergelegenheid. Dit gebied is vrijwel geheel verhard en wordt druk bezocht door bewoners van het eiland, toeristen en overige bezoekers. Naast de veerhaven zijn enkele aanlegsteigers voor de beroepsvaart gesitueerd. Het gaat daarbij om o.a. boten voor zeehondentochten, watertaxi en vissersschepen. Ten noorden van deze steigers bevindt zich de werkhaven. De werkhaven is met name in gebruik als (tijdelijke) opslag van betonningsmateriaal voor o.a. de vaargeulen. De ingang van de passantenhaven bevindt zich net buiten de werkhaven. De passantenhaven biedt ligplaatsen voor pleziervaartuigen en kleine boten. Met name in de zomerperiode worden de havens intensief gebruikt en is er sprake van hoge menselijke activiteit. Tegenover het havengebied bevindt zich een droogvallende wadplaat, gedeeltelijk omsloten door een lage waterkering.

Dit gebied biedt luwte en foerageermogelijkheden voor diverse soorten wadvogels van het Natura 2000-gebied Waddenzee en beschermt het havengebied tegen golfslag en dichtslibbing.

2.2

De plannen

De beoogde werkzaamheden betreffen de volgende onderdelen: • Het opnieuw inrichten van de Willem Barentszkade. Dit betekent dat de huidige stalen damwand langs de kade op een nader te bepalen niveau wordt ingekort door middel van afbranden. Ook wordt hier een aflopend talud aangelegd. Tevens worden er nieuwe steigers gebouwd. Details omtrent de nieuwe steigers zijn nog niet bekend. • Het opnieuw inrichten van het veerhaventerrein door dit te voorzien van nieuwe bestrating. • Het uitbreiden van de passantenhaven met ongeveer 30 ligplaatsen. Het materiaal en de machines worden per schip aangevoerd. Daarnaast zal een deel van het transport via de kade en oevers plaatsvinden. In deze beoordeling wordt ervan uit gegaan dat de werkzaamheden, met uitzondering van het intrillen van buispalen t.b.v. de steigerfundering, geen gebruik maken van hei-installaties of andere apparatuur wat sterke trillingen kan veroorzaken.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

Foto 1 t/m 6. Impressie van het plangebied.

3

4

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

3 Gebiedsbescherming en beoordeling In Nederland zijn de meeste beschermde natuurgebieden beschermd volgens de Wet natuurbescherming (Natura 2000) of regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (in Fryslân Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Daarnaast kunnen natuurgebieden ook zijn beschermd via provinciale regelgeving.

3.1

Natura 2000-gebieden (Voortoets)

De Natura 2000-gebieden die in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, zijn ‘Duinen Terschelling’ (300 m), ‘Waddenzee’ (0 m) en ‘Noordzeekustzone’ (2,3 km). De instandhoudingsdoelen waarvoor deze gebieden als Natura 2000-gebied zijn aangewezen zijn opgenomen in bijlage 1 aan het einde van dit rapport. Hieronder wordt nagegaan of er een ecologische relatie is tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden en/of er een kans is op een significant negatief effect. Dit wordt gedaan op het niveau van een Voortoets. 3.1.1 Natura 2000-gebied Duinen Terschelling Natura 2000-habitattypen Het plangebied waarin de voorgenomen activiteiten plaatsvinden ligt buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied ‘Duinen Terschelling’. De werkzaamheden aan de damwand en het opnieuw bestraten van het veerhaventerrein zijn beperkt tot het plangebied. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied (circa 300 meter) en de aanwezigheid van bebouwing tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied worden er geen uitstralende effecten op het beschermde gebied verwacht. In de omgeving van het plangebied en in het plangebied zelf is in de bestaande situatie, gezien de ligging in de bebouwde kom en de huidige functie, een hoge recreatiedruk te verwachten. De aanleg van 30 nieuwe ligplaatsen zal niet leiden tot een sterke toename van het aantal recreanten ten opzichte van het huidig aantal recreanten.

Om deze reden worden er als gevolg van de extra ligplaatsen in de haven geen negatieve effecten verwacht op de Natura 2000habitattypen in het duingebied in de vorm van extra betreding. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de voorkomende Natura 2000-habitattypen in het Natura 2000gebied ‘Duinen Terschelling’ doen zich niet voor. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van habitattypen waarvoor de ‘Duinen Terschelling’ zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Er ontstaat mogelijk wel een knelpunt met betrekking tot een toename van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied als gevolg van de werkzaamheden. De toename van stikstof kan negatieve effecten hebben op de in het natura 2000-gebied aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Verderop in dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de effecten van stikstofdepositie. Natura 2000-habitatrichtlijnsoorten Het Natura 2000-gebied ‘Duinen Terschelling’ is aangewezen voor drie habitatrichtlijnsoorten, namelijk Grijze zeehond, Drijvende waterweegbree en Groenknolorchis.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

5

Drijvende waterweegbree en Groenknolorchis Zowel de Drijvende waterweegbree als de Groenknolorchis zijn gebonden aan habitattypen binnen het Natura 2000-gebied. In het plangebied is voor deze soorten geen geschikt habitat aanwezig. Deze soorten komen dan ook niet voor in het plangebied. Negatieve effecten op Drijvende waterweegbree en Groenknolorchis zijn dan ook niet aan de orde. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van habitatrichtlijnsoorten waarvoor ‘Duinen Terschelling zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Grijze zeehond De effectbeoordeling ten aanzien van Grijze zeehond wordt in de paragraaf over het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ behandeld. Uit deze paragraaf komt naar voren dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op deze soort. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van Grijze zeehond. Broedvogels Het plangebied bevindt zich binnendijks, maar ook (deels) buitendijks en is vrijwel geheel verhard. De buitendijkse delen delen staan bij hoogwater onder water. De huidige wal bestaat uit een verticaal damwandprofiel en een verhard buitentalud. Daarnaast is het hele plangebied en de directe omgeving sterk verstoord door bebouwing en menselijke aanwezigheid. Binnen het plangebied en in de directe omgeving is daarom geen geschikt broedhabitat aanwezig voor de aangewezen broedvogels.

Er worden daarom geen broedende vogels verwacht in en in de directe omgeving van het plangebied. Negatieve effecten op aangewezen broedvogels van het Natura 2000-gebied Duinen Terschelling treden daarom niet op. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van aangewezen broedvogels. Niet-broedvogels Het Natura-2000 gebied ‘Duinen Terschelling’ is niet aangewezen voor niet-broedvogels. 3.1.2 Natura 2000-gebied Waddenzee Natura 2000-habitattypen Het plangebied grenst aan het Natura-2000 gebied ‘Waddenzee’. Dit natuurgebied is als Natura 2000-gebied aangewezen voor een aantal habitattypen, waaronder habitattype H1140A (Slik- en zandplaten). Het plangebied is aan de zuidoostzijde in zijn geheel omsloten door dit habitattype (zie de Natura 2000-habitattypekaart in bijlage 2). Slik- en zandplaten vallen droog tijdens eb en hebben door de getijdedynamiek een hoge biodiversiteit. Tijdens hoogwater vormt het habitat een belangrijk voedselgebied voor jonge vis. In de zomermaanden worden de platen begraasd door populaties volwassen Harders. Tijdens laagwater foerageren vogels op de platen. Slik- en zandplaten zijn met name van belang voor steltlopers als Grutto, Kluut, Tureluur en Bonte strandloper. Ook Zilvermeeuw, Eider, Kanoetstrandloper en Scholeksters maken veelal gebruikt van de platen. Ter hoogte van de werkhaven bevindt zich een oesterbank.

Oesterbanken zijn van belang voor krabben, garnalen en steltlopers. Tijdens het veldbezoek is binnen dit habitattype een oesterbank waargenomen, wat duidt op een goede kwaliteit van het habitattype. Door de werkzaamheden en ingebruikname van nieuwe aanlegsteigers gaat geen areaal habitattype H1140A (Slik en zandplaten) verloren. Om deze reden wordt er geen significant negatief effect op het habitattype verwacht. De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-habitattypen.

6

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Overige Natura 2000-habitattypen waarvoor de Waddenzee is aangewezen liggen op ruime afstand van het plangebied. Om deze reden worden er geen significant negatieve effecten op deze habitattypen verwacht. Er ontstaat mogelijk wel een knelpunt met betrekking tot een toename van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied als gevolg van de werkzaamheden. De toename van stikstof kan negatieve effecten hebben op de in het natura 2000-gebied aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Verderop in dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de effecten van stikstofdepositie. Natura 2000-habitatrichtlijnsoorten De Waddenzee is aangewezen voor een aantal habitatrichtlijnsoorten. Hieronder wordt nagegaan of er negatieve effecten zijn te verwachten op deze soorten. Nauwe korfslak en Noordse woelmuis De Nauwe korfslak en Noordse Woelmuis komen niet voor op Terschelling. Deze soorten zijn daarom verder niet relevant voor de effectenbeoordeling. Zeeprik, Rivierprik, Fint De Natura 2000-vissoorten Zeeprik, Rivierprik en Fint zijn anadrome soorten die een deel van hun leven in zee doorbrengen. Deze soorten worden vooral in het oostelijk deel van de Nederlandse Waddenzee aangetroffen, maar zijn daar niet talrijk (Van Emmerik & De Nie 2006). De geulen en wadplaten rond Terschelling worden niet gezien als kerngebied voor deze soorten.

Daarnaast wordt er niet in het open water gewerkt en is er beperkt sprake van hei- of trilwerkzaamheden. Tijdens de hei- en trilwerkzaamheden is er voldoende mogelijkheid voor deze soorten om uit te wijken naar verstoringsvrije gebieden. Negatieve effecten op deze soorten worden daarom niet verwacht. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten. Bruinvis De Bruinvis is vooral in de winter aanwezig (oktober tot april) in de Waddenzee, daarna trekken de dieren naar de Noordzee. De soort gebruikt de Waddenzee om te foerageren en heeft daarbij een voorkeur voor geulen. Het is mogelijk dat de Bruinvis af en toe in de omgeving van het plangebied voorkomt. De soort staat bekend als scheepvaart-mijdend. Vanwege het frequente scheepvaartverkeer in en rond het plangebied biedt het plangebied geen geschikt foerageer- of rustgebied voor de Bruinvis. Negatieve effecten op deze soort worden daarom niet verwacht. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van Bruinvis. Gewone en Grijze zeehond De Gewone- en Grijze zeehond komen het hele jaar door voor in de Waddenzee. Beide soorten gebruiken wadplaten om te rusten en jongen te zogen. De dichtstbijzijnde (grotere) ligplaatsen van de Gewone en Grijze zeehond liggen circa 2,2 km ten zuidwesten van het plangebied (zie kaart in bijlage 3).

Het kan niet worden uitgesloten dat beide soorten nabij het plangebied foerageren. Gezien de grote afstand van de ligplaatsen tot aan het plangebied, zijn er als gevolg van geluid geen negatieve effecten te verwachten op deze plaatsen. Daarnaast wordt er nauwelijks of geen foerageergebied van zeehonden verstoord. Ook is eventueel optredende verstoring van foerageergebied slechts tijdelijk van aard en zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden waar de dieren kunnen foerageren. Om deze redenen wordt er geen negatief effect op de Gewone- en

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

7

Grijze zeehond verwacht. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van Gewone- en Grijze zeehond. Broedvogels Het plangebied en de directe omgeving is sterk verstoord door bebouwing en menselijke aanwezigheid. Binnen het plangebied en in de directe omgeving is daarom geen geschikt broedhabitat aanwezig voor de aangewezen broedvogels. Er worden daarom geen broedende vogels verwacht in en in de directe omgeving van het plangebied. Negatieve effecten op aangewezen broedvogels van het Natura 2000-gebied Waddenzee treden daarom niet op. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van aangewezen broedvogels. Niet-broedvogels Effecten als gevolg van directe verstoring Natura-2000 gebied ‘Waddenzee’ is aangewezen voor een aantal niet-broedvogels. Van de aangewezen soorten is een groot aantal foeragerend en/of rustend aangetroffen in of nabij het plangebied. Uit data van de NDFF en watervogeltellingen van Sovon blijkt dat bij hoogwater slechts lage aantallen vogels rond het plangebied verblijven, met uitzondering van Eider welke in de wintermaanden in grote groepen nabij Terschelling voorkomen. Bij hoogwater zijn er nauwelijks locaties binnen het plangebied waar vogels kunnen rusten zonder verstoord te worden door menselijke activiteiten. Het plangebied en de wijde omgeving is daarom niet van belang als hoogwatervluchtplaats.

Tijdens het veldbezoek zijn tijdens laagwater in de baai, net buiten het plangebied, grote groepen vogels waargenomen (zie figuur 2). De aangewezen soorten Smient, Eider, Bergeend en Wilde eend kwamen hier in grote aantallen voor. In lagere aantallen waren o.a. Tureluur, Groenpootruiter en Wulp aanwezig. Deze grote aantallen worden bevestigd door gegevens uit de NDFF. De vogels foerageren en rusten met name op de droogvallende plaat welke omringd is door een lage waterkering. Vanwege de grote aantallen vogels bij laagwater kan de droogvallende wadplaat als belangrijk foerageergebied voor wadvogels worden beschouwd. Voor de bovengenoemde eenden soorten gaat dit met name op voor het winterhalfjaar (september t/m maart). Het geldt echter ook voor overige soorten wadvogels die als doortrekker of foeragerende broedvogel met name in de maanden april-mei en augustus in grote aantallen in het gebied aanwezig kunnen zijn. Tijdens hoogwater is er slechts een gering aantal wadvogels in het gebied aanwezig. Het uitvoeren van de werkzaamheden tijdens hoogwater zal daarom leiden tot de verstoring van een beperkt aantal vogels. Significant negatieve effecten kunnen dan worden uitgesloten. Tijdens laagwater vindt er als gevolg van geluidproductie tijdens de werkzaamheden mogelijk verstoring plaats van foeragerende wadvogels.

Voor werkzaamheden in het waddengebied wordt vaak een verstoringscontour aangehouden van ongeveer 500 meter (zie tekstkader op pagina 8). Binnen deze afstand is er de mogelijkheid dat in ieder geval een deel van de vogels die op de droogvallende platen foerageren wordt verjaagd. Ter visualisatie is deze verstoringscontour aangegeven op de vogelwaardenkaart in figuur 2. Uit de figuur kan worden afgeleid dat een groot deel van de wadplaten rondom het plangebied kan worden verstoord door werkzaamheden. Uitgaande van dit gegeven kan, afhankelijk van de periode in het jaar dat de werkzaamheden worden uitgevoerd, de volgende effectbeoordeling worden aangehouden:

8

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

1. Omdat het gebied in de maanden augustus t/m mei tijdens laagwater intensief wordt gebruikt door diverse soorten rustende en foeragerende wadvogels, is als gevolg van geluidsverstoring een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van deze soorten niet geheel uit te sluiten. In dat geval is er een knelpunt met de Wet natuurbescherming en dient er een passende beoordeling te worden uitgevoerd. 2. Wanneer de werkzaamheden in de maanden juni en juli worden uitgevoerd, is het aantal wadvogels op de wadplaten in de omgeving het laagst. In dat geval kunnen significant negatieve effecten op aangewezen wadvogels worden uitgesloten en is er geen knelpunt met de Wet natuurbescherming. 3. De werkzaamheden kunnen onder voorwaarden eventueel jaarrond worden uitgevoerd. In dat geval dienen geluid producerende werkzaamheden uitsluitend tijdens hoogwater te worden verricht. Tijdens hoogwater zijn er namelijk geen aangewezen wadvogels in de omgeving aanwezig die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord.

Verstoring van wadvogels Vogels die een nest hebben, zijn het meest gevoelig voor verstoring, gevolgd door vogels die rusten en foerageren (Krijgsveld et al. 2022). Broedvogels zijn gevoeliger dan rustende of foeragerende vogels. Voor broedvogels wordt vaak een geluidscontour van 42 dB aangehouden waarbinnen de dieren extra verstoord worden (o.a. Reijnen et al. 1992, Krijgsveld et al. 2022). De 40-45 dB-contour die rijdend werkverkeer produceert ligt op 200-250 m. Hoogwatervluchtplaatsen van wadvogels zijn in het algemeen zeer gevoelig voor verstoring (Krijgsveld et al. 2022). Dietrich & Koepff (1986) stellen een storingsvrije zone van ongeveer 500 meter rond een rustgebied voor. Deze afstand is als ‘worst-case’ in dit rapport aangehouden om de zone te bepalen waarbinnen foeragerende vogels verstoord kunnen worden. Effecten externe werking De plannen omvatten het uitbreiden van de passantenhaven met 30 nieuwe ligplaatsen. Naar verwachting leidt dit tot meer vaarrecreatie in het Natura 2000-gebied Waddenzee. De geulen rond Terschelling zijn drukbevaren, met name door de verbinding van de Noordzee met de Waddenzee. In gebieden rond Terschelling leidt dit mogelijk tot verstoring van hoogwatervluchtplaatsen (HVP’s), foerageergebieden en ligplaatsen van zeehonden (Meijles et al., 2019).

Er zijn geen knelpunten ten opzichte van HVP’s nabij de haven van Terschelling (Fieten et al., 2022). Binnen het Waddenzeegebied geldt een gedragscode voor (vaar)recreatie, de “Erecode voor Wadliefhebbers”. Deze erecode is opgesteld door een samenwerking van een aantal bij het Wad betrokken partijen. De erecode bestaat uit een aantal gedragsregels voor (vaar)recreanten waarmee de verstoring van natuurwaarden en beschermde soorten wordt beperkt of voorkomen. In deze beoordeling wordt ervan uitgegaan dat de schippers voldoende op de hoogte zijn en zich aan de erecode houden wanneer zij zich in het Waddengebied bevinden. Gezien de geringe toename van vaarrecreatie, de in de huidige situatie aanwezige verstoring en er vanuit gaande dat (vaar)recreanten zich aan de gedragscode houden, wordt er geen wezenlijke toename van negatieve effecten verwacht op het Waddengebied door externe werking.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

9

Figuur 2. Vogelwaardenkaart opgesteld op basis van waarnemingen op 7 februari 2023 en op basis van waarnemingen uit de NDFF. Aangegeven is ook een verstoringscontour van 500 meter vanuit het plangebied (zie tekstkader op p.7).

10

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

3.1.3 Natura 2000-gebied Noordzeekustzone Natura 2000-habitattypen De habitattypen waarvoor Noordzeekustzone is aangewezen zijn niet aanwezig binnen het plangebied en liggen op ruime afstand hiervan. Om deze reden worden er geen significant negatieve effecten op deze habitattypen verwacht. Ze zijn daarom niet relevant voor de effectbeoordeling. Er ontstaat mogelijk wel een knelpunt met betrekking tot een toename van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied als gevolg van de werkzaamheden. De toename van stikstof kan negatieve effecten hebben op de in het natura 2000-gebied aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Verderop in dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de effecten van stikstofdepositie. Habitatrichtlijnsoorten De habitatrichtlijnsoorten waarvoor Noordzeekustzone is aangewezen, zijn behandeld in de paragraaf over het Natura 2000-gebied Waddenzee. Hieruit komt naar voren dat significant negatieve effecten op habitatrichtlijnsoorten kunnen worden uitgesloten. Broedvogels Noordzeekustzone is als Natura 2000-gebied aangewezen voor een aantal soorten broedvogels. Broedvogels zijn reeds aan de orde geweest in de paragraaf over het Natura 2000-gebied ‘Duinen Terschelling’. De effectbeoordeling die hier is uitgevoerd geldt ook voor het voorliggende Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.

Niet-broedvogels Noordzeekustzone is als Natura 2000-gebied aangewezen voor een aantal soorten nietbroedvogels. Niet-broedvogels zijn reeds aan de orde geweest in de paragraaf over het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. De effectbeoordeling die hier is uitgevoerd geldt ook voor het voorliggende Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. 3.1.4 Overige Natura 2000-gebieden Overige Natura 2000-gebieden liggen op aanzienlijk grotere afstanden van het plangebied, waardoor kan worden aangenomen dat de plannen geen invloed hebben op de aangewezen natuurwaarden daarvan. 3.1.5 Stikstofdepositie Een toename van de stikstofdepositie kan schadelijk zijn voor Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van stikstofgevoelige habitattypen en soorten. Dan kan voor die activiteit een vergunning volgens de Wet Natuurbescherming nodig zijn. Bij de berekening van de toename in stikstofdepositie met behulp van AERIUS worden alleen effecten meegenomen die plaatsvinden binnen een straal van 25 km rondom het plangebied. Deze grens is onderwerp van een juridische procedure. Er zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig binnen deze straal. Deze bevinden zich in het Natura 2000-gebied Duinen Terschelling, Noordzeekustzone en Waddenzee.

Op 2 november 2022 heeft de Raad van State geoordeeld dat de bouwvrijstelling, onderdeel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), niet gebruikt mag worden bij bouwprojecten.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

11

Deze bouwvrijstelling houdt in dat voor de tijdelijke stikstofuitstoot die tijdens de bouw ontstaat geen vergunning nodig is. In de uitspraak van de Raad van State wordt geconstateerd dat de bouwvrijstelling, zoals die is opgenomen in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming en artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming, niet mag worden toegepast. Dit betekent dat de systematiek zoals die geldt zonder de bouwvrijstelling nu weer van toepassing is. Om die reden adviseren wij om van de plannen de verwachte extra stikstofdepositie te bepalen met behulp van een AERIUS-berekening. Als hierbij sprake is van een depositie groter dan 0,0 mol N/ha/j, dan is het noodzakelijk om de effecten hiervan nader te onderzoek in een Passende Beoordeling.

3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, figuur 1). In de omgeving aanwezige NNN-gebieden overlappen met de Natura 2000-gebieden. De wezenlijke kenmerken en waarden worden niet door de werkzaamheden aangetast. Om deze reden is er geen negatief effect op het NNN.

3.3

Overige vormen van gebiedsbescherming

Figuur 1 toont aan dat in de omgeving van het plangebied gebieden liggen die zijn aangewezen als Ganzenfoerageergebied en Weidevogelkansgebied. Het dichtstbijzijnde aangewezen gebied voor ganzen ligt op een afstand van ca. 1,1 km van het plangebied (figuur 1). Het dichtstbijzijnde aangewezen gebied voor weidevogels ligt op eenzelfde afstand van 1,1 km. Vanwege deze afstanden en de bebouwing die zich tussen het plangebied en de aangewezen gebieden bevindt worden hier geen negatieve effecten verwacht die samenhangen met de beoogde werkzaamheden. De beoogde werkzaamheden veroorzaken daardoor geen conflict met de regelgeving ten aanzien van deze vormen van gebiedsbescherming.

3.4

Conclusie gebiedsbescherming

• In de maanden augustus t/m mei wordt de omgeving van het plangebied tijdens laagwater intensief gebruikt door diverse soorten rustende en foeragerende wadvogels. Als gevolg van geluidsverstoring is een significant negatief effect op deze soorten niet geheel uit te sluiten. In dat geval is er een knelpunt met de Wet natuurbescherming en dient er een passende beoordeling te worden uitgevoerd. • Wanneer geluidproducerende werkzaamheden in de maanden juni en juli worden uitgevoerd, is het aantal wadvogels op de wadplaten in de omgeving het laagst. In dat geval kunnen significant negatieve effecten op aangewezen wadvogels worden uitgesloten en is er geen knelpunt met de Wet natuurbescherming. • De geluidproducerende werkzaamheden kunnen onder voorwaarden eventueel jaarrond worden uitgevoerd. In dat geval dienen deze uitsluitend tijdens hoogwater te worden verricht. Tijdens hoogwater zijn er namelijk geen aangewezen wadvogels in de omgeving aanwezig die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord. • Daarnaast is er mogelijk een conflict door een toename in stikstofdepositie. Om die reden adviseren wij om van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een AERIUS-berekening te laten uitvoeren. • Er worden geen negatieve effecten verwacht op EHS-gebieden, Ganzenfoerageergebied en Weidevogelkansgebied

12

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

4 Soortbescherming en beoordeling Soortbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Aan de Wet natuurbescherming zijn drie lijsten met soorten gekoppeld. Het gaat om artikel 3.1 waar soorten van de Vogelrichtlijn onder vallen, artikel 3.5 waar soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn onder vallen en artikel 3.10 voor overige soorten. Soorten uit de eerste twee artikelen zijn daarmee Europees beschermd, terwijl soorten van artikel 3.10 nationaal beschermd zijn. Provincies hebben de mogelijkheid om voor soorten uit artikel 3.10 een vrijstelling te verlenen van enkele verbodsbepalingen. De Provincie Fryslân hanteert vanaf 1 januari 2017 een dergelijke lijst met (dier)soorten die een vrijstelling genieten bij o.a. ruimtelijke ontwikkeling. Voor alle planten- en diersoorten geldt een zorgplicht. De Wnb verbiedt daarmee het onnodig verstoren, beschadigen en doden van soorten, ongeacht hun beschermingsstatus of positie op de Rode lijst. Een belangrijk onderdeel van de zorgplicht is het tijdig laten uitvoeren van een ecologische beoordeling, zoals een ecologische quickscan. Andere onderdelen van de zorgplicht bestaan uit het treffen van (extra) maatregelen, die zijn bedoeld om negatieve effecten van de voorgenomen activiteit op planten en dieren te mitigeren of voorkomen.

4.1

Algemeen

Op basis van literatuurstudie en het veldbezoek is geconcludeerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat in het plangebied wettelijk beschermde soorten uit de volgende soortgroepen voorkomen en/of worden beïnvloed door (de beoogde) ingreep: • • • • •

Planten Ongewervelden Vissen Amfibieën Reptielen

De redenen die aan deze conclusie ten grondslag liggen, zijn één of meer van de volgende: • • •

Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. Het plangebied biedt geen geschikte biotopen voor deze soorten. Uitstralende effecten van de beoogde werkzaamheden reiken niet dermate ver buiten het plangebied dat daardoor (mogelijk) leefgebied van deze soorten wordt beïnvloed.

Ten aanzien van ongewervelde diersoorten, reptielen, planten en amfibieën dient wel de zorgplicht in acht te worden genomen. Dit kan door dieren de gelegenheid te geven het werkterrein te verlaten, door in één richting te werken en geen dieren in te sluiten. In het geval van het dempen van sloten, dient gewerkt te worden in de richting van een open einde. Conclusie De herinrichting van het plangebied veroorzaakt geen conflict met de Wnb ten aanzien van bovengenoemde soortgroepen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

4.2

13

Broedvogels

Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten zijn beschermd volgens artikel 3.1 Wnb. Verstoring of aantasting van vaste verblijfplaatsen (nesten) en de directe omgeving daarvan is niet toegestaan. Voor de meeste soorten gaat het om de nestplaatsen die tijdens het broedseizoen in gebruik zijn. De Wnb kent geen standaardperiode daarvoor. De meeste Nederlandse vogelsoorten broeden in het broedseizoen, dus tussen half maart en half juli. Er zijn echter ook soorten die eerder starten en soorten die zelfs in september nog broeden. Het gaat erom of er een broedgeval is dat verstoord kan worden. Voor een aantal soorten geldt een jaarronde bescherming van de nestplaats. Tijdens het veldbezoek bleek dat er geen geschikte nestplaatsen van vogels binnen en nabij het plangebied voorkomen. Door de hoge recreatiedruk en menselijke activiteiten in het plangebied worden ook geen broedvogels verwacht. Wel kunnen elders broedende vogels binnen het plangebied rusten of foerageren. Door de werkzaamheden gaat mogelijk tijdelijk foerageergebied verloren voor deze vogels. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden en geschikt foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied. Om deze redenen worden geen negatieve effecten op broedvogels verwacht. De beoogde werkzaamheden leiden niet tot een knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels.

Er dient wel te worden voorkomen dat er alsnog broedgevallen ontstaan die kunnen worden verstoord. Dat kan door het afdekken of verwijderen van potentiële broedplaatsen, zoals constructies, opgeslagen goederen, afvalhopen en steile zand- en grondwanden. Mochten er toch vogels tot broeden komen die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord, dan moeten die werkzaamheden worden gestaakt tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wnb. Een aantal vogelsoorten maakt echter gedurende het gehele jaar gebruik van een nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan zijn daarom het gehele jaar beschermd. De Wnb bevat een lijst van deze vogelsoorten. Daarnaast hanteren de provincies verschillende lijsten met vogelsoorten die alleen jaarrond beschermd zijn, indien daar ecologisch zwaarwegende redenen voor zijn. Het betreft soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats of omgeving waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Tijdens het veldbezoek op 7 februari 2023 is geconstateerd dat er geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in of nabij het plangebied.

Om deze reden is er geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van jaarrond beschermde nestplaatsen. Conclusie vogels De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vogels, mits wordt voorkomen dat broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Hierboven is beschreven hoe aan deze voorwaarde kan worden voldaan.

14

4.3

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Vleermuizen

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten. Om deze reden worden de vleermuizen hier in een aparte paragraaf besproken en worden de 'overige zoogdiersoorten' in paragraaf 4.4 behandeld. Een aantal vleermuissoorten komt in de omgeving van het plangebied voor, zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Laatvlieger (NDFF). Mogelijk maakt een deel van deze soorten ook gebruik van het plangebied. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied van belang, namelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze indeling wordt ook gebruikt bij effectbeoordelingen. Verblijfplaatsen In zowel de zomerperiode als de baltsperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. Tijdens het veldbezoek op 7 februari 2023 zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen binnen het plangebied. Daarom zullen de beoogde werkzaamheden geen conflict met de Wnb veroorzaken ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen.

Foerageergebieden Het plangebied en de ruime omgeving daarvan zijn mogelijk geschikt als foerageergebied voor (een deel van) de hierboven genoemde soorten. De beoogde werkzaamheden zullen daaraan geen afbreuk doen. Daarom zullen de beoogde werkzaamheden geen conflict met de Wnb veroorzaken ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen. Vliegroutes Vleermuizen vliegen doorgaans langs onverlichte, lijnvormige landschapselementen en mijden open gebied. Zo kunnen (vaste) vliegroutes zijn ontstaan langs bosranden, bomenlanen, watergangen en gebouwen. In de directe omgeving van het plangebied zijn lijnvormige landschapselementen aanwezig, zoals het stratenpatroon, kades en waterkeringen. Het plangebied maakt mogelijk deel uit van dit netwerk van vliegroutes. Door de beoogde werkzaamheden worden eventueel aanwezige vliegroutes van vleermuizen niet onderbroken. Bovendien blijven alternatieve vliegroutes in de omgeving beschikbaar. Daarnaast is een (groot) deel van het plangebied nu al voorzien van verlichting. Daardoor zijn de eventueel aanwezige vliegroutes niet optimaal functioneel. Om deze redenen zullen de beoogde werkzaamheden geen noemenswaardig effect hebben op eventueel aanwezige vliegroutes. Daarom zullen die werkzaamheden geen conflict met de Wnb veroorzaken ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen.

Conclusie vleermuizen De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van verblijfplaatsen, foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

4.4

15

Overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen)

Zoogdiersoorten artikel 3.5 Wnb Volgens de verspreidingsgegevens (NDFF) ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de Bruinvis. Het plangebied is geen optimaal foerageergebied voor de Bruinvis, de soort wordt hier dan ook niet verwacht. Daarnaast is bekend dat Bruinvissen (motor)schepen vermijden, welke regelmatig gebruik maken van het plangebied. Om deze redenen wordt het plangebied ongeschikt geacht voor de Bruinvis. De beoogde werkzaamheden leiden daarom niet tot een conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van de Bruinvis. Overige zoogdiersoorten van deze beschermingscategorie worden binnen en nabij het plangebied niet verwacht. De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van zoogdiersoorten van deze beschermingscategorie. Zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (niet-vrijgestelde soorten) Uit de verspreidingsgegevens (NDFF). blijkt dat in de omgeving van het plangebied zoogdiersoorten van deze beschermingscategorie voorkomen. Deze zijn Grijze zeehond en Gewone zeehond. Er komen geen overige zoogdiersoorten voor van deze beschermingscategorie. Deze twee soorten kunnen beide eventueel foeragerend gebruikmaken van de omgeving van het plangebied en mogelijk dat ze door werkzaamheden worden verstoord. In de nabije omgeving is ruim voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar.

Bovendien wordt het plangebied voor deze soorten niet permanent ongeschikt door de uitvoering van de beoogde werkzaamheden. De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van Grijze zeehond en Gewone zeehond. Zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (vrijgestelde soorten) In de omgeving van het plangebied leven algemeen voorkomende zoogdiersoorten, zoals Egel, Ree en verschillende (spits)muizensoorten. Voor deze soorten biedt het plangebied geen geschikt foerageergebied en/of overwinteringsbiotoop dat door de beoogde werkzaamheden kan worden aangetast. Op grond van de provinciale vrijstelling veroorzaken de beoogde werkzaamheden ten aanzien van deze soorten geen conflict met de Wnb. Wel geldt de zorgplicht indien een vrijgestelde soort zich tijdelijk binnen het plangebied bevindt. Conclusie overige zoogdiersoorten De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van overige soorten zoogdieren.

16

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

5 Conclusie Samenvattend en op basis van de voorgaande hoofdstukken heeft deze ecologische beoordeling geleid tot onderstaande conclusies. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden • In de maanden augustus t/m mei wordt de omgeving van het plangebied tijdens laagwater intensief gebruikt door diverse soorten rustende en foeragerende wadvogels. Voor deze vogelsoorten is het Natura 2000-gebied Waddenzee en Noordzeekustzone aangewezen als Natura 2000-gebied. Als gevolg van geluidsverstoring is een significant negatief effect op deze soorten niet geheel uit te sluiten. In dat geval is er een knelpunt met de Wet natuurbescherming en dient er een passende beoordeling te worden uitgevoerd. • Wanneer geluidproducerende werkzaamheden in de maanden juni en juli worden uitgevoerd, is het aantal aangewezen wadvogels op de wadplaten in de omgeving het laagst. In dat geval kunnen significant negatieve effecten op aangewezen wadvogels worden uitgesloten en is er geen knelpunt met de Wet natuurbescherming. • De geluidproducerende werkzaamheden kunnen onder voorwaarden eventueel jaarrond worden uitgevoerd. In dat geval dienen deze uitsluitend tijdens hoogwater te worden verricht. Tijdens hoogwater zijn er namelijk geen aangewezen wadvogels in de omgeving aanwezig die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord. • Daarnaast is er mogelijk een conflict door een toename in stikstofdepositie.

Om die reden adviseren wij om van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een AERIUS-berekening te laten uitvoeren. Overige vormen van gebiedsbescherming De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de wet- en regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ganzenfoerageergebied en Weidevogelkansgebied. Soortbescherming De beoogde werkzaamheden veroorzaken geen conflict met de Wnb ten aanzien van beschermde soorten, mits broedende vogels en hun nesten niet worden verstoord. In paragraaf 4.3 wordt aangegeven hoe hier aan kan worden voldaan.

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

17

6 Literatuur

Dietrich, K. & C. Koepff 1986. Wassersport im Wattenmeer als Störfaktor for brütende und rastende Vögel . Natur und landsschaft 61 : 220-225. 36 IBN-rapport 207 Emmerik, W.A.M. van & H.W. de Nie, 2006. De zoetwatervissen van Nederland. Ecologisch bekeken. Vereniging Sportvisserij Nederland, Bilthoven Fieten, N., M. Frauendorf, B.J. Ens, 2022 'Quickscan' handelingsperspectief voor hoogwatervluchtplaatsen in de Nederlandse Waddenzee. Mogelijke maatregelen ten aanzien van menselijke verstoring. A&W-rapport 21-416, Sovon-rapport 2022/28, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden / Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Krijgsveld K.L., B. Klaassen & J. van der Winden, 2022. Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist Meijles, E., E. van der Veen, F. Sijtsma, B.J. Ens, E. van der Zee, M. Vroom & B. van der Tuuk, 2019. Recreatievaart en natuur in de Waddenzee – seizoen 2018. Ministerie van Infrastructuur en Milieu en Rijkswaterstaat Noord-Nederland, 2016. Kaartenbijlage Natura 2000-beheerplan Waddenzee. Periode 2016-2022. Programma naar een rijke Waddenzee. Reijnen, M.J.S.M., G. Veenbaas & R.P.B. Foppen 1992. Het voorspellen van het effect van snelverkeer op broedvogelpopulaties.

Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Wegen Waterbouw/ Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Leersum/ NIVO drukkerij, Delft.

Websites ● NDFF: https://ndff-ecogrid.nl/ ● Natura2000.nl ● http://www.ikpasophetwad.nl/ik-pas-op-het-wad/erecode/

18

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Bijlage 1 Natura 2000-instandhoudingsdoelen en kernopgaven Tabellen met instandhoudingsdoelen van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten waarvoor Duinen Terschelling, Waddenzee en Noordzeekustzone zijn aangewezen. De symbolen in de betreffende kolommen geven de volgende doelstelling aan:

• • • •

= behoud; < uitbreiding; = (<) behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde; = (<) uitbreiding oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van andere in besluit met name genoemde waarde;

Betekenis van het gebied, naar oppervlakte van het habitattype. Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte:

• • • • • • •

A4: >75%; A3: 50-75%; A2: 30-50%; A1: 15-30%; B2: 6-15%; B1: 2-6%; C: <2%

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

19

De kernwaarden die van toepassing zijn op de betreffende Natura 2000-gebieden. Kernopgave 1.03

Beschrijving kernwaarde Verbetering kwaliteit permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied) H1110_A o.a met biogene structuren met mossels. Tevens van belang als leefgebied voor eider A063 en zwarte zee-eend A065 en als kraamkamer voor vis.

1.07

Herstel zoet-zout overgangen (bijvoorbeeld via spuiregime en vistrappen) i.h.b. visintrek Afsluitdijk, Westerwoldse Aa en Lauwersmeer/Reitdiep in relatie tot Drentse Aa (rivierprik H1099).

1.09

Behoud van verbinding met Schelde en Eems ten behoeve van paaifunctie voor fint H1103 in België en Duitsland.

1.10

Verbetering kwaliteit slik- en zandplaten (getijdengebied) H1140_A ten behoeve van vergroting diversiteit.

1.11

Behoud slikken en platen voor rustende en foeragerende niet-broedvogels zoals voor bonte strandloper

A149,

rosse

grutto

A157, scholekster

A130, kanoet

A143, steenloper

A169 en eider A063 en rustgebieden gewone zeehond (H1365) en grijze zeehond H1364). 1.13

Behoud ongestoorde rustplaatsen en optimaal voortplantingshabitat (waaronder embryonale duinen H2110) voor bontbekplevier A137, strandplevier A138, kluut A132, grote stern A191, dwergstern A195, visdief A193 en grijze zeehond H1364.

1.16

Behoud (Waddenzee) en herstel (Delta) van schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330_A met alle successiestadia, zoet-zout overgangen, verscheidenheid in substraat en getijregime en mede als hoogwatervluchtplaats.

2.01

Ruimte voor natuurlijke verstuiving: witte duinen 2120 en embryonale duinen H2110 o.m. van belang als habitat voor kleine mantelmeeuw (A183), dwergstern (A195), bontbekplevier (A137) en strandplevier (A138).

2.02

Uitbreiding en herstel kwaliteit van grijze duinen *H2130, ook als habitat van tapuit (A277), velduil (A222) en blauwe kiekendief (A082), door tegengaan vergrassing en verstruweling.

2.03

Behoud oppervlakte en kwaliteit duinheiden met kraaihei *H2140 en duinheiden met struikhei *H2150.

2.05

Behoud oppervlakte en herstel kwaliteit van vochtige duinvalleien (kalkrijk) H2190_B. Behoud vochtige duinvalleien H2190 als habitat van roerdomp A021, lepelaar A034, blauwe kiekendief A082, velduil A222, noordse woelmuis *H1340, nauwe korfslak H1014 en groenknolorchis H1903 (vergroting oppervlakte is vrijwel overal gedaan). Op Terschelling en Schiermonnikoog meer ruimte voor duinbossen (vochtig) H2180_B.

2.08

Herstel

hydrologie/vochtgradiënt

graslanden

*H6230 en

duinbossen

blauwgraslanden

(binnenduinrand)

H2180_C,

heischrale

H6410 (Schouwen,

Texel,

Terschelling,

Schiermonnikoog, langs vastelandskust én Goerree en Voorne). Op Texel mede t.b.v. noordse woelmuis *H1340

20

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Natura 2000-instandhoudingsdoelen en kernopgaven Duinen Terschelling

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

21

22

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Natura 2000-instandhoudingsdoelen en kernopgaven Waddenzee

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

23

24

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

25

26

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Natura 2000-instandhoudingsdoelen en kernopgaven Noordzeekustzone

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

27

28

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te Midsland, West-Terschelling

Bijlage 2 Natura 2000-habitattypen op en rond Terschelling

A&W-notitie 22-455 - Ecologische beoordeling van revitalisering van het havenfront te West-West-Terschelling

Bijlage 3

Zeehondenligplaatsen in de Waddenzee

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=115f3c0c-e9b4-449f-a7b1-6b0968d848fb