CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij addendum Quickscan & vervolgstappen OW FaunaX- Hoofdweg te Halfweg- augustus 2024

Raadsvergadering 4 maart 2026, gemeente TerschellingBij agendapunt: (B) Voorbereidingskrediet Halfweg6.964 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2024 1

Quickscan Omgevingswet Hoofdweg te Halfweg (West-Terschelling)

++

COLOFON BUREAU FAUNAX B.V. Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Omgevingswet Hoofdweg te Halfweg (West-Terschelling) Leeuwarden, augustus 2024 In opdracht van: RHO Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX B.V. Veldwerk en rapportage: Dhr. R. Fokker Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied. © Bureau FaunaX B.V. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX B.V. (2024). Quickscan Omgevingswet/ Hoofdweg te Halfweg (West-Terschelling). Rapport 24181-A. Bureau FaunaX B.V., Leeuwarden. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Bureau Faunax B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend.

Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX B.V., verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Gegevens die afkomstig zijn uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) mogen niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ...............................................................................................................................2

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1

Flora .............................................................................................................................. 4

2.2

Vogels ........................................................................................................................... 4 Jaarrond beschermde vogelnesten .............................................................................. 4

2.3

Zoogdieren ....................................................................................................................7 Vleermuizen ..................................................................................................................7 Overige zoogdieren ...................................................................................................... 8

2.4

Reptielen....................................................................................................................... 8

2.5

Amfibieën ..................................................................................................................... 8

2.6

Vissen ........................................................................................................................... 9

2.7

Ongewervelden ............................................................................................................ 9

2.8

Gebiedsbescherming ................................................................................................... 10 Stikstofgevoeligheid ..................................................................................................... 11

2.9 3

4

Houtopstanden ............................................................................................................ 11

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 12 3.1

Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 12

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 12

3.3

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 14

LITERATUUR EN BRONNEN ........................................................................................15

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Ow Soortbescherming ........................................................................................................- 1 Ow Gebiedsbescherming ................................................................................................... - 4 Ow Houtopstanden ........................................................................................................... - 5 -

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens ca. 50 wooneenheden te realiseren op enkele agrarische percelen aan de Hoofdweg te Halfweg. Ruimtelijke plannen zoals deze dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000, NatuurNetwerk Nederland, weidevogelgebieden en/of ganzengedooggebieden), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Voor meer informatie over de Omgevingswet (hierna Ow) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I.

Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te Halfweg.

1

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Omgevingswet beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden en/of houtopstanden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van RHO Adviseurs heeft Bureau FaunaX B.V. het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op vrijdag 26 juli 2024 en vond plaats onder warme weersomstandigheden (20°C, windkracht 3, half bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Omgevingswet worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Omgevingswet zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het NatuurNetwerk Nederland, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

2

1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bestaat uit enkele agrarische percelen aan de Hoofdweg te Halfweg, een buurtschap dat officieel onderdeel is van West-Terschelling. De percelen bestaan grotendeels uit grasland waarop vee wordt gehouden met daaromheen sloten en bomenrijen met daarin soorten als els en eik. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door het bebouwde gebied van Halfweg, het duin- en boslandschap van Terschelling en agrarisch gebied, doorspekt met bomenrijen en sloten. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van ca. 50 wooneenheden binnen het plangebied. De exacte invulling hiervan, zoals de opstelling van de wooneenheden, is nog niet concreet. Mogelijk worden sloten gedempt en/of bomen gekapt als onderdeel van het planvoornemen.

Figuur 1.2. Een impressie van het plangebied.

3

2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Verdeeld over Terschelling zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend van diverse soorten vaatplanten die bescherming genieten onder de Omgevingswet (bron: NDFF). Bekende groeiplekken van de meeste van deze soorten, zoals bokkenorchis, dennenorchis en groenknolorchis beperken zich tot specifieke plekken op Terschelling, zoals duinlandschappen, waar binnen het plangebied geen sprake van is. Daarnaast staan binnen het plangebied geen kunstwerken waar soorten als muurbloem op kunnen groeien. De aanwezigheid van beschermde flora binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. •

De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.

2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Met uitzondering van de provincie Groningen wordt door iedere provincie een lijst van vogelsoorten waarvan nesten in de betreffende provincie jaarronde bescherming genieten gehanteerd. In deze lijsten wordt onderscheidt gemaakt tussen verschillende categorieën. De lijst van de provincie Fryslân kent vijf categorieën: Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (Fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 4: Nesten van vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkomen naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Daarom is een omgevingscheck noodzakelijk. Met uitzondering van soorten onder categorie 5 genieten de nesten van vogelsoorten onder bovenstaande categorieën jaarronde bescherming in de provincie Fryslân. Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen binnen en vlak buiten het plangebied werden gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten. In een boom ten zuidoosten, vlak buiten het plangebied werd een enkel relatief groot boomnest, waarschijnlijk een nest van een kraaiachtige aangetroffen (figuur 2.1).

4

Gelet op de goed verdekte locatie van het nest kan naar ons inzicht niet op voorhand worden uitgesloten dat dit een nestlocatie van een soort als buizerd, sperwer, ransuil of boomvalk betreft. Hoewel de boom waarin dit nest zich bevindt binnen het planvoornemen niet wordt aangetast, kunnen de werkzaamheden wel gepaard gaan met negatieve effecten op dit nest. Negatieve effecten op een eventueel jaarrond beschermd boomnest als gevolg van het planvoornemen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.1. Een boomnest vlak buiten het plangebied.

5

Figuur 2.2. De locatie van het boomnest (gele stip) ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd).

Gebouwbroeders Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van vogelsoorten die over het algemeen in bebouwing tot broeden komen, zoals huismus (cat. 1), ringmus (cat. 2) en kerkuil (cat. 1). Binnen de invloedsfeer van het planvoornemen staan echter geen kunstwerken waar dergelijke vogelsoorten in tot broeden kunnen komen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in kunstwerken binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Overige jaarrond beschermde nesten In de provincie Fryslân zijn een aantal soorten, waaronder de soort scholekster aangewezen als zogenaamde ‘categorie 5’ soorten. De nesten van deze soorten genieten alleen jaarronde bescherming indien er sprake is van zwaarwegende ecologische redenen, zoals de afwezigheid van (voldoende) alternatieve nestgelegenheid op korte afstand. Het plangebied biedt in potentie geschikt broedbiotoop voor soorten als de scholekster. Gezien de ligging van het plangebied in een omgeving die deels wordt gekenmerkt door vergelijkbare agrarische percelen is er naar ons inzicht sprake van voldoende alternatieve nestgelegenheid en genieten eventuele nesten van scholeksters geen jaarronde bescherming. Dergelijke nesten zijn wel beschermd op het moment dat er sprake is van een actief broedgeval (zie kopje Overige (broed)vogelsoorten). • •

6

De aanwezigheid van een eventueel jaarrond beschermd boomnest vlak buiten het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van overige jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan wel op voorhand worden uitgesloten.

Overige (broed)vogelsoorten Naast op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Het plangebied en de omgeving daarvan biedt broedmogelijkheden voor deze vogelsoorten. Zoals hierboven besproken genieten nesten van soorten als de scholekster in het geval van dit plangebied geen jaarronde bescherming, maar zijn deze wel beschermd wanneer er sprake is van een actief broedgeval. Daarnaast kunnen soorten als houtduif tot broeden komen in de bomen binnen en vlak buiten het plangebied en bieden de sloten geschikte nestgelegenheid voor watergebonden vogelsoorten, zoals wilde eend. Hoewel de nesten van deze soorten geen jaarronde bescherming genieten, zijn deze wel beschermd op het moment dat er sprake is van een actief broedgeval. Het broedproces van deze soorten vindt over het algemeen plaats in de broedperiode, welke grofweg loopt van 15 maart tot 15 juli. Deze periode kan echter eerder beginnen of later eindigen, afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden. Wat van belang is, is of er sprake is van een actief broedgeval. Zo ja, dan is deze beschermd. •

Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen andere vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).

2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. De bomen binnen en vlak buiten het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van gaten die in potentie verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen herbergen. Dergelijke gaten werden niet aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Binnen de invloedsfeer van het planvoornemen staan daarnaast geen kunstwerken waar vleermuizen in kunnen verblijven. Ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in kunstwerken kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes Ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor de instandhouding van een populatie vleermuizen in de omgeving. Als vliegroutes worden doorgaans lijnvormige landschapselementen gebruikt, zoals bomenlanen, houtwallen, watergangen en gebouwenrijen. De bomenrijen binnen het plangebied zijn waarschijnlijk onderdeel van één of meer vliegroutes van vleermuizen.

Gezien de ligging van het plangebied in een omgeving die wordt gekenmerkt door een stelsel van vergelijkbare bomenrijen en op korte afstand van de bosrand van het duinlandschap van Terschelling biedt deze omgeving naar ons inzicht voldoende alternatieve vliegroutes. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied is waarschijnlijk tevens onderdeel van een groter foerageergebied van vleermuizen. Ook in dit geval biedt de omgeving van het plangebied geschikte alternatieve foerageergebieden, zoals het duinlandschap van Terschelling en vergelijkbare percelen met

7

bomenrijen. Negatieve effecten op essentieel foerageergebied als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. • • •

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentieel foerageergebied van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren. Op Terschelling zijn geen recente (<10 jaar) waarnemingen bekend van soorten als waterspitsmuis, otter, noordse woelmuis, boommarter, das, hermelijn, wezel of bunzing (bron: NDFF). Negatieve effecten op (het leefgebied van) deze soorten als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. De soort konijn is daarnaast in de provincie Fryslân vrijgesteld van ruimtelijke ingrepen. Binnen het plangebied kunnen, naast konijn, andere zoogdiersoorten aanwezig zijn die binnen de provincie Fryslân ten tijde van dit schrijven zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten dient men zich te houden aan de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (Bijlage I). • •

De aanwezigheid van (leefgebied van) overige beschermde zoogdiersoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen andere licht beschermde soorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).

2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. Uit Terschelling zijn waarnemingen bekend van de soorten levendbarende hagedis en zandhagedis. Met name levendbarende hagedis wordt regelmatig waargenomen. In het geval van het plangebied en de omgeving daarvan zijn waarnemingen van deze soorten uitsluitend bekend uit het duinlandschap in noordelijke richting. Uit agrarische percelen rond het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten (bron: NDFF), noch is hier sprake van geschikt leefgebied hiervoor. De kans op aanwezigheid van (leefgebied van) levendbarende hagedissen en/of zandhagedissen binnen het plangebied wordt dusdanig klein geacht dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden bij de voortgang van het project. •

De aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde reptielen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

2.5 Amfibieën Uit vrijwel ieder deel van Terschelling zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend van de soort rugstreeppad, waaronder uit de omgeving van Halfweg en West-Terschelling (bron: NDFF). Hoewel de meeste van deze waarnemingen afkomstig zijn uit het duinlandschap, wordt de soort ook met enige regelmaat waargenomen op agrarische percelen in de omgeving van het plangebied (bron: NDFF).

8

De sloten binnen het plangebied worden beschaduwd door bomenrijen en warmen niet snel op. Dit maakt dat de kans dat deze sloten gebruikt worden als voortplantingswater door deze soort naar ons inzicht dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden bij de voortgang van het project. De rugstreeppad staat bekend om zijn relatief zeer lange dispersieafstand tussen voortplantingshabitat en landhabitat, dat voornamelijk bestaat uit plekken met makkelijk vergraafbare, vaak zanderige grond. Ook bestaande ruimtes, zoals muizenholen worden echter met enige regelmaat gebruikt. Het overgrote deel van de lokale populatie zal overwinteren in het duinlandschap waar deze tevens voortplantingswater vindt. Echter, het kan naar ons inzicht, mede gezien de grootte van de lokale populatie niet op voorhand worden uitgesloten dat een klein deel hiervan zal uitwijken naar (agrarische) percelen in de nabijheid van dit duinlandschap, waaronder het plangebied. De aanwezigheid van landhabitat van deze soort kan derhalve naar ons inzicht niet op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied komen tevens andere, lichter beschermde amfibieën voor. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I). • • •

De aanwezigheid van landhabitat van rugstreeppad binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde amfibieën binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten geldt de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).

2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort die redelijkerwijs voor kan komen in de sloten binnen het plangebied is grote modderkruiper. Van deze soort zijn echter geen recente (<5 jaar) waarnemingen bekend uit Terschelling. Negatieve effecten op (leefgebied van) de grote modderkruiper of andere beschermde zoetwatervissen als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. In de sloten komen waarschijnlijk wel andere, lichter beschermde vissoorten voor. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I). •

•

Negatieve effecten op (leefgebied van) de grote modderkruiper en andere beschermde zoetwatervissen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten geldt de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).

2.7 Ongewervelden De meeste onder de Ow beschermde soorten ongewervelden, zoals dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen die in specifieke biotopen worden aangetroffen. Van dergelijke habitateigenschappen is binnen het plangebied geen sprake. Zo is er geen geschikt habitat voor waardplanten van beschermde vlinders en worden er geen geschikte waterpartijen aangetast waarin beschermde libellen zich voort kunnen planten. 9

Hoewel uit Terschelling waarnemingen bekend zijn van soorten als duinparelmoervlinder, kommavlinder, gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel kunnen negatieve effecten op (leefgebied van) hiervan als gevolg van het planvoornemen op voorhand worden uitgesloten. •

Negatieve effecten op leefgebied van beschermde ongewervelden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is opgenomen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN) als NNN beheergebied (figuur 2.3). Als gevolg van het planvoornemen gaat een deel van dit NNN beheergebied verloren. Negatieve effecten op de NNN als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.3. Het plangebied (rood omlijnd) is aangewezen als NNN Beheergebied (roze vlakken) (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).

Natura2000 Halfweg wordt begrensd door een tweetal Natura2000-gebieden, Waddenzee en Duinen Terschelling (bron: Kaartenkijkdoos). Het planvoornemen heeft slechts betrekking op percelen met een agrarische invulling op ten minste 130 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, Duinen Terschelling.

10

We verwachten dat het planvoornemen hierdoor niet gepaard zal gaan met significant negatieve externe werking op deze Natura2000-gebieden (anders dan als gevolg van stikstofuitstoot). De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in deze en kan een andere mening hebben hierover. Bij twijfel kan contact opgenomen worden met de provincie Fryslân, het bevoegd gezag in deze. Weidevogelkansgebied Het plangebied wordt oostelijk begrenst door een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân). Het planvoornemen kan gepaard gaan met negatieve effecten op dit gebied, bijvoorbeeld als gevolg van verstoring van broedgevallen indien de voorgenomen werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het broedseizoen. Ganzenfoerageergebied Het plangebied wordt aan de oostzijde tevens begrenst door een ganzenfoerageergebied onder beheer van Agrarische Natuurvereniging Waddenvogels (bron: Kaartenkijkdoos provincie Fryslân). Dit betreft een relatief groot gebied, waar een groot deel van de agrarische percelen tussen West-Terschelling en Oosterend onderdeel van is. Met het oog hierop zijn er naar ons inzicht voldoende uitwijkmogelijkheden voor rustende ganzen en kunnen negatieve effecten op de doelstellingen van dit ganzenfoerageergebied als gevolg van het planvoornemen op voorhand worden uitgesloten. • •

Negatieve effecten op het NNN en een weidevogelkansgebied als gevolg van het planvoornemen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op de doelstellingen van overige beschermde gebieden (anders dan als gevolg van stikstofuitstoot) kunnen wel op voorhand worden uitgesloten.

Stikstofgevoeligheid Halfweg wordt begrensd door een tweetal Natura2000-gebieden (Duinen Terschelling en Waddenzee) (bron: AERIUS-calculator). Binnen het planvoornemen worden ca. 50 wooneenheden gerealiseerd. Hierbij komt waarschijnlijk extra stikstof vrij, bijvoorbeeld als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen. Mogelijk is voor de voortgang van het project een AERIUS-berekening benodigd. De provincie Fryslân is bevoegd gezag in deze. •

Mogelijk is een AERIUS-berekening benodigd voor de voortgang van het project. De provincie Fryslân is bevoegd gezag in dezen.

2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwingscontour houtkap kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Het planvoornemen bevindt zich buiten bestaand stedelijk gebied (bron: DSO Kadaster). Daarnaast staan er meer dan 20 bomen in de bomenrijen binnen het plangebied. Indien er bomen worden gekapt is er derhalve mogelijk sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. •

Er is mogelijk sprake van een meld- en/of herplantingsplicht

11

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Omgevingswet, onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep

Soort

Aanwezigheid

Vogels

Algemene Broedvogels

Ja

X

Werken buiten broedseizoen of onder begeleiding van een ecoloog.

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Jaarrond beschermd boomnest Rugstreeppad (landhabitat)

Vogels Amfibieën Overige soortgroepen Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming Houtopstand en

Mogelijk

Art 11.37 Bal Art. 11.46 Bal

Art. 11.54 Bal

X

Vrijgesteld Advies

Overleg bevoegd gezag.

Overige soorten

Ja

Specifieke zorgplicht.

NNN

Ja

Overleg bevoegd gezag.

Weidevogelkansg Ja ebied (extra) Ja Stikstofuitstoot Meld- en/of Mogelijk herplantingsplicht

Werken buiten broedseizoen. Informeren bij de provincie Fryslân. Informeren bij de provincie Fryslân.

3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Een deel van deze soorten betreffen soorten die in de provincie zijn aangewezen als zogenaamde ‘categorie 5’ soorten, waaronder de scholekster. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Jaarrond beschermd boomnest Vlak buiten het plangebied werd ten tijde van het veldbezoek een boomnest aangetroffen waarvan niet kon worden uitgesloten dat dit het jaarrond beschermde nest van een soort als buizerd, sperwer, ransuil of boomvalk betreft. Hoewel dit nest zich buiten het plangebied bevindt, kunnen de voorgenomen werkzaamheden gepaard gaan met negatieve effecten hierop, bijvoorbeeld als gevolg van verstoring van het nest tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden.

We adviseren derhalve voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden gericht nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van een jaarrond beschermd boomnest vast te stellen, dan wel uit te sluiten.

12

Dit kan het beste gebeuren aan de hand van een aantal gerichte veldbezoeken in het voorjaar, wanneer de trefkans het hoogst is. Indien een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen dient voor de desbetreffende soort een vergunning te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Rugstreeppad (landhabitat) Gezien de dichte verspreiding van de rugstreeppad op Terschelling, waaronder in het duinlandschap ten noorden van het plangebied, kan niet worden uitgesloten dat een klein aantal individuen zich naar het plangebied zal verplaatsen om hier te overwinteren. Het uitvoeren van gericht nader onderzoek naar landhabitat van deze soort is vrijwel onmogelijk. Daarnaast is de kans op aanwezigheid van landhabitat naar ons inzicht relatief klein. We adviseren derhalve in overleg te treden met het bevoegd gezag, de provincie Fryslân, over te nemen maatregelen voor wat betreft deze soort. Specifieke zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen. De specifieke zorgplicht geldt voor de fysieke leefomgeving, inclusief elke soort en elk individu in Nederland. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I. NNN Het plangebied is onderdeel van het NNN. Als gevolg van het planvoornemen gaat een deel van het NNN verloren. Mogelijk is hiervoor compensatie benodigd. We adviseren hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag in deze, de provincie Fryslân. Weidevogelkansgebied Het plangebied wordt begrensd door een weidevogelkansgebied. Het planvoornemen kan gepaard gaan met negatieve effecten hierop, bijvoorbeeld als gevolg van verstoring van broedende weidevogels. We adviseren de werkzaamheden derhalve buiten de broedperiode (grofweg 15 maart – 15 juli) uit te voeren. Indien buiten het broedseizoen wordt gewerkt kunnen negatieve effecten op de doelstellingen van het weidevogelkansgebied naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. (extra)Stikstofuitstoot Voor de voortgang van de voorgenomen werkzaamheden is mogelijk een AERIUS-berekening benodigd. We adviseren te informeren bij het bevoegd gezag in deze, de provincie Fryslân. Houtopstanden Het plangebied bevindt zich buiten bestaand stedelijk gebied.

Indien er bomen worden gekapt is er derhalve mogelijk sprake van een meld- en/op herplantingsplicht. In dat geval adviseren we te informeren bij de provincie Fryslân hierover.

13

3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • • • • • • •

14

Algemene broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Boomnest: nader onderzoek. Rugstreeppad: overleg bevoegd gezag. NNN: overleg bevoegd gezag. Weidevogelkansgebied: werken buiten broedseizoen. Overige soorten: naleven van de specifieke zorgplicht (Bijlage I). AERIUS-berekening: informeren bij provincie Fryslân. Houtopstanden: informeren bij provincie Fryslân.

4 LITERATUUR EN BRONNEN Bronnen internet AERIUS-calculator https://calculator.aerius.nl/ DSO Kadaster https://viewer.dso.kadaster.nl/viewer?regelsandere=regels Google Maps https://www.google.com/maps NDFF https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/ Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Waarneming.nl https://waarneming.nl Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

15

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

Ow Soortbescherming De Omgevingswet draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Omgevingswet verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 11.37 en 11.46 in het Besluit activiteiten leefomgeving, hierna Bal). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 11.54 Bal). Binnen de Omgevingswet vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 11.46 Bal) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle (op Europees grondgebied) inheemse vogelsoorten, zoals benoemd in artikel 1 van de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, opzettelijk te beschadigen, te rapen of nesten van vogels opzettelijk weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort of wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces of wanneer een activiteit van belang is voor de instandhouding van een soort. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen), de mate van verstoring en de effecten van het niet uitvoeren van een activiteit. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring of noodzakelijke activiteit.

In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Habitatrichtlijn Voor alle soorten die zijn opgenomen onder bijlage IV van de habitatrichtlijn (onderdeel a), bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (excl. vogels benoemd onder artikel 1 van de vogelrichtlijn) geldt dat het verboden is om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen, te verstoren, hun eieren te vernielen of te rapen en voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Daarnaast geldt voor de soorten die worden genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn (onderdeel b) en

-1-

bijlage I van het verdrag van Bern dat het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen verboden is. Dit verbod is niet van toepassing wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Of dit van toepassing is hangt ook in dit geval af van meerdere factoren, zoals de periode van het jaar waarin jongeren worden geworpen, de bloeiperiode, de mate van verstoring en de effecten van het niet uitvoeren van een activiteit. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als noodzakelijke activiteit. Overige in Nederland beschermde soorten In bijlage IX, onderdeel a van het Bal worden nationaal beschermde soorten genoemd. Het is verboden deze opzettelijk te doden of in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers die zijn opgenomen in deze bijlage te vangen. Het is tevens verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van deze soorten opzettelijk te beschadigen en te vernielen. Hiernaast is het verboden om soorten die zijn opgenomen onder onderdeel b van bijlage IX te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Dit verbod geldt niet voor de soorten bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook geldt dit verbod niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân Hoewel de Omgevingswet een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Omgevingsverordening 2022 door de Provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-13499.pdf Tabel 1. Vrijgestelde Verordening Omgevingswet Provincie Fryslân.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Amfibieën Bastaard(middelste groene)kikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de Provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Omgevingswet zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen:

-2-

a. In het kader van ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. In het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten tweede is het van belang dat er de vrijstelling alleen van toepassing als geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is (artikel 11.59 Bal) en geen andere bevredigende oplossing voorhanden is (Artikel 8,74l, lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving, hierna Bkl). Ten derde geldt de aangewezen vergunningsvrije activiteit voor de in bijlage 5.1 van de Omgevingsverordening bij betreffende soort genoemde vergunning-vrije activiteiten, middelen en methoden, en indien wordt voldaan aan de aldaar gestelde aanvullende voorschriften. Ten vierde blijft de zorgplicht, zoals bepaald in artikel 11.27 (Bal) onverminderd van kracht met het toepassen van de hierboven benoemde aangewezen vergunning-vrije activiteit.

Indien bovengenoemde voor ruimtelijke ingrepen vrijgestelde soorten voorkomen binnen een plangebied of buiten een plangebied, maar binnen de invloedsfeer van een planvoornemen, is een vergunning voor deze soort dus niet nodig. Zorgplicht art 11.27 Bal Onder de Ow zijn twee vormen van zorgplicht benoemd; een algemene zorgplicht en een specifieke zorgplicht. De algemene zorgplicht houdt in dat overheden, bedrijven en burgers allen verantwoordelijk zijn voor de leefomgeving. Wanneer sprake is van specifieke rijksregels, bijvoorbeeld in het geval van ruimtelijke ingrepen wordt deze algemene zorgplicht vervangen door een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). In deze specifieke zorgplicht wordt benoemd dat een handeling onder deze specifieke zorgplicht valt als de persoon die de handeling uitvoert weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook het nalaten van een handeling kan onder deze specifieke zorgplicht vallen. De specifieke zorgplicht voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen kan worden opgedeeld in drie stappen voor de persoon die de handeling uitvoert. Deze persoon is verplicht; a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. b.

Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wanneer ruimtelijke ingrepen betrekking hebben op een rijksmonument of werelderfgoed zijn opties b en c niet aan de orde.

-3-

Ow Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS), Natura 2000-gebieden en bijzondere natuurgebieden en landschappen. NatuurNetwerk Nederland Strikt genomen valt slechts een deel van het NNN onder de Omgevingswet aangezien dit deels bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. In artikel 7.8 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Deze wezenlijke kenmerken en waarden worden provinciaal vastgesteld conform artikel 7.7 van het Bkl. Ook het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in de Omgevingswet. In artikel 7.8 Bkl wordt beschreven dat de regels, die worden opgesteld door de provincies verzekeren dat in ieder geval de kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt behouden en dat, als binnen het NatuurNetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijft.

Natura 2000-gebieden Indien werkzaamheden worden uitgevoerd die invloed hebben op een Natura2000-gebied moet onderscheid worden gemaakt tussen een Natura2000-activiteit en een andere type activiteit. Een natura2000-activiteit wordt in artikel 1.1 van de omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura2000-gebied.” Tenzij sprake is van een vergunningsvrij geval dient voor deze activiteiten een voortoets te worden uitgevoerd. Hoewel voor andere typen activiteiten of voor vergunningsvrije activiteit geen vergunningsplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing. Onder de Omgevingswet wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering, welke tevens onderdeel was van de voormalige Wet natuurbescherming voortgezet. Beleidsregels met betrekking tot intern en extern salderen blijven voorlopig onveranderd. Zo vindt vergunningverlening voor natura2000-activiteiten met stikstofdepositie plaats aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS register.

Bijzondere natuurgebieden en landschappen Zowel de staat als provincies kunnen op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet bijzondere natuurgebieden en in het geval van provincies bijzondere landschappen aanwijzen. In het geval van bijzondere nationale natuurgebieden kunnen deze worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura2000-gebied. In het geval van bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen hanteert de betreffende provincie hierin eigen juridische bescherming. Zo is in sommige provincies een zogenaamde ‘nee, tenzij’principe van kracht, waardoor sprake is van juridisch beschermingsregime naast het NNN en Natura2000.

-4-

Ow Houtopstanden In Afdeling 11.3 Bal zijn de regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen opgenomen. Het vellen van (een deel van) houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en een herplantplicht (art 11.129 Bal). Deze bescherming geldt alleen voor houtopstanden vanaf 10 are en bomenrijen met meer dan 20 bomen, buiten een zogenaamde ‘bebouwingscontour houtkap’. Deze moet worden aangewezen in een omgevingsplan en is hierin terug te vinden. Indien dit niet het geval is, kan een voorloper, zoals de bebouwde kom Wet natuurbescherming of Boswet worden geraadpleegd. Als uitbreiding hierop is tevens een specifieke zorgplicht van kracht voor het vellen van houtopstanden, het herplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gedaan (art 11.116 Bal). Deze specifieke zorgplicht stelt dat degene die vellings- en herbeplantingsactiviteiten en handel in hout uitvoert of in het bezit is van hout verplicht is om nadelige gevolgen op natuurbescherming, instandhouding areaal houtopstanden in Nederland en de bescherming van landschappelijke waarden achterwege te laten, tenzij dit niet redelijkerwijs kan worden gevergd. Indien hier sprake van is, dienen negatieve effecten zoveel mogelijk te worden beperkt en/of ongedaan te worden gemaakt. Aan deze wetgeving zijn enkele uitzonderingen, naast de reeds genoemde uitzonderingen.

Zo zijn houtopstanden op erven of in tuinen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen niet ouder dan 20 jaar, kweekgoed, uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting, beplanting langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, dunningen en beplantingen van populieren, wilgen, essen of elzen voor de productie van biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar worden geoogst, bestaan uit minstens 10.0o0 stoven/ha/beplantingseenheid en die zijn aangelegd na 1 januari 2013 uitgezonderd.

-5-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=82856010-c373-45c0-8b17-2a2eaedcc62f